Daan Roosegaarde in het Groninger Museum

In het Groninger Museum is nu Presence te zien, het eerste grote museale soloproject van de Nederlandse kunstenaar en innovator Daan Roosegaarde. Presence is een baanbrekend, interactief kunstwerk, dat Roosegaarde in opdracht van het Groninger Museum ontwikkelde.

Het is een groot lichtgevend landschap dat door de aanwezigheid van bezoekers van vorm en kleur verandert. De installatie daagt uit tot fysieke interactie. De bezoeker mag het gewoon aanraken, voelen en beleven.
Tot en met 12 januari, 2020 te beleven in het Groninger Museum.

How hiphop took over fashion, Kunshal Rotterdam
Hiphop is dé toonaangevende jongerencultuur die de hitlijsten en het wereldwijde straatbeeld domineert: van inspiratiebron voor high fashion brands tot het gangbaar maken van sportswear als dagelijkse outfit.
Creativiteit is de essentie van hiphop en fashion is hierin het verbindende element. Kunsthal Rotterdam toont in de tentoonstelling Street Dreams, de looks, de codes en de creatieve kracht van hiphop.
Te zien tot en met 15 september in Kunsthal, Rotterdam.

Kleine foto: A Trip Down the Memory Block, Run DMC, 2019, ©Victor D. Ponten

Filmmaker in Brussel: Jip Heijenga

Voor POM Magazine sprak de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga (1993) met Klaartje Til over de stad Brussel. Jip ging na haar dansopleiding aan Artez in Arnhem, naar Rotterdam voor een aantal dansprojecten om vervolgens in Brussel te belanden. Ondertussen woont ze al meer dan drie jaar in de Belgische hoofdstad.

Nadat Jip in 2014 haar opleiding aan de dansacademie had afgerond, werkte ze een jaar als danseres. Ze besloot om film te gaan studeren en ging op zoek naar een filmopleiding in steden buiten Nederland. Al snel kwam ze uit bij Brussel, want daar is een Nederlandstalige kunstacademie, LUCA school of arts. Jip’s afstudeerfilm, Love Rat, was afgelopen oktober genomineerd voor de competitie van Belgische studentenfilms op het internationale Film Festival Gent en was begin december te zien zien op het Kort Film Festival in Leuven. “Mijn film, Love Rat, is een in fictie gegoten documentaire over monogamie. Hoe monogamie vroeger was en nu, in deze tijd. Ik merk dat monogamie iets is waar jonge mensen veel mee bezig zijn”, zo vertelde Jip aan POM Magazine interviewer Klaartje Til. Toen Klaartje opmerkte dat, van een bezoek aan Brussel vooral de grauwe kant van de stad haar is bijgebleven, kon Jip dat goed begrijpen. “Ik snap wel dat de eerste indruk van Brussel een beetje duister kan zijn, maar ik hou daar ook wel van. Misschien dat ik me daarom hier heel erg thuis voel”, aldus Jip Heijenga in een interview met Klaartje Til. Jip’s kijk op Brussel is nu te lezen in het artikel Brussel: een stad met vele gezichten.

Fotografie: Jip Heijenga

De Grote Rotterdamse Kapsalontest

Dit stuk gaat niet over een kapperszaak, maar over een vette bek, dronkemansvoer, de studenten-schijf-van-vijf. Een gerecht met genoeg verzadigd vet om een voordeelpot vaseline mee te vullen, met bijna genoeg calorieën om een dozijn vleeskoeien op vet te mesten. Bedacht in Rotterdam maar inmiddels bekend in heel Nederland en zelfs daarbuiten. Mag ik de cholestorolverdubbelaar inzetten? Patat, vlees, kaas, sla, saus: allemaal bij elkaar in één handig bakje: De Kapsalon.

De kapsalon werd in 2003 geboren bij shoarmaboer El Aviva in Rotterdam-West.
Het moderne sprookje is velen bekend: een lokale kapper bestelt geregeld shoarma met friet in één bak, de shoarmaboer oppert de toevoeging van kaas en de sla gaat erop in plaats van ernaast. De klanten in de kapperszaak vragen waar ze ook zo’n heerlijke bak ellende kunnen halen: “Vraag hiernaast maar om een kapsalon, dan loopt het wel los”, was het antwoord.
Een standaard kapsalon bestaat uit een laag patat met daarop shoarma. Dit alles gaat, met een laag kaas erover, onder de grill en wordt opgediend met sambal, knoflooksaus én besprenkeld met wat sla en rauwkost. Voilà, uw kapsalon! Hier zijn de testresultaten.

The Döner Company
Waar beter te beginnen dan op Station Kapsalon, de koosnaam voor het Centraal Station van Rotterdam. The Döner Company is een keten van zo’n 40 kebabzaken die voornamelijk op en rondom stations gevestigd zijn. In hun filiaal op Rotterdam Centraal is het een komen en gaan van mensen. We hebben binnen no-time onze kapsalons op tafel staan, één met kip en één met lam. Ik haal de scoreformulieren die ik speciaal voor de gelegenheid gemaakt heb uit mijn tas, en meteen stuiten we op het eerste probleem: aan welke eisen moet de perfecte kapsalon voldoen? Ik was er blind vanuit gegaan dat mijn kompanen hun kapsalon net zo wilden zien als ik: lekker veel rauwkost met het liefst wat variatie erin, niet al te gek veel saus, liever shoarma dan döner. Niets bleek minder waar. Terwijl mijn ene tafelpartner vertelt dat er echt alleen een bescheiden handje ijsbergsla overheen mag, oreert de ander over hoe fijn het is dat er eens geen shoarma in de kapsalon zit. Terwijl ik de saus wat overdadig vind, schrijft een ander op dat het juist wel wat meer had gemogen.
We zijn het slechts over een paar dingen écht eens: de friet moet goed knapperig zijn, en dus het frituurvet goed vers. En we vinden allemaal dat deze kapsalons van The Döner Company een prima prijs-kwaliteitverhouding hebben. Niet de meest bijzondere bak ooit, maar een prima hap na een lange stapavond en voor een daaropvolgende treinreis huiswaarts. Voor een testpanel met zulke verschillende wensen, is het best aardig dat deze kapsalon toch niet slecht scoort. Een perfecte ijk-kapsalon. Wel komen we meteen aan bij ons tweede probleem: we zitten best vol. Ook na een galeriebezoek en een biertje in ons stamcafé moeten we er nog niet aan denken om nu al nog meer vettigheid naar binnen te harken. We besluiten het hier even bij te laten, het plan de campagne moet even worden herzien.

Tja, die perfecte kapsalon, hoe heurt het nou eigenlijk?
Je kunt uitgaan van het -overigens prima lekkere- origineel bij El Aviva en alle andere soorten vervloeken, maar dat is een beetje zoals koppig volhouden dat alleen bier volgens middeleeuws recept goed smaakt. En hoewel ik ook graag koppig volhoud dat er geen room door een spaghetti carbonara hoort (het is ei, en niets anders!) en ik mijn stamppotten altijd zal maken met een stamper in plaats van een mixer (barbaren!), ben ik over het algemeen van mening dat variëren in de keuken een groot goed is. Die kapsalon was anders ook niet ontdekt. Dus: shoarma of döner, friet boven of onder, alles mag. In elk geval voor nu. Een oproep op Facebook dat ik op zoek was naar de meest bijzondere kapsalon van Rotterdam weerhield mensen er niet van gewoon te vertellen waar volgens hen, de lekkerste te krijgen is. Daarnaast werd mij ook de allerslechtste getipt (ergens achterin een supermarkt in west, wie durft?) en waren er een hoop aanraders buiten Rotterdam (waaronder een krabsalon -jazeker- in Nijmegen). Maar er zaten ook parels bij, en we gingen uit eten.

