POM Magazine

POM Magazine, Magazine voor Stijl & Cultuur

POM Magazine

Luca Tichelman

Luca Tichelman maakt werk dat moeilijk te vangen is in één woord. Is het film, is het theater of is het video? Zij creëert als het ware een apart medium waarin ze een zoektocht laat zien. In een interview met Anke Verbeek vertelt Luca over deze zoektocht en legt ze uit hoe restricties haar vrijheid geven.

door Anke Verbeek

In jouw werk zie ik steeds identiteit als thema terugkomen. Waar komt die fascinatie vandaan?
De mens en diens zoektocht naar één “zelf” staat inderdaad vaak centraal in mijn werk- Wie ben je? Waar hoor je bij? Hoe maakbaar is onze identiteit? Ik probeer te laten zien dat de mens nooit slechts één identiteit kent (zoals de auteur Amin Maalouf beargumenteert in zijn boek, On Identity). Maar dat identiteit bestaat uit vele lagen en verschillende ‘personages’ die we al spelenderwijs kunnen ontdekken en afwisselen.

Je werk, LOOK A LIKE/LUC A LIKE, toont een zoektocht naar hoe jij eruit zou moeten zien. Ik ben benieuwd naar de uitkomst van die zoektocht. Hoe moet jij eruitzien?
Er is natuurlijk geen definitie van hoe Luca eruitziet. Wat Luca in LOOK A LIKE/LUC A LIKE definieert is de eindeloze zoektocht naar de verschillende uiterlijkheden. Het is een soort catalogus van allerlei personages die Luca probeert uit te beelden-“By imitating many others I may find a self“. Uiteraard zijn de referenties die Luca tot haar beschikking heeft wel beperkt. Voor dit werk maakte ik gebruik van mijn huis en kledingstukken van familieleden. Ik legde mijzelf een limiet op van het aantal beelden. Dat werd 300 beelden in twee weken. Ik heb vooraf bepaald hoeveel beelden ik per dag moest maken, dat er een beeldenserie in moest komen en een paar beelden waarop exact dezelfde handeling staat.

Hoe verloopt het creatieproces van jouw werken?
Tijdens het creatieproces vind ik het belangrijk een stevig kader te bieden dat dwingend is maar daarom juist ruimte biedt voor onverwachtse uitkomsten. In de video, THIS IS US A STORY OF THOSE, THEM, ME & WE, werkte ik samen met twee andere spelers. Vanuit uitgeschreven scenes creëerden we samen de mis-en-scene, dus de bewegingen en handelingen, tijdens de opnamedagen. Het leek op een theaterrepetitie waar we samen zochten naar verschillende vormen. De scenes zijn als een opvoering, in one-takes opgenomen.

Je werkt vanuit restricties. Op welke manier geven die jou de vrijheid die je nodig hebt voor het maken van een werk?
Video en film zijn een technisch medium, maar ik gebruik in mijn werk zo min mogelijk technische aspecten. Licht, geluid en cameravoering zijn vooraf bepaald en meestal minimaal. Dit soort beperkingen geven mij de vrijheid om met minimale middelen een magische, absurdistische wereld te creëren die hopelijk tot de verbeelding spreekt. Ik geloof in de poëtische kracht van beeld en probeer de humor te behouden in ernstige onderwerpen. Mij houden aan regels, zoals continuïteit of de 180 graden regel, is dan ook minder van belang dan een authentieke visuele wereld, script en spel. Door mijn ervaringen in het theater ben ik bewust van de verschillen tussen video en theater en geïntrigeerd door deze verschillen. Met mijn werk wil ik een vertelstructuur ontwikkelen die het concrete combineert met een artistieke vrijheid. Want hoe creëer je een zo helder mogelijk verhaal waarbij op beeldend niveau juist veel artistieke vrijheid ontstaat? Hoe zorg je ervoor dat de kijker geen ‘anything goes’ gevoel beleeft? Hoe zorg je ervoor dat de kunstzinnigheid van de video(s) het verhaal juist versterkt in plaats van belemmert? Waar ontmoeten de suspension of disbelief en artistieke verwondering elkaar?

Heb je dat altijd al willen onderzoeken, die combinatie van video en theater?
Nee dat is gaandeweg ontstaan. Ik ging naar de toneelacademie in Maastricht en begon daar aan de performance opleiding en met het maken van video’s. Na mijn afstuderen ben ik in Frankrijk meegegaan met een circus. Ik had een romantisch idee van die wereld vol theatraliteit, met clowns die overduidelijk een opgezette rol en emoties spelen. We weten dat het enorm is aangezet maar toch geven speler en kijker zich daaraan over. Dat laat ook wel zien hoe maakbaar dingen zijn. Pas toen ik film ging studeren aan KASK in Gent, werd het me duidelijk dat ik theater en film wil samenbrengen. Met mijn theaterachtergrond poog ik in mijn videowerk op interdisciplinaire wijze een vormelijke beeldtaal te combineren met een gelaagde psychologische binnenwereld van de personages en met existentiële vragen.

Waar zou je jouw werk het liefst zien: op de biënnale van Venetië, op een groot filmfestival, of tijdens een theatertour? Of alle drie?
Biënnale van Venetië, Woepwoep!

Inge Aanstoot- de kunstenaar en het boek

Eén van de eerste artikelen die POM Magazine publiceerde in het oprichtingsjaar 2015, was een interview met de Rotterdamse beeldend kunstenaar Inge Aanstoot. Na zo’n 10 jaar werd het weer tijd voor een nieuw interview. Ditmaal door POM Magazine’s Anna Geven die meteen haar enthousiasme over Inge’s schilderijen deelde. “Jouw werk roept iets bij me op. Wat dat nou is? Ontroering of iets anders? Ik heb dat bij veel van jouw werken”, aldus Anna. Wat was het lachende antwoord van Inge Aanstoot? “Leuk om te horen.” En ze begon over het boek te vertellen dat ze nu aan het maken is en wat er allemaal de afgelopen 10 jaar is gebeurd in haar loopbaan als beeldend kunstenaar.

door Anna Geven

Wat is er allemaal veranderd voor jou als beeldend kunstenaar sinds je vorige interview met POM Magazine in 2015?
Veel dingen zijn nog steeds hetzelfde en tegelijkertijd is er veel veranderd. Ik heb nog steeds mijn atelier bij stichting B.a.d. in Rotterdam en ik maak nog steeds het liefst groot werk op doek. Maar ik ben ook veel andere dingen gaan doen. Ik werk af en toe met fotograaf Anique Weve, onder de naam Marie Pop werken we als één kunstenaar. Verder ben ik gaan werken met potlood en gouache en af en toe maak ik een prent. Sinds ik een bijbaan heb in Den Haag bij het museum Escher in Het Paleis, ben ik weer begonnen met linosneden. Het liefst werk ik met lekker groot doek van zo’n 2 meter, ik kan het schilderen niet laten. Maar soms is het goed om stil te staan bij wat nou mijn maniertjes en trucjes zijn, door op een ander formaat te werken of met een andere techniek. Met grafiek bijvoorbeeld moet je van te voren goed bedenken wat de uitkomst moet worden. Je moet secuur en stap voor stap te werk gaan. Als iets niet helemaal klopt in mijn schilderwerk, kan ik er gewoon lekker overheen schilderen.

