Fietsseizoen-de aftrap

Vandaag was er eindelijk zon. Ook was het niet langer zo koud dat mijn vingers en kuiten bevroren bij alleen al de gedachte om naar buiten te gaan. Nog belangrijker: het waaide niet meer zo hard dat ik kans liep om met lichtgewicht fiets en al te worden opgetild en voor auto’s neer te worden gesmakt. Ik weet het, de echte bikkels en de profs zijn al veel eerder begonnen. En nu ging mijn bloed ook kriebelen. Heel erg zelfs. Het is FIETSSEIZOEN!

Een goede voorbereiding is het halve werk. Fietskleren genoeg, al mag Joost weten waar ik de mouwen van mijn fietsjackie heb gelaten. Dat kon wachten. Het werd tijd om de fiets letterlijk van stal te halen en in de binnentuin in het zonnetje te zetten. Banden prima. Maar – foei! – ik ontdekte nog herfstmodder op het frame. Ik poetste het liefdevol schoon, en voorzag de ketting van wat fijne biologisch afbreekbare olie. Daarna was het time to get really dirty: mijn remblokken waren nodig aan vervanging toe. Ik ging de berging in om het al eerder aangeschafte verse stel blokjes en mijn gereedschap te pakken en vond bij terugkomst drie mannen die over mijn fiets stonden gebogen.

Stel je bent een man. De zon schijnt en je ziet een vrouw in T-shirt, kort spijkerrokje op hippe laarzen een racefiets poetsen. Toegegeven, dan zou ik ook barsten van nieuwsgierigheid en een pauze nemen. En mijn fiets mag er best wezen. Ik keek als een trotse moeder toe hoe zij – zich volkomen onbewust van mijn terugkeer – wat technische termen over en weer slingerden. Wielertaal beheers ik inmiddels aardig, maar de precieze benamingen van alle onderdelen ken ik niet. Ik weet dat mijn fiets een Giant is en het leeuwendeel van wat eraan hangt Shimano, en dat laatste heb ik alleen maar onthouden dankzij de documentaire ‘Nieuwe helden’ over de Argos-Shimano ploeg. Maar persoonlijke helden heb ik niet. Alhoewel… Dumoulin komt er dichtbij. Al is het alleen maar omdat hij de verslaggever die hardnekkig naar een negatief verhaaltje bleef hengelen het nakijken gaf toen hij voor de zoveelste keer pech had bij de Amstel Gold Race, om vervolgens doodleuk de eerste dagen van de Giro – in Nederland!! – in de roze trui te gaan rondcrossen.

Terug naar mijn Giant-Shimano. De mannen bij mijn fiets moest ik op een gegeven moment wel storen in hun onderonsje. Mijn huismeester met twee rechterhanden keek van mij naar de tot het bot versleten remblokjes en zei: “Heb je wel…” “Inbussleutels?” vroeg ik, “Tuurlijk.” Verbaasd keek hij toe hoe ik mijn reparatiesetje openritste, de juiste sleutel koos en monter de blokjes los begon te schroeven. Hij hield mijn fiets volkomen nodeloos rechtop; ik slikte de opmerking in dat mijn standaard nog wel prima functioneerde maar in. Toen mijn handen en lange nagels zwart werden van het smeer kon hij het niet langer aanzien. “Heb je dit wel eerder gedaan dan?” “Nee… gewoon een kwestie van uitproberen.” Hij schudde zijn hoofd. “Geef hier dan. Doe ik het ff.” Ik bleef koppig zoeken naar de juiste combi van piefjes om de blokjes op de juiste afstand van de band te krijgen. “Als ik middenin de polder zit moet ik het ook zelf doen.” De andere twee heren waren hun schroom verloren nu ik één van hen bleek te kennen. Drie man sterk coacheden ze me door het eerste blokkie heen. “Beetje omhoog!” en “Vast is vast, hè!” behulpzaam in de remmen knijpend en aan het wiel draaiend om te kijken of ie aanliep. De drie blokjes daarna gingen 10 keer zo snel. Eéntje zei wijselijk: “En nu even testen hè. Als het niet goed is, kan je het hier nog stellen, zo, dit losdraaien en dan aantrekken”. Joh. Dat wiel had ik nou toevallig wel al uitgevonden. Een ander ging in zijn dadendrang maar een bijdrage leveren in de vorm van koffie halen, die ik – uiteraard – wel dankbaar accepteerde.

