Bezield of niet?

Wij leven in een wereld waarin we meer en meer versmelten met de dingen om ons heen. En daarom wordt de vraag naar methodes om de ziel van objecten te bepalen, steeds groter. Waarom? Misschien om onze onafhankelijkheid te bewaken als mens, of misschien om empathie te tonen voor de spullen die we ontwerpen, produceren en gebruiken. Ontwerper en onderzoeker Judith Dörrenbächer beschrijft in haar boek, “Beseelte Dinge-Design aus Perspektive der Animismus”, een zoektocht naar manieren om de ziel van een object te definiëren, zodat we de grensvervaging tussen mens en ding beter kunnen herkennen. Bert van der Zee sprak met Judith Dörrenbächer over de rol die is weggelegd voor ontwerpers als het gaat om grensbewaking.

Vanwaar die interesse voor techno-animisme?
Vandaag de dag nemen objecten veel beslissingen voor ons. Ze zijn verbonden met andere objecten, ze leren, ze voelen – ze hebben eigenschappen die voorheen alleen mensen hadden. Aan de andere kant verliezen objecten weerstand doordat tastbare grenzen simpelweg oplossen. Het is niet meer zo duidelijk waar een object begint en onze barrière eindigt of andersom. Objecten passen zich aan ons gedrag aan, ze leren om aan onze wensen of aan de wensen van de bedrijven die ze ontwerpen, te voldoen. Bovendien beïnvloeden ze ons gedrag zonder dat we het doorhebben. Daar komt nog eens bij dat deze objecten onderling nauw verbonden zijn. Ze zijn onderdeel van iets groters, een soort ‘internet van dingen’. Ze vormen als het ware een nieuw ecosysteem. Iets leeft in die objecten, iets dat ze quasi-levend maakt.

Wat heeft animisme hiermee te maken?
We vinden in deze technologische ontwikkeling kenmerken terug waarvan wij, moderne mensen, altijd dachten dat alleen inheemse volkeren dat doen, zoals het praten tegen dingen. Maar tegenwoordig praat iedereen tegen dingen en zwaait iedereen naar dingen om een interactie met ze aan te gaan. Dit is gedrag waarvan moderne mensen zich ooit distantieerden door te zeggen: wij zijn rationeel, wij zijn volwassen, we geloven niet dat dingen een ziel hebben. Dus aan de ene kant vinden we onszelf heel modern, een high-tech maatschappij. Aan de andere kant gedragen we ons pre-modern. Dat contrast boeit me. De toekomst en het verleden versmelten. Tegelijkertijd besef ik dat het best wel lastig is voor mensen om eigenwaarde te ontwikkelen, omdat de grens tussen mens en technologie vervaagt. Wat ooit een tastbare tegenhanger was, is nu een ongrijpbaar object. Dit fenomeen doet me denken aan iets dat in animisme theorieën, ‘magisch denken’ genoemd wordt. Animisme, magie en betovering zijn met elkaar verweven.

Kunt u een voorbeeld geven van magisch denken?
Daarvoor verwijs ik graag naar de psycholoog Jean Piaget. In zijn beschrijving van de vroege ontwikkeling van het kind, stelt hij dat jonge kinderen niet in staat zijn om een onderscheid te maken tussen zichzelf en de buitenwereld. Wanneer kinderen hun ogen dicht doen denken ze dat de wereld verdwijnt. Of ze denken dat de maan hun volgt wanneer ze rondlopen. Jonge kinderen denken dat hun eigen gedachten en hun gedrag de buitenwereld beïnvloeden. Ze zijn zich in beperkte mate bewust van de scheidslijn tussen zichzelf en de wereld om zich heen. Jean Piaget noemde dit ‘magisch denken’. Hedendaagse technologie bekrachtigt dit verschijnsel op een nieuwe manier. Met slimme contactlenzen kun je in de toekomst de buitenwereld besturen door bijvoorbeeld een paar keer te knipperen met je ogen. En wanneer dit soort brein-computer interactie alledaagser wordt, zullen je boodschappen misschien wel aan huis afgeleverd worden, alleen maar door eraan te denken. Dit soort technologie werkt magisch denken in de hand. Maar hoe bewaken we onze eigenwaarde in een omgeving waarin technologie zich moeiteloos aan onze wensen aanpast? Misschien hebben we een nieuwe vorm van verzet nodig, weerstand. We moeten gaan nadenken over methodes waarmee we de grenzen tussen onszelf en de buitenwereld, tussen onszelf en de technologie die ons omgeeft, kunnen bewaken.

