De Biotoop: broedplaats, kraakpand of commune?

Aan de rand van het dorp Haren, ten zuiden van de stad Groningen, ligt De Biotoop- een creatieve broedplaats waar ambachten en disciplines elkaar ontmoeten. Op zondag 27 mei gingen de deuren open tijdens de BiotOPENdag. Ook voor POM Magazine’s Bert van der Zee. Lees in zijn sfeerbeschrijving hoe hij in de ban van De Biotoop raakte.

Tot het begin van de 21ste eeuw moest je als student biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen naar het dorpje Haren fietsen om colleges te volgen in het grote gebouwencomplex naast de Hortus Botanicus. Een typisch voorbeeld van de glas- en betonarchitectuur uit de jaren 60/70 van de vorige eeuw. Tientallen jaren lang werd het uit zeven vleugels bestaande complex gevuld met studenten, maar sinds 2010 zijn de colleges in de hypermoderne Linnaeusborg in het noorden van de stad Groningen. Er kwam 30.000 vierkante meter vrij in het voormalige Biologisch Centrum. Hiervoor mocht een nieuwe bestemming gevonden worden. Simpele ‘anti-kraak’ is uit de mode en het creëren van een broedplaats is een populaire oplossing. Zo werd het Biologische Centrum in 2013, De Biotoop.

Omringd door veel groen ligt het grote complex ietwat verscholen naast de Hortus Botanicus. Eenmaal achter een haag van bomen en struikgewas doemt het gebouw als een enorme gestalte op. Een jaren ‘70 gevoel beklijft vanwege de architectuur. Van binnen ruikt het soms naar het verleden, die vertrouwde muffe statische geur van oude schoolgebouwen. In de ateliers houden veel gebruikers de oorspronkelijke inrichting in stand: lange laboratorium werktafels langs de wanden en ontkoppelde kranen met gele knoppen. De gangen zijn soms nauw, soms ruim. Verbonden door zwevende aquarium gangen loop je van vleugel naar vleugel. Het gebouw is bezaaid met kunst: schilderijen, kindertekeningen, fotocollages, installaties en een gang vol met ouderwetse elektrische orgels- een pretpark voor de zintuigen. In vleugel B is een diepe collegezaal nu als bioscoop in gebruik.

Vele kunstenaars en ambachtslieden vinden in De Biotoop een betaalbare werkruimte en de passies zijn al even divers. In de kelder produceren jonge brouwers appelcider van de appeloogst die bewoners uit de buurt elk jaar naar het complex brengen. In een atelier dat te klein is om ooit een klaslokaal geweest te zijn, worden skateboards met houten inlay geproduceerd, met de hand. Eén verdieping van een vleugel ruikt naar ecologische supermarkt en al snel blijkt waarom: een zeepfabriek met handgemaakte zepen vol huidvriendelijke ingrediënten en etherische oliën maakt reclame via de neus. Sommige kinderen uit Haren en hun ouders kennen de Biotoop van binnen en van buiten door de buitenschoolse opvang die in vleugel B is ingericht. Een geluidsstudio staat voor de gelegenheid leeg maar wanneer ik door het raam kijk zie ik verderop een ruimte die tot de nok gevuld is met analoge synthesizers en vintage opnameapparatuur. Iedereen in de geluidsstudio mag zoveel lawaai maken als men wil, dag en nacht. Dat zegt iets over de tolerante sfeer in de broedplaats, waar respect is voor elkaars disciplines en het creatieve proces alle ruimte krijgt.

Voor de meeste bewoners is het creatieve ei al uitgekomen en door zo dicht bovenop elkaar te leven is er ook ruimte voor kruisbestuiving, zij het voornamelijk praktisch. De groenten en kruiden uit de tuin worden verwerkt in de gerechten van het restaurant en een kunstenaar die een levensgrote houten bakfiets annex flipperkast maakte, laat kinderen van de dagopvang hiermee spelen. Drie van de zeven vleugels worden gebruikt door kunstenaars die naar De Biotoop reizen vanuit elders in de regio. In de overige vier vleugels worden ruimtes verhuurd als woningen. De bewoners uit het nabij gelegen seniorencomplex komen regelmatig binnenwandelen, en er is een vleugel met een restaurant en zalen waar onder andere theatergezelschappen optreden en yogalessen en zakelijke workshops plaatsvinden. Zo biedt De Biotoop ingangen voor allerlei bezoekers en begint het gebouw een integrale functie te krijgen voor de lokale gemeenschap en de regio.

De wortels van deze gemeenschap zijn commercieel en het is aan de bewoners om het wiel van een samenleving in het klein, opnieuw uit te vinden. Ik sprak met één van de beeldend kunstenaars van De Biotoop en zij vertelde dat zij zich thuis voelt in deze dynamiek en dagelijks contact heeft met de bewoners die op haar gang wonen. Maar een collega kunstenaar bekent dat hij meestal de kleine nooduitgang gebruikt om het gebouw binnen te komen en te verlaten. Het is een kwestie van tijd om te zien hoe de broedplaats zich gaat ontwikkelen. Los van de idealen, De Biotoop brengt Haren een bruisende creatieve sector. Het is een enorme beleving om door dit gebouwencomplex te lopen waar geen enkele gang of verdieping hetzelfde is en het verlangen om te creëren bijna van de muren spat.

