De stad, de rivier en het zwemmen

Zwemmen in de stadsrivier wordt in de meeste steden sterk afgeraden. De rivieren zijn vaak gevaarlijk vanwege een verraderlijke stroom of druk bootverkeer en het vervuilde water maakt het zwemmen een gevaar voor de gezondheid. Toch zijn er stadsrivieren waarin je met een gerust hart een duik kunt nemen. De wens om schoner rivierwater is er natuurlijk al heel lang en sommige steden hebben de lat zo hoog gelegd dat zwemmen in rivierwater veilig geworden is.

In de haven van Kopenhagen ligt het openluchtbad Harbour Baths waar de bewoners van nabije buurten in schoon rivierwater kunnen zwemmen. Behalve in Kopenhagen, kan er nu ook gezwommen worden in baden in de Parijse Seine, de Berlijnse Spree en binnenkort in de Londense Thames. Eerlijkheid gebied te melden dat het rivierwater is dat deze baden vult, maar alleen nadat het grondig gezuiverd is. Londen en Berlijn streven ernaar de rivierwaterkwaliteit mettertijd op een niveau te krijgen die kunstmatige zuivering van het water niet meer nodig maakt.

Het ontwerp van deze baden is eenvoudig en het toonbeeld van architectuur en design. De Harbour Baths in Kopenhagen zijn gebouwd op houten vlonders die doen denken aan het promenadedek van een schip. In plaats van traditionele duikplanken is een drie dimensionale driehoek gebouwd dat veel weg heeft van een scheepsboeg. Omdat alles in hout is uitgevoerd ademt het bad de sfeer van ambachtelijkheid.
Het ontwerp van Badeschiff Berlin is gebaseerd op de romp van een leeg schip, zoals de naam al impliceert. Net als in Kopenhagen wordt het bad omgeven door houten vlonders. Maar het rivierbad in de Spree gebruikt zijn vlonders voor lounching en dj’s en niet zo zeer voor de natuurbeleving. Genieten van de stadspanorama staat centraal, en in de winter wordt het bad overtrokken met een doorzichtige cirkelvormige kap waardoor zwemmers tot in de late avonduren heen kunnen kijken naar de lichtjes van Berlijn.

Zwemmen in een stadsrivier is natuurlijk niet te vergelijken met het spetteren in koele snelstromende beekjes in bossen en bergen. Maar helemaal gespeend van natuur zijn sommige baden niet. Thames Baths Lido is een initiatief voor een rivierbad in oprichting en wordt gesteund door prominente Londenaars. De ontwerpen liggen er en via crowdfunding wordt geld ingezameld om de realisatie mogelijk te maken. In het ontwerp is uitgekiend landschapsarchitectuur te zien die de zwemmers van Thames Baths Lido laten genieten van riet en waterplanten tegen de achtergrond van de historische skyline van het centrum van Londen. Zwemmen in de natuur is een beleving van vrijheid, rust en verbondenheid met de natuur. Thames Lido geeft een hint van een stukje natuur, maar Badeschiff am Spree en Harbour Baths Kopenhagen laten zien dat zwemmen in een stadsrivier een beleving is van vrijheid en verbondenheid met de rivier en haar stad.

Tekst: Polly Parker

Metal voor beginners- een playlist

Ben je niet zo bekend met metal en heb je geen behoefte aan een heel weekend metal festival om uit te vinden wat je leuk vindt? Hieronder is een lijst met 10 bekende metal nummers die POM Magazine’s Nicole Broekema dwars door de diverse genres en tijdperken heen gekozen heeft. Smaken verschillen natuurlijk. Het zal je niet verbazen dat Nicole aardig wat heeft moeten schrappen om tot een top-10 te komen. Deze nummers worden steevast door het merendeel van het publiek meegebruld. Want ja, ook op metal festivals gaan de handjes de lucht in. Een lijstje dus om het festival gevoel nog even vast te houden. Show them metalhorns!

1. Ace of Spades – Motörhead
Om te beginnen, het lekker luisterbare en redelijk bekende Ace of Spades van Motörhead. Door het overlijden van rocklegende Lemmy Kilmister in 2015, helaas niet meer live te aanschouwen. Gelukkig heeft hij met z’n bandmaten heerlijke, pure rock achtergelaten, waaronder deze klassieker.

2. Raining Blood – Slayer
Gelijk door naar een heel andere sound, naar Slayer, de goden van de trash metal. Natuurlijk komen voor dit lijstje meerdere nummers van deze band in aanmerking. Ik heb gekozen voor Raining Blood, vanwege de herkenbare riffs en omdat die andere al in de Top 2000 staat.

3. Black no. 1 – Type-o-Negative
De donkere, soms melancholieke, soms humorvolle muziek van Type-O-Negative wordt breed gewaardeerd in de metal wereld. Hebben zij met het nummer “My Girlfriend’s Girlfriend” de nodige hitlijsten behaald, op de metal weide is het Black No. 1 dat de meeste snaren raakt. Loving you!

4. Run to the Hill – Iron Maiden
In een metal lijst kan Iron Maiden natuurlijk niet ontbreken. Maar welk nummer? Fear of the dark, veelal afsluiter van de show? Het wat algemeen bekendere Number of the Beast met het prachtige gesproken intro? Of misschien The Trooper of toch Aces High omdat dat van die heerlijke songs zijn? Nee, het wordt Run to the Hill, omdat dat toch de beste “meezinger” van allemaal is!

5. Davidian – Machine Head
De drumroffel, de gitaariffs, de oerschreeuw, de tekst; we kunnen het allemaal meedoen. Hoor duizenden stemmen meeschreeuwen: Let freedom ring….!! Luister en je weet waarom het geen verdere toelichting nodig heeft.

6. Chop Suey! – System of a Down
Afwisselend snel en chaotisch, en dan weer rustig en engelachtig, het bekendste nummer van System of a Down, Chop Suey! hoort absoluut in dit lijstje met meezingers. Diep respect voor iedereen die dit nummer ook daadwerkelijk helemaal kan meezingen.

7. Bro Hymn – Pennywise
Typisch voorbeeld van een nummer dat velen kennen; zo’n deuntje dat iedereen meehumt, soms zonder te weten welke band of nummer het is. Strijdlied van tientallen sportclubs wereldwijd. Het energieke refrein “Whooo-oh-oh-oh …” werkt erg aanstekelijk en verraadt niet direct de lading van de tekst: het verlies van dierbare vrienden. Een welgeslaagd eerbetoon.

8. War Pigs – Black Sabbath
In het woud van vele, vaak snoeiharde, metal genres dacht je misschien niet direct aan Black Sabbath. Toch zeker in de lijst opgenomen omdat deze band gezien wordt als de eerste metal band. Waarschijnlijk ken je het nummer “Paranoid”, de enige top-10 hit van deze band. In dit lijstje hoort War Pigs, omdat het heerlijk is om mee te doen met de lange uithalen.