Grensbewaking met behulp van weerstand?
Ja, weerstand ontstaat bijvoorbeeld in een systeem dat opzettelijk met fouten ontworpen is. Wanneer gebruikelijke processen verstoord worden, zal een object zich meer als een tegenhanger uiten. Hetzelfde geldt voor een transparanter systeem dat laat zien wat er daadwerkelijk gebeurt tussen de gebruiker en het systeem. Transparantie laat zien dat de interactie niet magisch is. Vooropgezette fouten en transparantie vormen een weerstand die afstand creëert tussen gebruiker en technologie. Deze afstand is kennelijk nodig om kritisch en zelfbewust te blijven.

Dus weerstand kan integraal in een product ontworpen worden?
Weerstand kun je ook ervaren in experimenten met fysieke interactie tussen mens en object. Dit soort experimenten richt zich bijvoorbeeld op het imiteren van een object om er bewust empathie voor te krijgen. Hierdoor identificeer je een object als iets dat los staat van jou, want je kunt alleen empathie hebben voor iets dat anders is dan jijzelf. Het zou mooi zijn om deze bevindingen te verleggen naar de technologische wereld. Misschien helpt het ons om meer empathie te voelen voor de technologie om ons heen, en helpt het ons tegelijkertijd om gepaste afstand te bewaren.

Wat rest ons? Hoe ziet u dit voor u?
Wel, we hebben te doen met twee perspectieven: het technologisch optimistische en het technologisch pessimistische perspectief. Het pessimistische perspectief zegt: ‘we raken onze controle kwijt omdat objecten de macht krijgen over ons, we zijn geen subjecten meer, maar de objecten worden subjecten, help! De wereld op zijn kop, nu zijn wij passieve objecten!’ Het optimistische vertrekpunt gaat er vanuit dat technologie ons helpt om betere mensen te worden doordat we iets aan onszelf toevoegen. Ik ben niet geïnteresseerd in één van beide perspectieven [sic]. Ik vind dat we grenzen nodig hebben tussen mens en technologie om zelfbewustzijn in stand te houden. Maar in plaats van vasthouden aan het oude onderscheid tussen autonoom subject en het passieve object, denk ik dat we moeten onderhandelen over deze grenzen, zodat er nieuwe scheidslijnen ontstaan. Ik ben erg geïnteresseerd in experimentele en artistieke methoden die je helpen te onderhandelen tussen jezelf en het andere. Hierdoor blijf je bewust van jezelf en je eigenwaarde.

Waarom is het belangrijk dat mensen zich definiëren ten opzichte van objecten?
Het is belangrijk om autonoom te blijven denken en je terug te kunnen trekken uit je omgeving. Je kunt je alleen verantwoordelijk voelen wanneer je duidelijk voelt wie je bent en voelt dat je de mogelijkheid hebt om dingen te beïnvloeden. Dat maakt ons anders dan onze technologie. Wij maken ethische beslissingen, onze smartphone niet. Ik vind het interessant om te zien hoe we onze eigenwaarde en ons menselijke bewustzijn kunnen behouden, terwijl alles om ons heen zo quasi-menselijk is. Hoe bewaken we onze scheidslijnen? Hoe ontwerpen we nieuwe grenzen? We moeten toewerken naar een nieuw begrip van het mens-zijn, en naar een nieuw begrip van het object, want beide zijn aan het veranderen.

Tekst en interview: Bert van der Zee

Wetenschapper der technologische bezieling

Dat een designer nadenkt over de vorm en functie van een ontwerp, daar kijkt niemand van op. Dat een filosoof de tijd doodt met nadenken over de ziel, verrast ook niemand. Maar een designer die de bezieling van objecten onderzoekt, dat is toch wel bijzonder. De Duitse ontwerper en wetenschapper Judith Dörrenbächer ging de uitdaging aan. Zij onderzoekt of objecten, dingen en technische systemen een ziel hebben.

“Van origine ben ik ontwerper”, vertelt ze POM Magazine. “Ik heb de meest uiteenlopende dingen gedaan, van grafisch ontwerp tot het vormgeven van tentoonstellingen. Ik heb gestudeerd aan de Köln International School of Design, waar ze het belangrijk vinden dat theorie en praktijk nauw verweven zijn. Tijdens mijn studie raakte ik gefascineerd door de theoretische aspecten van design. Ik besloot me bezig te houden met esthetische technieken waarmee je de realiteit kunt ontleden en samenstellen. Op dit moment ben ik druk bezig te promoveren op het onderwerp ‘technologische bezieling’.”