Je bent druk bezig een boek te maken over jouw werk. Wat heeft je doen besluiten dat helemaal zelf te gaan doen?
Mijn beste vriend, Auke Triesschijn is grafisch ontwerper. Hij houdt ervan om boeken te maken en hij gaat de vormgeving van het boek doen. Wij kennen elkaars werk heel goed en het idee om samen een boek te maken lag er al heel lang. Zijn man is de muzikant Mark Lotterman. Mark werkt met een stichting die culturele projecten ondersteund. Als stichting krijg je vaak meer voor elkaar dan in je eentje. Mark vond het tijd dat Auke en ik nu eindelijk eens dat boek gaan maken en Stichting Holland helpt daarbij. Mark zegt steeds: “Mijn rol wordt dat ik jullie de hele tijd achter de broek jaag dat je dit gaat doen.” Hij is een fantastisch klankbord.

Jijzelf zit nog steeds bij Stichting B.a.d. Wat is dat voor een stichting?
Stichting B.a.d. is een initiatief van een kunstenaarsgroep die in 1991 in het pand zijn getrokken waar ze nu nog steeds zitten. Het pand was ooit een huishoudschool en later een technische school. Het is destijds gekraakt met goedkeuring van de gemeente. Ondertussen is het pand ondergebracht bij een woningbouworganisatie die het voor een symbolisch bedrag heeft gekocht onder voorwaarde dat de groep kunstenaars erin mocht blijven. Het pand heeft 18 ateliers en 6 woningen. Verder hebben we 3 gastateliers voor kunstenaars, vaak afkomstig uit het buitenland, die een tijdje bij ons komen werken.

Het pand staat in een woonwijk in Rotterdam-Zuid. Wat vindt de buurt van jullie kunstenaarsgroep?
De gemeente wilde destijds graag dat deze groep in het pand bleef omdat we van begin af aan veel organiseerden voor de buurt. Wij waren betrokken bij de buurt en dat zijn we nog steeds. We doen veel projecten met en voor de buurt. Bijvoorbeeld, tijdens de Corona lockdown zijn we het vitrine-project gestart. Het gebouw is L-vormig. De lange zijde zit aan de straatkant en heeft veel ramen.  Als je daar naar binnen kijkt zie je alleen maar een lege gang. Van die ramen hebben we 18 vitrines gemaakt waarin werk van de B.a.d. kunstenaars getoond wordt. In de vitrines wordt zo’n zes keer per jaar een nieuwe tentoonstelling georganiseerd, soms met een groep B.a.d’ders, soms met alleen één of enkele B.a.d. leden, soms in samenwerking met kunstenaars van buitenaf. We hebben een nutteloze gevel omgetoverd tot 18 kunstplekken. Het werkt supergoed. Veel omwoners en voorbijgangers blijven staan om naar die vitrines te kijken.

Wat zijn je plannen voor de komende jaren?
Ik ben zo’n 15 jaar geleden afgestudeerd en op een gegeven moment ben je dan niet meer een jonge, beginnend beeldend kunstenaar. Ik ben nu 37 jaar, een mid-career kunstenaar zoals dat heet, en heb ondertussen wel wat bijgeleerd. Ik ben beter gaan snappen wat ik met mijn werk wil en waarom ik diverse richtingen heb uitgeprobeerd. Toen ik net afgestuurd was aan de kunstacademie, was ik veel bezig met symboliek. Alles in mijn werk moest iets betekenen, iets symboliseren. Later ben ik veel associatiever gaan werken. Ik stopte steeds vaker historische figuren in mijn schilderijen. Maar ik realiseer me nu dat de kijker een vat aan historische kennis nodig heeft om een schilderij te kunnen snappen. Hoe ik verder wil? Ik weet niet precies welke schilderijen ik allemaal ga maken maar ik heb wel het idee dat er een goede balans komt tussen deze beide uitersten.

Je gaat straks een boek uitgeven over je werk. Wat wil je met het boek bereiken?
Al het werk dat ik de laatste 15 jaar heb gemaakt komt in het boek, zo’n 270 pagina’s in full-colour. Met het boek wil ik de lezers laten zien hoe gelaagd die werken zijn. Auke en ik zijn een manier aan het ontwikkelen om zowel chronologisch als thematisch door het boek te kunnen bladeren. Je  kunt per thema, chronologisch of compleet vrij associërend door het boek gaan. Het idee is dat de lezer erachter komt dat thema’s terug te vinden zijn op meerdere van mijn werken. Soms is het bijvoorbeeld, een grappige kleine dinosaurus die steeds opduikt in schilderijen. Maar het kunnen ook grote onderwerpen zijn waaraan een terugkerend thema gekoppeld wordt zoals ongelijkheid, een historische gebeurtenis, feminisme of een verhaal over natuur. Als je daar bewust van bent ga je anders naar een schilderij kijken. Mijn schilderijen gaan over verhalen en ik hoop dat het boek mensen prikkelt en nieuwsgierig maakt om dieper in dat verhaal te duiken.

Het boek van Inge Aanstoot komt uit in April 2025 en komt tot stand via crowdfunding. Tot en met 20 December kun je het boek financieren door geld te storten via Voor De Kunst.

Een man vol verflust

Kapper en kleurspecialist Garrincha van de Utrechtse salon SIM SON, houdt van radicale haarkleurverandering, voor zichzelf en voor anderen. “Ik vind het belangrijk om als kapper mensen uit hun schulp te halen en dingen te laten doen met hun haar, die niet mogen”, legt hij uit in een interview met Klaartje Til. In dit artikel maak je kennis met de man die mensen aanmoedigt om over hun grens te gaan. Want als je kiest voor een enorme haarkleurverandering, opent er ook iets vanbinnen.