Fotografie: Joyce Ter Weele

Kunstenaars Lemmen en Ballen gaan los in Bonnefantenmuseum

Voor de tentoonstelling- Unleashed- stapten de Nederlander Hans Lemmen en de Amerikaan Roger Ballen uit hun comfortzone en gingen een samenwerking aan om nieuw werk te creëren. Dit levert een versmelting op van fotografie en tekenkunst.

Technische grenzen lijken te vervagen en de kunstenaars experimenteren met nieuwe technieken, texturen en manieren om materialen te vormen en te schikken. In de tentoonstelling wordt de bezoeker meegenomen in de gedeelde fascinatie van beide kunstenaars voor de rauwe en wilde krachten die mens en dier leiden. Er wordt zowel gezamenlijk werk als individueel werk van Lemmen en Ballen getoond.

T/m 2 december, Bonnefantenmuseum, Maastricht

Good News For Modern Man in het Groninger Museum

David LaChapelle (1963) begon zijn carrière met fotograferen voor Andy Warhol’s tijdschrift, Interview. Door zijn vernieuwende aanpak behoorde LaChapelle al snel tot de meest invloedrijke fotografen ter wereld. Zijn spectaculaire, kleurrijke en vaak controversiële portretten van beroemdheden zijn uitgegroeid tot archetypische symbolen van deze tijd.

Deze eerste grote solotentoonstelling in Nederland introduceert LaChapelle’s nieuwste serie, New World, waarin hij het “onfotografeerbare” probeert te fotograferen in een zoektocht naar het paradijs. Verder kun je spectaculaire portretten verwachten- van Andy Warhol tot Miley Cyrus- maar ook sterke composities, sprekende kleuren en wonderschoon naakt in de tentoonstelling LaChapelle: Good News for Modern Man.

T/m 28 oktober 2018, in het Groninger Museum.

Architect-Ryan van Kanten

Toen Ryan van Kanten zo’n 15 jaar geleden begon aan zijn loopbaan als architect had hij nou niet de ambitie om een ziekenhuisarchitect te worden. Maar in de loop der jaren schonken zorgprojecten hem heel veel werkplezier. “Bij het ontwerpen van een zorggebouw gaat het om de beleving van mensen die niet graag naar bijvoorbeeld een ziekenhuis gaan”, zo vertelt hij in een interview met POM Magazine. “Het gaat om de invloed die wij architecten kunnen uitoefenen om het een prettiger ervaring te laten zijn. Die uitdaging geeft een extra lading aan je ontwerp.” Met een decennium aan werkervaring in zorgprojecten op zak, klopte Van Kanten (foto) 5 jaar geleden aan bij het Nederlandse architectenbureau, Mecanoo. “Bij Mecanoo waren ze net begonnen aan het nieuwe Zaans Medisch Centrum in Zaandam en ik wilde daar heel graag aan meewerken. Zij konden mij goed gebruiken omdat Mecanoo nog niet veel ervaring had in het bouwen van ziekenhuizen. Nou dat kwam eigenlijk mooi uit”, vertelt hij lachend.

In een ziekenhuis ontworpen door Ryan van Kanten verdwaal je niet. Zijn gebouwen zijn duidelijk, herkenbaar en makkelijk te begrijpen. “Ik begin altijd met een herkenbare structuur in het gebouw door middel van daglicht en uitzicht”, zo vertelt hij. “Mensen moeten meteen begrijpen waar ze naartoe gaan. We hebben het hier over een zorggebouw zoals een ziekenhuis of verpleeghuis. Dat moet je bij alle keuzes die je als architect maakt in gedachte houden. Een verpleeghuis bijvoorbeeld moet voelen als een thuis. Ik wil dat thuisgevoel benaderen. Een gebouw moet niet een gezicht zijn waarachter het allemaal gebeurd, maar in alle vezels van het gebouw moet het voor een gebruiker kloppen: je prettig voelen, prettig werken of prettig wonen. Daar heb je als architect best wel invloed op”. Hoeveel invloed kun je lezen in het artikel Zorgzaam gebouw, waarin Ryan van Kanten in een interview met Klaartje Til uitlegt waarom het voor hem de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Tekening en foto: Mecanoo

Zorgzaam gebouw

Het Nederlandse architectenbureau Mecanoo is internationaal bekend vanwege projecten als het nieuwe station in Delft, de bibliotheek in Birmingham en de campus van de technische universiteit in Manchester. Tot voor kort stonden zorggebouwen niet in Mecanoo’s rijtje met succesvolle projecten. Daar kwam verandering in toen Mecanoo de opdracht kreeg om het nieuwe Zaans Medisch Centrum te ontwerpen. Voor architect Ryan van Kanten een uitgelezen kans om zich als een atypische ziekenhuisarchitect bij Mecanoo op de kaart te zetten. En dat deed hij, met succes. Klaartje Til ging voor POM Magazine naar het kantoor van Mecanoo in Delft om Ryan van Kanten te interviewen, de architect voor wie het de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Ik ga meteen met de deur in huis vallen. Kan een gebouw verzorgend zijn?
Ja, dat denk ik wel, maar dan moet je het gebouw als één geheel zien en niet als een laag die je erop plakt of achteraf toevoegt. Dat is waar wij bij Mecanoo proberen sterk in te zijn. Meteen vanaf het begin van het ontwerpproces zoeken we naar methoden om mensen in het gebouw een beter gevoel te geven. Bij ons project Zaans Medisch Centrum in Zaandam, heeft dat heel goed gewerkt. Het ziekenhuis wilde positiviteit uitstralen en wilde niet een klassieke soort ziekenhuis zijn. Zij hebben ook niet gekozen voor een typische ziekenhuisarchitect, waarvan er een aantal zijn in Nederland en waarvan de ontwerpen allemaal een beetje op elkaar lijken. Het ziekenhuis in Zaandam wilde iets anders. Mecanoo had nog niet eerder een ziekenhuis ontworpen en toch kwamen ze bij ons uit. Juist omdat ze iets anders wilden.