In 2015 organiseerde Dörrenbächer voor de Hochschule Niederrhein een conferentie in Krefeld, met als onderwerp: de bezieling der dingen. De resultaten en conclusies van deze conferentie publiceerde Dörrenbächer in het boek ‘Beseelte Dinge’. Momenteel werkt Dörrenbächer aan de Universiteit Siegen waar zij onderzoek doet naar de interactie tussen hersens en computer, voor een gehoorapparaat dat bestuurd kan worden door hersengolven. “Door de innovatieve technologie die gebruikt wordt in het gehoorapparaat ontstaat een nieuwe kijk op de relatie tussen passief object en actief subject. Dit past perfect in, wat binnen sommige animistisch theorieën, ‘magisch denken’ wordt genoemd”, legt ze uit. In het artikel Bezield of niet? praat Judith Dörrenbächer met POM Magazine’s Bert van der Zee, en vertelt zij over technologische bezieling, magisch denken en het vervagen van de grens tussen mens en object.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Maxi Uellendahl

Fietsseizoen-de aftrap

Vandaag was er eindelijk zon. Ook was het niet langer zo koud dat mijn vingers en kuiten bevroren bij alleen al de gedachte om naar buiten te gaan. Nog belangrijker: het waaide niet meer zo hard dat ik kans liep om met lichtgewicht fiets en al te worden opgetild en voor auto’s neer te worden gesmakt. Ik weet het, de echte bikkels en de profs zijn al veel eerder begonnen. En nu ging mijn bloed ook kriebelen. Heel erg zelfs. Het is FIETSSEIZOEN!

Een goede voorbereiding is het halve werk. Fietskleren genoeg, al mag Joost weten waar ik de mouwen van mijn fietsjackie heb gelaten. Dat kon wachten. Het werd tijd om de fiets letterlijk van stal te halen en in de binnentuin in het zonnetje te zetten. Banden prima. Maar – foei! – ik ontdekte nog herfstmodder op het frame. Ik poetste het liefdevol schoon, en voorzag de ketting van wat fijne biologisch afbreekbare olie. Daarna was het time to get really dirty: mijn remblokken waren nodig aan vervanging toe. Ik ging de berging in om het al eerder aangeschafte verse stel blokjes en mijn gereedschap te pakken en vond bij terugkomst drie mannen die over mijn fiets stonden gebogen.

Stel je bent een man. De zon schijnt en je ziet een vrouw in T-shirt, kort spijkerrokje op hippe laarzen een racefiets poetsen. Toegegeven, dan zou ik ook barsten van nieuwsgierigheid en een pauze nemen. En mijn fiets mag er best wezen. Ik keek als een trotse moeder toe hoe zij – zich volkomen onbewust van mijn terugkeer – wat technische termen over en weer slingerden. Wielertaal beheers ik inmiddels aardig, maar de precieze benamingen van alle onderdelen ken ik niet. Ik weet dat mijn fiets een Giant is en het leeuwendeel van wat eraan hangt Shimano, en dat laatste heb ik alleen maar onthouden dankzij de documentaire ‘Nieuwe helden’ over de Argos-Shimano ploeg. Maar persoonlijke helden heb ik niet. Alhoewel… Dumoulin komt er dichtbij. Al is het alleen maar omdat hij de verslaggever die hardnekkig naar een negatief verhaaltje bleef hengelen het nakijken gaf toen hij voor de zoveelste keer pech had bij de Amstel Gold Race, om vervolgens doodleuk de eerste dagen van de Giro – in Nederland!! – in de roze trui te gaan rondcrossen.