9. Snap your fingers, snap your neck – Prong
Ondanks (of wellicht dankzij) hun cultstatus worden een aantal nummers van Prong nog altijd hoog gewaardeerd. Naast (persoonlijke) favoriet “Who’s fist is this anyway”, is Snap your fingers, snap your neck, het nummer waarbij de meeste handjes de lucht in gaan. Met knippende vingers, inderdaad.

10. Master of Puppets – Metallica

In vele lijsten op 1 als beste metal nummer ooit, ontbreekt dit nummer natuurlijk ook hier niet. Omdat echt bijna iedereen dit meezingt of neuriet, omdat het… nou ja, inderdaad, omdat het gewoon het beste nummer is. 😉
Master…
Master…
Master…

Tekst en muziekkeuze: Nicole Broekema

Verlichtende ziel?

Tijdens het Amsterdam Light Festival van afgelopen winter, stond op het Amsterdamse Mr. Visserplein een bijzonder soort straatverlichting: Translucent. Op het eerste oog een doodnormale lantaarnpaal, maar wel één met een eigen lichtbron. Een licht-in-een-licht dat reageert op alles wat er in de omgeving gebeurt. Translucent is geboren uit het brein en de vindingrijkheid van kunstenaars, wetenschappers en informatica engineers. POM Magazine’s Thierry Reniers sprak met de projectleider en beeldend kunstenaar Verena Hall over de illusie van een ziel.

Translucent is een interactief stuk straatverlichting. Wat zien toeschouwers als ze er langslopen?
Translucent is op het eerste gezicht een lantaarnpaal zoals alle andere. Gewone lantaarnpalen gaan in één keer branden tijdens de schemering. Translucent niet. Zodra het donker wordt, zweeft er een licht van beneden naar boven. Hierdoor lijkt het dat de lamp wordt ontstoken. Een knipoog naar de lampopstekers van vroeger. We wilden dat voorbijgangers een band zouden gaan opbouwen met het licht dat in de lamp leeft.

Hoe hebben jullie dat weten te realiseren?
We hebben bestudeerd wanneer en hoe mensen een band opbouwen met iets of iemand. Het sleutelwoord bleek interactie. Samen met twee andere beeldend kunstenaars en twee technische informaticaspecialisten hebben we zo geprogrammeerd dat, zodra je in de buurt van Translucent komt, het licht naar je toezweeft en als een vuurvliegje met je mee beweegt wanneer je om de paal heen loopt. Translucent reageert op de hoeveelheid aandacht die het krijgt; hoe meer mensen ernaar toekomen, hoe groter het licht wordt. We hebben het licht in Translucent bepaalde menselijke trekjes gegeven. Als de omgeving druk en onrustig is, wordt het licht zelf ook drukker en verstopt het zich even.

Waar kwam de input voor die menselijke trekken vandaan?
We hebben o.a. naar Disney Pixar gekeken en we hebben ‘smilies’ als uitgangspunt genomen omdat die heel rake, gecomprimeerde emoties vertolken.

Hoe reageren mensen op Translucent?
Mensen zijn vooral heel verrast dat een gewone lantaarnpaal ineens tot leven komt. Ik hoop natuurlijk dat mensen straks na het uitgaan nog even Translucent bezoeken en anderen meenemen zodat zij het ook kunnen ontdekken.

Heb je het voortdurend bewegende licht stiekem al een naam gegeven?
Ja, haar bijnaam is Lucy. Met de officiële naam Translucent suggereren we dat er in elke lantaarnpaal een licht woont. Alleen, bij Translucent kun je het licht zien omdat de lantaarnpaal doorschijnend is. Zo is het toch een beetje een sprookje. Ik zou het heel cool vinden als er heel subtiel, meer levende lantaarnpalen in Amsterdam zouden opduiken. Alsof er iets magisch gebeurt in de stad, met steeds meer doorzichtige lantaarns. Misschien wel in verschillende kleuren.

In hoeverre vind jij bezieling van objecten eigenlijk haalbaar?
Ik denk dat het kan, als we het tenminste definiëren als een gevoel van bezieling. Volgens mij houden mensen zichzelf expres voor de gek en vinden ze dat fijn. Je ziet het bijvoorbeeld bij talismans. Mensen weten wel dat er niet echt een ziel in zo’n steentje zit, maar ze krijgen een goed gevoel door te denken dat de steen hen iets bijzonders geeft.

Jullie Lucy gaat dus nooit echt een ziel krijgen?
Nee. Ik ben daarin super nuchter, maar ik vind illusies prachtig. Ik vind het heerlijk om mezelf voor de gek te houden en er helemaal in op te gaan. Ieder jaar doe ik alsof Sinterklaas bestaat en dat vind ik fantastisch, ook al weet ik dat het niet zo is. Dat maakt niet uit, als het werkt, werkt het toch? Ik denk dat we in onze harde, snelle wereld best vaker mogen fantaseren en dromen.

Waarom vind je dat belangrijk?
Sprookjes en magie en fantasieën halen iets in je naar boven dat feiten en harde waarheden niet kunnen. Wat dat precies is, weet ik niet. Toen ik als kind door het sprookjesbos in de Efteling liep – of nog steeds eigenlijk- voelde ik kriebeltjes van spanning alsof er elk moment iets kon gebeuren. Het is moeilijk te omschrijven, maar ik denk dat iedereen dat wel eens ervaren heeft.

Hoe zou de wereld er uitzien als er meer ruimte zou komen voor verwondering?
Ik denk dat de wereld speelser zou worden en dat mensen wat vaker zouden kunnen dromen, ook vaker even stil zouden staan. Ik denk dat je namelijk wel stil moet staan om verwondering toe te kunnen laten. En volgens mij is dat heel gezond. Als kunst daarbij kan helpen, vind ik dat een heel mooie functie.

Fotografie: Janus van den Eijnden

Philip Rozema, de dichter

Ieder jaar benoemt de Rijksuniversiteit Groningen een dichtende student tot huisdichter. De zestiende huisdichter is Philip Rozema. In 2015/2016 raakte het publiek bekend met zijn gedichten via zijn bundel te ruime ruimte en via diverse audio- en video opnamen. Rozema (1993) is een dichter die graag optreedt op festivals. In mei 2016 sloot hij zijn huisdichterschap af met zijn eigen theatervoorstelling, Plusminus, een mix van woord, beeld, en soundscapes die hij met zijn stem maakt; een persoonlijk verhaal over de zin en onzin van zoeken naar geluk.

Op de middelbare school wist Rozema al dat hij universiteitsdichter wilde worden. Pas nadat hij zich drie keer had opgegeven, werd hij door de jury gekozen. “Als huisdichter werd ik gevraagd voor allerlei projecten en dan gaat de boel rollen”, vertelt Philip. Hij houdt niet alleen van het schrijfproces, maar ook van het voordragen van zijn gedichten. Nou ja voordragen, het is meer een performance, creatief bezig zijn, zonder gebonden te zijn aan papier. Zo probeert hij het enthousiasme bij zichzelf en het publiek vast te houden. “Ik vind het heerlijk om op te treden. Hoewel ik soms wat rustiger aan moet doen hoor, want als ik te veel moet optreden, sneeuwt het onder,” vertelt hij. “Een optreden geeft vaak een kick. Alle ogen zijn op jou gericht en je hebt zelf alles onder controle. In de poëzie kan ik echt mezelf zijn, het is een uitlaatklep. Op het podium komt het tot zijn recht.”