Wat maakt het Zaans Medisch Centrum dan zo anders dan andere ziekenhuizen?
Wat wij heel erg in ons hoofd hadden, was dat dit gebouw niet een ziekenhuisuitstraling mocht krijgen. Je moet niet het gevoel hebben dat je een ziekenhuis binnenkomt. Bij het ontwerpen van een ziekenhuis moet je rekening houden met een aantal zaken, zoals dat het makkelijk schoon te maken is en veiligheid staat voorop. Dat is bij ons ontwerp voor het Zaans Medisch Centrum natuurlijk niet anders geweest, want dat zijn vereisten. Maar in ons ontwerp ligt dat er allemaal niet zo dik bovenop. We hebben het gebouw meer ontworpen als een publiek gebouw dat de bezoekers bij wijze van spreken eerder het gevoel geeft in een foyer van een theater te staan, dan in een ziekenhuis.

Wat maakt een ziekenhuisgebouw dan verzorgend?
In ons ontwerp voor het Zaans Medisch Centrum hebben we geprobeerd om stressmomenten te voorkomen. Mensen gaan met tegenzin naar het ziekenhuis. Maar het moet, omdat ze ziek zijn of zorg nodig hebben. Vlak voordat mensen het ziekenhuis binnenwandelen hebben ze al een bepaald stressniveau. Mensen hebben ook een piek in stressniveau als ze in een wachtruimte zitten, net voordat ze door een dokter binnen geroepen worden. Een architect kan dingen bedenken die positief afleiden waardoor die stresspiek weer naar beneden afgebogen wordt. Voor het Zaans Medisch Centrum hebben we ervoor gekozen om met grafiek te werken. In samenwerking met het Haagse ontwerpbureau Silo is een grafisch ontwerp gemaakt dat tekeningen op de wanden laat zien. Enerzijds om de weg te wijzen, anderzijds om een gevoel van verwondering toe te voegen aan het gebouw. De bezoeker komt een publieke hal binnen van drie verdiepingen hoog en ervaart verwondering bij binnenkomst door een enorm grote tekening van een menselijk lichaam, verwijzend naar de medische wetenschap. Maar als je er goed naar kijkt zie je allerlei kenmerken van de Zaanstreek, zoals traditionele Zaanse huisjes en elementen uit de scheepsbouw. Dat is een grappige manier van afleiding. De eerste indruk is van: “Hé, kijk, wat is dit voor iets bijzonders?” en niet alleen maar: “Oh, daar is de bel, daar is de wachtruimte, daar moet ik zijn zo en zo laat”.

Denk jij als architect in dat soort thema’s?
Ik denk heel erg in termen van oriëntatie en daglicht. Mensen moeten meteen snappen waar ze zijn en waar ze heen moeten. Ze moeten de structuur van het gebouw direct kunnen overzien. Ik vind dat heel belangrijk. Ik vind dat je als architect ervoor moet zorgen dat je bij binnenkomst van een gebouw: rechts en links daglicht ziet, meteen ziet waar een lift is en je direct weet hoe het gebouw in elkaar zit. Daglicht is een must. Ik heb als vuistregel: maak nooit een wachtruimte waar geen daglicht is. Je biologie is erop geënt dat je moet voelen wat voor weer het is buiten, of het een regenachtige dag is of mooi weer. Dat moet je ook gewoon binnen kunnen ervaren. Dat helpt in de geruststelling en de verzachting van het stressgevoel. Daglicht helpt ook in de oriëntatie. Soms ontkomen we er niet aan om een gang inpandig te maken. Dan zorgen we ervoor dat aan het einde van die gang een doorkijk is naar buiten, zodat mensen altijd naar het daglicht toe lopen. En daar waar dat niet lukte hebben wij ervoor gezorgd dat er aan het einde van de gang een oriëntatiepunt met veel kunstlicht is. Zodat er in ieder geval een kijkpunt is naar de bestemming waar iemand naartoe loopt.

Hoe verdiep je jezelf als architect in dit soort aspecten wanneer je een gebouw gaat maken zoals het Zaans Medisch Centrum?
Door veel te praten met de gebruikers die gaan werken in het nieuwe ziekenhuis: de verpleging, de artsen, de maatschappelijk werkers, de vrijwilligers. Zij zijn allemaal ervaringsdeskundigen en hebben heel veel ervaringsinformatie. Tijdens het ontwerpproces hebben we twee jaar heel intensief gepraat met verschillende gebruikersgroepen. Juist bij zorgprojecten is het belangrijk te luisteren naar de gebruikers.