Terug naar mijn Giant-Shimano. De mannen bij mijn fiets moest ik op een gegeven moment wel storen in hun onderonsje. Mijn huismeester met twee rechterhanden keek van mij naar de tot het bot versleten remblokjes en zei: “Heb je wel…” “Inbussleutels?” vroeg ik, “Tuurlijk.” Verbaasd keek hij toe hoe ik mijn reparatiesetje openritste, de juiste sleutel koos en monter de blokjes los begon te schroeven. Hij hield mijn fiets volkomen nodeloos rechtop; ik slikte de opmerking in dat mijn standaard nog wel prima functioneerde maar in. Toen mijn handen en lange nagels zwart werden van het smeer kon hij het niet langer aanzien. “Heb je dit wel eerder gedaan dan?” “Nee… gewoon een kwestie van uitproberen.” Hij schudde zijn hoofd. “Geef hier dan. Doe ik het ff.” Ik bleef koppig zoeken naar de juiste combi van piefjes om de blokjes op de juiste afstand van de band te krijgen. “Als ik middenin de polder zit moet ik het ook zelf doen.” De andere twee heren waren hun schroom verloren nu ik één van hen bleek te kennen. Drie man sterk coacheden ze me door het eerste blokkie heen. “Beetje omhoog!” en “Vast is vast, hè!” behulpzaam in de remmen knijpend en aan het wiel draaiend om te kijken of ie aanliep. De drie blokjes daarna gingen 10 keer zo snel. Eéntje zei wijselijk: “En nu even testen hè. Als het niet goed is, kan je het hier nog stellen, zo, dit losdraaien en dan aantrekken”. Joh. Dat wiel had ik nou toevallig wel al uitgevonden. Een ander ging in zijn dadendrang maar een bijdrage leveren in de vorm van koffie halen, die ik – uiteraard – wel dankbaar accepteerde.

Tijd voor dat testrondje. Nou gaan kort spijkerrokje en wielerhouding niet samen, maar ze keken zo serieus en hoopvol dat ik mijn trots maar inslikte. Ik vroeg wel mijn huismeester de telefoon uit mijn kontzak te vissen omdat die anders onherroepelijk bij de eerste bilbeweging op de keien zou kletsen en klom met smerige handen en al op mijn fietsje. Hierna ging ik de handvaten toch vervangen. Tijdens mijn rondje bleven ze me coachen: “Even doortrappen, beetje snelheid maken! Langzaam inknijpen die remmen!” Toen ik afstapte zei mijn huismeester: “Jij bent geen echt meisje hè.” Hij is een Scheveninger, die hebben wat aparte humor dus ik was niet zeker of het positief was. Ik keek hem eens aan, maar het leek in de verste verte niet op de belediging die ik ooit eens van een vriendin naar mijn hoofd kreeg geslingerd toen we samen op vakantie waren en ik zee alleen maar associeerde met als een gek kajakken terwijl zij de godganse dag wentelteefje lag te spelen: “Weet je zeker dat je wel een meisje bent?!” Nee, geen echt meisje uit de mond van mijn huismeester was bedoeld als licht bewonderende constatering. Volgende stap is een stoer wijf, maar dat heb ik nog niet bewezen. Ik denk dat ik daarvoor eerste de Hollandse bocht zal moeten ronden of de hel van het Noorden zal moeten trotseren. Maar vooralsnog is ‘geen echt meisje’ mijn geuzennaam. Laat dat wielerseizoen maar komen.

AAG
AAG

Virtual Reality, de hype voorbij

Tot voor kort was ik als filmmaker nog niet echt geïnteresseerd in ‘Virtual Reality’ (VR). Ik vond het een hype en de zoveelste gimmick die toch wel weer zou overwaaien. Maar hoe meer ik erover las en er ook zelf daadwerkelijk mee aan de slag ging, des te meer veranderde ik van mening. Ik vind het een fascinerende nieuwe kijkervaring waar je als kijker volledig wordt ondergedompeld in een andere tijd en ruimte.

Maar wat is Virtual Reality eigenlijk? Virtual Reality komt tot ons, via een soort headset met een beeldscherm. Je zet de headset op die verbonden is met een laptop en start een video of applicatie. Al kijkend naar het beeldscherm heb je het gevoel alsof je daadwerkelijk in de wereld van jouw video of applicatie aanwezig bent. Waar passieve media niet altijd in slagen, ga je als kijker in VR helemaal op. Je bent onderdeel van de scene en leeft in de gegeven tijd, plaats en dus in het verhaal. Er staat geen camera tussen jou en de situatie want in VR ben jij de camera, het is jouw perspectief. VR makers kunnen bepalen welke rol jij in het verhaal aanneemt maar in VR gaan de verhalen over jou, de kijker. De impact en betrokkenheid is daarom meeslepend.