De Burgertrut
De Burgertrut aan het Delftseplein, vlakbij Rotterdam Centraal, staat in Rotterdam bekend als een gezellige plek voor een goede hap: met allerlei verantwoorde en lokale ingrediënten experimenteren zij al jaren de lekkerste burgers in elkaar, ook vegetarisch én veganistisch. Zodra ik hoorde dat zij ook een vegetarische kapsalon op de kaart hebben, moesten we er natuurlijk heen. En toen de bediening vroeg of ik ‘m vega of vegan wilde dacht ik: let’s go all the way. Kom maar door met je veganistische kapsalon! Ik moet eerlijk toegeven dat ik, vanwege het woordje ‘vegan’, toch ergens een hypergezonde, rawfood-quinoa-hipster-variant van de kapsalon had verwacht. Ik werd enorm verrast. Deze kapsalon tikte al mijn vinkjes af, en als je niet had gezegd dat ‘ie volledig plantaardig was had ik het waarschijnlijk nooit geraden. De vegan shoarma is krokant én sappig, de friet knisperend vers en de gemengde rauwkost royaal aanwezig. Het geheel wordt in het traditionele aluminium bakje geserveerd, met huisgemaakte sambal en knoflooksaus in fles en potje ernaast. De vegankaas is verrukkelijk (helemaal niet zoals de oranje aardappellijm die er soms voor door moet gaan!) en met een goeie gesmoltenkaasstructuur. Ik sta er werkelijk van te kijken, het is misschien wel de lekkerste kapsalon die ik überhaupt ooit opheb! Zelfs mijn vriend, die zich toch tot een bio-burger heeft laten verleiden, is er erg van onder de indruk, al heeft zijn perfecte kapsalon andere vinkjes om af te tikken (‘wel veel sla’). Het enige minpunt dat we kunnen bedenken is dat de fluweelzachte, lobbige knoflooksaus nét iets knoflokeriger had gemogen, maar dat durf ik bijna niet op te schrijven. De kapsalon van de Burgertrut kan ik iedereen, van verstokte vleeseter tot militant veganist, aanbevelen. Met haar acht-en-een-halve euro ben je niet eens echt duurder uit dan bij de meeste shoarmazaken, en heb je naast deze lekkere, royale kapsalon ook de ambiance. Je kan hier wat langer tafelen dan in de snackbar. De gezellige inrichting, het vriendelijke personeel en de huisgemaakte limonades op de kaart zijn allemaal pluspunten. Eet hier met je vrienden eens een kapsalon vóór je gaat stappen!

Green Delight
In het verlengde van de vegan kapsalon van de Burgertrut liggen de kapsalons van Green Delight: een tikkie gezonder, maar ook bedoeld om wat langer van te genieten. Hun kapsalons werden mij meermaals aangeraden. Ook zij hebben een veganistische kapsalonvariant op het menu staan, maar mijn medeproever en ik hebben na ons bezoek aan de Burgertrut meer oren naar de Koreaanse (met rundvlees & kimchi) en Indo-versie (met rendang en atjar). We hebben geluk, er is ondanks de grote groep die net dit knusse zaakje aan de Nieuwe Binnenweg inkomt nog een tafeltje vrij. De hele kaart ziet er verleidelijk uit maar we komen toch echt voor de kapsalons. Dat valt niets tegen. De grote, hete ovenschalen die voor ons neer worden gezet ruiken heerlijk, en smaken evenzo!
De opbouw is als een klassieke kapsalon, de uitvoering des te origineler. In plaats van patat zitten er grote frieten van zoete aardappel in. Niet zo krokant als een bakje Franse uit de frituur, maar het combineert perfect met het rundvlees, dat mooi uiteenvalt. De zoete aardappel en frisse rauwkost smaken er fantastisch bij. De kaas maakt het geheel behoorlijk machtig, vooral de cheddar op de Koreaanse versie. Als het geen traditioneel ingrediënt van de kapsalon zou zijn zou je ‘m waarschijnlijk niet missen. Maar begrijp me niet verkeerd, het missmaakt niet. Terwijl we aan onze drankjes nippen nemen we de tijd om deze kolossen soldaat te maken. Ondertussen praten we over soulfood, comfortfood en wat een kapsalon een kapsalon maakt. Hoe ver mag je van het origineel afwijken en het nog wel zo noemen? Wat ons betreft blijft Green Delight nog prima binnen de marges. Wie het daar niet mee eens is, heeft er duidelijk nog nooit gegeten. Voor €12,50 krijg je een hoop soul en comfort in je food. Plus: gemaakt en geserveerd door hele leuke mensen, op een heel relaxte plek!

Alfredo’s Taqueria
Wie na het voorgaande al begint te steigeren en eigenlijk de stap van shoarma naar döner al een te grote vond, kan dit kopje maar beter even overslaan. Alfredo’s Taqueria aan de Goudsesingel is gespecialiseerd in Mexicaans streetfood en dito cocktails. Het is niet de eerste plek waar je een kapsalon verwacht. De nachochips worden hier versgebakken en in de nachos kapsalon vinden we deze dan ook in plaats van de gebruikelijke patat. De huisgemaakte guacamole en salsa roja vervangen de sambal en knoflooksaus. De kaas is ruimschoots aanwezig, de kip is kruidig en het geheel is van een mooie laag sla voorzien. Een heerlijk gerecht, al is het meer een gezamelijk voorgerecht dan de éénbaksmaaltijd die ik aan het begin van dit artikel omschreef. Niet in de minste plaats omdat je het niet echt met je bestek kunt eten, maar ook niet helemaal met je handen. Hoewel we hier wel van comfort food kunnen spreken, zijn we hier misschien te ver van de originele kapsalon afgeweken. Een kapsalon is alles-in-één-bak, de boel met je vork naar binnen schuiven, het summum van snel bunkeren. Deze taqueria is een ontzettende aanrader, maar de opzet is hier omgekeerd: lang tafelen, veel kleine gerechtjes bestellen, hapjes van elkaars eten proeven terwijl er aan de bar nog een marguerita voor je wordt gemixt. Dus ga er vooral heen, geniet van de prachtlocatie en de prima cocktails en bestel zo veel als je op kunt (tip: hou ook wat ruimte voor een toetje!) maar voor nu is het hoog tijd om weer eens een échte kapsalon te gaan hakken.

De tips die ik kreeg na mijn oproep op Facebook kon ik goed aanvullen met tips uit de kroeg. Er ontstond een hele lijst kapsalonverkooppunten die, hoewel misschien niet het meest origineel, toch echt stuk voor stuk de beste verkochten. Door een combinatie van tijdgebrek, de angst dat het mijn neus uit zou komen en het feit dat ik maar een beperkt aantal kransslagaders heb, kon ik niet daadwerkelijk in iedere genoemde toko de kapsalon gaan proeven. Ik wil ze u niet onthouden, sommigen werden zo vaak, en vaak zo eloquent, genoemd en geroemd dat ze wel goed móéten zijn. Zo tip ik u de Mimoza, nabij het Oude Luxor, ook voor het ‘broodje grof’. Bent u in Noord, doe dan de Shoarma Bergweg of de Pyramide aan de Schieweg eens aan. Ook de HAS aan de Zwartjanstraat mag in dat rijtje. Op Zuid moet je Bella proberen, met hun houtskoolgrill. De PatatBakkerT in Kralingen heeft een versie met pulled chicken en satésaus die nieuwsgierig maakt. En bij het Stadhoudersplein wordt de kapsalon met zó’n glimlach geserveerd dat de smaak er niet eens toe doet.