Tijd voor dat testrondje. Nou gaan kort spijkerrokje en wielerhouding niet samen, maar ze keken zo serieus en hoopvol dat ik mijn trots maar inslikte. Ik vroeg wel mijn huismeester de telefoon uit mijn kontzak te vissen omdat die anders onherroepelijk bij de eerste bilbeweging op de keien zou kletsen en klom met smerige handen en al op mijn fietsje. Hierna ging ik de handvaten toch vervangen. Tijdens mijn rondje bleven ze me coachen: “Even doortrappen, beetje snelheid maken! Langzaam inknijpen die remmen!” Toen ik afstapte zei mijn huismeester: “Jij bent geen echt meisje hè.” Hij is een Scheveninger, die hebben wat aparte humor dus ik was niet zeker of het positief was. Ik keek hem eens aan, maar het leek in de verste verte niet op de belediging die ik ooit eens van een vriendin naar mijn hoofd kreeg geslingerd toen we samen op vakantie waren en ik zee alleen maar associeerde met als een gek kajakken terwijl zij de godganse dag wentelteefje lag te spelen: “Weet je zeker dat je wel een meisje bent?!” Nee, geen echt meisje uit de mond van mijn huismeester was bedoeld als licht bewonderende constatering. Volgende stap is een stoer wijf, maar dat heb ik nog niet bewezen. Ik denk dat ik daarvoor eerste de Hollandse bocht zal moeten ronden of de hel van het Noorden zal moeten trotseren. Maar vooralsnog is ‘geen echt meisje’ mijn geuzennaam. Laat dat wielerseizoen maar komen.

AAG
AAG

Virtual Reality, de hype voorbij

Tot voor kort was ik als filmmaker nog niet echt geïnteresseerd in ‘Virtual Reality’ (VR). Ik vond het een hype en de zoveelste gimmick die toch wel weer zou overwaaien. Maar hoe meer ik erover las en er ook zelf daadwerkelijk mee aan de slag ging, des te meer veranderde ik van mening. Ik vind het een fascinerende nieuwe kijkervaring waar je als kijker volledig wordt ondergedompeld in een andere tijd en ruimte.

Maar wat is Virtual Reality eigenlijk? Virtual Reality komt tot ons, via een soort headset met een beeldscherm. Je zet de headset op die verbonden is met een laptop en start een video of applicatie. Al kijkend naar het beeldscherm heb je het gevoel alsof je daadwerkelijk in de wereld van jouw video of applicatie aanwezig bent. Waar passieve media niet altijd in slagen, ga je als kijker in VR helemaal op. Je bent onderdeel van de scene en leeft in de gegeven tijd, plaats en dus in het verhaal. Er staat geen camera tussen jou en de situatie want in VR ben jij de camera, het is jouw perspectief. VR makers kunnen bepalen welke rol jij in het verhaal aanneemt maar in VR gaan de verhalen over jou, de kijker. De impact en betrokkenheid is daarom meeslepend.

De potentie van de VR film om de kijker te verrijken met nieuwe inzichten is vele malen groter vergeleken met andere media. Door de werkelijkheidservaring, oftewel empathie, wordt de connectie tussen de kijker en het verhaal zeer versterkt. Je kunt zo in de meest confronterende situaties terechtkomen. Zo kan de beleving versterkt worden door een virtuele oriëntatie van je lichaam. Een prikkelend voorbeeld van deze toepassing is bijvoorbeeld porno. In de journalistiek kan VR een betere weergave van de waarheid geven dan traditionele film- of fotojournalistiek dankzij een 360 graden weergave. Er zijn ondenkbaar veel terreinen waar de toepassing van VR voordelen zou kunnen opleveren zoals bij het verwerken van trauma’s, het trainen van astronauten en de verkoop van huizen. Ook voor onderzoeksdoeleinden is VR geschikt. Psychologen gebruiken VR om raciale vooroordelen te testen bij mensen met een blanke huidskleur door ze in een virtuele wereld een donkere huidskleur te geven. En afgelopen januari werd op de Vakantiebeurs in Utrecht VR gebruikt om de bezoekers te laten ervaren hoe het is om te paragliden.

Als filmmaker ben ik ondertussen behoorlijk enthousiast geworden over VR. Ik ben vooral benieuwd naar wat VR ons de komende tijd zal brengen. Het ziet er naar uit dat Virtual Reality definitief zijn intreden heeft gedaan. In 2016 zullen er waarschijnlijk meer toepassingen bijkomen en ik verwacht dat het commercieel gebruik zal toenemen. Als filmmaker ben ik in ieder geval erg blij dat in Amsterdam op de Oosterdokskade al de eerste VR bioscoop is gevestigd.

Tekst: Jasmijn Schrofer

Lumière Maastricht

Het is de ster onder de filmhuizen: Lumière Maastricht. Gevestigd in de voormalige elektriciteitscentrale van de Sphinxfabrieken, aan de binnenhaven bij de Maastrichtse Bassinkade. Na een verbouwing van bijna twee jaar is de oude stroomfabriek veranderd in een complex met zes bioscoopzalen en een grand Restaurant Café.

Ondanks de ruime, functionele opzet weet Lumière de intieme sfeer van een filmhuis te behouden. Veel oorspronkelijke materialen zijn verwerkt in het gebouw en overal is het aardewerk aanwezig waar Sphinx zo bekend van is. Industriële functionaliteit en intimiteit vallen ook te bespeuren in het Restaurant Café. Het staat vol met moderne meubels in strakke bekleding van leer, wol en vilt, maar her en der hangen ook kristallen kroonluchters. Overal zie je metaal: het komt terug in lampen, stellages en in meubels. Moderniteit wordt vermengd met lokale symboliek: hoog in de nok van het gebouw hangt een paar vleugels, een speelse verwijzing naar de engel in het wapen van Maastricht.