De potentie van de VR film om de kijker te verrijken met nieuwe inzichten is vele malen groter vergeleken met andere media. Door de werkelijkheidservaring, oftewel empathie, wordt de connectie tussen de kijker en het verhaal zeer versterkt. Je kunt zo in de meest confronterende situaties terechtkomen. Zo kan de beleving versterkt worden door een virtuele oriëntatie van je lichaam. Een prikkelend voorbeeld van deze toepassing is bijvoorbeeld porno. In de journalistiek kan VR een betere weergave van de waarheid geven dan traditionele film- of fotojournalistiek dankzij een 360 graden weergave. Er zijn ondenkbaar veel terreinen waar de toepassing van VR voordelen zou kunnen opleveren zoals bij het verwerken van trauma’s, het trainen van astronauten en de verkoop van huizen. Ook voor onderzoeksdoeleinden is VR geschikt. Psychologen gebruiken VR om raciale vooroordelen te testen bij mensen met een blanke huidskleur door ze in een virtuele wereld een donkere huidskleur te geven. En afgelopen januari werd op de Vakantiebeurs in Utrecht VR gebruikt om de bezoekers te laten ervaren hoe het is om te paragliden.

Als filmmaker ben ik ondertussen behoorlijk enthousiast geworden over VR. Ik ben vooral benieuwd naar wat VR ons de komende tijd zal brengen. Het ziet er naar uit dat Virtual Reality definitief zijn intreden heeft gedaan. In 2016 zullen er waarschijnlijk meer toepassingen bijkomen en ik verwacht dat het commercieel gebruik zal toenemen. Als filmmaker ben ik in ieder geval erg blij dat in Amsterdam op de Oosterdokskade al de eerste VR bioscoop is gevestigd.

Tekst: Jasmijn Schrofer

Lumière Maastricht

Het is de ster onder de filmhuizen: Lumière Maastricht. Gevestigd in de voormalige elektriciteitscentrale van de Sphinxfabrieken, aan de binnenhaven bij de Maastrichtse Bassinkade. Na een verbouwing van bijna twee jaar is de oude stroomfabriek veranderd in een complex met zes bioscoopzalen en een grand Restaurant Café.

Ondanks de ruime, functionele opzet weet Lumière de intieme sfeer van een filmhuis te behouden. Veel oorspronkelijke materialen zijn verwerkt in het gebouw en overal is het aardewerk aanwezig waar Sphinx zo bekend van is. Industriële functionaliteit en intimiteit vallen ook te bespeuren in het Restaurant Café. Het staat vol met moderne meubels in strakke bekleding van leer, wol en vilt, maar her en der hangen ook kristallen kroonluchters. Overal zie je metaal: het komt terug in lampen, stellages en in meubels. Moderniteit wordt vermengd met lokale symboliek: hoog in de nok van het gebouw hangt een paar vleugels, een speelse verwijzing naar de engel in het wapen van Maastricht.

Fotografie:Philip Driessen

Friet in Amsterdam

Als ik trek heb, niet in de buurt ben van mijn keuken en geen zin heb om in een restaurant te eten, ga ik op zoek naar een gelegenheid waar je eten kunt afhalen, maar waar ook een paar tafeltjes en stoeltjes staan voor mensen die ter plekke de bestelde gerechten willen opeten. Het zijn dit soort plekken in een stad waar een grote diversiteit aan mensen komt eten. Hoe gevarieerder het publiek des te beter het eten meestal is. Mensen kunnen op allerlei manieren van elkaar verschillen, maar iedereen weet wat lekker is en daarover is men het verbluffend vaak eens: een frietje, al dan niet aangevuld met mayonaise of een andere saus. In Amsterdam zijn fotografe Jasmijn Schrofer en ik op zoek gegaan naar friettentjes waar we de lekkere trek en soms gewoon onze honger konden stillen met een patatje.

In Amsterdam heb je dan genoeg keuze. Of je nu op het Muntplein staat of honger krijgt als je op de Reguliersbreestraat, het Rembrandtplein of de Ferdinand Bolstraat loopt: overal vind je snackbars. Uiteindelijk kwamen we terecht bij vijf adresjes, verspreid over de uithoeken van Amsterdam en stuk voor stuk heel eigen. Zoals de Frietsteeg op de kruising Stadionkade/Parnassusweg. Dit Hans en Grietje-huisje kan hooguit vijf wachtenden ontvangen terwijl hun snack gefrituurd wordt in de roodgeverfde keuken waar zelfs de radio rood is. Maar buiten staan er voldoende houten zitblokken waarop je alles rustig kunt opeten. In de keuken liggen de aardappelen ongeschild klaar en de frieten worden ter plekke gesneden. Onze frieten waren knapperig en hadden een flinterdun zoutlaagje. Zelfs koud waren ze lekker.