Garrincha, waar komt jouw fascinatie voor het kleuren van haar vandaan?
Ik kleur mijn haar al sinds mijn elfde jaar. Door de jaren heen heb ik gemerkt hoe mijn haar reageert op het kleuren, hoe het zich ontwikkelt en waar het niet tegen kan. Ik heb veel kennis opgedaan met het verven van mijn eigen haar. Daarom ben ik me gaan specialiseren in het kleuren van haar. Ik heb erg gevoelig haar dus ik kan als kleurspecialist wel alle haarsoorten aan, denk ik.

Waarom wilde je op zo’n jonge leeftijd al je haar verven?
Ik zag een tekenfilm waarin één van de personages rode punten in het haar had. Verder zag ik in diezelfde periode ook de videoclip van Britney Spears, Toxic, waarin ze afwisselend rood, zwart en blond haar heeft. Dat wilde ik ook. Ik heb de blauwe- en rode mascara van mijn moeder gepakt en daarmee kleurde ik mijn haren. Ze vond dat niet leuk, maar zei wel: “Als je dit echt wilt, dan kunnen we je haar gewoon op traditionele manier laten kleuren.” Diezelfde week ging ik naar de kapper en had ik rood haar (lacht).

Welke haarkleuren heb je allemaal gehad?
Er is geen kleur die ik niet heb gehad. Rood was mijn eerste kleur, toen was ik elf jaar oud. Geel heb ik ook gehad, dat is één van mijn favoriete kleuren eigenlijk. Verder paars, blauw, groen, oranje, zwart. Ik heb elke kleur van de regenboog gehad.

Wilde je van jongs af aan het kappersvak in?
Nee, vroeger wilde ik niet per se kapper worden. Ik wilde eigenlijk tekenfilms maken. Maar ik vond niet iets waar ik goed in was, en het kappersvak ging me wel goed af. Toen ben ik alsnog de kappersopleiding gaan doen. Op YouTube kwam ik een haarkleurspecialist tegen die kleurrijke dingen met haar maakt. Ik had zoiets van, wauw, wat hij doet, dat wil ik ook doen.

Jouw fascinatie ligt niet bij het kappersvak maar bij kleur en kleurrijke dingen creëren?
De passie is gaandeweg wel steeds meer naar het kappersvak toe getrokken, met name naar de creatieve kant van het vak. Het heeft een tijdje geduurd voordat ik het kappersvak leuk vond. In het begin was ik er ook slecht in. Maar bij de salon waar ik toen werkte, heb ik veel geleerd van de kleurspecialist. Ik had een hele goede leraar aan hem. Vanaf dat moment ben ik zelf ook heel veel gaan experimenteren.

Wie zijn de mensen die bij jou hun haar laten kleuren?
Alle soorten mensen. Jong, oud, creatief en commercieel. Mensen die creatieve kleuring willen hebben. Mensen die alleen hun uitgroei gedaan willen hebben of high-lights willen. Maar ik heb ook oudere dames als klant die voor knalrood of knalroze gaan. Dat zijn toch de mensen die tegen de verwachting van de maatschappij ingaan.

De haarvervende mens kunnen we niet specificeren als een bepaald soort?
Nee, eigenlijk niet. Het is de behoefte aan verandering. Voor sommige mensen staat het symbool voor rebels zijn. Dat geldt met name voor jongeren van 10 tot 18 jaar. Andere mensen doen het meer om zichzelf uit te drukken.

Wanneer iemand bij jou komt voor zijn eerste haarkleurverandering, zie je dan dat er een verandering plaats heeft gevonden bij die persoon, wanneer die later weer terugkomt?
Je merkt wel bij mensen die voor de creatievere dingen gaan, dat het iets los kan maken dat naar meer smaakt. Ik heb een klant die wilde destijds blauw haar. Ik ben in stappen haar haar gaan kleuren, en heb er eerst blauwe high-lights ingezet. En nu, 5 jaar later, komt ze nog steeds bij mij. Ze heeft al eens paarsblauw- en oranje haar gehad.

Merk je aan de verhalen die mensen vertellen dat het-smaakt-naar-meer, breder wordt getrokken?
Ik merk dat mensen die voor zo’n verandering gaan, zelfverzekerder worden. In het begin trekken ze zich de mening van anderen aan. Maar uit de persoonlijke verhalen blijkt dat mensen beter in hun vel zitten. Ze hebben lak aan de mening van anderen omdat ze zichzelf willen uitdrukken. Ik vind het heel belangrijk dat mensen zichzelf kunnen zijn, en zich kunnen uitdrukken op de manier zoals zij dat willen.

Je voelt een verplichting om mensen de gelegenheid te geven om gehoor te geven aan hun authentieke drang?
Soms knip ik kinderen die heel graag blauw of roze haar willen. Ze mogen dat niet omdat de ouders bang zijn voor de meningen van anderen. Ik vind het heel erg dat je zoiets meegeeft aan een kind. Een kind hoeft daar helemaal niet bij stil te staan. Ik probeer daar altijd een beetje doorheen te prikken. Niet alle ouders vinden dat even chill. Maar ik vind dat ik dat moet kunnen doen, als kapper zijnde.

Welke plannen en ambities heb je nog allemaal als kapper?
Ik wil zelf een kleurmethode ontwikkelen en die aan andere kappers doorgeven. Op die manier wil ik mijn liefde en passie voor het kleuren van haar, delen. Ik wil kappers op weg helpen om nog meer te creëren, grenzen te verleggen en zekerder te maken van hun werk. Ik denk dat je over het algemeen met chemicaliën, zoals haarverf en permanent, veel veranderingen in het haar kunt aanbrengen. In Japan en Zuid-Korea is permanent heel erg groot en populair. Het lijkt me geweldig om dat ook hier te doen en daarin les te geven. Over het algemeen komt permanent weinig voor in Nederland. Het wordt geassocieerd met beschadigend voor het haar en schapenkrullen. Maar in Azië zie ik een manier van werken die vernieuwend is. Dat kan een evolutie of misschien wel een revolutie worden, als dat naar het Westen komt.

Fotografie: Merel Oenema
Insta: Garrincha

Haar Metamorfose

Klaartje Til had behoefte aan iets anders. Zij liet haar goudblonde krullenbos radicaal veranderen door haarkleurspecialist Garrincha. In de Utrechtse kapsalon SIM SON liet ze de controle los en gooide alles overboord. Ze eindigde met een hoofd vol witgrijze krullen. Klaartje doet verslag van haar haartransformatie.