Als klein kind schijnt hij gezegd te hebben: ik rijm nog eens wat. Een familieanekdote die nu fier op de achterflap van zijn bundel te ruime ruimte prijkt. Zelf weet hij het niet meer, maar wel dat hij taal en taalgrapjes leuk vond. Op de basisschool kwam het los. “In groep zes en zeven had ik een leraar die ons liet dichten”, vertelt hij. “Ik schreef eerst poëzie en ben later pas gaan lezen. Misschien wel beter ook, zo zonder kaders.” De nominatie voor de Gouden Lijst, een landelijke prijs voor kind- en jeugdliteratuur, is voor Rozema een omslagpunt. “Daar is heel veel uit voortgekomen”, legt hij uit. “Ik was 16 jaar oud en heb toen de dichter en schrijver, Hans Hagen, mijn gedichten gemaild. Hij gaf het advies om contact op te nemen met de dichter, Ted van Lieshout. Ik heb toen Ted van Lieshout mijn werk gemaild en hij nomineerde me voor de Gouden Lijst.”

Toen ik Philip vroeg wat hem inspireert, antwoordde hij: “De taal zelf, denk ik. Een gedicht hoeft niet ingewikkeld te zijn maar het moet heel helder, minimalistisch zijn, iets op een andere manier laten zien”, legt hij uit. “Als ik een gedicht schrijf, probeer ik de kern te pakken. Het gedicht ons wi-fi uit de bundel te ruime ruimte is een maatschappij-ironisch gedicht. In dat gedicht heb ik mijn mening achter gehouden. Het is een observatie”, vertelt Philip. “Een gedicht hoeft niet altijd per se maatschappijkritisch te zijn”, legt hij uit. “Ontsnappen kan ook, en stilstaan. Het morele achterwege laten en geen oordeel vellen, kan mensen stil laten staan.” In, er is een weg, geeft Rozema een hoopgevend beeld. “Als je een weg maakt, is er vaak ook een weg terug”, legt hij uit. “Als je vastloopt, kun je terug. Het gaat altijd ergens heen als je niet stilstaat. Ik zoek niet zozeer naar licht in de zin van makkelijk, maar in de zin van kernachtig. Iets plaatsen, daarop doorassociëren en dan weer terug naar de originele plaatsing.” In zijn gedicht stop op contact legt hij een dag vast waarin je het gevoel hebt dat je het druk hebt, terwijl dat best wel meevalt. Het gevoel dat je nooit alles afkrijgt, altijd wel iets te doen is of op je ligt te wachten, een bericht bijvoorbeeld. Maar social media is voor Rozema niet per se een last. “Het is heel makkelijk om even naar een Facebook post te gaan, op zoek naar de beloning dat iemand iets gepost heeft”, vertelt hij. “Je hebt voortdurend het gevoel van: wat mis ik? Natuurlijk heb je de keuze, maar eigenlijk ook niet. De bewegingen die we bewust of onbewust maken fascineren me.”

Interview: Anne van der Heiden
Fotografie: Joyce ter Weele

stop op contact

ik had deze dag contact met de caissière
zo een die je pas al voor
de boodschappen scant
en op de toonbank legt
met een blik in haar ogen

en met een vriend
aan de lijn die niet kon komen wegens
stroomstoring en over stroom gesproken
met het koffiezetapparaat

en met de deur die nog open stond

en wat afsluiten betreft
in elke weg lag een geluid
of een bericht

ik had contact met mijn smoezen
zodat ik mezelf voor de gek kon houden
ze lagen languit in mijn geheugen
op me te wachten in een strandstoel
aan een zee van gedachtes

steeds voor elke vloed
word ik geëbd

zo zal het gaan
er wordt op me gewacht
en met mij gaat het altijd druk

Gedicht: Philip Rozema
Illustratie: Viola Gesmundo

Urban cowboy

Een urban cowboy lijkt een paradoxale verschijning, maar is het niet per se. Een cowboy is als gras dat tussen de tegels doorgroeit; de ruimte in een vierkant systeem is krap, maar hoe klein ook – het laat wildgroei toe. Cowboys treffen elkaar zelden. Als ze elkaar treffen, dan is het kort en to the point. Lonesome, maar nooit alleen. Ik ben naar ze op zoek gegaan in mijn stad.

Als de stad verschilt van het Wilde Westen, dan is het wel door de gigantische dichtheid van mensen. Meer tegels, meer woekering, meer cowboys. En hoezeer cowboys ook in verschijning, doen én laten verschillen, ze zijn gesneden uit hetzelfde hout – en dat ruik je. Het vraagt lef en moed om je authenticiteit te etaleren, maar voor een urban cowboy is het een moeiteloze bezigheid. De stad kent andere wetten, andere behoeften, andere kansen – maar de dialoog die de cowboy daarmee aangaat is onveranderd. Keer op keer die vraag: wat doe ik met mijn vrijheid vandaag? In mijn vriendenkring vond ik enkele urban cowboys. Ik vroeg ze naar hun cowboybestaan, wat voor hen een cowboy is. En hoe typisch ze ook voldoen aan het profiel, in gesprek met mij trappen zij de kaders plat van wat een cowboy is. Daardoor passen ze wat henzelf betreft, nooit echt in het vakje cowboy. Dat er toch al niet was. Precies zoals het een cowboy betaamt. Althans voor sommige dan.

Caspar is sinds dit jaar officieel mijn vriend. Hij is een urban cowboy. Vind ik. Is het zijn kledingstijl? Zijn strak geschoren baardlijn? Omdat hij wildvreemde dames op straat begroet en soms zelfs de volgende morgen van ontbijt voorziet? Nee, het is zijn Honda motor. Of simpelweg omdat een afspraak niet lukt als we via de telefoon proberen af te spreken, en ik hem voortdurend tegenkom wanneer we elkaar vergeten. “Een urban cowboy kent de wetten van de jungle en de wetten van de stad”, zegt hijzelf, “hij weet hoe hij de dingen moet bespelen om te krijgen wat hij wil – Hoe ga je om met een vrouw? Hoe krijg je goed betaald werk? Wat zijn de plekken om naar toe te gaan?” Volgens Caspar kan een yup heel goed een urban cowboy zijn, en ook andersom. En toch is er volgens hem dat wezenlijke verschil. “Zelfverrijking heeft geen prioriteit”, vertelt hij me, een vrije vogel die pakt wat ie nodig heeft. Hij werkt niet voor het systeem, maar laat het systeem voor zich werken.” Toen ik met Casper sprak spookte in mijn hoofd die uitspraak die ik ooit las: Als je de koning wilt vermoorden, dan moet je zijn beste vriend worden. Een urban cowboy rebelleert niet. Hij kent de mazen van de wet, en kruipt er met stijl tussendoor. “Ik vind mezelf in die zin geen urban cowboy”, vertelt Casper, “omdat ik financieel nog niet die onafhankelijkheid in de vingers heb. Een urban cowboy heeft funky koopwaar waarmee hij zijn poen verdient. Waar ze lekker van leven zonder hun hand op te houden. En tegelijkertijd zijn ze niet afhankelijk van hun eigen succes. Vrijheid verliezen, dat is niet aan de orde. Een koophuis, het kan. Zolang het vrijheid geeft en niet neemt.” Terwijl Casper me dit vertelt, schudt hij zand uit zijn oren. Uit Black Rock Desert, waar hij op het Burning Man festival echte cowboys ontmoette.