NatuurlijkSmullen-2We zijn langs veel kotjes gereden op zoek naar een afhaalbar met een paar tafeltjes en stoeltjes, waar Jan en Alleman komt en waar aardige bediening ons helpt kiezen uit een keur aan sauzen. Bij Natuurlijk Smullen aan de Jan van Galenstraat zit je in een soort woonkeuken waar de dame achter de frituur de scepter zwaait en het stoofvlees bereidt volgens eigen recept. Alles smaakt heerlijk huisgemaakt. Als je de frietjes ter plekke opeet, krijg je er een bakje appelmoes bij. En je mag zelf biologische sapjes of fruitdrankjes uit de koelkast pakken.

In Amstelveen vind je aan de Kalfjeslaan de moderne buurtsnackbar Frietfabriek. Ook hier staat afhalen centraal, maar is er genoeg plaats om zittend op een kruk door grote ramen lekker te loeren naar alle voorbijkomende fietsers, voetgangers en auto’s. Op een schoolbord staan het type aardappel en het soort vet dat op dat moment gebruikt wordt in de keuken. Ook hier zagen we de ongeschilde piepers in grote netzakken liggen en werd de friet geschild en gesneden waar we bij stonden. Er staan vijftien sauzen op het menu, maar we hadden geen idee welke namen bij welke smaken hoorden en mochten even voorproeven. Wij kozen voor een triootje van romig, pittig en zuur. Ook hier konden we biologische sapjes of fruitdrankjes zelf uit de koelkast halen.

Par HasardEen bijzondere vogel in de Amsterdamse snackbarvolière is Par Hasard aan de Ceintuurbaan. Deels is het een restaurant en deels een afhaalbar waar de frieten worden gebakken en banken staan om op te zitten terwijl je wacht. Het donkerbruine restaurant is een Franse bistro met een aparte wijnbar. Bijzonder is dat snackbar, wijnbar en restaurant in elkaar overgaan zonder dat de identiteit van Par Hasard onduidelijk is. Als je daar je frietje wilt opeten ga je gewoon in het restaurant aan één van de houten tafels of aan de bar zitten. De friet is goed gebakken, de mayonaise is homemade, de kroketten zijn van Holtkamp en de frikandellen van slagerskwaliteit. De frietzak, het terracotta schaaltje met mayonaise en de frikandel in plastic bakje worden geserveerd op een klein, elegant zilverkleurig dienblaadje.

EiburghEen andere aparte vogel is Eiburgh Snacks aan de Zuiderzeeweg. De keuken staat in iets wat een kruising is tussen een tuinhuisje, een tent en een container. Binnen en buiten staan stoelen en banken van verschillende makelij die allemaal comfortabel zitten. Eiburgh ligt strategisch goed. Toevoerwegen naar de ringweg, tramhaltes, een parkeerplaats en fietspaden liggen er allemaal in de buurt.
Ondanks dat Eiburgh naast een verkeersknooppunt ligt is de omgeving groen. Zittend op een bankje en knabbelend aan een degelijk gemaakt frietje zie je het gras en de veldbloemen in de bermen en de bomen in de omliggende laantjes.

Tekst: Polly Parker
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Fragments in time

Dit schilderij, getiteld ‘Shop’, is uit de laatste serie werken van de Nederlandse beeldend kunstenaar Myra de Vries (Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, 2001). Myra’s schilderijen gaan over de eindeloosheid van de tijd en de onbeduidendheid van de mens daarin. In haar doeken belicht zij de wisselwerking tussen mens en natuur. Vooral het vermogen van de mens om zijn totale omgeving te veranderen en daarmee zelfs het eigen voortbestaan te riskeren, fascineert haar.Myra1 ‘Shop’ brengt op bijna poëtische wijze de mogelijk toekomstige afwezigheid van de mens in beeld. Verleden, heden en toekomst komen samen. Droombeelden versmelten met filmische landschappen en overweldigende natuur contrasteert met de nietigheid van het menselijk bestaan.
Solo-expositie Myra de Vries: Fragments in time.
Van 17 maart t/m 16 april bij Vonkel-actuele beeldende kunst, Den Haag.
www.vonkel.nl

Tekst: Thierry Reniers

Wat is het toch met dresscode?