Op 11-jarige leeftijd heb ik een pak henna veel te lang in mijn haar laten zitten. Het doel: een mooie rode gloed over mijn haar. Het resultaat: een knaloranje kop. Sindsdien heb ik het nooit meer aangedurfd om ook maar iets aan mijn haar te doen. Maar de wil is er altijd geweest. Felblauw, rood en zelfs dreadlocks passeerden in mijn gedachten de revue. Van de mensen in mijn omgeving kreeg ik altijd de opmerking dat ik prachtig haar heb. Dat motiveerde me niet om mijn verfangst te overwinnen. Dat anderen geobsedeerd waren met mijn haar was vlijend. Maar de betovering die anderen voelden voor mijn haar, voelde ik bij het zien van meisjes en vrouwen die met waanzinnige kleurencombinaties van de kapper kwamen en hun kapsel met een enorme dosis zelfvertrouwen droegen. Als ik dan in de spiegel keek raakte ik steeds meer verveeld van mijn blond-rossige krullen, met altijd diezelfde scheiding en laagjes. De angst om weer weken rond te lopen met een mislukte haarkleur was echter hardnekkig, en stond in de weg.

Toen ik voor POM Magazine een serie artikelen ging maken over radicale haarverandering, kon ik er niet meer onderuit. Het was nu of nooit. Ik maakte een afspraak voor een interview met de kleurspecialist Garrincha in de Utrechtse kapperszaak SIM SON. Ook boekte ik meteen een afspraak bij hem voor een verfbeurt, een zilvergrijze coupe met pony. Als ik de zaak binnenstap is Garrincha nog bezig met een andere klant, een oude bekende van mij van de kunstacademie. Zij heet Tiva. Ik herinnerde me Tiva altijd met blauw haar. In plaats van wachten met pijn in mijn buik totdat het mijn beurt is, besluit ik haar een paar vragen te stellen.

Tiva wat heb je op je hoofd? Wat gebeurt er?
Ik heb een hele dikke laag verf op mijn hoofd omdat ik roze haar wil.

Verf je het vaak?
Nu niet meer zo vaak. Het is een jaar geleden dat ik het voor het laatst liet verven. Dat was ook bij Garrincha. Mijn haar werd toen wit geverfd met een paar donker- en lichtblauwe tinten erin.

Welke kleuren heb je allemaal gehad?
Toen ik nog op de kunstacademie zat, heb ik mijn haar in heel veel verschillende kleuren gehad. Ik verfde mijn haar zelf en had een doos vol met potjes kleur. Roze, paars en alle tinten blauw, ook turquoise. Ik heb een keer rood haar gehad, en alle kleuren die er een beetje tussenin zitten. Maar geen groen en oranje.

Staan groen en oranje nog op je bucketlist?
Ik weet het niet. Ik denk niet dat oranje mijn kleur is (lacht). Groen zou ik wel een keer willen. Maar het is niet een kleur waar ik meteen voor zou gaan.

Waarom verf je steeds je haar? Waarom doe je het?
Het is een soort expressie. Ik vind het leuk om er steeds weer anders uit te zien. Ik hou ervan om expressief te zijn met mijn uiterlijk en met wat ik doe. Daar is gekleurd haar een onderdeel van.

Is het elke keer weer een identiteitsverandering?
Van nature heb ik heel lichtblond haar. Als kind hoorde ik altijd: “Oh dat is zo bijzonder en mooi, daar moet je niks aan doen.” Maar ik was het zat dat iedereen dat zei. Ik heb mijn haar heel kort geknipt toen ik 16 jaar oud was. Daarna was ik om. Ik dacht toen: “Ik ben in control, dit is wat ik doe, deal ermee. Het maakt me niet uit wat je ervan vindt.” De eerste keer dat ik mijn haar kleurde, verfde ik het blauw. Ik werd constant nageroepen met het liedje van Eiffel 65, I’m blue da ba dee, da ba da. Daar moet je even doorheen, maar ik vind het verder helemaal de moeite waard.

Je haar verven komt voort uit de behoefte iets toe te eigenen?
Ja, het is een beetje toe-eigenen, tenminste zo begon het. Nu is het puur omdat ik het vet vind.

Tiva’s antwoorden zetten me aan het denken. Waarom voel ik al zo lang, de sterke behoefte om mijn haren te verven? In veel van wat Tiva zegt kan ik me vinden. Zelfexpressie, controle hebben, toe-eigening en, ach, misschien ook wel een beetje rebellie. Als Tiva met een korte, strakke pastelroze coupe en een lach van oor tot oor vertrekt, is het mijn beurt. Met vriendelijke ogen en een bos krullen waar je U tegen zegt, nodigt Garrincha me uit om plaats te nemen. Nog steeds met pijn in mijn buik, ga ik zitten. Maar na de eerste wasbeurt gebeurt er iets geks, ik begin te ontspannen. Misschien komt het door de zachtaardige uitstraling van Garrincha. Misschien door zijn provocerende vraag, “Weet je het zeker?”, terwijl hij de eerste klodder verf door mijn haren smeert. Een grap die hij vaak maakt om te relativeren maar ook een keer heel verkeerd is gevallen, vertelt hij later. Hoe dan ook, terug kan ik niet meer.

Ik heb vijf uur in die stoel gezeten en mijn haar zien veranderen van blond, naar botergeel, naar grijs en zilver, om uiteindelijk met een kapsel te eindigen waarbij ik niet kan stoppen met stralen. De vraag is nu niet meer waarom ik mijn haren heb geverfd, maar waarom ik er zo lang mee heb gewacht. Hoewel grijs een relatief veilige kleurkeuze is, voelt het als een enorme, expressieve verandering. De verveling die ik voelde bij mijn natuurlijke haarkleur, was het teken dat ik toe was aan iets nieuws en spannends. De verandering van mijn haar staat voor het ingaan van een nieuwe fase vol met creativiteit en avontuur. De verveling heeft plaatsgemaakt voor een fris en zelfverzekerd gevoel. Misschien staat mijn coupe voor hoe ik wil dat mensen mij zien. Ik ben een jong persoon, mijn haar is grijs, mijn coupe is groots, het is krullend en speels met een pony.