Fotografie:Philip Driessen

Friet in Amsterdam

Als ik trek heb, niet in de buurt ben van mijn keuken en geen zin heb om in een restaurant te eten, ga ik op zoek naar een gelegenheid waar je eten kunt afhalen, maar waar ook een paar tafeltjes en stoeltjes staan voor mensen die ter plekke de bestelde gerechten willen opeten. Het zijn dit soort plekken in een stad waar een grote diversiteit aan mensen komt eten. Hoe gevarieerder het publiek des te beter het eten meestal is. Mensen kunnen op allerlei manieren van elkaar verschillen, maar iedereen weet wat lekker is en daarover is men het verbluffend vaak eens: een frietje, al dan niet aangevuld met mayonaise of een andere saus. In Amsterdam zijn fotografe Jasmijn Schrofer en ik op zoek gegaan naar friettentjes waar we de lekkere trek en soms gewoon onze honger konden stillen met een patatje.

In Amsterdam heb je dan genoeg keuze. Of je nu op het Muntplein staat of honger krijgt als je op de Reguliersbreestraat, het Rembrandtplein of de Ferdinand Bolstraat loopt: overal vind je snackbars. Uiteindelijk kwamen we terecht bij vijf adresjes, verspreid over de uithoeken van Amsterdam en stuk voor stuk heel eigen. Zoals de Frietsteeg op de kruising Stadionkade/Parnassusweg. Dit Hans en Grietje-huisje kan hooguit vijf wachtenden ontvangen terwijl hun snack gefrituurd wordt in de roodgeverfde keuken waar zelfs de radio rood is. Maar buiten staan er voldoende houten zitblokken waarop je alles rustig kunt opeten. In de keuken liggen de aardappelen ongeschild klaar en de frieten worden ter plekke gesneden. Onze frieten waren knapperig en hadden een flinterdun zoutlaagje. Zelfs koud waren ze lekker.

NatuurlijkSmullen-2We zijn langs veel kotjes gereden op zoek naar een afhaalbar met een paar tafeltjes en stoeltjes, waar Jan en Alleman komt en waar aardige bediening ons helpt kiezen uit een keur aan sauzen. Bij Natuurlijk Smullen aan de Jan van Galenstraat zit je in een soort woonkeuken waar de dame achter de frituur de scepter zwaait en het stoofvlees bereidt volgens eigen recept. Alles smaakt heerlijk huisgemaakt. Als je de frietjes ter plekke opeet, krijg je er een bakje appelmoes bij. En je mag zelf biologische sapjes of fruitdrankjes uit de koelkast pakken.

In Amstelveen vind je aan de Kalfjeslaan de moderne buurtsnackbar Frietfabriek. Ook hier staat afhalen centraal, maar is er genoeg plaats om zittend op een kruk door grote ramen lekker te loeren naar alle voorbijkomende fietsers, voetgangers en auto’s. Op een schoolbord staan het type aardappel en het soort vet dat op dat moment gebruikt wordt in de keuken. Ook hier zagen we de ongeschilde piepers in grote netzakken liggen en werd de friet geschild en gesneden waar we bij stonden. Er staan vijftien sauzen op het menu, maar we hadden geen idee welke namen bij welke smaken hoorden en mochten even voorproeven. Wij kozen voor een triootje van romig, pittig en zuur. Ook hier konden we biologische sapjes of fruitdrankjes zelf uit de koelkast halen.

Par HasardEen bijzondere vogel in de Amsterdamse snackbarvolière is Par Hasard aan de Ceintuurbaan. Deels is het een restaurant en deels een afhaalbar waar de frieten worden gebakken en banken staan om op te zitten terwijl je wacht. Het donkerbruine restaurant is een Franse bistro met een aparte wijnbar. Bijzonder is dat snackbar, wijnbar en restaurant in elkaar overgaan zonder dat de identiteit van Par Hasard onduidelijk is. Als je daar je frietje wilt opeten ga je gewoon in het restaurant aan één van de houten tafels of aan de bar zitten. De friet is goed gebakken, de mayonaise is homemade, de kroketten zijn van Holtkamp en de frikandellen van slagerskwaliteit. De frietzak, het terracotta schaaltje met mayonaise en de frikandel in plastic bakje worden geserveerd op een klein, elegant zilverkleurig dienblaadje.

EiburghEen andere aparte vogel is Eiburgh Snacks aan de Zuiderzeeweg. De keuken staat in iets wat een kruising is tussen een tuinhuisje, een tent en een container. Binnen en buiten staan stoelen en banken van verschillende makelij die allemaal comfortabel zitten. Eiburgh ligt strategisch goed. Toevoerwegen naar de ringweg, tramhaltes, een parkeerplaats en fietspaden liggen er allemaal in de buurt.
Ondanks dat Eiburgh naast een verkeersknooppunt ligt is de omgeving groen. Zittend op een bankje en knabbelend aan een degelijk gemaakt frietje zie je het gras en de veldbloemen in de bermen en de bomen in de omliggende laantjes.