Wat mij en mijn andere vriend Jasper bijeen brengt, is dat we elkaar overal en nergens tegenkomen. Jasper is een vagebond, een ‘struiner nummer 1’. Naar eigen zeggen een cowboy zonder hoed. Misschien omdat het stedelijk landschap genoeg schaduw biedt? Op zijn benen, nog liever dan op de fiets, beweegt hij door de stad. Altijd in gezelschap van Jan en alleman. “Struinen is het mooiste wat er is”, zegt hij, “voor avontuur hoef je niet ver weg te gaan. Alles is om je heen te vinden”. Zijn ogen zijn altijd op de horizon gericht. Wat hem betreft is een urban cowboy goed herkenbaar. “Ze roken. Dat moet. En ze hebben masculiene eigenschappen. Ze hebben geen paard, maar een fiets of een Vespa. Tegelijkertijd zijn ze qua kledingstijl niet in een hok te stoppen”, aldus Jasper. Volgens hem is het meer een zekere behendigheid die van een urban man een cowboy maakt. Het moderne lasso gooien in de vorm van skateboarden, over een touw lopen of met vuilniszakken gooien. Het blijft wellicht voor altijd een mysterie, maar het is waar. “Een urban cowboy is populair bij de vrouwen. Schroomt niet om met veel vrouwen het bed in te duiken. Maar tegelijkertijd is hij een loner. Hij heeft niet superveel vrienden, maar is feitelijk ook nooit alleen. Behalve dan in zijn eigenzinnigheid”, vertelt Jasper me. “En uiteraard, een urban cowboy doet iets in de muziek”, voegt hij er aan toe. Jasper gooit niet met lasso’s, maar met vinyl. Hij draait platen, samplet ze en maakt er compleet nieuwe hiphopbeats van die hij ook live performt. In kroegen, woonkamers en tunnels.

De derde cowboy is mijn vriendenkring is Joshua. Ik heb hem al jaren niet meer gezien. En toch: als ik iemand het hokje van cowboy in en uit mag drijven, dan is het Joshua. Hij heeft simpelweg de looks. Inspirerend hoe iemand die er zo goed uit ziet louter sympathie toont. Zijn glimlach spreidt een lage tandartsrekening ten toon. Arrogantie is hem onbekend. Joshua kun je overal op de planeet tegen komen. Ik zou zeggen vier seizoenen lang. In de zomermaanden bouwt hij gigantische steigers en installaties op festivals op én af. Eelt op de handen, eelt op de ziel. Hij kent de paradox van onafhankelijkheid in het samenzijn. Hij zei ooit:”Het enige wat je nodig hebt op reis is een fles water, de rest komt vanzelf.” Ik nam contact op via facebook, want hij zat in Tokyo. Het label van cowboy lapte hij direct aan zijn laars. “Ik vind het een negatieve klank hebben, cowboy. Iemand die zich van niemand wat aantrekt en zijn zelfbedachte regels heel uitgesproken naleeft en daarmee tegen de schenen van anderen schopt. Niet dat ik van het keurslijf ben”, voegde hij eraan toe. “Ik zou mezelf liever zien als Urban Ninja. Iemand die in de onwetendheid zijn dingen voor elkaar krijgt. En vaak voor een groter plaatje gaat. Zonder dat iemand het echt in de gaten heeft. Soms linksom, soms rechtsom. Urban cowboy klinkt in mijn oren een beetje dommig en rebels. Veel geschreeuw maar weinig inhoudelijke acties die inspirerend zijn en effectief. Anyway, what’s in word, hè? Allemaal interpretaties van iets dat in werkelijkheid leeg is.”
Ik kan niet wachten tot ik Joshua vergeten ben en weer ergens tegen het lijf loop. Ontsnappend aan het zelfde vangnet, een oneindige variatie op dat thema van bewegingsvrijheid. Als woorden een lasso zijn dan gooi je soms raak, soms mis. Ter afsluiting mijn versie van een typische urban cowboy. Autobiografisch? Misschien. Behalve op de momenten dat ik mis gooi. Het blijft buiten de vakjes kleuren.

Urban Cowboy?
Iemand die goed gekleed is maar niet bang is vies te worden. Voorbereid op alles dat hij wil beleven.
Hij heeft niet alleen zijn telefoonoplader altijd bij zich, maar ook een powerbank, condooms, aansteker, pen, zakmes, deo, paspoort, oordopjes, tandenstokers, kauwgum, flesje water, cash en pinpas.
Hij heeft een compact maar robuust vervoersmiddel: een fiets, skateboard, een brommer. Hij heeft geen auto of motor omdat hem dat beperken kan.
Hij onderscheidt stijl van imitatie, maar is niet bang is om op te lossen in de massa.
Zijn smaak etaleert hij niet uiterlijk of verbaal maar geeft hij terloops prijs als gevolg van directe behoeftevoorziening.
Hij is iemand die net zo gelukkig is met een zak chips in het park, als met een viergangendiner bij een vijf sterren restaurant.
Zijn culturele achtergrond is verwaarloosbaar maar niet verloren.
Integendeel, hij eert zijn roots maar heeft de sporen daarvan uitgewist en mengt zich moeiteloos in iedere andere cultuur.
Hij is iemand die zijn krachten niet ontleent aan een systematische training maar aan de noodzaak van beweging.
Hij danst, hij is onzichtbaar.
Als je hem ziet, herken je hem direct; je wilt iets van hem wat hij nooit geven zal en toch is hij gul en deelt dat wat nodig is.
Iemand die in een groep gecamoufleerd is, maar voor een publiek bulkt van zelfvertrouwen.
In geen enkele vrouw vindt hij wat hij van zijn moeder niet kreeg.
Hij doet geen vlieg kwaad, maar als er bloed moet vloeien dan zal er bloed vloeien.
Hij laat zich glad scheren zonder een nieuwe afspraak te maken.
En bovenal, hij heeft een zakdoek bij zich want je weet maar nooit waar je op een dag je handen zoal aan vuil maakt.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Spiritualiteit? Welnee!