Fotografie: Merel Oenema
Insta: Garrincha

Simcha’s friends

Klaartje Til onderzocht, als krullenbol, het fenomeen krullenkapper en ontdekte in Amsterdam de kapsalon, Simcha & Friends. Voor POM Magazine bezocht Klaartje de salon. Zij sprak met klanten en kappers op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is het toch met krullen?

door Klaartje Til

Klant Caroline
Het is de vijfde keer dat ik bij Simcha kom. De vorige kapper knipte mijn haar ook goed maar deed niet wat ik wilde. Als ik dan zei dat ik ergens absoluut niet kort geknipt wilde worden, dan werd het toch kort geknipt. Ik had daar genoeg van. Het is moeilijk om een kapper te vinden die goed krullend haar kan knippen, dat is zeker. Ik kom hier naar aanleiding van een krantenartikel over Simcha & Friends. Het was toen moeilijk om een afspraak te maken omdat ze het zo druk hebben. Ik las dat artikel en dacht, dat wil ik ook. Toen ik hier de eerste keer was, vroeg Simcha of ik zenuwachtig was. Maar nee, ik had er alle vertrouwen in, ik voelde me goed. De haarproducten die ze hier verkopen zijn magisch. Ik föhnde mijn haar vroeger nooit. Ze hebben me hier overgehaald omdat dat wel te doen, met die haarproducten. Ik kan nog steeds niet zo goed föhnen als de kappers hier, maar het is echt fantastisch. Van een bezoek bij Simcha word ik zelfverzekerder. En met die haarproducten, nou dat doet wel wat voor je haar en voor jezelf.

Klant Daisy
Ik ben heel blij dat het nu normaler wordt dat er krullenkappers zijn. Het is gewoon een aparte tak van sport. Dit is de eerste keer dat ik bij Simcha & Friends ben. Als ik ergens voor het eerst kom doe ik wel mijn huiswerk. Ik ga niet blind naar een kapper zonder dat ik weet of het goed staat aangeschreven. Ik heb een krantenartikel gelezen over Simcha. En op social media gekeken, waar je een klant vóór en na een knipbeurt ziet. Daaruit kon ik wel opmaken dat ze hier wel weten wat ze doen, als het op krullen aankomt.

Toen ik een jaar of dertien was had ik heel kort haar dat erg krulde. Ik zat in de wachtkamer met mijn opa bij de orthodontist. Ik weet nog dat daar een jongetje zat met zijn moeder. Hij zei tegen zijn moeder, dat meisje heeft echt een zwarte pietenpruik. Misschien dat ik onbewust daarom mijn krullen ook niet leuk vond. Het was eind jaren negentig, de hele zwarte pieten discussie die we nu hebben, was er toen nog niet. Mensen zeggen dat soort dingen omdat je er blijkbaar anders uitziet. Maar ik zie mezelf niet als anders.  Als tiener was ik niet blij met mijn krullen. Ik was jaloers op mensen met steil of golvend haar, dat wilde ik ook. Ik zat eens bij een kapper waar meiden waren met sluik, steil haar. Die zeiden, “Oh wat heb je mooi haar, en volumineus.” Toen pas werd ik me ervan bewust dat mijn krullen niet echt de standaard norm zijn. Ik ben mijn krullen gaan omarmen en wijs mijn krullen niet meer af.  Ik vond ze wel een last want het kost veel tijd en energie om je krullen goed te onderhouden. Je kunt niet een simpele shampoo of masker gebruiken. Ik kan niet elke dag mijn haar föhnen want dan wordt het stro. Dit was mijn eerste bezoek bij Simcha. Hoe mijn haar zit na een knipbeurt bij Simcha & Friends? Top, superblij mee!  Heel erg bedankt. Ik heb mijn haar weer terug.

Kapper Safae
Krullen knippen is niet makkelijk. Op één hoofd zitten vaak meerdere soorten krullen, die verschillen in structuur. Bij sommige mensen is dat verschil in type krul best wel groot. Dan moet je met verschillende producten gaan werken. Elke type krul op dat ene hoofd, moet weer anders geknipt worden. Krullen knippen is dus maatwerk. Golvend, krullend of kroes haar, iedere soort krul moet op een andere manier geknipt worden. Op de kappersschool krijg je niet standaard les in het knippen van krullend haar. Omdat je het niet echt leert op de kappersschool, worden veel kappers nerveus als ze krullen moet knippen. De krul is eigenwijs en valt steeds anders. Het is daarom eng om krullen te knippen. Steil haar valt vaak hetzelfde en dat is makkelijker te knippen.

Tips van Simcha voor mensen met krullen.
Het komt helemaal goed met de krullen, zeker als mensen zichzelf een beetje meer verzorging zouden gunnen. Dus ik zeg: heel goed verzorgen en vier keer per jaar een heel klein puntje eraf bij een kapper die verstand heeft van krullen. Search het internet naar geschikte kappers. Wacht net zolang met knippen tot je naar de juiste kunt gaan. Zorg dat je een kapper vindt die zelf krullen op het hoofd heeft. Laat je niet overrulen door angst en wees heel duidelijk dat je het niet te kort wilt. En vooral niet zeggen, knip er maar af wat nodig is!

Fotografie: Merel Oenema

Simcha, de krullenkeizerin

Klaartje Til zat vaak in de kappersstoel schietgebedjes te doen in de hoop dat haar krullen er niet ‘uitgeknipt’ zouden worden. De kapper vermeed ze het liefst. Ze ging hooguit maar één keer per jaar, omdat het nodig was. Tot ze ergens een paar jaar geleden in Dijon, Frankrijk, haar beste knipbeurt tot dan toe had. Na deze ervaring ging ze op onderzoek uit en ontdekte een nieuw fenomeen, de krullenkapper. Tijdens haar zoektocht maakte ze kennis met krullenspecialist Simcha, van de Amsterdamse kapperszaak, Simcha & Friends. In een interview met Klaartje vertelt Simcha over haar liefde voor krullen.

door Klaartje Til 

Simcha, wat is het toch met krullen en kappers? Waarom gaat dat vaak niet goed samen?
Als je als kapper geen krullenbol bent, weet je niet wat voor drama het kan zijn als de schaar in de krullen wordt gezet. Het is essentieel en vooral prettig voor de klant, dat je zelf ook krullen op je hoofd hebt. Of je moet er enorm verweven mee zijn en je heel graag willen specialiseren in krullen. Het is belangrijk dat je gevoel hebt voor die krullen en inlevingsvermogen om te bepalen hoe kort je wel of juist niet mag gaan. De gemiddelde krullenbol wordt altijd verknipt. Het woord verknipt is eigenlijk niet het juiste woord. Te kort geknipt is de juiste omschrijving. Een krullend haar is een spiraal, die meteen als een kurkentrekker de lucht in gaat. Aan de hand van het type krul moet je als kapper inschatten in hoeverre je die spiraal, al dan niet de lucht in wil laten gaan.