Shoarmazaak De Sjeik aan de Van Speykstraat is mijn runner-up. Met een prettige, maar ondefinieerbare sfeer (die me terugwerpt naar de shoarmazaak waar ik als tiener met mijn vrienden kwam na heimelijke jointjes achter het winkelcentrum) én een uiterst smaakvolle kapsalon mogen zij niet in dit artikel ontbreken. In plaats van friet krijg je aardappelschijfjes, die krokanter zijn dan je durfde te dromen (dit in tegenstelling tot de kebabzaak bij mij om de hoek, waar ze de zompige schijfjes nog net niet direct uit de vriezer in het bakje mikken).

Maar voor de ultieme kapsalon kozen we het etablissement dat het vaakst werd genoemd.

Jaffa
De Jaffa is misschien wel de bekendste shoarmazaak van Rotterdam. Al sinds 1979 verkopen ze hun waar aan de bezoekers van de Witte de Withstraat, ooit het schoolvoorbeeld van een probleemwijk, nu een sprankelend uitgaansgebied. Speciaal voor de gelegenheid lieten wij ons als testteam flink vollopen: terugkeren naar de échte kapsalon gaat toch het beste met een bodempje bier.
We worden hartelijk begroet en aan tafel geholpen. De kapsalon wordt hier, als je ‘m niet meeneemt, op een bord geserveerd. De friet is mooi knapperig, het vlees sappig en mals, maar niet al te vet van smaak. De kaas is royaal over het geheel gesmolten. Een mooie laag ijsbergsla bedekt het geheel. Flessen sambal en knoflooksaus worden op tafel gezet, om naar wens toe te voegen. We laten het ons smaken. We vragen de kok of het klopt dat hier op een vrijdagavond 800 kapsalons verkocht worden. Nee, inmiddels nog wel wat meer, meent hij. Niet raar dus dat ze hier van wanten weten, al zijn we blij dat we een rustiger avond te pakken hebben. Het mag weinig vernieuwend zijn, maar deze kapsalon is hoe we ‘m graag proeven, vooral na een avondje stappen.

Zwaantje van Klaveren

Urban cowboy

Een urban cowboy lijkt een paradoxale verschijning, maar is het niet per se. Een cowboy is als gras dat tussen de tegels doorgroeit; de ruimte in een vierkant systeem is krap, maar hoe klein ook – het laat wildgroei toe. Cowboys treffen elkaar zelden. Als ze elkaar treffen, dan is het kort en to the point. Lonesome, maar nooit alleen. Ik ben naar ze op zoek gegaan in mijn stad.

Als de stad verschilt van het Wilde Westen, dan is het wel door de gigantische dichtheid van mensen. Meer tegels, meer woekering, meer cowboys. En hoezeer cowboys ook in verschijning, doen én laten verschillen, ze zijn gesneden uit hetzelfde hout – en dat ruik je. Het vraagt lef en moed om je authenticiteit te etaleren, maar voor een urban cowboy is het een moeiteloze bezigheid. De stad kent andere wetten, andere behoeften, andere kansen – maar de dialoog die de cowboy daarmee aangaat is onveranderd. Keer op keer die vraag: wat doe ik met mijn vrijheid vandaag? In mijn vriendenkring vond ik enkele urban cowboys. Ik vroeg ze naar hun cowboybestaan, wat voor hen een cowboy is. En hoe typisch ze ook voldoen aan het profiel, in gesprek met mij trappen zij de kaders plat van wat een cowboy is. Daardoor passen ze wat henzelf betreft, nooit echt in het vakje cowboy. Dat er toch al niet was. Precies zoals het een cowboy betaamt. Althans voor sommige dan.

Caspar is sinds dit jaar officieel mijn vriend. Hij is een urban cowboy. Vind ik. Is het zijn kledingstijl? Zijn strak geschoren baardlijn? Omdat hij wildvreemde dames op straat begroet en soms zelfs de volgende morgen van ontbijt voorziet? Nee, het is zijn Honda motor. Of simpelweg omdat een afspraak niet lukt als we via de telefoon proberen af te spreken, en ik hem voortdurend tegenkom wanneer we elkaar vergeten. “Een urban cowboy kent de wetten van de jungle en de wetten van de stad”, zegt hijzelf, “hij weet hoe hij de dingen moet bespelen om te krijgen wat hij wil – Hoe ga je om met een vrouw? Hoe krijg je goed betaald werk? Wat zijn de plekken om naar toe te gaan?” Volgens Caspar kan een yup heel goed een urban cowboy zijn, en ook andersom. En toch is er volgens hem dat wezenlijke verschil. “Zelfverrijking heeft geen prioriteit”, vertelt hij me, een vrije vogel die pakt wat ie nodig heeft. Hij werkt niet voor het systeem, maar laat het systeem voor zich werken.” Toen ik met Casper sprak spookte in mijn hoofd die uitspraak die ik ooit las: Als je de koning wilt vermoorden, dan moet je zijn beste vriend worden. Een urban cowboy rebelleert niet. Hij kent de mazen van de wet, en kruipt er met stijl tussendoor. “Ik vind mezelf in die zin geen urban cowboy”, vertelt Casper, “omdat ik financieel nog niet die onafhankelijkheid in de vingers heb. Een urban cowboy heeft funky koopwaar waarmee hij zijn poen verdient. Waar ze lekker van leven zonder hun hand op te houden. En tegelijkertijd zijn ze niet afhankelijk van hun eigen succes. Vrijheid verliezen, dat is niet aan de orde. Een koophuis, het kan. Zolang het vrijheid geeft en niet neemt.” Terwijl Casper me dit vertelt, schudt hij zand uit zijn oren. Uit Black Rock Desert, waar hij op het Burning Man festival echte cowboys ontmoette.

Wat mij en mijn andere vriend Jasper bijeen brengt, is dat we elkaar overal en nergens tegenkomen. Jasper is een vagebond, een ‘struiner nummer 1’. Naar eigen zeggen een cowboy zonder hoed. Misschien omdat het stedelijk landschap genoeg schaduw biedt? Op zijn benen, nog liever dan op de fiets, beweegt hij door de stad. Altijd in gezelschap van Jan en alleman. “Struinen is het mooiste wat er is”, zegt hij, “voor avontuur hoef je niet ver weg te gaan. Alles is om je heen te vinden”. Zijn ogen zijn altijd op de horizon gericht. Wat hem betreft is een urban cowboy goed herkenbaar. “Ze roken. Dat moet. En ze hebben masculiene eigenschappen. Ze hebben geen paard, maar een fiets of een Vespa. Tegelijkertijd zijn ze qua kledingstijl niet in een hok te stoppen”, aldus Jasper. Volgens hem is het meer een zekere behendigheid die van een urban man een cowboy maakt. Het moderne lasso gooien in de vorm van skateboarden, over een touw lopen of met vuilniszakken gooien. Het blijft wellicht voor altijd een mysterie, maar het is waar. “Een urban cowboy is populair bij de vrouwen. Schroomt niet om met veel vrouwen het bed in te duiken. Maar tegelijkertijd is hij een loner. Hij heeft niet superveel vrienden, maar is feitelijk ook nooit alleen. Behalve dan in zijn eigenzinnigheid”, vertelt Jasper me. “En uiteraard, een urban cowboy doet iets in de muziek”, voegt hij er aan toe. Jasper gooit niet met lasso’s, maar met vinyl. Hij draait platen, samplet ze en maakt er compleet nieuwe hiphopbeats van die hij ook live performt. In kroegen, woonkamers en tunnels.