Beeldend kunstenaar Wim Warrink definieert zijn werk vooral in termen van beeldende experimenten die een afdruk achter laten. In de breedste zin van het woord: lichtinstallaties, machines die brute kracht vertonen en een fijn gevormde kievitseihouder in de vorm van een kievit. Bert van der Zee reisde voor POM Magazine naar Winsum, enkele kilometers ten westen van de stad Groningen om deze beeldend kunstenaar te ontmoeten voor een gesprek over zijn werk. Bert en Wim gingen er eens goed voor zitten in de oude veehouderij van de anti-leegstandboerderij waar Wim en zijn vriendin wonen. Daar verzamelt Warrink (Assen, 1983) materialen, etaleert hij terloops affe of onaffe creaties en beschikt hij over alle ruimte om gereedschap te stallen dat robuust werk kan leveren. Of de tractor en de hooiwagen ook zijn eigendom zijn, is onduidelijk. Het lijkt in ieder geval op de droomwerkplek voor de doorgewinterde kunstenaar.

Je bent kunstenaar geworden. Hoe ben je daartoe gekomen?
Ik wist helemaal niet dat je kunstenaar kon worden, ik had daar helemaal geen besef van. Ik kom uit een dorpje vlakbij Emmen. Daar ging ik naar de LTS en ik koos elektrotechniek omdat daar werk in zou zijn. Ik heb 1 jaar gewerkt als elektromonteur, maar ging toch verder kijken en kwam uit in de creatieve hoek. Ik deed een opleiding productontwerp in Leeuwarden. Daarna werd ik toegelaten aan de Hogeschool voor de Kunst Utrecht, HKU. Voor die opleiding ging ik naar het SMAK in Gent, een museum voor hedendaagse kunst, en daar zag ik werk van kunstenaars van de beweging Arte Povera en van kunstenaar Bernd Lohaus. In zo’n zaal hingen blokken hout, gebundeld in een touw aan de muur, of er lagen stukken biels in die zaal. Toen ik dat zag voelde ik een soort liefde voor het materiaal. Ik was in één keer om en wist ik het zeker: ‘als dit mag dan kan ik het ook! Ik ga het in elk geval proberen!’

Je hebt uiteindelijk de kunstacademie gedaan in Groningen.
Klopt. Nadat ik gestopt was aan de HKU besloot ik zomaar een keer op bezoek te gaan voor een rondleiding bij de kunstacademie Minerva in Groningen. Architect Piet Blom ontwierp het gebouw van de academie met allemaal kleine hokjes en kleine gangetjes. Het was zo lekker chaotisch. Als ik door het gebouw liep, was het net alsof ik door mijn hoofd liep. Ik dacht: dit is precies de plek waar ik moet zijn. Deze academie staat hier helemaal voor mij. En dat voelde ik de hele tijd zo sterk, dat ik dacht: als ik straks afgestudeerd ben, dan wordt het gebouw gesloopt. Alsof dat zo moest zijn.

Je won in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs waaraan een geldsom verbonden was.
Zo’n prijs is een erkenning en een signaal dat je op de goede weg bent. Ik ben gewoon lekker bezig. De dingen die je maakt, dat is nog geen kunst, het is een soort rijpingsproces. Ik geef vorm aan dingen die in mijn hoofd zitten. Die breng ik in de wereld en op de plek waar ze het beste tot hun recht komen- dat is nu de kunst.

Wat heb je gedaan met het prijzengeld?
In het begin dacht ik: van het geld van de Academieprijs ga ik een werkplaats aanschaffen. Maar dat is niet gebeurd. Ik heb een half jaar lang rustiger aan gedaan om alle indrukken van mijn academietijd een plekje te geven. Op zo’n academie zit je in een soort snelkookpan, dat is vier jaar lang constant bezig zijn, de hele tijd nieuwe dingen bedenken. Absurd hoeveel informatie je binnen krijgt. Toen ik me realiseerde dat het me nog helemaal niet gelukt was om al die informatie te verwerken, heb ik besloten om een half jaar lang minder werk te maken. Dat heeft me echt geholpen. Als je maar door blijft gaan, dat houd je niet vol. Er wordt zoveel van je gevraagd, dat geld had ik niet beter kunnen besteden.

Vertel eens over je kunstwerken, wat zijn het voor objecten?
De machines die ik maak zijn zwaar en groot en daarom probeer ik ze wel demontabel te maken. Onder één van die verfmachines die ik heb gemaakt hangen twee blokken beton, elk 200 kilo. Maar die blokken staan weer los van de constructie. En uit die constructie steekt weer een slagarm, waar ik een andere arm tegen aan laat slaan. Ik ga er altijd van uit dat het door één deur moet kunnen. Dus het kan allemaal uit elkaar. Het grootste onderdeel, de kern, is ongeveer 2 meter hoog.

De kunst van het opzetten en uit elkaar halen. Je maakt ook lichtkunstwerk, werkt dat principe daar ook?
De uitdaging in de lichtobjecten die ik maak is anders. Ik probeer hierin elementen en materialen te combineren. Ik vind vormen, gewoon op de sloop, of als ik ergens ben. Op de sloop vind ik veel elementen die daar voor rot ijzer liggen en dan probeer ik die elementen te combineren met andere vormen, bijvoorbeeld met een jampotje. In één van die lichtobjecten heb ik een cilinder met een zuiger van de motor ingezet, en die zuiger heeft dan precies dezelfde maat als dat potje. En dat is natuurlijk op voorhand nooit zo bedacht, maar als dat dan precies op elkaar past, dan denk ik: ja dit is voorbestemd, dit moet zo bij elkaar zijn. En dan moet ik zorgen dat het bij elkaar blijft. Dan maak of zoek ik er iets anders bij, dat daar weer mooi bij past. Dan pas maak ik zelf een passend onderdeel zodat het allemaal ook echt bij elkaar blijft. En als die elementjes dan zo in elkaar passen dan zit er meteen een soort vanzelfsprekendheid in. In mijn werk benadruk ik vaak onbewust dat voorbestemde. Ik heb het niet altijd in de gaten.

Voorbestemd, dat klinkt spiritueel.
Misschien is spiritualiteit niet het goede woord. Ik heb wel het idee dat er terugkerende vormen zijn in het heelal. Die zijn er ook want we werken gewoon met een stuk of wat grondstoffen, daar is het hele heelal uit opgebouwd, dan zullen er misschien nog een paar zijn die wij nog niet kennen. Maar dat álles voorbestemd is? Waaruit kun je dat opmaken?
Volgens mij zit de wereld niet zo in elkaar. En dat is misschien wat ik zoek in dat project waar ik mee bezig ben, met die lichtobjecten. Daarmee geef ik aan dat sommige dingen heel mooi in elkaar passen en elkaar heel mooi aanvullen. Maar het is niet voorbestemd dat ze bij elkaar komen. Als het voorbestemd is, dan zou ik niet nodig zijn en gebeurt het gewoon. Voor mensen komt het altijd terug bij onszelf, zo redeneren wij, volgens mij. En in alles wat wij denken staan wijzelf centraal, als mens of mensheid. Dat is bij die lichtobjecten ook zo, wij mensen hebben dat potje en die cilinder gemaakt, die zijn los van elkaar ontstaan. Dat is niet voorbestemd.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jelle de Groot

De man achter de afdruk

Maak kennis met de man die zijn werk beschrijft als experimenten die een afdruk achter laten. Wim groeide op in Drenthe, in een dorpje vlakbij Emmen. “Een jeugd vol met jongensdingen”, zo vertelt hij. Met vrienden uit het dorp ging hij in zijn vrije tijd hutten bouwen, crossbanen aanleggen en oorlogje spelen in het bos. “Dat soort dingen deden we allemaal”, legt hij uit.