Speelt kleur een belangrijke rol in het ontwerp van een zorggebouw?
Bij het kiezen van kleuren voor bijvoorbeeld de afwerkingen van vloeren, wanden en plafonds, moet je rekening houden met een goede balans in prikkels. Het moet niet te saai zijn. Dus niet alleen maar wit. Maar te heftig is ook niet goed. Wanneer je ontwerpt voor een verzorgingstehuis voor ouderen zijn er valkuilen waarvoor je moet waken.

Wat voor valkuilen?
Voor een grote vloer met een afwerking in rubber of marmoleum is het beter om een egale vloerafwerking te maken en niet een afwerking waar ineens ergens een donker vlak opduikt. Mensen die slecht zien en mensen die moeilijk prikkels kunnen interpreteren, zouden kunnen denken dat ze in dat gat kunnen vallen. Bijvoorbeeld, mensen met dementie zijn daar heel gevoelig voor. Met felle primaire kleuren kun je ook de fout ingaan. Mensen met dementie weten niet hoe ze met zulke kleuren om moeten gaan.

Dus met felle primaire kleuren moet je oppassen?
Klopt. Bij verpleeghuizen zie je vaak pastelachtige kleuren; die zijn zachter en voor de mensen beter te begrijpen. Verder is het maken van contrast in het ontwerp belangrijk. Een witte deur, met een wit kozijn eromheen, in een witte muur, is lastig voor mensen met dementie. Zij snappen dan vaak moeilijk dat dat een deur is. Dan kun je beter het kozijn in een donkere kleur maken zodat ze weten dat ze daar doorheen moeten.

Jullie zijn nu ook bezig met het verpleeghuis Oranje Nassau ’s Oord in Wageningen. Hoe maak je van een verpleeghuis een verzorgend gebouw?
Voor dit verpleeghuis was het benaderen van het thuisgevoel een belangrijk thema. Als je uit huis moet omdat je gedwongen naar een verpleeghuis gaat, is dat een grote stap. Wat wij met ons ontwerp wilden bereiken, is dat je een verpleeghuis maakt waar je je thuis voelt. Dus jij komt daar niet als een patiënt een instituut binnen, maar we draaien het om. Je hebt daar je woning of je woongroep en dat is je huis. Mensen hebben hun eigen voordeur met een eigen huisnummer, en het verplegend personeel komt daar te gast. Je hebt heel veel eigen regie. Je mag zelf bepalen hoe je kamer eruit ziet, je mag je meubels meenemen. Als een opdrachtgever alleen maar zoveel mogelijk kamers in zoveel vierkante meter wilt hebben, omdat dat goedkoper is, dan kom je er niet. Het is belangrijk dat je nadenkt hoe je op de langere termijn een gebouw maakt dat voor de bewoners prettig is. Voor een verpleeghuis is ook de mening van de kinderen van die bewoners erg belangrijk. Zij laten tenslotte hun ouders achter bij het verpleeghuis.

Speelt locatie een rol bij het verzorgend maken van een gebouw? Zaans Medisch Centrum ligt langs een drukke snelweg.
Het Zaans Medisch Centrum ligt aan het einde van de A7 van Purmerend richting Zaandam. We zaten vast aan die locatie, het is hun grond, dus dat veranderen we niet zomaar. De oorspronkelijke vraag van de opdrachtgever was: maak een ziekenhuis waarbij het ziekenhuis precies aan de andere kant moest staan dan waar wij hem nu hebben geplaatst. En er moest parkeergelegenheid komen aan de voorkant van het ziekenhuis, richting de stad. Toen hebben wij in de competitie meteen al gezegd: “Wij kiezen ervoor om het om te draaien. Het ziekenhuis keert zich naar de stad toe, zodat je vanuit de stad en niet vanuit de snelweg, meteen het ziekenhuis inkomt. Zo presenteert het gebouw zich naar Zaandam en wendt het zich als het ware af van die snelweg.

Was het voor jullie belangrijk om het ziekenhuis weg te keren van het geluid?
Jazeker. Ons gebouw heeft ook een duidelijke knik. Het heeft een eenvoudige vorm, eigenlijk een lang gestrekte binnenstraat met daaromheen de bouwvolumes, waardoor het een alzijdig gebouw is- het heeft geen voorkant en geen achterkant. Door die knik te maken richting de stad, creëer je als het ware een welkomstgevoel, een gebaar van hier moet je zijn. Het is simpel in structuur, maar het werkt wel.

En de rest van de omgeving?
Het bestaande ziekenhuis wordt op dit moment gesloopt, op die plek komt een woonwijk. Zo verander je het ziekenhuis van een instituut aan de rand van de stad, naar een gebouw dat verweven is in een woonwijk, verweven in de maatschappij als het ware. Het ultieme voor een ziekenhuis is niet meer gezien te worden als een institutioneel gebouw, een fort waar je eerst door een poort moet om er te komen. Nee, het ziekenhuis is gewoon onderdeel van de maatschappij.