De derde cowboy is mijn vriendenkring is Joshua. Ik heb hem al jaren niet meer gezien. En toch: als ik iemand het hokje van cowboy in en uit mag drijven, dan is het Joshua. Hij heeft simpelweg de looks. Inspirerend hoe iemand die er zo goed uit ziet louter sympathie toont. Zijn glimlach spreidt een lage tandartsrekening ten toon. Arrogantie is hem onbekend. Joshua kun je overal op de planeet tegen komen. Ik zou zeggen vier seizoenen lang. In de zomermaanden bouwt hij gigantische steigers en installaties op festivals op én af. Eelt op de handen, eelt op de ziel. Hij kent de paradox van onafhankelijkheid in het samenzijn. Hij zei ooit:”Het enige wat je nodig hebt op reis is een fles water, de rest komt vanzelf.” Ik nam contact op via facebook, want hij zat in Tokyo. Het label van cowboy lapte hij direct aan zijn laars. “Ik vind het een negatieve klank hebben, cowboy. Iemand die zich van niemand wat aantrekt en zijn zelfbedachte regels heel uitgesproken naleeft en daarmee tegen de schenen van anderen schopt. Niet dat ik van het keurslijf ben”, voegde hij eraan toe. “Ik zou mezelf liever zien als Urban Ninja. Iemand die in de onwetendheid zijn dingen voor elkaar krijgt. En vaak voor een groter plaatje gaat. Zonder dat iemand het echt in de gaten heeft. Soms linksom, soms rechtsom. Urban cowboy klinkt in mijn oren een beetje dommig en rebels. Veel geschreeuw maar weinig inhoudelijke acties die inspirerend zijn en effectief. Anyway, what’s in word, hè? Allemaal interpretaties van iets dat in werkelijkheid leeg is.”
Ik kan niet wachten tot ik Joshua vergeten ben en weer ergens tegen het lijf loop. Ontsnappend aan het zelfde vangnet, een oneindige variatie op dat thema van bewegingsvrijheid. Als woorden een lasso zijn dan gooi je soms raak, soms mis. Ter afsluiting mijn versie van een typische urban cowboy. Autobiografisch? Misschien. Behalve op de momenten dat ik mis gooi. Het blijft buiten de vakjes kleuren.

Urban Cowboy?
Iemand die goed gekleed is maar niet bang is vies te worden. Voorbereid op alles dat hij wil beleven.
Hij heeft niet alleen zijn telefoonoplader altijd bij zich, maar ook een powerbank, condooms, aansteker, pen, zakmes, deo, paspoort, oordopjes, tandenstokers, kauwgum, flesje water, cash en pinpas.
Hij heeft een compact maar robuust vervoersmiddel: een fiets, skateboard, een brommer. Hij heeft geen auto of motor omdat hem dat beperken kan.
Hij onderscheidt stijl van imitatie, maar is niet bang is om op te lossen in de massa.
Zijn smaak etaleert hij niet uiterlijk of verbaal maar geeft hij terloops prijs als gevolg van directe behoeftevoorziening.
Hij is iemand die net zo gelukkig is met een zak chips in het park, als met een viergangendiner bij een vijf sterren restaurant.
Zijn culturele achtergrond is verwaarloosbaar maar niet verloren.
Integendeel, hij eert zijn roots maar heeft de sporen daarvan uitgewist en mengt zich moeiteloos in iedere andere cultuur.
Hij is iemand die zijn krachten niet ontleent aan een systematische training maar aan de noodzaak van beweging.
Hij danst, hij is onzichtbaar.
Als je hem ziet, herken je hem direct; je wilt iets van hem wat hij nooit geven zal en toch is hij gul en deelt dat wat nodig is.
Iemand die in een groep gecamoufleerd is, maar voor een publiek bulkt van zelfvertrouwen.
In geen enkele vrouw vindt hij wat hij van zijn moeder niet kreeg.
Hij doet geen vlieg kwaad, maar als er bloed moet vloeien dan zal er bloed vloeien.
Hij laat zich glad scheren zonder een nieuwe afspraak te maken.
En bovenal, hij heeft een zakdoek bij zich want je weet maar nooit waar je op een dag je handen zoal aan vuil maakt.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer

De man achter de afdruk

Maak kennis met de man die zijn werk beschrijft als experimenten die een afdruk achter laten. Wim Warrink groeide op in Drenthe, in een dorpje vlakbij Emmen. “Een jeugd vol met jongensdingen”, zo vertelt hij. Met vrienden uit het dorp ging hij in zijn vrije tijd hutten bouwen, crossbanen aanleggen en oorlogje spelen in het bos. “Dat soort dingen deden we allemaal”, legt hij uit.

Zijn vrienden doen nu compleet andere dingen. De één is slager, de ander werkt in de bouw en weer een andere vriend is in hart en nieren, boer. Zijn vrienden begrijpen vaak niet wat hij aan het doen is, maar zij zorgen er wel voor dat hij projecten aan durft, omdat hij weet dat hij er niet alleen voor staat. “Als ik hun hulp nodig heb, helpen ze mij met advies, mentale steun of met fysieke arbeid”, vertelt hij. Ook in Groningen en Friesland heb ik fijne mensen om me heen die me het vertrouwen geven grote projecten aan te gaan.

Portretschraper, 2013

Na een opleiding elektrotechniek in Emmen ging Wim in 2006 verder met een opleiding industrieel productontwerp in Leeuwarden. Hij vond in 2011 uiteindelijk zijn plek bij de kunstacademie Minerva in Groningen waar hij in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs won. Een bezoek aan een tentoonstelling van het Gentse museum voor hedendaagse kunst, SMAK, was voor Wim een eyeopener. Daar zag hij in een statige museumzaal blokken hout hangen, gebundeld in een touw aan een muur, en zag hij overal stukken biels op de grond liggen. “Ik keek daarnaar en dacht, jeetje wat gaaf eigenlijk, is dit ook kunst?”, vertelt Wim, “en op het moment dat ik dát besefte, was ik om – ik wist niet dat zoiets mocht. Ik had tot dan toe nog een hele klassieke opvatting van kunst.”

En zo begon het allemaal. Enkele jaren later maakte Wim installaties waarin mechanische- en menselijk kracht samenkomen. In zijn werk, Blikkenleger (2014), worden grote verfblikken leeggeschoten. Een projectiel wordt daarbij op de achterkant van het verfblik afgevuurd waardoor de verf uit het blik schiet.

Blikkenleger, 2014

In het werk de portretschraper (2013) probeert Wim een metaalplaat met het profiel aanzicht van Galileo door een homp klei te duwen. Het portret, de verfafdrukken, de metaalplaat, de machineconstructie, de leeg geknalde verfblikken- het zijn allemaal onderdelen die zijn kunstobjecten tot een evenwichtig geheel maken. Voor zijn nieuwste project maakte Wim lichtobjecten waarbij de hoofdrol niet weggelegd is voor mechanische kracht, maar voor compositie en verbondenheid tussen de diverse onderdelen. Hoe deze lichtobjecten tot stand zijn gekomen kun je lezen in het artikel Spiritualiteit? Welnee!. Tot 31 maart zijn zeven lichtobjecten van Wim te zien in de expositie Technisch Licht, in het Groninger Forum aan de Oude Boteringestraat in Groningen.