Zijn vrienden doen nu compleet andere dingen. De één is slager, de ander werkt in de bouw en weer een andere vriend is in hart en nieren, boer. Zijn vrienden begrijpen vaak niet wat hij aan het doen is, maar zij zorgen er wel voor dat hij projecten aan durft, omdat hij weet dat hij er niet alleen voor staat. “Als ik hun hulp nodig heb, helpen ze mij met advies, mentale steun of met fysieke arbeid”, vertelt hij. Ook in Groningen en Friesland heb ik fijne mensen om me heen die me het vertrouwen geven grote projecten aan te gaan.

Portretschraper, 2013

Na een opleiding elektrotechniek in Emmen ging Wim in 2006 verder met een opleiding industrieel productontwerp in Leeuwarden. Hij vond in 2011 uiteindelijk zijn plek bij de kunstacademie Minerva in Groningen waar hij in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs won. Een bezoek aan een tentoonstelling van het Gentse museum voor hedendaagse kunst, SMAK, was voor Wim een eyeopener. Daar zag hij in een statige museumzaal blokken hout hangen, gebundeld in een touw aan een muur, en zag hij overal stukken biels op de grond liggen. “Ik keek daarnaar en dacht, jeetje wat gaaf eigenlijk, is dit ook kunst?”, vertelt Wim, “en op het moment dat ik dát besefte, was ik om – ik wist niet dat zoiets mocht. Ik had tot dan toe nog een hele klassieke opvatting van kunst.”

En zo begon het allemaal. Enkele jaren later maakte Wim installaties waarin mechanische- en menselijk kracht samenkomen. In zijn werk, Blikkenleger (2014), worden grote verfblikken leeggeschoten. Een projectiel wordt daarbij op de achterkant van het verfblik afgevuurd waardoor de verf uit het blik schiet.

Blikkenleger, 2014

In het werk de portretschraper (2013) probeert Wim een metaalplaat met het profiel aanzicht van Galileo door een homp klei te duwen. Het portret, de verfafdrukken, de metaalplaat, de machineconstructie, de leeg geknalde verfblikken- het zijn allemaal onderdelen die zijn kunstobjecten tot een evenwichtig geheel maken. Voor zijn nieuwste project maakte Wim lichtobjecten waarbij de hoofdrol niet weggelegd is voor mechanische kracht, maar voor compositie en verbondenheid tussen de diverse onderdelen. Hoe deze lichtobjecten tot stand zijn gekomen kun je lezen in het artikel Spiritualiteit? Welnee!. Tot 31 maart zijn zeven lichtobjecten van Wim te zien in de expositie Technisch Licht, in het Groninger Forum aan de Oude Boteringestraat in Groningen.

Tekst: Wim Warrink
Fotografie: Mente Warrink (Portret), Joyce Ter Weele (Blikkenleger), Tijmen van Dijk (Portretschraper)

Tijd in geometrische vormen

“Filosofie gaat meer over het stellen van vragen dan over het vinden van antwoorden, dus ik hoop dat ik antwoorden heb!” Dat waren de eerste woorden van filosoof André Schütte, nadat Anne van der Heiden hem vroeg of zij hem met vragen over tijd mocht bestoken. Hij bleek echter meer dan genoeg te vertellen te hebben.

Laten we beginnen met de perceptie van het begrip tijd. Wat kan je daarover vertellen?
“In het algemeen kunnen we onderscheid maken tussen twee verschillende manieren om tijd te ervaren: cyclisch en lineair. Een cyclische perceptie gaat uit van de permanente herhaling van gebeurtenissen, zoals we bijvoorbeeld kunnen zien in de natuur: dag en nacht, het wisselen van seizoenen. Deze perceptie van tijd vinden we vooral terug in pre-modernistische en Aziatische culturen. De lineaire perceptie is met name dominant in de moderne Westerse cultuur: men beschouwt tijd als een pijl die begint in het verleden, zich momenteel in het heden bevindt en ergens in de toekomst eindigt. Sommige lineaire theorieën gaan ervan uit dat deze pijl een begin en/of een eind heeft, zoals bijvoorbeeld de big bang theorie, of eschatologie (het geloof in het eind der tijden, red.). Maar er zijn ook theorieën die menen dat tijd oneindig is en daarom geen absoluut begin of eind heeft.”

Laten we onszelf, allebei geboren en getogen in een Westerse Europese cultuur, even als voorbeeld nemen en er gemakshalve vanuit gaan dat de mensheid de lineaire perceptie van tijd aanhangt. Wat houdt die lineaire perceptie in?
“Een lineaire perceptie van tijd hebben, houdt in dat we meestal de mensheid als het onderwerp van tijd of historie beschouwen. Met andere woorden: wij hebben de mogelijkheid om de loop van gebeurtenissen te beïnvloeden. Bovendien beschouwen we tijd als een schaars goed.”

We hebben te weinig tijd, dus we moeten er het maximale uithalen. Carpe diem!
“Precies, en het beste ervan maken impliceert onder andere nieuwe ideeën bedenken en nieuwe dingen uitvinden. Al is het alleen maar omdat we er nooit zeker van kunnen zijn dat ons huidige leefklimaat daadwerkelijk de meest optimale omstandigheden biedt. Om die nieuwe dingen te kunnen scheppen en bedenken, moeten we kritisch kijken naar de maatschappij, instituties en onze manier van leven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat – in sommige gevallen – bekritiseren en creëren twee kanten van dezelfde medaille zijn. Dat het motto van de moderne wereld is: we moeten verbeteren omdat we zo weinig tijd hebben.”

Maar hoe zijn we op dit punt beland, bij deze perceptie van tijd?
“Laten we beginnen bij Comenius (theoloog, filosoof, pedagoog en politicus: 1592-1670, red.). Zijn antwoord op het lineaire gedeelte van het christendom, het geloof in het einde der tijden, was: “We kunnen niet wachten! We moeten de jeugd de principes leren van alles dat er maar mogelijk te weten en te kennen valt! NU! We moeten scholen bouwen, boeken uitgeven, zo snel mogelijk alles leren. De socioloog Hartmut Rosa (1965 – ) reageert heel anders, hij gaat er vanuit dat onze Westerse moderne maatschappij gekenmerkt wordt door sociale acceleratie: alles versnelt door kapitalistische en technologische vooruitgang. Hij beschrijft het proces van het krimpen van het heden: de periode waarin de op onze ervaring gebaseerde verwachtingen van de toekomst werkelijkheid worden, wordt steeds korter. Als je dit fenomeen combineert met de steeds snellere technologische vooruitgang en het toenemende leeftempo dat daarmee gepaard gaat, dan lijkt de tijd alleen maar nog sneller te gaan. Je moet voortdurend iets doen om kapitaal te verwerven. Onze relatie met anderen én de wereld waarin we leven, wordt er des te problematischer door.”