Wat zijn de trends die eraan komen als het gaat om het verzorgend gebouw?
Ik denk dat het institutionele karakter van ziekenhuizen zal verdwijnen. Het grote ziekenhuis waar je eerst met een auto naar een parkeerplaats rijdt en daarna het gebouw in gaat, dat zal denk ik in de toekomst steeds minder worden. Zorg zal zich steeds meer verweven in het normale straatbeeld en zorggebouwen zullen zich ontwikkelen tot een soort winkel waar je binnenstapt. Er zal natuurlijk altijd een kerngebouw zijn met operatiekamers en intensive care. Dit soort ruimtes kun je niet inpassen in een winkel. Maar om deze kernruimtes heen heb je ook een schil met verpleegkamers en een polikliniek. Waarom zou je van dat alles zo’n groot instituut maken? Voor het verzorgende karakter van het gebouw moet je er alles aan doen om het vooral laagdrempeliger te maken zodat een ziekenhuis binnenkomen minder stressvol wordt. Het zit ‘m niet zo zeer in de individuele kleuren en materialen maar in de totale uitstraling van het gebouw. Als je nu naar een verpleeghuis kijkt uit bijvoorbeeld de jaren zestig, dan zie je meteen dat het een verpleeghuis is. Ik denk dat dat niet goed is. Je moet niet het gevoel hebben dat je in een verpleeghuis woont, maar in een woongebouw waar toevallig zorg aanwezig is die je nodig hebt.

Fotografie: Mecanoo/Thijs Wolzak

De Maag van Den Haag

Ergens in de Schilderswijk, ingeklemd tussen de Herman Costerstraat en de De Heemstraat, ligt een enclave verscholen, omringd door hekken. Het zien daarvan roept een soort grensgevoel op, als ware het een mini-landje binnen een stad.
Vier dagen in de week gaan de grenzen van de enclave open van 9 tot 5. Daar wordt grif gebruik van gemaakt: gemiddeld komen er op zo’n open dag 35.000 mensen op bezoek. Het is de Haagse Mart: de grootste markt van Nederland en één van de grootste van Europa. Maar om nou te zeggen dat hij typisch Haags is, nee. Is er op een willekeurige markt in Amsterdam geen twijfel mogelijk in welke stad je bent, deze markt zou overal kunnen liggen. Hier ligt Suriname naast Turkije, een straatje verderop gaat de medina naadloos over in de toko en staat de Volendamse visboer vis à vis met een tentje vol mediterraan lekkers. Bloemkolen en spruiten liggen gezellig naast de papaya’s en tajers.

Foto:Polly Parker
Foto:Polly Parker

Dat multiculturele heeft De Maag – zoals hij in de volksmond ook wel werd genoemd – sinds het allereerste begin: exotisch fruit was er in 1920 al verkrijgbaar. Tot mei 1938 stond De Maag echter op een plek veel dichter bij het centrum: De Prinsegracht. Door het toenemende verkeer moest de markt noodgedwongen verkassen naar de huidige locatie. Anno 2015 heeft de Mart net weer een woelige periode achter de rug, een extreme make-over vol bijbehorend verbouwleed en verhuizingen. Het grootste verschil met vroegâh? Geen ratjetoe meer van ruim 500 kramen, containers en verkoopwagens. Het zijn nu vaste kramen, allemaal in dezelfde stijl gebouwd. De gedegen overkapping zorgt ervoor dat de bezoeker bij regenachtig weer niet langer een onverwachte plens in de nek kan krijgen door de doorbuigende zeiltjes. De veel bredere gangpaden met gootjes in het midden maken ook een verschil. Minder opstoppingen, minder risico op aanvaringen met andermans scootmobiel of boodschappentrolley, en nooit meer door het smeltwater waden in de visrij. En de digitale betaler hoeft niet langer op zoek naar een pinautomaat buiten de muren, al zijn er nog steeds zat kramen waar handje contantje heerst.

Foto:Polly Parker
Foto:Polly Parker

De vaste ‘bewoners’ van de enclave zijn echter niet veranderd en zorgen voor de typische couleur locale die je al snel doet vergeten dat hun kramen nu meer op winkels lijken. Ze komen vaak uit families die al generaties op de Mart staan en lijken uiteindelijk tevreden met hun nieuwe afsluitbare winkeltjes. Uitstallen en opruimen gaat in ieder geval een stuk sneller. Ook al heeft de markt heel wat meer te bieden, het voedsel voert de boventoon.

Foto: Polly Parker
Foto: Polly Parker

Als er al een voertaal is, dan is dat de universele taal van eten. Per slot van rekening moet iedereen dat doen. In geval van acute snack attack gaat er een wereld voor de maag open: van Turkse pizza tot patatje met, van kibbeling tot Vietnamese loempia en van samosa tot broodje bal.

Foto: Polly Parker
Foto: Polly Parker

De bezoekerssamenstelling is net zo kleurrijk als de marktlui en hun koopwaar. Tientallen nationaliteiten uit alle lagen van de bevolking lopen hier door elkaar. Sommigen komen voor de dagelijkse boodschappen, anderen voor gordijnstof, nieuwe kleren, een dagje uit of gewoon voor de vrijdagse vis. Er heerst een sociale gedragscode die bijna dorps aandoet.