Tekst: Wim Warrink
Fotografie: Mente Warrink (Portret), Joyce Ter Weele (Blikkenleger), Tijmen van Dijk (Portretschraper)

Architect-Ryan van Kanten

Toen Ryan van Kanten zo’n 15 jaar geleden begon aan zijn loopbaan als architect had hij nou niet de ambitie om een ziekenhuisarchitect te worden. Maar in de loop der jaren schonken zorgprojecten hem heel veel werkplezier. “Bij het ontwerpen van een zorggebouw gaat het om de beleving van mensen die niet graag naar bijvoorbeeld een ziekenhuis gaan”, zo vertelt hij in een interview met POM Magazine. “Het gaat om de invloed die wij architecten kunnen uitoefenen om het een prettiger ervaring te laten zijn. Die uitdaging geeft een extra lading aan je ontwerp.” Met een decennium aan werkervaring in zorgprojecten op zak, klopte Van Kanten (foto) 5 jaar geleden aan bij het Nederlandse architectenbureau, Mecanoo. “Bij Mecanoo waren ze net begonnen aan het nieuwe Zaans Medisch Centrum in Zaandam en ik wilde daar heel graag aan meewerken. Zij konden mij goed gebruiken omdat Mecanoo nog niet veel ervaring had in het bouwen van ziekenhuizen. Nou dat kwam eigenlijk mooi uit”, vertelt hij lachend.

In een ziekenhuis ontworpen door Ryan van Kanten verdwaal je niet. Zijn gebouwen zijn duidelijk, herkenbaar en makkelijk te begrijpen. “Ik begin altijd met een herkenbare structuur in het gebouw door middel van daglicht en uitzicht”, zo vertelt hij. “Mensen moeten meteen begrijpen waar ze naartoe gaan. We hebben het hier over een zorggebouw zoals een ziekenhuis of verpleeghuis. Dat moet je bij alle keuzes die je als architect maakt in gedachte houden. Een verpleeghuis bijvoorbeeld moet voelen als een thuis. Ik wil dat thuisgevoel benaderen. Een gebouw moet niet een gezicht zijn waarachter het allemaal gebeurd, maar in alle vezels van het gebouw moet het voor een gebruiker kloppen: je prettig voelen, prettig werken of prettig wonen. Daar heb je als architect best wel invloed op”. Hoeveel invloed kun je lezen in het artikel Zorgzaam gebouw, waarin Ryan van Kanten in een interview met Klaartje Til uitlegt waarom het voor hem de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Tekening en foto: Mecanoo

Philip Rozema, de dichter

Ieder jaar benoemt de Rijksuniversiteit Groningen een dichtende student tot huisdichter. De zestiende huisdichter is Philip Rozema. In 2015/2016 raakte het publiek bekend met zijn gedichten via zijn bundel te ruime ruimte en via diverse audio- en video opnamen. Rozema (1993) is een dichter die graag optreedt op festivals. In mei 2016 sloot hij zijn huisdichterschap af met zijn eigen theatervoorstelling, Plusminus, een mix van woord, beeld, en soundscapes die hij met zijn stem maakt; een persoonlijk verhaal over de zin en onzin van zoeken naar geluk.

Op de middelbare school wist Rozema al dat hij universiteitsdichter wilde worden. Pas nadat hij zich drie keer had opgegeven, werd hij door de jury gekozen. “Als huisdichter werd ik gevraagd voor allerlei projecten en dan gaat de boel rollen”, vertelt Philip. Hij houdt niet alleen van het schrijfproces, maar ook van het voordragen van zijn gedichten. Nou ja voordragen, het is meer een performance, creatief bezig zijn, zonder gebonden te zijn aan papier. Zo probeert hij het enthousiasme bij zichzelf en het publiek vast te houden. “Ik vind het heerlijk om op te treden. Hoewel ik soms wat rustiger aan moet doen hoor, want als ik te veel moet optreden, sneeuwt het onder,” vertelt hij. “Een optreden geeft vaak een kick. Alle ogen zijn op jou gericht en je hebt zelf alles onder controle. In de poëzie kan ik echt mezelf zijn, het is een uitlaatklep. Op het podium komt het tot zijn recht.”

Als klein kind schijnt hij gezegd te hebben: ik rijm nog eens wat. Een familieanekdote die nu fier op de achterflap van zijn bundel te ruime ruimte prijkt. Zelf weet hij het niet meer, maar wel dat hij taal en taalgrapjes leuk vond. Op de basisschool kwam het los. “In groep zes en zeven had ik een leraar die ons liet dichten”, vertelt hij. “Ik schreef eerst poëzie en ben later pas gaan lezen. Misschien wel beter ook, zo zonder kaders.” De nominatie voor de Gouden Lijst, een landelijke prijs voor kind- en jeugdliteratuur, is voor Rozema een omslagpunt. “Daar is heel veel uit voortgekomen”, legt hij uit. “Ik was 16 jaar oud en heb toen de dichter en schrijver, Hans Hagen, mijn gedichten gemaild. Hij gaf het advies om contact op te nemen met de dichter, Ted van Lieshout. Ik heb toen Ted van Lieshout mijn werk gemaild en hij nomineerde me voor de Gouden Lijst.”

Toen ik Philip vroeg wat hem inspireert, antwoordde hij: “De taal zelf, denk ik. Een gedicht hoeft niet ingewikkeld te zijn maar het moet heel helder, minimalistisch zijn, iets op een andere manier laten zien”, legt hij uit. “Als ik een gedicht schrijf, probeer ik de kern te pakken. Het gedicht ons wi-fi uit de bundel te ruime ruimte is een maatschappij-ironisch gedicht. In dat gedicht heb ik mijn mening achter gehouden. Het is een observatie”, vertelt Philip. “Een gedicht hoeft niet altijd per se maatschappijkritisch te zijn”, legt hij uit. “Ontsnappen kan ook, en stilstaan. Het morele achterwege laten en geen oordeel vellen, kan mensen stil laten staan.” In, er is een weg, geeft Rozema een hoopgevend beeld. “Als je een weg maakt, is er vaak ook een weg terug”, legt hij uit. “Als je vastloopt, kun je terug. Het gaat altijd ergens heen als je niet stilstaat. Ik zoek niet zozeer naar licht in de zin van makkelijk, maar in de zin van kernachtig. Iets plaatsen, daarop doorassociëren en dan weer terug naar de originele plaatsing.” In zijn gedicht stop op contact legt hij een dag vast waarin je het gevoel hebt dat je het druk hebt, terwijl dat best wel meevalt. Het gevoel dat je nooit alles afkrijgt, altijd wel iets te doen is of op je ligt te wachten, een bericht bijvoorbeeld. Maar social media is voor Rozema niet per se een last. “Het is heel makkelijk om even naar een Facebook post te gaan, op zoek naar de beloning dat iemand iets gepost heeft”, vertelt hij. “Je hebt voortdurend het gevoel van: wat mis ik? Natuurlijk heb je de keuze, maar eigenlijk ook niet. De bewegingen die we bewust of onbewust maken fascineren me.”

Interview: Anne van der Heiden
Fotografie: Joyce ter Weele

The Educator

In deze editie van POM Magazine deelt de Duitse pedagoog en filosoof, André Schütte, in het artikel ‘Tijd in geometrische vormen’ zijn kijk op het concept tijd. Op de vraag hoe hij het liefst afgeschilderd wil worden in dit artikel: als pedagoog of als filosoof, antwoordt hij pijlsnel: “als onderwijskundige”. Hoog tijd dus om de man achter de filosofische bespiegelingen nader onder de loep te nemen.