Comenius en Rosa hebben allebei een lineaire perceptie van tijd. Hoe kan het dat Comenius zich richt op een positief aspect, het leven verbeteren door te leren, terwijl Rosa een veel negatievere kijk op het leven heeft: technologie en de snelheid van de maatschappij zorgen voor problemen?
“Dit zijn inderdaad twee vrijwel identieke observaties van tijd met compleet andere uitkomsten. De historische context is hier cruciaal; het is nooit genoeg om alleen maar iemands tekst te lezen, je moet ook kennis hebben van de tijd waarin het geschreven is en de bijbehorende cultuur om het te kunnen begrijpen. Dus laten we zelf eens een stelling poneren: de tijd waarin we leven, bepaalt ons perspectief, hoe we tijd beleven. Heidegger (1889-1976), één van de grondleggers van het existentialisme, geloofde dat onze essentie niet in ons denkvermogen ligt, maar in het Dasein, het letterlijk in de wereld staan. De enige manier waarop we er niet meer kunnen zijn is door te sterven; dus om het maximale uit je leven te kunnen halen, moet je je eigen dood voor ogen houden.”

Het einde der tijden versus het eind van het leven?
“Ja, maar waar Comenius positief en zelfs vol vreugde tegenover het leven staat, gaat Heidegger’s Dasein juist over Angst. Kijk nu eens naar de tijd waarin ze leefden. Comenius had nog een archimedisch punt: hij was er zeker van dat de schepping goed was. Zijn drang om de wereld te hervormen had slechts één doel: het herstellen van de oorspronkelijk orde waarin God de wereld had gemaakt. Heidegger leefde in een samenleving die veel meer geseculariseerd was en hij had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt op het moment dat hij zijn ideeën over Dasein optekende. De angst van de soldaten, angst om de sterven, oorlog, depressie; zijn focus op de dood kan bijna geen toeval meer zijn.”

Laten we even naar het heden kijken. Eén van de populairste ‘levensfilosofieën’ van dit moment is mindfulness, het focussen op leven in het hier en nu. Hoe past dat in ons tijdsbeeld?
“Op dit moment gaat ons leven steeds sneller en sneller. Te snel, waardoor we verlangen naar een langzamer tempo, naar vertraging. We willen de tijd hebben om weer van het leven te genieten in plaats van ons permanent opgejaagd te voelen.”

Tijdens een retraite in een Benedictijns klooster maakte ik kennis met hun regel, die hen leert om te leven in het nu en alles met aandacht te doen. Klinkt mij erg bekend in de oren… Is Mindfulness wel zo nieuw?
“Het grootste deel van de meditatietechnieken die Mindfulness gebruikt komen uit een oudere circulaire cultuur, het Boeddhisme. En de Regula Benedicti, die de monniken Stabilitas leert, de kunst van volledig geconcentreerd te blijven bij alles wat ze doen, is inderdaad al geschreven in de 6e eeuw. Misschien zijn de elementen niet nieuw, maar de combinatie wel; die is uitgevonden om aan onze huidige behoeften te beantwoorden.”

Iets heel anders: synchroniciteit. Een relatief ‘jonge’ filosofische term (1930, Carl Jung) die ook met tijd te maken heeft. Hoe en waar moeten we dat plaatsen?
“We leven niet alleen in een tijd van sociale en technologische acceleratie, maar ook in een tijdperk van synchroniciteit. Aan de ene kant is dat paradoxaal, anderzijds is synchroniciteit een logisch gevolg van versnelling. Wij weten exact hoe laat het is, waar dan ook ter wereld. We weten dat anderen zich daarvan bewust zijn en dat die anderen ook weten dat wij dat weten. We leven daardoor als het ware synchroon. Nog niet eens zo heel lang geleden was een reis nog een hele onderneming en wisten we dat we daar pas later zouden zijn. Tegenwoordig bestaat ‘laat’ of ‘te laat’ niet meer. Nieuws synchroniseert de wereld: zodra we opstaan hebben we toegang tot alles wat er over de hele wereld is gebeurd terwijl wij sliepen. We leven in een tijd van globalisering, van versnelling; we verwachten dat dingen morgen al volledig veranderd kunnen zijn.”

We hebben net een aantal filosofische theorieën en ideeën uit zowel het heden als het verleden besproken. Heeft het überhaupt zin om filosofen uit het verleden te bestuderen met als doel daarvan te leren? Of moeten we het verleden het verleden laten, omdat we aan een soort collectief geheugenverlies lijden en we ideeën pas weer heruitvinden op het moment dat we ze nodig hebben?
“Ik denk dat het meer een combinatie van allebei is. Met het verstrijken van de tijd verandert onze cultuur, onze maatschappij, en een oude theorie is daar mogelijk niet meer geheel op van toepassing. Mogelijk moeten we onze perceptie bijstellen, de theorie opnieuw uitvinden, hervormen, maar zonder het verleden zijn wij niets. Het is een ontzettend modernistisch idee dat alles wat nieuw is per definitie goed is, en je kan nu eenmaal niets nieuws uitvinden zonder drastisch met het oude te breken. Dat kan heel goed zijn, zelfs bevrijdend werken. Maar het verleden kan ons ook helpen, ons dragen, zoals bijvoorbeeld mooie herinneringen of tradities kunnen bewerkstelligen. Dit zou kunnen impliceren dat we zouden moeten proberen om die acceleratie met een zekere vorm van vertraging te combineren. Er zijn al genoeg mensen die op die manier werken en daar kunnen wij van leren: Dj’s, hedendaagse ontwerpers en al die ‘groene’ mensen die proberen onze manier van leven duurzamer te maken. Al deze mensen zijn dol op recyclen, oude materialen gebruiken om iets nieuws te maken. Een prima voorbeeld van hoe je tegelijkertijd vooruit kan kijken en terugkijken als je het mij vraagt!”

Jij bent gespecialiseerd in de filosofische theorieën van Peter Sloterdijk. Heeft hij iets met het concept tijd?
“Sloterdijk heeft zeker interessante ideeën daarover. Hij heeft een boek geschreven met de titel “Je moet je leven veranderen” (“Du muβt dein Leben ändern”). Daarin stelt hij dat de mens het enige wezen is dat oefent. Alles wat we doen is in feite een herhaling, maar we kunnen deze herhaling een doel geven; we geven er richting aan, maken een plan en streven naar perfectie. Als we vanuit dat perspectief naar de tijd die het ons kost om iets te leren kijken, dan zien we een combinatie van een circulaire en een lineaire beweging: herhaling, maar met een einddoel. Dan is de manier waarop wij ons als ‘lerende mens’ binnen de tijd bewegen meer een soort spiraal. Die spiraal heeft echter een eind: perfectie. En dit leerproces heeft weer verrassend veel gemeen met contemplatie, mindfull leven. Met als einddoel: een compleet mens te worden.”