Foto: Jasmijn Schrofer
Foto: Jasmijn Schrofer

Mensen die elkaar buiten de markt nooit tegen zullen komen, laat staan dat ze ooit met elkaar zouden praten, staan nu gezamenlijk te dubben welke dadels het lekkerst zijn, of die nu in een green smoothie of in een Midden-Oosters gebakje met honing eindigen. Superfoodadepten en Ottolenghi-fans staan gebroederlijk naast gesluierde vrouwen hun granaatappels uit te zoeken. Geheid kom je als bezoeker producten tegen die je niet kent. Gewoon vragen is het devies.
Heeft de standhouder het te druk dan werpt zich negen van de tien keer een mede-klant op als informatiebron, soms inclusief tips en recepten die je in geen kookboek zal kunnen vinden.

Natuurlijk is het geen Walhalla. Je moet net zo goed op je tas passen als elders en er is best wel eens herrie of irritatie. Kun je er niet tegen dat mensen zich links en rechts naast je wringen bij de drukke kramen dan kun je er beter wegblijven. Maar over het algemeen heerst er een sfeer van tolerantie en respect. Als samen eten inderdaad verbroedert, dan staat samen eten kopen op de Mart op een goede tweede plaats. De Mart nieuwe stijl is weliswaar fysiek aangepast op de verwende consument anno nu, maar de sfeer is nog steeds vertrouwd en biedt voor elk wat wils. Of je nu op culinaire ontdekkingsreis gaat, je dagelijkse hap wil scoren, alleen wil funshoppen of de sfeer opsnuiven, een bezoekje aan dit drie voetbalvelden grote stukje Schilderswijk voelt aan als een tripje naar een andere stad. Waar op de wereld die stad dan ook moge liggen.

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: ‘de race van de omaatjes’, Jasmijn Schrofer

Nieuw Circus

Al generaties lang spreekt het circus tot de verbeelding. In de loop van de tijd heeft het circus een groei doorgemaakt en anno 2016 is er een hoop aan de hand binnen de circuswereld. Sommige circustenten worden voorgoed opgerold, terwijl overal nieuwe vormen van circus opduiken. Een nieuw soort circus dat de traditionele principes van acrobatiek en woon/werkgemeenschap combineert met een moderne kijk op dynamiek, vrijheid en eenheid. Bert van der Zee sprak met Rosa Boon en Hanneke Meijers van TENT circustheater producties uit Amsterdam, over het nieuwe circus. Hij schoof aan tijdens de repetitie van hun nieuwe voorstelling ‘Romeo & Julia’.

Op het podium van het Amsterdams Bostheater staan vijf afgedankte vliegtuigslurven die normaliter als passagiersbruggen dienen. De slurven staan stevig gemonteerd in een enorme open compositie. Gedraaide hoeken, de lucht in stekend en voorzien van klimgaten, grepen, klauterroosters en stevige verankeringen – een robuust geheel. Je zou er zo in willen klimmen. Het is het decor voor ‘Romeo & Julia’, een productie die voortkomt uit een drieledig samenwerkingsverband tussen TENT, het Amsterdamse Bostheater en het muziektheaterensemble de Veenfabriek uit Leiden.

Circus regieassistent Hanneke Meijers en zakelijk leider Rosa Boon van TENT kijken trots naar het decor. “Schiphol is sponsor van het Amsterdams Bostheater. Via hen hebben we de slurven gekregen en daar is weer inspiratie voor het stuk ontstaan”.IMG_klimpaal Die interactie past bij wat TENT is: nieuw circus van vier enthousiaste circusliefhebbers die samen met verschillende artiesten en technici producties maken.
“In Frankrijk en Canada heeft het circus zich al 20 jaar verder doorontwikkeld ten opzichte van Nederland”, vertelt Rosa Boon. “Bij circus denken mensen hier nog steeds aan Bassie & Adriaan en Circus Renz. Het nieuwe circus is vaak in een theater; er is meestal geen tent meer. Onze voorstellingen hebben een dramaturgische lijn en zijn niet meer opgebouwd uit losse acts. We willen met het publiek een verhaal delen dat verder gaat dan alleen de technische excellentie. Dat kan heel klein zijn in het communiceren van een kleine emotie. Of juist groot zoals bij ‘Romeo & Julia’.”

Eind 2014 kwam TENT samen met het Amsterdamse Bostheater op uitnodiging van regisseur Ingejan Ligthart Schenk van het Amsterdamse Bostheater. De eerste proeven met het Amsterdamse Bostheater waren vooral gericht op het vinden van overlap tussen teksttheater en circus. Elkaars kracht ontdekken en versterken, en van daaruit werken aan één geheel.
Hanneke heeft een jaar lang met Ingejan Ligthart Schenk aan de voorbereiding gewerkt: samen materiaal verzamelen en ideeën uitwisselen om het beeldende en het vertellende bij elkaar te krijgen. IMG_kickVanaf begin 2016 sloot de Veenfabriek aan. De Veenfabriek componeerde de muziek en het geluid en speelt live tijdens de voorstelling. “Voor deze voorstelling zijn we in totaal met vijftien podiumkunstenaars: vijf circusartiesten, zes tekstacteurs en vier muzikanten”, vertelt Hanneke. “Toen we begonnen aan dit project hadden zij nog nooit eerder samengewerkt. Zij moesten de raakvlakken vinden in elkaars vakgebied. Het is dus echt aan elkaar wennen om de techniek onder de knie te krijgen van het gooien en vangen van mensen. Omdat we allemaal uit verschillende disciplines komen, circus, theater en muziek, is de kruisbestuiving interessant. Zo hebben twee muzikanten van de Veenfabriek en twee circusartiesten van TENT ook een rol met tekst gekregen.”