Maar er zijn in Nederland toch altijd mensen met krullend haar geweest?
Jawel, er waren altijd al heel veel krullenbollen. Maar krullend haar werd vroeger beschouwd als slordig, niet chique. Dat geldt zeker voor Afro-haar. Krullend haar is vaak nog een no-go. En ik heb zoiets van ‘embrace’ die krullen. Wat je op je hoofd aan haar hebt, daar moet je van genieten. Door de migratie zijn er in Europa veel meer soorten krullen bij gekomen. Maar in principe waren er altijd al krullen. Alleen daar werd niks mee gedaan. Ze werden volledig steil geföhnd en/of chemisch behandeld om vooral maar niet te krullen.

Wat waren jouw ervaringen met kappers, als kind?
Ik werd voortdurend te kort geknipt. Dan zei ik tegen een kapper dat ik het lang wilde houden, doe er een puntje af. Nou bij de derde knip dacht ik al, laat maar zitten. Want dan was mijn pony weer tot aan mijn voorhoofd opgesprongen. Daardoor raakte ik als kind zeer gefrustreerd over mijn krullen. Ook omdat ik in een omgeving was met kinderen die hun haar steil geborsteld kregen of vlechtjes hadden. Ik werd ook steil geföhnd bij de kapper. Dan dacht ik, waarom doe je dat? Ik heb er vreselijk uit gezien.

Toen dacht je, ik ben er klaar mee, ik word de beste kapper van de wereld?
Nou, ik weet niet of ik dat ben, maar ik wilde in ieder geval proberen iets te doen wat een ander niet kon, of niet wilde doen. Het mooiste was dat mijn vader zoiets had van- het zal wel, daar groeit ze wel overeen. Maar zo klein als ik was, ik knipte en föhnde vrienden en vriendinnen. Ik wist al vroeg, dit is wat ik wil gaan doen en ik moet zo vroeg mogelijk het kappersvak in en op reis gaan, want hier in Nederland ga ik het niet leren.

Je bent gaan reizen. Wat leerde je in het buitenland?
Ik ben eerst naar Israël gegaan. Daar begon ik in een kibboets mensen een beetje bij te knippen. Dat was lachen, gieren, brullen. Ik was 17 en deed het gewoon. Het ging eigenlijk zo goed, dat ik vond dat ik ermee aan de slag moest. Toen ben ik één van de allerbeste kapperszaken van Israël binnengelopen. Dat was een zaak waar mensen vanuit de hele wereld stonden te knippen. Ze hadden zelf ook allemaal een kop met krullen en dat was een verademing. Dat ik uit Amsterdam kwam vonden ze cool. Ze hadden zoiets van, nou laat dan maar zien wat je kan. Ik stond binnen een maand te knippen. In die zaak heb ik een hele poos gewerkt. Op een geven moment dacht ik, nou weet ik het wel. Toen ben ik verder gereisd, onder andere naar Senegal en Marokko, om me verder te verdiepen in de krul.

Jij gebruikt een geheel nieuwe techniek van krullen knippen. Wat is er zo bijzonder aan die techniek?
Het is voor mij niet nieuw, maar voor een leek wel. Een krul is een spiraal. Na het wassen droogt die iedere keer anders op. Die krul zal nooit in dezelfde vorm terugvallen. Kun je het je voorstellen? Honderdduizend spiraaltjes die je nat maakt en die de volgende dag weer anders opdrogen. Dus ik ga voor echt hele mooie symmetrische lijnen. Juist bij krullen. Daarom knippen wij ook heel steil haar. Steil haar is ook een kwestie van heel mooi, heel secuur en heel perfectionistisch belijnen. Ik ben onwaarschijnlijk perfectionistisch. Ik hou ervan dat haar een mooi verloop heeft.

Jouw zaak loopt als een trein, al 35 jaar. Komt het alleen door de techniek van krullen knippen?
Gastvrijheid is heel erg belangrijk, zorgen dat mensen relaxed zijn. Dat meisje dat ik net knipte, is een heel mooi voorbeeld. Zij vertelde dat ze haar hele leven lang werd verknipt. Ze vond het heel spannend en vroeg of ze mij foto’s mocht laten zien van de coupe die ze graag zou willen hebben. Ik heb haar uitgelegd dat iedereen een andere haarstructuur heeft. En dat ik al die krullenbollen die zij mij op foto’s liet zien, ging proberen te verwoorden in één coupe met haar haarstructuur. Ik beloofde haar: we maken iets heel moois, no stress. Ze flipte gewoon zo blij als ze was met haar coupe. “Eindelijk iemand die het begrijpt”. Dat is wat ik de hele dag hoor. Dat mensen het bijna opgeven. Als een soort mantra herhaal ik, het komt goed, no stress, ik beloof je dat het niet te kort wordt. Dan zie je dat ze zich ontspannen en verschijnt er een lach op het gezicht. Als ze omhoogkomen na het föhnen, gaan ze echt shinen of huilen. Dat is het grootste compliment. (red- bij Simcha worden mensen met krullen, geknipt en geföhnd, met hun hoofd helemaal voorover gebukt).

Het is zoveel meer als ik het zo van jou hoor, dan even haren knippen.
We zitten nu in een ruimte die ingericht is voor mensen, waarvan we het gevoel hebben dat ze rust nodig hebben. Omdat ze iets meemaken of ziek zijn. Als ze veel verdriet hebben kunnen ze hier gewoon zonder gêne hun verdriet ventileren. Onlangs had ik een klant die heel erg ziek is, ze heeft kanker. Daar helpen wij haar doorheen. Ik laat pruiken maken en knip zelf de pruik in de coupe die de klant graag wil. Ik begeleid vaste klanten die ziek worden zelf, van a tot z. Daar wil ik dan ook niets voor hebben. Dat is het echte werk, gevoel van eigenwaarde teruggeven aan deze vrouwen. Want het is geen kunst om krachtige haren en grote bossen mooi haar, te kappen en mensen blij te maken met een coupe. Nee, de kunst is om mensen die moeten overleven en hun haar verliezen, te begeleiden en gerust te stellen. En ervoor te zorgen dat ze weten: ik leg mijn hoofd letterlijk in haar handen en het gaat goed komen.

Dat is heftig en zwaar lijkt me?
Ik probeer het leuk en luchtig te maken. Ik ben Simcha, mijn naam betekent vreugde. Mensen liggen in een deuk omdat ik vaak zeg wat ik denk. Die pruiken samen doen met de klant, dat is vaak ook heel melig. En dan die dame net, die haar vriend nu uren buiten laat wachten. Ze is zo blij met haar coupe, dat ze nu ook gekleurd wil worden. Alleen hebben we op dit moment even geen plek. Maar ze blijft gewoon wachten, want ze wil het zo graag. Of het nou iemand is die hier komt om een pruik te laten maken of het is iemand die jarenlang verknipt is. Het is allebei zo mooi. Die verbazing, die emotie, het is zo prachtig.