Zijn pad naar de universiteit van Siegen, waar hij aan verbonden is als onderzoeksmedewerker bij de vakgroep pedagogiek, verliep met veel zijwegen en omzwervingen. Als hij al een persoonlijk motto heeft, dan zou “Ik oefen, dus ik ben” waarschijnlijk het dichtst in de buurt komen. In eerste instantie wilde André journalist worden: hij koos voor Germanistiek en filosofie aan de Heinrich-Heine universiteit in Düsseldorf. De geschreven pers belandde echter in een financiële crisis, en omdat hij er allesbehalve zeker van was dat hij de gedroomde journalistieke baan zou kunnen vinden, had hij behoefte aan een plan B. Na een kort – en naar eigen zeggen teleurstellend – uitstapje richting musicologie, besloot Schütte pedagogiek aan zijn groeiende lijst van academische titels toe te voegen. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij in eerste instantie bevooroordeeld was en pedagogiek toch enigszins als een letterlijke B-keuze beschouwde; uitsluitend gemaakt zodat hij in geval van nood les kon gaan geven. Maar tijdens het behalen van zijn lesbevoegdheid voor Duits en filosofie aan de universiteit in Keulen kwam hij erachter dat pedagogiek ook een filosofische kant had. André, was verkocht.
De specialiteit van Schütte is de filosofie van Peter Sloterdijk. En dit is vooral interessant omdat Sloterdijk niet per se gespecialiseerd is in pedagogiek of theorieën op het gebied van educatie; André was er echter van overtuigd dat Sloterdijk een boel had bij te dragen aan het vakgebied. Hij bewees zijn gelijk door te promoveren op de theorieën van Sloterdijk aan de Universiteit van Keulen.

Hoewel het volkomen afwijkt van zijn oorspronkelijke droom om journalist te worden, eindigde André Schütte met de perfecte baan aan de universiteit: het bestuderen van leerprocessen en praktijken vanuit een filosofisch perspectief. Zoals hij meermaals benadrukte tijdens ons gesprek, beschouwt hij zichzelf bovenal als onderwijskundige en niet zozeer als filosoof of pedagoog. Zelf zegt hij erover: “Het is wel een beetje ironisch dat iemand die gespecialiseerd is in Peter Sloterdijk, die ons aanspoort om vooral plannen te maken, zoveel toekomstplannen heeft gehad die anders uitpakten. Sloterdijk leert ons dat alles wat we doen eigenlijk een herhaling is, maar wel een herhaling waar wij richting aan geven. Het hebben van een doel geeft ons de kans om naar perfectie te sterven. Je zou kunnen zeggen dat mijn huidige doelstelling is dat ik moet blijven leren, groeien en dus oefenen. Een leven zonder doel is zinloos, maar als je je uitsluitend focust op dat doel, zet je oogkleppen op en creëer je een tunnelvisie. Als een plan anders uitpakt, is dat niet per definitie falen. Het kan ook een deur openen naar een andere mogelijkheid.”

Tijdens het interview met André over het concept tijd, vroeg ik hem op een gegeven moment of ik nu met de man of de wetenschapper te maken had. Hij antwoordde dat het lastig is om onderscheid te maken tussen die twee: “de wetenschappelijke baan beïnvloedt hoe dan ook je persoonlijke leven en denkbeelden, dus je past je onherroepelijk aan.”
Goed. We hebben het hier over iemand met drie universitaire titels, die zelfs nog geprobeerd heeft een vierde daaraan toe te voegen, namelijk muziek. Er zijn bepaalde filosofische stromingen die een grote invloed lijken te hebben gehad op ontwikkelingen in de kunsten; zeg bijvoorbeeld “existentialisme” en iedereen roept meteen Sartre en de Beauvoir. Toen ik André vroeg naar de link tussen de kunsten en filosofie, zei hij: “Als je klassieke filosofie als een logisch systeem beschouwt, dan zou je kunnen zeggen dat tegenwoordig een groot aantal filosofen een logisch iets op een artistieke wijze proberen te presenteren. Veel filosofen, zoals Immanuel Kant, schreven puur logische teksten, en sommigen doen dat nog steeds. Maar tijdens de 19e en vooral de 20e eeuw ontdekten meer en meer filosofen dat we de wereld niet in een puur logisch kader kunnen dwingen; er is ook zoiets als een esthetische orde. De postmodernistische filosofen van de 20e eeuw gebruiken dat esthetische element: sommigen schrijven zelfs op een zeer poëtische wijze. En als we naar het concept tijd kijken in relatie tot kunst, dan zou muziek wel eens de kunstvorm kunnen zijn met de grootste mogelijkheden om heden en verleden met elkaar te verbinden. Neem sampling bijvoorbeeld, het gebruik van bestaande opnamen en kennis om iets nieuws te scheppen. Misschien is dat wel waarom ik me tot musicologie aangetrokken voelde.”
Als ik tot slot vraag of kunst ons filosofie kan leren, zegt hij gedecideerd: “nee, dat is echt een stap te ver. Kunst toont ons filosofie.” En na een korte stilte voegt hij toe: “onder andere.”

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: Maxi Uellendahl

Loop of Love? That’s the question.

Rick Treffers is iemand die niet onder één noemer te plaatsen valt. Hij is zanger, componist, producer, maker van muziek- en theatervoorstellingen en initiatiefnemer van de huiskamerconcertenserie Live in the Living. In 2015 bracht hij als Mist, de cd ‘The Loop of Love’ uit. Rick nam het album op in het Spaanse Valencia, waar hij sinds een paar jaar regelmatig verblijft. Op een zonnig terras vlakbij het Westerpark in zijn oude vertrouwde Amsterdam sprak hij afgelopen zomer met Nicole Broekema over zijn muziek, zijn inspiratie en zijn dromen.

Het is even stil geweest rondom Mist, maar je bent nu weer terug met een nieuwe cd, ‘The Loop of Love’. Je bent de cd nu aan het promoten. Je was bij de radio zag ik?
‘Ja, ’s nachts bij de EO, vier nummers live spelen. En bij Omroep Friesland. Daar ben ik altijd welkom. Verder een aantal huiskamerconcerten in Nederland en dan naar Duitsland en Amerika. Als je een jaar lang in een studio gezeten hebt wordt het toch wel een beetje eenzaam. Niet zo zeer qua vrienden, maar meer omdat je dan de hele tijd bezig bent met die cd. Je hebt geen idee wat het verder gaat opleveren. Dan komt de cd uit en gebeuren er heel veel dingen. Je komt weer naar buiten. En dat is ook wel een opluchting.’

Ook spannend, qua recensies?
‘Ja, heel spannend. Ik probeer recensies altijd met een korrel zout te nemen. Maar je hoopt altijd dat het hele positieve recensies zijn. En tot nu toe gaat het aardig.’

Treed je nog steeds op met Mist?
‘Met één van de bandleden, Ivar Vermeulen, heb ik altijd samengespeeld. Een andere goede vriend van me, Jeroen Luttikhuis, speelde ook bij Mist. Maar in 2009 zijn we met de band gestopt. Ik had allerlei andere projecten en zij hebben drukke banen en kinderen, dus er was weinig tijd meer voor de band. Toen ben ik naar Spanje gegaan. In 2013 had ik plotseling allemaal Engelstalige nummers. Toen heb ik ze gemaild: “Kijk, een paar nieuwe nummers, wat vinden jullie ervan?” “Nou tof, te gek….nieuwe plaat maken?”, was het antwoord. Ze hebben me heel erg gestimuleerd en op afstand meegewerkt aan de cd. Ivar is ook naar Valencia gekomen en een weekend lang hebben we allerlei dingetjes opgenomen en beluisterd. En hier in Amsterdam hebben we ook iets gedaan, bij Jeroen in zijn thuisstudio. Ik heb daarnaast een aantal Spaanse muzikanten gevraagd mee te spelen. Het is een project waar meerdere mensen aan mee hebben gewerkt, maar meer dan ooit mijn plaat. Ik heb de productie en arrangementen grotendeels zelf gedaan en veel zelf ingespeeld. Het is in dat opzicht eigenlijk meer een soloproject. In Spanje treed ik nu op met een volledig nieuwe band, om het nieuwe album te promoten.’