Tekst: Regina Fluyt
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Fragments in time

Dit schilderij, getiteld ‘Shop’, is uit de laatste serie werken van de Nederlandse beeldend kunstenaar Myra de Vries (Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, 2001). Myra’s schilderijen gaan over de eindeloosheid van de tijd en de onbeduidendheid van de mens daarin. In haar doeken belicht zij de wisselwerking tussen mens en natuur. Vooral het vermogen van de mens om zijn totale omgeving te veranderen en daarmee zelfs het eigen voortbestaan te riskeren, fascineert haar.Myra1 ‘Shop’ brengt op bijna poëtische wijze de mogelijk toekomstige afwezigheid van de mens in beeld. Verleden, heden en toekomst komen samen. Droombeelden versmelten met filmische landschappen en overweldigende natuur contrasteert met de nietigheid van het menselijk bestaan.
Solo-expositie Myra de Vries: Fragments in time.
Van 17 maart t/m 16 april bij Vonkel-actuele beeldende kunst, Den Haag.
www.vonkel.nl

Tekst: Thierry Reniers

Wat is het toch met dresscode?

Wat is het toch met dresscode? Het voorschrift hoe je je dient te kleden is lang niet altijd zo overduidelijk als op de uitnodiging voor – laten we zeggen – een feestje. Het is een sociaal aspect, een community dingetje. Als je de plank misslaat, dan ‘hoor je er niet bij’. Overdressed zijn op feestjes is net zo erg als underdressed en dat geldt echt niet alleen voor vrouwen. Per slot van rekening slaan de officiële dresscodes als tenue de ville, black tie en white tie, allemaal op herenkleding. De passende dames outfits zijn daarvan af te leiden.

Als de dresscode nou maar beperkt blijft tot feestjes en partijtjes, dan is het allemaal wel te doen, google is your best friend. Maar het heerst overal. Op straat, op kantoor, bij je sociale clubs, bij het uitgaan. Het verschilt per stad, per locatie en per situatie. Vaak is ie er onderhuids, en hoor je het ‘gewoon’ te weten. Hoe dan? Dat kan alleen als je je in die specifieke omgeving beweegt. Anders moet je maar gokken en er het beste van hopen.Het is niet voor niets dat met enige regelmaat de schooluniform discussie weer oplaait: afwijkende kleding staat hoog in de top tien van redenen om gepest te worden. En niets, maar dan ook niets is erger dan buiten de groep vallen. We zijn en blijven kuddedieren, en als we eens goed in de spiegel kijken herkennen we allemaal wel die angst voor een kledingmiskleun. Hoe oud we ook zijn en of we nou van Mars of van Venus komen.
Soms kan het echt niet missen: dat je geen wit draagt op een bruiloft mits het je eigen is: volkomen helder. En in een Feijenoordshirtje op de F-side gaan zitten: GEEN goed idee. Maar laten we eens een regel nemen die overduidelijk lijkt: sportkleding naar werk doe je niet. Zeker niet als vrouw. Als je al op de racefiets of hardlopend naar je werk gaat, waar dan ook, je kleedt je om. Tot je een keer een bijbaantje hebt bij een postsorteercentrum, je door het weer gedwongen bent een winterfietsbroek aan te trekken, je die in de plee wil vervangen en dan te horen krijgt: “Hoezo? Kicken broek toch, gaaf stofje en cool, van die lichtgevende naden.”
De kledingvoorschriften op kantoren dan? Makkelijker, denk je. Formeel, met hooguit het verschil in de kleine details: of huidkleurige panty’s kunnen, felle kleuren, welke das of schoenen done of not done zijn.
Maar… per sector kan het verschillen! In de culturele wereld hoeft kantoor personeel niet per se in pak tenzij ze naar iets belangrijks gaan. Bij een webdesign bedrijf moet je er bij wijze van spreken weer als een sociaal gestoorde bèta-nerd uitzien om erbij te horen. En waarom krijgen we allemaal bij professoren meteen het beeld van tweedjasjes, coltruien en ribbroeken? Juist.
Advocatenkantoren dan? Kat in het bakkie: strak in het pak. Nee hoor. Ik ken een advocaat intellectual property die gympies en spijkerbroek met jasje draagt. Om zijn cyber-cliënten op hun gemak te stellen. Terwijl een verdieping hoger de corporate afdeling zich volledig in krijtstreep, liefst ook nog driedelig, hult. Zelfde kantoor, hemelsbreed 3,5 meter afstand.
Wat het helemaal ingewikkeld maakt is dat je outfitkeuze zelfs binnen een dezelfde sociale omgeving subtiel zou moeten verschillen, afhankelijk van de locatie bijvoorbeeld. Arty-farty of in spijkerbroek met gympies naar een klassiek concert gaan kan in het muziekgebouw aan ’t IJ prima, in het Mokumse concertgebouw loop je daarmee het risico de indruk te wekken dat je TOT de culturele wereld behoort. Of dat je op zijn minst zo’n hardcore concertbezoeker bent dat je niet langer de moeite neemt om je aan te passen. Sterker nog, het verschilt binnen datzelfde instituut ook nog eens per concertserie. Voor de Zondagochtend gelden andere codes dan bij het KCO publiek.
Nog zoiets: dresscode en macht. Wist u dat de President van de Verenigde Staten nooit een overjas hoort te dragen? Zo laat ie zien dat ie sterk is. Geen enkele POTUS heeft het ooit aangedurfd om die ongeschreven wet met voeten te treden. Tot Obama. Het meest bizarre is dat het omverschoppen van dit heilige huisje zijn reputatie van sterk leidersfiguur juist bevestigt. Dus heel zelden slaagt iemand er wel in om los te breken, door een combi van heel veel lef, een overdosis aan charisma en een vanzelfsprekend zelfbewustzijn: allen kenmerken van een geboren leidersfiguur. Voor de rest van ons mindere goden blijven de regels van onze soort gewoon bestaan, waardoor we gedwongen zijn de kudde te volgen waar we op dat moment deel van uitmaken. Voor velen een geruststellend gevoel. Niks mis mee. Voor de paar mensen die graag denken uniek en onderscheidend te zijn: ook jij bent wat je draagt. There is no such thing als 100% individualisme. Dresscode is overal.Hoe deprimerend of gekmakend dat ook moge zijn.