Wat is het toch met dresscode? Het voorschrift hoe je je dient te kleden is lang niet altijd zo overduidelijk als op de uitnodiging voor – laten we zeggen – een feestje. Het is een sociaal aspect, een community dingetje. Als je de plank misslaat, dan ‘hoor je er niet bij’. Overdressed zijn op feestjes is net zo erg als underdressed en dat geldt echt niet alleen voor vrouwen. Per slot van rekening slaan de officiële dresscodes als tenue de ville, black tie en white tie, allemaal op herenkleding. De passende dames outfits zijn daarvan af te leiden.

Als de dresscode nou maar beperkt blijft tot feestjes en partijtjes, dan is het allemaal wel te doen, google is your best friend. Maar het heerst overal. Op straat, op kantoor, bij je sociale clubs, bij het uitgaan. Het verschilt per stad, per locatie en per situatie. Vaak is ie er onderhuids, en hoor je het ‘gewoon’ te weten. Hoe dan? Dat kan alleen als je je in die specifieke omgeving beweegt. Anders moet je maar gokken en er het beste van hopen.Het is niet voor niets dat met enige regelmaat de schooluniform discussie weer oplaait: afwijkende kleding staat hoog in de top tien van redenen om gepest te worden. En niets, maar dan ook niets is erger dan buiten de groep vallen. We zijn en blijven kuddedieren, en als we eens goed in de spiegel kijken herkennen we allemaal wel die angst voor een kledingmiskleun. Hoe oud we ook zijn en of we nou van Mars of van Venus komen.
Soms kan het echt niet missen: dat je geen wit draagt op een bruiloft mits het je eigen is: volkomen helder. En in een Feijenoordshirtje op de F-side gaan zitten: GEEN goed idee. Maar laten we eens een regel nemen die overduidelijk lijkt: sportkleding naar werk doe je niet. Zeker niet als vrouw. Als je al op de racefiets of hardlopend naar je werk gaat, waar dan ook, je kleedt je om. Tot je een keer een bijbaantje hebt bij een postsorteercentrum, je door het weer gedwongen bent een winterfietsbroek aan te trekken, je die in de plee wil vervangen en dan te horen krijgt: “Hoezo? Kicken broek toch, gaaf stofje en cool, van die lichtgevende naden.”
De kledingvoorschriften op kantoren dan? Makkelijker, denk je. Formeel, met hooguit het verschil in de kleine details: of huidkleurige panty’s kunnen, felle kleuren, welke das of schoenen done of not done zijn.
Maar… per sector kan het verschillen! In de culturele wereld hoeft kantoor personeel niet per se in pak tenzij ze naar iets belangrijks gaan. Bij een webdesign bedrijf moet je er bij wijze van spreken weer als een sociaal gestoorde bèta-nerd uitzien om erbij te horen. En waarom krijgen we allemaal bij professoren meteen het beeld van tweedjasjes, coltruien en ribbroeken? Juist.
Advocatenkantoren dan? Kat in het bakkie: strak in het pak. Nee hoor. Ik ken een advocaat intellectual property die gympies en spijkerbroek met jasje draagt. Om zijn cyber-cliënten op hun gemak te stellen. Terwijl een verdieping hoger de corporate afdeling zich volledig in krijtstreep, liefst ook nog driedelig, hult. Zelfde kantoor, hemelsbreed 3,5 meter afstand.
Wat het helemaal ingewikkeld maakt is dat je outfitkeuze zelfs binnen een dezelfde sociale omgeving subtiel zou moeten verschillen, afhankelijk van de locatie bijvoorbeeld. Arty-farty of in spijkerbroek met gympies naar een klassiek concert gaan kan in het muziekgebouw aan ’t IJ prima, in het Mokumse concertgebouw loop je daarmee het risico de indruk te wekken dat je TOT de culturele wereld behoort. Of dat je op zijn minst zo’n hardcore concertbezoeker bent dat je niet langer de moeite neemt om je aan te passen. Sterker nog, het verschilt binnen datzelfde instituut ook nog eens per concertserie. Voor de Zondagochtend gelden andere codes dan bij het KCO publiek.
Nog zoiets: dresscode en macht. Wist u dat de President van de Verenigde Staten nooit een overjas hoort te dragen? Zo laat ie zien dat ie sterk is. Geen enkele POTUS heeft het ooit aangedurfd om die ongeschreven wet met voeten te treden. Tot Obama. Het meest bizarre is dat het omverschoppen van dit heilige huisje zijn reputatie van sterk leidersfiguur juist bevestigt. Dus heel zelden slaagt iemand er wel in om los te breken, door een combi van heel veel lef, een overdosis aan charisma en een vanzelfsprekend zelfbewustzijn: allen kenmerken van een geboren leidersfiguur. Voor de rest van ons mindere goden blijven de regels van onze soort gewoon bestaan, waardoor we gedwongen zijn de kudde te volgen waar we op dat moment deel van uitmaken. Voor velen een geruststellend gevoel. Niks mis mee. Voor de paar mensen die graag denken uniek en onderscheidend te zijn: ook jij bent wat je draagt. There is no such thing als 100% individualisme. Dresscode is overal.Hoe deprimerend of gekmakend dat ook moge zijn.