Je hanteert verschillende muziekstijlen en zingt in diverse talen. Bepaalt de muziekstijl of je wel of niet met een band werkt?
‘De cd’s van Mist klinken als een band, maar ik kan het repertoire ook solo spelen of in kleine akoestische bezetting. En ook als band dus. De twee Nederlandstalige cd’s die ik in 2007 en 2010 maakte heb ik in mijn eentje opgenomen en vormgegeven, met medewerking van diverse muzikanten. Het was geen band, maar live heb ik wel een band geformeerd toen. De liedjes op de tweede cd Prettige Vooruitzichten gingen over het verlangen om weg te gaan uit Nederland naar een warmhartiger land. Het is natuurlijk autobiografisch want ik ben het uiteindelijk ook gaan doen. Live heb ik het album omgevormd tot een documentaire op toneel. Ik speelde in mijn eentje de instrumenten maar het klonk wel een beetje als een band want mijn geluidsman Frans Roovers bediende de rest van de apparaten. Het was een muziektheatervoorstelling over Rock Truffels, een fictief personage, een soort rockster, die vooral bekend is ver buiten Nederland. In die voorstelling waren er acteurs en bekende Nederlanders als Leo Blokhuis en Paul de Munnik die op televisieschermen hun persoonlijke ervaringen met Rock vertelden. Het was een toneelstuk in combinatie met beeld en mijn liedjes. Maar na deze productie dacht ik: “Oké, ik kan nu doorgaan met Nederlandstalig en dan speel ik over tien jaar misschien voor 80 man in een theatertje ergens in Nederland. Heb ik daar wel zin in?”. Want met Mist had ik al een internationale carrière. En dat wilde ik niet opofferen’.

Je had toen al een internationale carrière?
‘Ja. Met Mist speelden we in Zuid-Amerika, in veel Europese landen en vooral in Spanje. En ik wilde toch weer terug, de grens over. Ik had al heel lang het verlangen om terug te gaan naar Spanje waar ik al een jaartje had gewoond toen ik 23 was. Toen ben ik vier jaar geleden opnieuw gegaan. Op avontuur.’

En heb je ook iets in het Spaans gedaan?
‘Ik heb een project gedaan toen ik in Spanje aankwam. Dat heet ‘El Turista Optimista’ met liedjes in het Spaans.
Het zijn liedjes die de Spaanse cultuur met liefde op de hak nemen. Ik heb videoclips waarin ik zing; “O, het is allemaal geweldig hier maar waarom halen ze het vuilnis pas om drie uur ’s nachts op?”. Liedjes over culturele gewoontes die ze in Spanje heel logisch vinden maar voor Nederlanders een beetje vreemd zijn. Daar zing ik over, met een glimlach, maar ook met een soort ironie.’

In het Spaans zijn jouw liedjes een knipoog naar hun cultuur. Maar in de Nederlandse nummers zitten venijnige teksten. Is het de taal die daarin meespeelt?
‘Mijn Engelstalige liedjes gaan vaak over de liefde en over relaties. Op één of andere manier komen die bij mij altijd eruit in het Engels. De Engelstalige liedjes maak ik thuis op mijn gitaar of keyboard, terwijl ik klanken met mijn stem maak. Vanuit die klanken ontstaan woorden en vanuit die woorden maak ik dan weer de tekst. Toen wilde ik een liedje schrijven in het Spaans, dat wilde ik een keer proberen. Wat eruit kwam was een liedje over de Nederlanders in Spanje. De liedjes van El Turista Optimista sloegen aan bij het Spaanse publiek. Ze zijn gemaakt vanuit mijn visie op Spanje. De teksten zijn daarbij misschien wel belangrijker dan de muziek en ontstaan meer vanuit het inhoudelijke idee dan vanuit de klank van de woorden.’

En in het Nederlands?
‘Dat zit er een beetje tussenin. Ik heb Nederlandstalige liedjes die over de liefde gaan en die zijn eigenlijk net zo tot stand gekomen als mijn Engelstalige teksten, alleen het Nederlands heeft hardere klanken door al die medeklinkers. Daardoor klinkt het af en toe minder zacht, minder lief. Die eerste Nederlandstalige plaat is qua thematiek en inhoud best wel heftig. Ik maak er ook nogal wat woordspelingen in en dat kan tricky zijn. In het Engels zou ik het niet durven, want het is niet mijn moedertaal. De Nederlandse liedjes van de eerste twee platen zitten een beetje tussen serieus en grappig in.’

Hoe ben je in de muziek gerold? Gedoken, gekozen of niet?
‘Mijn vader was amateurmuzikant. Hij speelde piano en accordeon. Ik zong in de klas op de lagere school. We hadden een leuke lerares die ons allerlei liedjes leerde zingen. Dat vond ik heel leuk. Als puber raakte ik samen met mijn neef geïnteresseerd in hardrock en heavy metal. Voordat ik het wist was ik zanger in een hardrockband, met vrienden uit Haarlem. Ondertussen maakte ik de HEAO af. In de muziek ben ik totaal autodidact. Ik heb toelatingsexamen gedaan voor het conservatorium – als zanger – maar werd niet aangenomen. Eén van de leden van de toelatingscommissie was Edwin Rutten. Ik liet een liedje van mezelf horen op de Spaanse gitaar van mijn zus. Hij zei: “Je bent niet aangenomen, dat is jammer, maar dat eigen lied wat je deed, dat was goed. Dus misschien kan ik je een tip geven. Je moet verder gaan, maar meer als componist dan als zanger”. Dat heb ik ter harte genomen. Ik ben vervolgens in Madrid begin jaren negentig begonnen met het schrijven van heel veel liedjes en bracht in 1995 mijn eerste plaat uit met mijn eerste eigen band, Girlfriend Misery. Daarna heetten we Miss Universe en in 2002 veranderden we de naam in Mist. Na de cd ‘We Should Have Been Stars’, in datzelfde jaar, dacht ik echt van “Ja… dit is het, hier sta ik zó achter”. Ik was toen 35 jaar oud. Toen pas had ik het gevoel dat ik serieus als componist èn zanger door wilde gaan. Wat dat betreft ben ik wel een beetje een laatbloeier, geloof ik.’

Vind je het belangrijk dat je mensen raakt met jouw muziek?
‘Ja, ik maak die muziek niet alleen voor mijzelf. Anders zou ik niet optreden. Ik maak het vanuit mijzelf en het is voor mij belangrijk dat het ook aankomt bij de mensen. Ik put uit mijn ervaringen en liefdes. Dat zijn dingen die eigenlijk universeel zijn en die veel mensen herkennen. Ik heb toevallig het talent om zowel met muziek als met taal iets te vertellen. Het is een enorme kick om dat te kunnen doen.’

Jouw cyclus van schrijven, loopt die continu door?
‘Nee. Vroeger wel. Toen schreef ik altijd. Maar toen zocht ik ook richting. Nu is bijna alles wat ik schrijf blijvend. Het is heel leuk om het oude werk terug te horen. Ik vertelde toen eigenlijk te veel en wilde heel veel uitleggen, ook in de teksten. Soms moet je juist niet alles uitleggen, dan komt er meer ruimte voor interpretatie. Dat is gewoon een kwestie van ervaring en van veel doen. Je zit in een bepaalde context, je leeft in een bepaald soort leven en van daaruit heb je bijna alles al. Je talent en inspiratie is dan een klein, maar zeer belangrijk deel. De rest is context.’

Context is de basis voor jouw creatieproces?
‘Context is misschien wel belangrijker dan inspiratie. David Byrne van de ‘Talking Heads’ schrijft daarover in zijn boek ‘How Music Works’. Geweldig boek! Zo herkenbaar wat hij allemaal in zijn boek schrijft. Hij is ook muzikant maar hij is heel erg wetenschappelijk bezig geweest met al zijn ervaringen. Hij heeft ook veel landen bezocht en gekeken hoe muziek daar gemaakt en beleefd wordt. Superinteressant. Hij schrijft op een hele toegankelijke manier. Niet droog. Als een soort dagboek over wat hij meegemaakt heeft als muzikant. Fantastisch.’