AAG
AAG-klein

Filmkeuze 2016

Het nieuwe jaar is alweer een week oud maar de POM Magazine redactie keek toch nog even terug naar het filmjaar 2016. Hieronder de voorkeuren van Polly Parker, Bert van der Zee, Lydia Verhoef en Josine Boven.

Zootopia (regie: Byron Howard, Rich More)
Omdat deze tekenfilmfabel annex politiethriller van Walt Disney Pictures, de grappigste scène bevat die Bert van der Zee ooit in een film zag.

Arrival (regie: Denis Villeneuve)
“Thinking people” sci-fi schijnt het genre te heten waaronder men Arrival wil scharen. Dat de film emotioneel raakt kan komen door de goede regie, of simpelweg omdat de metafysische overpeinzingen een dieper intuïtief verlangen raken.

Men & Chicken (regie: Anders Thomas Jensen)
Weliswaar vaker goor, grof en pijnlijk dan niet. Maar de slimme slapstick ondertoon maakt niet dat je wegkijkt maar juist meer wilt, veel meer.

Wild (regie: Nicolette Krebitz)
Een surrealistisch verhaal van een jonge vrouw die zichzelf vindt door in een vinex flatgebouw samen te gaan wonen met een levensgevaarlijke wilde wolf. In Duitsland veroorzaakte de film opschudding en controverse. Tja, het is dan ook geen Roodkapje. Knap acteerwerk van Lilith Stangenberg (foto).

La fille inconnue (regie: de gebroeders Dardenne)
Jonge arts voelt zich schuldig over de dood van een tienermeisje en heeft hierover wroeging. Op haar zoektocht naar vergeving laat de film zien wat de troosteloosheid van Luik typeert, dat goede daden een goed mens maken en dat goede mensen dingen laten waardoor mensen dood gaan.

A bigger splash (regie: Luca Guadagnino)
Weliswaar in 2015 geproduceerd, maar pas in 2016 te zien in de bioscopen. Een remake van de klassieker La Piscine, met in de hoofdrol een narcistische echtgenoot van een wereldberoemde rockidool die haar stem verloren is. Erotisch gedraai om een zwembad met een sprakeloze Tilda Swinton en een Ralph Fiennes die tot deze film nog nooit gedanst had.

Labyrinth (regie: Jim Henson)
Eind januari 2016, vlak na het overlijden van David Bowie was in de Pathé theaters in Nederland, Labyrinth weer te zien met de superster in de hoofdrol. Gekozen vanwege de hoge factor jeugdsentiment.

Nocturnal Animals (regie: Tom Ford)
Omdat in deze thriller de lelijkheid van mensen ingenieus verpakt wordt in glanzend cadeaupapier. Net als in Arrival, speelt Amy Adams de hoofdrol.

The Red Turtle (regie: Michael Dudok de Wit)
De Nederlandse animator, Michael Dudok de Wit, toont de avonturen van een schipbreukeling die aanspoelt op een onbewoond eiland. Zo ontroerend simpel kan schoonheid zijn.

La La Land (regie: Damien Chazelle)
Musical, veel zingen en nog meer dansen. Weinig is zo on-sexy als tapdansende mannen,…tot Ryan Gosling ermee begon.

Dankjewel filmjaar 2016!

Wat is het toch met mannen en rotjes?