Het vinden van de juiste mix van gevaar, techniek en veiligheid – en dan ook nog een verhaal vertellen. Voor TENT maakt dat het circus nieuw. Het bouwt voort op de klassieke vorm, maar gaat daarin verder. Hierin is Hanneke’s rol als circus regieassistent essentieel.IMG_schaduwvanger
“Het is natuurlijk ook teksttheater. En zeker bij een verhaal zoals ‘Romeo & Julia’ waarin de tekst zo leidend is”, vertelt Hanneke. “Juist door stukken tekst weg te laten kan het verhaal verteld worden op een beeldende manier. Kun je het overbrengen zonder het verzuchtende ‘oh Romeo’. Hierdoor ontstaat circus dat je raakt op een dieper niveau dan alleen maar ‘ooh’{doet schrikbeweging}. Maar ontstaan er ook reacties als ‘oh wat een mooi beeld’ of ‘ik voel wat ze hiermee proberen te zeggen’.”

Een kenmerkende scène hiervoor is de processie van Julia. Deze begint wanneer de schijndode Julia vanuit een 7 meter hoge vliegtuigslurf door een twee-man hoge acrobatenpiramide, naar beneden wordt getild via een andere slurf waar een rooster op is gemonteerd. Tegelijkertijd staan zowel het verhaal als de act elkaar ten dienst. “In de processiescène gaat het om de dood, om afscheid nemen van iemand. IMG_paalzwiep Het tempo ligt laag. Dan kies je niet voor salto’s doen of elkaar overgooien. Je zet niet zomaar ergens een jongleur neer. Je gaat heel erg op zoek naar wat voor acrobatiek past hierbij, welk tempo”, vertelt Hanneke.
Daarin is deze scène typisch voor het nieuwe circus. Oefenen, trainen, veel tijd samen doorbrengen en coachen op veiligheid en vertrouwen. Gevaar en vertrouwen gaan hand in hand. “De actrice die Julia speelt is geen acrobate. Zij moet erop kunnen vertrouwen dat het okay is dat zij opeens op een piramide van twee mensen hoog, dood in iemands armen moet liggen. Dat is doodeng in het begin”, aldus Hanneke. “Heel vaak is het ook nog eens zo dat als iemand fysiek iets fout doet, de ander daar last van heeft”.

Moderne circusopleidingen leiden breder op, zodat artiesten in meer disciplines inzetbaar zijn. Circus is niet meer iets dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. Hanneke verwelkomt dat. “Door de circusopleiding kan tegenwoordig iedereen het circusvak leren. Er is daardoor professionaliteit en vakgerichtheid. Het samenwerken met artiesten wordt prettiger. Er is zelfredzaamheid en ondertussen ook een gevoel voor de gemeenschap die het vroegere circus kenmerkt”. IMG_thegroupVolgens Rosa voorziet TENT tegelijkertijd in een behoefte. “In de tijd dat we bij circus Elleboog werkten kwamen er twee circusopleidingen bij in Nederland en er kwamen twee festivals voor nieuw circus”.
Rosa programmeerde toen vanuit Circus Elleboog voornamelijk voorstellingen uit het buitenland, waar het nieuwe circus verder ontwikkeld is. In Nederland was op dat moment nog geen gezelschap dat zich bezig hield met nieuw circus. “Ik dacht: waar moeten die studenten dan heen als ze straks afgestudeerd zijn? We willen die mensen in Nederland een basis kunnen bieden. Van daaruit is TENT ook opgericht: om werk te creëren en omdat we heel erg geloven in de kunstvorm an sich. We willen deze mooie nieuwe kunstvorm introduceren bij het Nederlandse publiek.”

Nieuw circus vraagt ook om nieuw publiek. “Heel veel van het nieuwe publiek bestaat al. Dat gaat naar moderne dans en theater en dat publiek vindt dit nieuwe circus ook interessant”, vertelt Rosa. “Aan de andere kant is er publiek dat heel erg van klucht en teksttheater houdt en dat op deze manier in aanraking komt met circus. Publiek dat zegt: Jeetje, is dit ook circus? Dit vind ik wél leuk! In de afgelopen zes jaar hebben we met TENT bijna 65.000 mensen bereikt, daar zijn we trots op. We zoeken bewust dit soort samenwerkingen op om op die manier breder publiek te bereiken. De omvang maakt niet uit. Laatst speelden we voor 40 mensen, in het Bostheater passen er 1.300.”