Je hebt alles zelf georganiseerd en geregeld. Er zit een zakelijkheid en organisatietalent in jou.
‘Ik kan organiseren en ben ondernemend als het op promotie van mijn muziek aankomt. Maar soms hangt succes ook af van ‘being at the right place at the right time’. Vaak zijn er binnen industrieën en systemen mensen en partijen die van invloed zijn. Als je die niet mee hebt, dan kun je doorbreken wel vergeten. Tenzij je via YouTube zelf een hit scoort of zo. Maar ik ben realistisch en praktisch ingesteld en doe het met de dingen die ik heb. Een lange adem, onder andere.’

Je zegt dat je heel ondernemend bent en dat het belangrijk is dat je met jouw muziek mensen raakt. Ben je op zoek naar een bepaalde doelgroep? Ben je daarmee bezig bij het schrijven van muziek ?
‘Het maken van muziek en het op de markt brengen van muziek zijn voor mij twee strikt gescheiden dingen. Wanneer ik muziek maak denk ik niet: “OK, als ik nou dit soort muziek maak en als ik hier een dingetje bij doe dan vindt het publiek het mooier”. Absoluut niet, want dan zou ik mezelf tekort doen. Dan ga je ‘toegepaste muziek’ maken. En ik denk dat de beste muziek, de meest persoonlijke en de meest authentieke muziek is. Soms als ik met Ivar aan het luisteren ben naar een nieuw nummer, dan zeggen we wel eens “Misschien kunnen we het een beetje arrangeren zoals die-en-die band”. Dat wel. Natuurlijk word ik beïnvloed door de huidige tijd. Er is zoveel muziek gemaakt en er zijn zoveel ritmes en geluiden die al een keer gemaakt of gebruikt zijn, die dingen gebruik je dan gewoon ook. Maar wat je er verder mee doet dat is jouw interpretatie.’

Heb je nog een grote droom of passie?
‘Muziek en taal zijn mijn twee passies. Zolang ik die op een creatieve manier kan gebruiken in mijn leven, en daarmee mensen kan bereiken, ben ik tevreden. Verder wil ik heel veel andere nummers maken, en muziek voor beeld en theater maken, dat soort dingen. Ik zou ook graag nog meer willen reizen met mijn muziek. Of zonder muziek, om bijvoorbeeld rapportages te maken. Leven als muzikant is een risicovol bestaan maar ik zal altijd dingen blijven produceren en bezig zijn met dingen die ik leuk vind. Ik zal in dat opzicht nooit in een gat vallen. Ik wil qua werk mijn eigen baas zijn, dat ben ik altijd geweest en die vrijheid vind ik aangenaam.’

Interview: Nicole Broekema
Foto: Jasmijn Schrofer

Koken volgens KISS

Vanaf deze maand start POM Magazine met de nieuw serie Het Gerecht. In deze reeks vertelt een restauranteigenaar over zijn of haar favoriete gerecht. Soms is dat een gerecht op de kaart dat verbonden is met het ontstaan van het restaurant, soms is het een gerecht met een sterke jeugdherinnering en soms is het een gerecht dat de filosofie van het restaurant in één hap samenvat. In de primeur van deze serie sprak Anne van der Heiden met Remco Bras Verschoor, eigenaar van de vegetarisch/biologische lunchroom Baklust in Den Haag. In een interview met Anne vertelt Remco over een bijzondere risotto en legt hij uit wat rockmuziek met zijn gerecht te maken heeft.

Allereerst: wat is Baklust?
Baklust is… rebels. Het is geen franchise van een grote keten, niet alle tafels zijn hetzelfde, het is niet strak. Juist die imperfecties dragen bij aan het huiskamergevoel, net als de manier waarop we met onze klanten omgaan. De kaart is klein maar doordacht: vrijwel alles is in een handomdraai aan te passen voor veganisten of mensen die glutenvrij eten. Ik heb veel in het buitenland gewerkt en kan zo kwaad worden van die Nederlandse houding ten opzichte van horeca. In Frankrijk is ‘garçon’ een respectabele baan, hier is het meer een bijbaantje waarvoor je alleen maar een cursusje melk opschuimen hoeft te volgen. Horeca is een echt vak en dat zie je bij ons terug. Geen anonimiteit en onverschilligheid: onze klanten praten met elkaar, ook als ze elkaar niet kennen.

Waarom vegetarisch?
Baklust was al vegetarisch, ik ook. Daarom wilde ik het juist overnemen. Ik ben echt geen evangelist die iedereen wil bekeren, vleeseters zijn hier van harte welkom, maar ik wil hen wel wat leren. Al moet ik 10 keer per dag uitleggen wat seitan is! Ik wil mensen verrassen met de rijkdom van de vegetarische keuken. Niet op de vleesbakkers manier met salade geitenkaas en broodje mozzarella. We hebben wel geitenkaas en mozzarella in het menu verwerkt, omdat die ingrediënten herkenbaar zijn voor de vleeseters en instap-vegetariërs die hier ook komen. Die kiezen vaak eerst veilig. Maar als dat bevalt…. durven ze de keer daarna misschien wel onbekender terrein aan.
En dan heb ik het niet over dat trendy visuele gedoe met schuimpje van dit en cappuccino van dat op je bord: leuk hoor, maar het gaat toch om de smaak! Meer dan 3 smaken per gerecht is trouwens zinloos, die proef je toch niet. Ik kook volgens mijn favoriete band aller tijden, KISS. Oftewel: Keep It Simple Stupid.

Wat is jouw ultieme gerecht en waarom?
De quinoa salade. Allereerst omdat het helemaal volgens mijn KISS principe is, zoet, zuur en zout zijn perfect in balans. Het heeft alles wat een salade moet hebben. En het gerecht is echt gegroeid, het heeft een verhaal.
Ik kijk veel BBC: voor het programma ‘Kew on a Plate’ heeft chef Raymond Blanc een heel jaar lang een moestuin gehad in Kew gardens. Met de oogst uit de tuin heeft hij volgens het seizoen gekookt. Het bijbehorende kookboek is mijn absolute favoriet. Eén van de gerechten daarin is een risotto met gerst en worteltjes. Geweldig lekker, maar niet praktisch voor bij ons in de lunchroom: het duurt veel te lang om te maken. Maar ik wilde het zo graag op de kaart, dat ik ermee ben gaan spelen. Allereerst heb ik in plaats van de gerst, quinoa gebruikt. Saillant detail is dat ik eigenlijk niet van quinoa hield, ik vond het een beetje zeepachtig. Maar door de quinoa in het kookvocht van de wortels te koken, krijgt de quinoa een heerlijk zoetje. De dressing voor de Caesar salade die al op kaart stond bleek hier perfect bij te passen. Tot slot kwamen de polenta croutons er nog bij voor de zout-ervaring. Daar ben ik de hier zo populaire Israëlische chef Ottolenghi dankbaar voor, dat hij eindelijk Nederland aan de polenta heeft gekregen. Supervoedsel wat mij betreft: simpel, lekker en verrassend.
Het eindresultaat staat niet voor niets bij het rijtje salades op ons menu. Onderaan, want de laatste onthoud je het beste en iedereen moet hem gewoon proberen. Met brood en boter erbij hè, zoals het hoort bij een maaltijdsalade. Salade zonder brood is zo Hollands.

Interview en tekst: Anne van der Heiden
Foto: Jasmijn Schrofer