Fotografie: Merel Oenema.

Materiaaltransformatie: van klein tot groot

De vrije kunst van textielontwerper Michelle Schmit valt op. Het is beeldende kunst om in een ruimte te hangen. Anke Verbeek bezocht Michelle thuis waar ze ook haar atelier heeft. Het werd een wederzijds gesprek vol inspiratie en observaties. Op de vraag of ze zichzelf ziet als beeldend kunstenaar of als ontwerper, antwoordt Michelle Schmit: allebei. Maar het liefst noemt ze zichzelf maker, want het één sluit het ander niet uit.

door Anke Verbeek

Je hebt jarenlang een eigen studio gehad waar je ontwierp voor mode en interieur. Daar ben je op een gegeven moment mee gestopt en je bent vrije werk gaan maken. Wat is het verschil tussen jouw textielontwerpen en je vrije kunst?
Toegepaste kunst heeft eisen, beperkingen en tijdslimieten. Vrije kunst heeft veel meer ruimte. Soms heeft het alle ruimte, wat ook weer moeilijk kan zijn. Vrije kunst betekent voor mij uniek werk en dat is een groot verschil met toegepaste kunst, wat in principe in grote hoeveelheden wordt geproduceerd.

De natuur is een belangrijke inspiratiebron voor je. Wat vind je intrigerend aan de natuur?
In de natuur vind ik een oorspronkelijk beeld dat niet door mensen is gemaakt. De natuur geeft me energie en ideeën voor mijn werk. We zijn laatst naar zoutmijnen in Frankrijk geweest. Daar zag ik dwarsdoorsneden van zoutplakken. En in Spanje hebben we een stuk cactus gevonden dat uit allerlei lagen bestaat. Het is allemaal inspiratie voor mijn werk. Iets wat ik langs de zee vind. Of vrienden zijn ergens geweest en brengen iets van een kapokboom voor me mee. Van een klant die een werk heeft aangekocht heb ik een kluwen algen gekregen. Er worden hier voortdurend dingen naar binnen gesleept en dat laat ik op me inwerken.

Als je een werk maakt, wat vind je dan belangrijk?
Materiaaltransformatie vind ik heel interessant. Het is fascinerend dat de wol die ik gebruik ooit op een dier zat en dat ik nu die geschoren wol gebruik voor mijn werken. Ik haal materiaal uit elkaar en vanuit kleine stukjes ga ik het werk opbouwen. In het eindwerk ziet het materiaal er heel anders uit dan toen ik eraan begon. In al mijn werken ben ik steeds met kleine dingen iets groots aan het bouwen.

Als je vrij werk maakt, waar begin je dan?
Dat verschilt per werk. Fragile Landscapes bijvoorbeeld is een groot werk waarmee ik gestart ben na een wandeling in de duinen. Ik had foto’s gemaakt tijdens de wandeling, maar toen ik terugkwam zat mijn hoofd zo vol met ideeën en kleuren dat ik niet meer naar die foto’s heb gekeken. Ik ben aan de slag gegaan. Ik maak altijd stapels schetsen met het materiaal waarmee ik werk en van daaruit ga ik groter werken. Soms weet ik meteen wat ik wil maken. Soms moet ik uitproberen en testen. Het is een proeffase waarin ik uitzoek hoe het werk zou moeten worden. Zodra ik dat weet, ga ik het echte werk maken, de eindversie zeg maar. Dat is een belangrijke beslissing, heel spannend.

Laat je je werk door anderen uitvoeren, of doe je dat altijd zelf?
Om het samen met anderen te doen zou ik niet erg vinden. Maar voor nu vind ik het heel fijn om die verschillende processen zelf te doen: eerst dat broeien, dan het maken van de schetsen en dan het werk maken. Het is tijdrovend, niet alle stadia gaan vloeiend, het kan best wel een jaar duren. Maar ik krijg er ook heel veel nieuwe ideeën van.

Wat voor materiaal gebruik je voor je werk?
Op dit moment werk ik heel graag met wol: onbewerkte wol van schapen, alpaca’s of yak. Ik vind het mooi om de verschillen in kleur en structuur van dat onbewerkte materiaal te zien. Soms voel je aan de wol dat het van een oud dier is geweest omdat het futloos is en niet de veerkracht heeft van de wol van een jonger dier. Ik heb heel lang met papier gewerkt, want ik heb een enorme liefde voor papier. Maar ik maak ook werk dat bestaat uit draden van alg en van zijde.

Als je materiaal aan het onderzoeken bent, krijg je dan associaties die je gebruikt voor de eindversie?
Associaties hebben te maken met dingen die je herkent en ik wil iets maken wat ik nooit eerder heb gezien. De combinatie van verschillende materialen en technieken levert soms een interessant resultaat op en soms niet. Het blijft een zoektocht naar nieuwe verrassende vormen en combinaties.

Wat triggert je om tot een werk te komen?
Het zijn vaak dingen die gebeuren waarvoor ik een uiting zoek en zich vertalen in een werk. De aanleiding voor het werk Embrace is de oorlog in de Oekraïne. Ik wilde iets maken, iets moois, een omhelzing, en daar is dat werk uit voortgekomen. Bij het werk Widest Time, was het startpunt een oud gedicht van een Chinese dichter. In zijn gedicht vertelt hij dat we allemaal vinden dat we in een unieke tijd leven, maar dat iedereen dat vindt, al generaties lang. Dus laten we het een beetje ruimer zien. Daaruit ontstond het werk Widest Time. Kunst mag van mij ‘schuren’ en dat geldt ook voor mijn eigen werk. Het doet iets met je en dat hoeft niet perse mooi te zijn. Een andere keer vind ik dat het iets heel anders teweeg moet brengen, een bepaalde sereniteit bijvoorbeeld.

Waar zie je jouw werk het liefst? In het museum of op de catwalk?
Dat zou allebei kunnen. Ik zou het bijvoorbeeld heel leuk vinden om voor modeontwerper Dries van Noten stof of materiaal te ontwerpen. Op dit moment maak ik vrij werk dat niet is gericht op commerciële merken of op textielontwerp. Maar in de toekomst zou dat zeker mogelijk zijn.

Het werk van Michelle Schmit is te zien van 9 t/m 26 november, 2023 in KV02, Korte Vijverberg 2, Den Haag.