Het traditionele circus koestert het principe van zelfvoorzienendheid. Rosa gelooft hier in, maar omarmt ook flexibiliteit.
“We kijken per productie hoe we deze gaan financieren. We proberen daarin zo zelfstandig mogelijk te zijn. In het begin was er nog een houding van ‘dat gaan we zelf doen zonder subsidies’. IMG_amfiNu werken we met productiesubsidies van diverse private- en publieke fondsen. Het is lastig om daarmee de overheadkosten te dekken. Om ons verder te kunnen professionaliseren op zowel artistiek vlak als op het gebied van bedrijfsvoering gaan we in oktober een tweejarige subsidie aanvragen bij de gemeente Amsterdam. We willen graag de nieuwe kunstvorm, die ons circus is, realiseren. Met de vier partners van TENT (Hanneke Meijers, Cahit Metin, Minka Parkkinen en Rosa Boon, [red.]) kunnen we eigenlijk best al veel zelf en artiesten en technici halen we er extern bij. Schiphol sponsort het Amsterdamse Bostheater en bestaat bovendien 100 jaar. Het leek ze leuk om iets voor ons te kunnen betekenen. De vliegtuigslurven werden aangeboden. We werken ook graag met hoe de dingen zich zo aandienen. Dat past bij ons. Deze decoropstelling is voor deze zomer hier in het Bostheater. We denken nog na over een reisbare versie voor het nazomerseizoen.”

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Patat poëten

Wat hebben patat en poëzie met elkaar te maken? De enige link die je misschien zal leggen, is dat het allitereert. Maar in de stad Groningen lukte het toch om deze twee werelden met elkaar in contact te brengen: tijdens het Patat Poëten festival afgelopen januari. Marije de Boer bezocht voor POM Magazine dit bijzondere festival en geeft een impressie.

Samen met andere onwetende Groningers liep ik donderdagmiddag, niets vermoedend, een patatzaak binnen. Iedereen was aan het wachten op de frieten. Niets ongewoons toch? Maar plotseling stond iemand op met een papier in de hand en las een kort gedicht voor. Eerst werd een gedicht over een tv voorgelezen en daarna een gedicht over niets minder dan: patat. De ruimte werd voor de verandering niet alleen gevuld met een sterke lucht van zoute patat, mayonaise en gebakken uitjes; woorden gaven ook geur en kleur. Dit smaakte naar meer, niet alleen mijn smachten naar patat werd vergroot, ook mijn nieuwsgierigheid naar deze gedichten en hun dichters. Het was te vergelijken met een avondvierdaagse. Ik liep van de ene plek naar de andere, waar patatliefhebbers overvallen werden met gedichten. Iedere patatzaak had zijn eigen charme; een marktkraampje op de Grote Markt verving een deel van de koude lucht met warme patatwalmen terwijl een andere patatzaak meer leek op een moderne hipstertent. Zo kreeg ieder gedicht op elke plek een andere dimensie. De gedichten die werden voorgelezen in een typische snackbar, waar frikadellen tentoongesteld worden in vitrines met groene franjes eromheen, kregen de volle aandacht van zowel onverwacht als verwacht publiek. Vijf verschillende dichters lazen hun gedichten voor. Op de achtergrond liet de frietboer de frieten sissend in het vet zakken. Etende patatbezoekers keken verbaasd op, ze wisten zich niet helemaal een houding te geven.

Bij de patat marktkraam op de Grote Markt was het staand luisteren in de koude lucht en dat gaf een andere draai aan de gedichten. Of bezoekers aandacht hadden voor het gedicht hing volledig af, met wat voor doel ze naar de patatkraam waren gekomen. De gedichtenliefhebbers probeerden zich te focussen op de woorden, maar de mengeling van koude wind met de zoute patatlucht stal een deel van de woorden en daarmee de aandacht. Voor Groningers en toeristen die alleen voor de patat waren gekomen, ging het net even anders. Wederom werd er verbaasd opgekeken naar de dichter die zijn woorden uitsprak. Maar nu trok juist het gedicht de aandacht, en niet de patat. Afwachtend, maar geïnteresseerd werd er vanuit de ooghoeken van nieuwsgierige patatliefhebbers toegekeken naar wat er gaande was. En dat was nou precies de bedoeling van dit festivalletje: de aandacht trekken van patatliefhebbers, van mensen die normaal gesproken niet vaak in contact komen met poëzie. Poëzie staat vaak te ver van het bed. Het Patat Poëten festival wilde daarin verandering brengen. In plaats van het publiek naar poëzie toe te trekken, werd de poëzie naar het publiek gebracht. Naar een pop-up podium waar iedereen welkom is om een klein hapje poëzie te proeven. Met een beetje mayo graag.

Tekst: Marije de Boer
Foto: Henx Fotografie

La Cité Miroir in Luik

Cité Miroir is een zwembad in ruste in de Luikse binnenstad, dat in 2014 als cultureel centrum weer zijn deuren opende.

De radicale verbouwing heeft de modernistische architectuur uit de jaren 30 van de vorige eeuw gerespecteerd. De functionele opzet van de baden is intact gelaten. De bezoeker kan nu op de bodem van de zwembaden wandelen en genieten van exposities. En op de voormalige zwembadtribune nemen nu toneel- en concertbezoekers plaats. In Luik weten ze wat je met leegstaande zwembaden moet doen.

La Cité Miroir, Place Xavier Neujean, 22, Liège

Moonday, een filmpje

Filmmaker Jasmijn Schrofer liet zich inspireren door het schilderij van Miró getiteld, People at Night, Guided by the Phosphorescent Tracks of Snails.

Haar filmische vertaling werd een papercut animatie waarin Oog, Oor en Mond hun weg vinden naar het gezicht van de maan. Een surrealistisch avontuur.