Tekst: Anne van der Heiden
Illustratie: Veerle Vreeke, Grafische Kamer

Blue Moon

Stevie Peerenboom is met haar twee zussen eigenaar van restaurantketen Burgerz. Samen staan zij voor het succes van drie hamburgerrestaurants in Den Haag, Scheveningen en Delft. Stevie is de oudste van de zusjes en zij runt aan de Haagse Prinsestraat ook de oudste van de drie restaurants. Voor de rubriek Het Gerecht sprak Jasmijn Schrofer met Stevie over het verhaal achter haar lievelingsgerecht: The Blue Moon.

Het lijkt alsof er in de afgelopen jaren heel veel is gebeurd rondom klassieke gerechten zoals hamburgers. Hoe speel jij in op trends?
“Je ziet steeds meer nieuwe burgertentjes en restaurants die burgers op de kaart zetten. Het is een hip iets zal ik maar zeggen. Ik ga veel uit eten om te kijken wat er om mij heen gebeurd. We blijven bij ons eigen concept maar soms moeten we echt wel een stapje hoger gaan. Want wat de anderen doen, is soms heel erg gaaf.”

Maar zie je niet veel van hetzelfde bij andere tenten?
“Wat ik veel terug zie, is dat anderen meer insteken op het interieur en hoe ze de burgers in elkaar zetten met toppings. Wij zijn heel erg gericht op het vlees en waar ons vlees vandaan komt. We hebben ons eigen boerderijtje, ons vlees is 100% puur, er gaat geen rotzooi in. Ons vlees maakt de hamburger.”

Waar staat Burgerz voor?
“Burgerz is funky. En wij kijken meer naar het buitenland dan naar wat er hier in Nederland gebeurt. Mijn zusjes en ik gingen vroeger vaak op vakantie naar Amerika. Dan zagen we daar al die burgertentjes. En dan dachten we: wauw, hoe gaaf is dit, hoe gaan we dat naar Nederland brengen?”

Wat is het grootste complement wat Burgerz ooit heeft gekregen?
“Dat bij ons de burgers beter zijn dan in Amerika. Wij bakken onze burgers met veel passie, veel ziel en heel veel plezier. En dat proef je.”

Staat er een gerecht op jullie kaart waar jij persoonlijk het meest mee hebt?
“The Blue Moon burger is mijn favoriete burger. Ik heb hem zelf ontworpen. Ik ben sowieso gek op kazen maar blauwe kaas vind ik helemaal lekker. Ik hou van heftige smaken. Op de Blue Moon gaat spinazie, spek, rode ui, gekonfijte uiencompote en natuurlijk blauwe kaas. Blauwe kaas met burger leek eerst veel te heftig. Niet iedereen houdt ervan maar er komen toch veel mensen voor deze burger. Vóór de Blue Moon hadden we een andere op de kaart staan met gorgonzola: the Funky Cheese burger. Maar die vond ik eigenlijk te zacht. Toen is de gorgonzola vervangen door een nog pittiger blauwe kaas, de blue stilton.”

Wat is jullie succesvolste burger?
“Dat is The Mother Of All Burgers, één van de grootste burgers die op onze kaart staat. Het is onze signature burger, daar zijn we mee begonnen en daarvoor komt toch wel zo’n 80 % van onze gasten. We hebben hem ook in de dubbel variant, dan krijg je de Godfather. Op de Godfather zit sla, tomaat, augurk, rode ui, tomaten/basilicum salsa, een gebakken eitje, cheddar en spek. Als je de Godfather helemaal opkrijgt samen met je frietje, dan laten we een T-shirt printen met de opprint I did the Godfather. Want het is heel veel en ik vind het knap als je dat helemaal op kunt eten. Mij is het nooit gelukt.”

Het T-shirt is ook een beetje Amerikaans of niet?
“Ja, alles wat je hier ziet, het dinerconcept met van die booths, dat hebben we uit Amerika. En dat geldt ook voor de Godfather, the double-up, het T-shirt, de stickers met I love Burgerz en een online competitie: op de meest gekke plekken burger stickers plakken en online op onze facebook pagina zetten. Met de leukste foto kun je een etentje bij ons winnen.”

Voor altijd een hamburger of elke dag vegetarisch?
“Elke dag een hamburger. Ik hou van lekker vlees, maar ik moet zeggen dat ik weinig vlees eet hoor. Als ik thuis kook is het vaak vegetarisch. Ik heb niet zoveel vlees nodig. Maar als ik in een restaurant ga eten en ik weet dat ze daar mooi vlees hebben en ze komen met iets heel gaafs, dan ga ik daar geen nee tegen zeggen.”

Wat is moeilijker om goed te bereiden: een stuk vlees of een vegetarische maaltijd?
“Vlees bereiden is echt een kunst. Ons vlees is zo mooi, zo vers en zo puur. Wanneer een klant om well-done vraagt dan zeggen we ook altijd: prima, maar weet je het zeker? Alles wat vlees lekker maakt, haal je eruit met well-done.”

Misschien moet het geen well-done heten maar bad-done?
“Ja, ha, ha, bad-done. Dat zie je ook in Amerika: rear, medium, well-done en toffe zinnen als ‘well-done bad, not gone happen’. Soms hebben we klanten die denken dat ze binnen 10 minuten een burger op tafel krijgen. Dan denk ik: jeetje, je krijgt 175 gram, je wil hem well-done, dan ben je zo 20 minuten kwijt. Je zit in een restaurant, het is geen take away. Je krijgt een lekker wijntje en je kunt kiezen uit mooie bieren. We serveren burgers, maar we zijn een restaurant waar je komt om te genieten van een mooi stukje vlees.”

Wat is de gekste burger die ooit op de kaart heeft gestaan, of nog staat?
“We hebben een kaasfondue burger gehad. Gewoon vier verschillende kazen door elkaar laten smelten, zodat het helemaal over de burger druipt. Mega lekker. Die was zeer gewild, daar waren mensen gek op.”

Die staat niet meer op de kaart?
“Nee, vorig jaar november was het de maandspecial. Elke maand proberen we weer een nieuwe special. Maar ik denk dat we die wel weer op de kaart gaan zetten want mensen vragen daar nog steeds naar. Nu met Halloween hebben we een special met candy bacon, dat is spek uit de oven met basterdsuiker. Crispy, zoet en zout en dan met een spicy appel/pompoen salsa. Geloof me, we proberen elke gekke combinatie. Maar op één of andere manier werken ze allemaal.”

Interview: Jasmijn Schrofer
Foto: Jasmijn Schrofer