AAG
AAG-klein

Filmkeuze 2016

Het nieuwe jaar is alweer een week oud maar de POM Magazine redactie keek toch nog even terug naar het filmjaar 2016. Hieronder de voorkeuren van Polly Parker, Bert van der Zee, Lydia Verhoef en Josine Boven.

Zootopia (regie: Byron Howard, Rich More)
Omdat deze tekenfilmfabel annex politiethriller van Walt Disney Pictures, de grappigste scène bevat die Bert van der Zee ooit in een film zag.

Arrival (regie: Denis Villeneuve)
“Thinking people” sci-fi schijnt het genre te heten waaronder men Arrival wil scharen. Dat de film emotioneel raakt kan komen door de goede regie, of simpelweg omdat de metafysische overpeinzingen een dieper intuïtief verlangen raken.

Men & Chicken (regie: Anders Thomas Jensen)
Weliswaar vaker goor, grof en pijnlijk dan niet. Maar de slimme slapstick ondertoon maakt niet dat je wegkijkt maar juist meer wilt, veel meer.

Wild (regie: Nicolette Krebitz)
Een surrealistisch verhaal van een jonge vrouw die zichzelf vindt door in een vinex flatgebouw samen te gaan wonen met een levensgevaarlijke wilde wolf. In Duitsland veroorzaakte de film opschudding en controverse. Tja, het is dan ook geen Roodkapje. Knap acteerwerk van Lilith Stangenberg (foto).

La fille inconnue (regie: de gebroeders Dardenne)
Jonge arts voelt zich schuldig over de dood van een tienermeisje en heeft hierover wroeging. Op haar zoektocht naar vergeving laat de film zien wat de troosteloosheid van Luik typeert, dat goede daden een goed mens maken en dat goede mensen dingen laten waardoor mensen dood gaan.

A bigger splash (regie: Luca Guadagnino)
Weliswaar in 2015 geproduceerd, maar pas in 2016 te zien in de bioscopen. Een remake van de klassieker La Piscine, met in de hoofdrol een narcistische echtgenoot van een wereldberoemde rockidool die haar stem verloren is. Erotisch gedraai om een zwembad met een sprakeloze Tilda Swinton en een Ralph Fiennes die tot deze film nog nooit gedanst had.

Labyrinth (regie: Jim Henson)
Eind januari 2016, vlak na het overlijden van David Bowie was in de Pathé theaters in Nederland, Labyrinth weer te zien met de superster in de hoofdrol. Gekozen vanwege de hoge factor jeugdsentiment.

Nocturnal Animals (regie: Tom Ford)
Omdat in deze thriller de lelijkheid van mensen ingenieus verpakt wordt in glanzend cadeaupapier. Net als in Arrival, speelt Amy Adams de hoofdrol.

The Red Turtle (regie: Michael Dudok de Wit)
De Nederlandse animator, Michael Dudok de Wit, toont de avonturen van een schipbreukeling die aanspoelt op een onbewoond eiland. Zo ontroerend simpel kan schoonheid zijn.

La La Land (regie: Damien Chazelle)
Musical, veel zingen en nog meer dansen. Weinig is zo on-sexy als tapdansende mannen,…tot Ryan Gosling ermee begon.

Dankjewel filmjaar 2016!

Ondergronds kantoor in het bos

In een bos bij Madrid ligt het ondergrondse kantoor van het Spaanse architectenbureau SelgasCano. Het gebouw is niet meer dan een langwerpige horizontale buis en de muur en het plafond van het bovengrondse gedeelte zijn doorzichtig. Zittend achter hun bureaus, krijgen de medewerkers het idee dat ze buiten tussen de bomen aan het werk zijn. En als ze overwerken, zien ze bij helder weer de sterrenhemel.