Er zijn van die typische echte mannendingen, waar alleen de bezitters van een Y-chromosoom lol aan lijken te beleven. Eén van de dingen die mij al van jongs af aan bezig houdt is het fenomeen rotjes. Ze maken herrie, stinken en verder doen ze niets. Behalve je verwondingen bezorgen als je niet uitkijkt. Geen van allen positieve eigenschappen lijkt mij. Dus wat hebben mannen toch daarmee?

Mijn broertje en zijn kompanen waren er al op de rijpe leeftijd van 7 jaar mee bezig. Met zakken vol rotjes in groepjes de buurt onveilig maken, een spoor van knallen achter zich latend. Ze gingen in afvoerputten, in containers, in de sloot, in de brievenbus, werden ingegraven met blikjes er bovenop, aan elkaar getapet; hun vindingrijkheid in de zoektocht naar de ultieme knal leek oneindig.
Ik hoor nog het extatische: “zoooooo heeeeee!” van de jochies als er weer zo’n bom een putdeksel deed klapperen of een conservenblikje opblies. En dan het wedstrijdje wie hem het langst in zijn hand durfde te houden. Met een aangemeten nonchalance werd zo’n ding dan op het laatste moment achteloos neergegooid. Vervolgens een dappere poging om geen spier te verrekken terwijl ze op hun gemakje wegsjokten als dat ding afging.
Ik snapte er toen al geen jota van. Ik werd absoluut niet extatisch van die knallen. Sterker nog, ik werd schijtensbang rond oud en nieuw, omdat je nooit wist of zo’n groepje net een rotje voor je voorband zou gooien wanneer jij langsfietste. Want oh, wat was dat leuk, zo’n live gillende keukenmeid. Ik werd er alleen maar pissig van.

Oké, laten we ons proberen te verplaatsen in de psyche van schooljongetjes.
Kattenkwaad, iets dat een klein beetje verboden is. Van mamma mag het niet, mamma vindt het zelfs helemaal niet leuk, tja, dat maakt het natuurlijk extra aantrekkelijk. Dat zou misschien de aantrekkingskracht van illegaal vuurwerk kunnen verklaren: hoe verbodener des te leuker en spannender. Of is het misschien ook wel machogedrag met iets potentieel gevaarlijks? Per slot van rekening begint die pikorde-selectie al zodra ze kunnen lopen. Kunnen de schatten niet helpen, het is oerinstinct. Dat waaghalzerige gedrag met die dingen is daarmee ook verklaarbaar: degene met het meeste lef (die de brievenbus van de meest sacho buurman opblaast bijvoorbeeld-iedere buurt heeft wel zo’n boeman) is de leider van het spul. Dan territorium afbakenen. Mmm. Kan ook nog meespelen: ‘die van de straat verderop’ moeten zich vooral niet op ons speelterreintje wagen.

Maar wat is dan in Godsnaam het doel van zo’n ding in een hondendrol steken en die lanceren? Want dat deden die smeerlappen ook. Het schijnt nog steeds een hobby te zijn van de huidige generatie rotjochies. Ik kom er niet uit.
Gewoon kwajongens en – vooruit – puberaal gedrag? Maar waarom houdt het dan niet op als ze ouder worden? Er wordt nog steeds door hele legers mannen likkebaardend naar de vuurwerkfolders uitgezien, eindeloos gewikt en gewogen welk vuurwerkpakket dit jaar aangeschaft zal worden. En oh jongen, als dan die klokwijzer richting 12 schuift zijn ze niet meer te houden. Aansteeklonten (vroeger peuken) en lege flessen staan al vanaf de vroege avond in de aanslag, er kan nog net even een Nieuwjaarszoen af en dan weten ze niet hoe snel ze buiten moeten gaan spelen. Kinderen erbij geen bezwaar: een pa-zo leermomentje lijkt de pret alleen maar te verhogen. Jong geleerd…

Als volwassene kan ik een mooie vuurpijl wel waarderen, ook als ie een flinke knal geeft. Maar wat de lol is van een duizend- of miljoenklapper ontgaat mij volledig. Ben je nou een Chinees, dan zou het nog gezien kunnen worden als een cultureel fenomeen: daar is het een traditie om boze geesten weg te jagen met zoveel mogelijk herrie. Maar de laatste periode waarin wij ons nog bewust met boze geesten bezighielden ligt ergens in de vroege Middeleeuwen. Kan me niet voorstellen dat het daar nog vandaan komt.
Ho! Stop! Rewind naar de knaltraditie, want die hebben wij ook. ‘Twents vuurwerk’ in de volksmond, oftewel carbidschieten. En niet alleen bij Oud en Nieuw, ook bij andere feestelijkheden, zoals bruiloften. Ik heb me zelfs laten vertellen dat een stel Achterhoekers het meenam naar Le Mans om daar de camping bleu te verblijden met rondvliegende melkbusdeksels. Je zal er maar staan met je peperdure karretje of oldtimer. Hoe het werkt: Prop een melkbus vol met carbid en een beetje water, en dan is het de sport om het deksel er met een zo hard mogelijke knal af te schieten. Het fenomeen staat zelfs op de lijst van Nederlands erfgoed. Ja, u leest het goed. Maar waarom het een traditie is nergens terug te vinden. Waarschijnlijk een overblijfsel uit de Germaanse tijd waarin we ons nog wél bezig hielden met geesten, maar niemand geeft uitsluitsel.

Terug naar de psyche van grote mannen gekoppeld aan rotjes.
Ik kan natuurlijk de wagenwijd openstaande deur intrappen: dat mannen gewoon nooit geheel volwassen worden, maar dat is een beetje te gemakkelijk en te feministisch generaliserend. Bovendien wil ik het echt snappen. Niet afdoen met zo’n dooddoener. De historie van vuurwerk induiken, biedt ook slechts gedeeltelijk soelaas: sinds de uitvinding van het buskruit is het in vredestijd usance om de kunde met het goedje te demonstreren. Daar vinden onze vuurwerkshows hun oorsprong. Zijn we weer terug bij machtsvertoon dan wel territoriumdrift: waag het niet om ons aan te vallen, want kijk eens hoe goed wij zijn! Of moeten we het loskoppelen van het gedrag van de jochies en het zien als een manifestatie van de homo ludens? Speelgoed voor volwassenen?

Het blijft van mijn kant allemaal giswerk. Dus hebben we het mannen uit verschillende leeftijdscategorieën gevraagd: wat maakt rotjes leuk?
Ik stak rotjes af als puber, omdat ik…eh…een puber was en moest rebelleren. Nu niet meer. Volwassen mannen die graag rotjes afsteken willen misschien gewoon niet opgroeien. Anderen willen gehoord worden: ik maak lawaai, dus ik besta.”
“Ze ontploffen, ze hebben kracht en dat doet dingen ontploffen, maken lawaai.”
“Ze laten andere mensen schrikken en het is het anticiperen op het schrikken wat het leuk en spannend maakt. Het liefst moeten rotjes ergens in zodat het lawaai en het effect van ontploffen groter wordt. Ze moeten gebundeld worden, zodat ze nog meer lawaai maken en dingen doen ontploffen.”
“Het is gewoon supergaaf zo’n duizendklapper. Weet niet waarom, het is een soort wow-gevoel.”
“Mijn moeder haatte ze en wilde niet dat ik eraan mee deed. Daarom deed ik het juist wel denk ik.”
“Gewoon cool met je vriendjes samen, het heeft iets stiekems. Ergens ingooien en dan snel wegrennen als de knal komt. De angst dat je betrapt wordt omdat je iets doet dat eigenlijk niet mag.”
“Ook wel dat het een beetje gevaarlijk is. En altijd leuk als meisjes dan schrikken.”
“Het heeft ook iets te maken met indruk op meisjes maken. Althans, jongens denken dat het indruk maakt op meisjes.”

Noot bij de laatste twee: Als ze indruk willen maken op de meisjes slaan de jongetjes echt helemaal de plank mis. Schrikken en gillen is gelijk aan aandacht, denken jullie dat echt, jongens? Ik geef jullie op een briefje dat je er niet veel indruk mee zal maken. Eerder het tegendeel.

Maar ja, die antwoorden. Wat mij betreft is de uitslag op zijn minst onbevredigend te noemen. Verder dan een soort omschrijvingen van een soort manifestaties van een soort onderbuikgevoel komen we niet.

Als de mannen het waarom zelf niet eens kunnen beantwoorden, moeten we misschien maar gewoon concluderen dat er verschillen tussen man en vrouw zijn. En dat we zoiets instinctiefs van de andere sekse helaas nooit helemaal zullen kunnen begrijpen. Zie het indruk maken op meisjes.
I rest my case.

AAG

AAG

Ondergronds kantoor in het bos

In een bos bij Madrid ligt het ondergrondse kantoor van het Spaanse architectenbureau SelgasCano. Het gebouw is niet meer dan een langwerpige horizontale buis en de muur en het plafond van het bovengrondse gedeelte zijn doorzichtig. Zittend achter hun bureaus, krijgen de medewerkers het idee dat ze buiten tussen de bomen aan het werk zijn. En als ze overwerken, zien ze bij helder weer de sterrenhemel.

Gezellig toch?

Tijdens mijn studie volgde ik het vak politieke theorieën. Klinkt gortdroog, ik weet het. Maar de Ierse prof had absoluut zijn roeping als stand-up comedian gemist, wat zijn colleges tot een waar feest maakte. Volgens hem waren er twee Nederlandse woorden in de politicologie waar geen vertaling voor mogelijk is en die overal ter wereld gebezigd werden: apartheid en verzuiling.

Een ander Nederlands woord heeft inmiddels ook internationale bekendheid verworven: gezellig. Onvertaalbaar. Probeer maar eens: gemütlich of cosy dekken de lading gewoon niet helemaal. Daarbij mis je dat Oer-Hollandse sausje waarmee het overgoten is, de kneuterigheid. Het bij de kachel met een kop chocolademelk en een op de achtergrond pruttelende pan erwtensoep je bevroren schaatstenen ontdooien-gevoel, zeg maar. Kerst is de ultieme tijd voor gezelligheid, vindt men. Of je het wilt of niet. Zo loop ik al sinds 5 december met een setje oordoppen rond tijdens het shoppen. Een goede Christmas Carol, à la. Maar tegenwoordig wordt iedere artiest gepusht om dè kersthit te produceren en die staat dan met alle andere last Christmassen non-stop op non-stop repeat bij Sky Radio. In iedere winkel. Want kerstsfeer. Gezellig. Alsjeblieft zeg.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de huisaankleding met kerstkransen en -stukjes, of de verbijstering die je ten deel valt als je niet aan een kerstboom doet. Waarom zou ik? Hij staat drie weken verschrikkelijk in de weg naalden te ruien en extra stofzuigbeurten te veroorzaken terwijl ik minimaal de helft van de tijd niet thuis ben. En alles is ineens alleen maar verkrijgbaar in rood, wit of zilver. Of eeuwig groen. Waar staat die kleurwet genoteerd? Vorige week heb ik stad en land afgespeurd naar paars/roze lelies die wel bij mijn interieur passen, maar niks, nakkes, nada. Ze zijn er hooguit in de graftakkenvariant. En dat is zelfs mij te gortig om een beetje geur in huis te halen die niet verplicht naar dennen ruikt.

Dan nog de kadootjes stress waarvoor extra koopavonden worden ingesteld, waar we massaal gezellig voor de stad in gaan. Wacht eens… hadden we niet een paar weken voor Kerst al een kadootjes dingetje? Traditie? Iets met maan door de bomen, een stoomboot en schoorstenen? Is dit niet weer het zoveelste uit een Anglo-Saksisch gebied overgewaaid commercieel feest-iets (zie Halloween en Valentijnsdag)? Vorige week was het trouwens foute kersttruiendag op alle kantoren. Doet in eerste instantie – heel gezellig – denken aan mijn lieve oma die vanaf september de blaren op haar vingers zat te breien om alle kleinkinderen onder de boom een gloednieuwe trui te kunnen geven. De mijne was Noors. Heel mooi met sterren en in mijn kleuren: aubergine en roze. Maar op Kersttruiendag moet ie lelijk zijn. Rendieren die kerstballen braken, sneeuwpoppen met kerstmuts en een buitenboord bungelend oranje wormvormig aanhangsel waar je vooral niet bij na wilt denken, alles mag. Waarom zouden we in vredesnaam deze Britse gewoonte om collectief voor schut te lopen adopteren? Ook daar is iets op bedacht: je doet het voor het goede doel erachter. Voel je hem? Die zachte dwang?

En dan heb ik het nog niet gehad over het eten. Eén kersttafel is al gedekt: verplicht gourmetten, want dat vinden we hier in Nederland nou eenmaal gezellig. Hoe je die andere dag dan nog gezellig een vijfgangendiner op tafel moet zien te krijgen? Want ook dat hoort zo. Minstens één culinair verantwoorde uitspatting. De supermarkt app lijkt soelaas te bieden: kies je menu, tap ‘zet alles op mijn lijst’ en volg de kookinstructies op je tablet. Ook jij kan een chef zijn. Jahaa, dat dacht je. Er zijn in jouw regio honderden mensen die dat ook bedacht hebben. En die dus allemaal voor dat ene exclusieve ingrediëntje gaan. En daar is niet op ingekocht, dus grijp je mis in die overvolle supermarkt één dag voor Kerst. Eeeeh! Geen herkansing, morgen is ie dicht! En aangezien we te moe zijn om zelf na te denken over een alternatief, en allang niet meer kunnen koken zonder hulp van de stap-voor-stapvideo, breekt dan echt de paniek uit. Om maar niet te spreken over de logistieke uitdaging van wat, wanneer, met wie moet worden gegeten. Drie of vier (groot-) ouderstellen is tegenwoordig doodnormaal.

Ik zeg: doe niet mee aan dit opgelegde gekkenhuis. Zet in plaats daarvan je apparaten uit, spreek een voicemail in dat je gezellig Kerst aan het vieren bent en zet een out-of-office reply op al je mailadressen met dezelfde boodschap. Begraaf je in bed, met dat boek waar je nooit aan toe komt en kook die grote pan erwtensoep. Sta op wanneer je wilt, mijd de theaters, bioscopen en concertzalen waar iedereen verplicht kerstfilms en voorstellingen zit te kijken -als de pest. Maak in plaats daarvan een thermosfles met warme chocolademelk om je gezelschap te houden tijdens een wandeling in de natuur waar je anders nooit tijd voor hebt. Want we moeten al zoveel, zijn constant overwerkt en overvoerd. Moeten we nou ook nog verplicht gezellig zijn en door een additionele stresshel gaan om dat te bewerkstelligen? Voor je het weet krijgt het eenzelfde negatieve bijsmaak als die andere twee onvertaalbare woorden van mijn Ierse prof. Laten we het vooral gezellig houden.

AAG
AAG-klein