Licht of donker?- een mijmering over duisternis

Afgelopen zomer zag ik voor het eerst in mijn leven een vuurvliegje tijdens een pikdonkere nacht. Terwijl ik door een park liep zag ik een lichtpuntje dat precies op dezelfde plek bleef knipperen. Ik wist nog niet wat het was en duwde de struiken voorzichtig opzij om het beter te kunnen bekijken. Ik zag een vuurvliegje spartelen in een spinnenweb. Het flikkerende licht versterkte het effect van de worsteling. Ik pakte het vliegje voorzichtig uit het web, plukte de plakkerige draden van een vleugel en zette het neer om bij te komen. Toen ik omkeek kon ik me moeilijk oriënteren. Ik was ver de duisternis in gedwaald. Ik baande me met moeite een weg door het donker tot ik eindelijk het licht van het hotel weer zag. Ik realiseerde mij de afhankelijkheid en kracht van het licht: als het vliegje geen licht had gegeven had ik het nooit gered.

door Jasmijn Schrofer

Later die avond staarde ik vanuit mijn hotelbed naar een straatlantaarn. Het licht scheen fel in mijn gezicht. Ik trok de gordijnen dicht om mij tegen het licht te weren om sneller te kunnen slapen. Maar mijn hoofd begon te razen. Ik dacht: zo hebben mensen niet altijd geleefd. Duisternis was honderden duizenden jaren onderdeel van het dagelijkse bestaan. Nu leven we in een wereld waarin we baden in kunstlicht. Het licht houdt onze 24-uurs-economie draaiende. Het laat mensen werken, terwijl het eigenlijk donker is. Licht is een machtsmiddel. Het is verslavend. Vanaf dat moment ben ik me maandenlang gaan verdiepen in de betekenis en de geschiedenis van licht en duisternis. Ik leerde dat vuur het eerste middel is waarmee de mens controle over de natuur kreeg. We waren niet langer afhankelijk van zonlicht. We gingen de duisternis bedwingen en kregen de macht om onze omgeving te temmen. Grote stukken grond werden gewonnen door verbranding van de wildernis om plaats te maken voor de mens. Er is al lang geen menselijk samenleven meer mogelijk of zelfs denkbaar zonder vuur. We staan er meestal niet bij stil dat bijna alle elektriciteit geproduceerd is door het stoken van vuur. Er is bijna niets dat tot een staat van voltooiing gebracht is zonder vuur.

Toen ik satellietfoto’s van de aarde bij nacht bestudeerde begreep ik waar de meeste beschaving zich op aarde heeft geconcentreerd. Licht duidt op welvaart. Duisternis is vaak een teken van isolatie, armoede en een economische achterstand. Afrika is het continent waar de meest absolute duisternis te vinden is. Veel mensen zijn hier nog steeds afhankelijk van vuur als lichtbron omdat elektrificering een trage ontwikkeling heeft doorgemaakt. Tijdens een lange reis door China zag ik precies het tegenovergestelde in, Chongqing, een Blade Runner achtige megastad waar alles tot diep in de nacht doordrenkt is van licht en waar gebouwen eruit zien als gigantische tv-schermen. In deze jonge metropool wonen nu al meer dan 30 miljoen mensen. In China heeft de afgelopen twintig jaar hyper-urbanisatie plaatsgevonden en het land telt nu zeventien megasteden zoals Chongqing.

Kunstmatig licht heeft enerzijds ongekende technologische vooruitgang teweeggebracht, maar het kan anderzijds ook de energiebalans aantasten bij trekvogels, insecten en amfibieën. Vogels die in de nacht trekken verliezen het zicht op de sterrenhemel. Ze raken gedesoriënteerd door de aantrekking van kunstlicht en blijven soms massaal rondjes vliegen om wolkenkrabbers of boortorens in de zee, totdat ze door uitputting dood neervallen.

Je staat er vaak niet bij stil dat duisternis het slaap- en waakritme van allerlei organismen dicteert, inclusief dat van de mens. Schemering doet ons lichaam melatonine aanmaken waardoor we slaap krijgen. Licht verstoort de aanmaak van dit hormoon. De ironie is dat we laat naar bed gaan en in bed blijven liggen terwijl het al lang licht is. We hebben gordijnen om daglicht en kunstlicht buiten te houden en gebruiken wekkers om op tijd op te staan. We zijn als dagdieren geneigd productief te blijven zolang er licht is, maar om te kunnen overleven is een goede en regelmatige nachtrust essentieel. Sinds wij in ons huishouden elektriciteit en lampen zijn gaan gebruiken zijn we gemiddeld anderhalf uur per nacht minder gaan slapen. Symboliseert dit hoe de mens zich heeft vervreemd van de natuur?
Licht staat symbool voor al het goede, terwijl duisternis altijd het kwade heeft gesymboliseerd. Het bezitten van licht heeft de samenleving productiever en welvarender gemaakt, maar ook kwetsbaarder en afhankelijker. Het belang van de duisternis is misschien in de vergetelheid geraakt terwijl duisternis toch, net als licht, onderdeel is van de natuur. Ik denk dat duisternis niet alleen symbool moet staan voor het kwade. Het staat ook symbool voor evenwicht, Yin en Yang. De universele functie van duisternis is, net als slaap en rust, essentieel voor de instandhouding van het leven zelf.

Fotografie: NASA

Architect-Ryan van Kanten

Toen Ryan van Kanten zo’n 15 jaar geleden begon aan zijn loopbaan als architect had hij nou niet de ambitie om een ziekenhuisarchitect te worden. Maar in de loop der jaren schonken zorgprojecten hem heel veel werkplezier. “Bij het ontwerpen van een zorggebouw gaat het om de beleving van mensen die niet graag naar bijvoorbeeld een ziekenhuis gaan”, zo vertelt hij in een interview met POM Magazine. “Het gaat om de invloed die wij architecten kunnen uitoefenen om het een prettiger ervaring te laten zijn. Die uitdaging geeft een extra lading aan je ontwerp.” Met een decennium aan werkervaring in zorgprojecten op zak, klopte Van Kanten (foto) 5 jaar geleden aan bij het Nederlandse architectenbureau, Mecanoo. “Bij Mecanoo waren ze net begonnen aan het nieuwe Zaans Medisch Centrum in Zaandam en ik wilde daar heel graag aan meewerken. Zij konden mij goed gebruiken omdat Mecanoo nog niet veel ervaring had in het bouwen van ziekenhuizen. Nou dat kwam eigenlijk mooi uit”, vertelt hij lachend.

In een ziekenhuis ontworpen door Ryan van Kanten verdwaal je niet. Zijn gebouwen zijn duidelijk, herkenbaar en makkelijk te begrijpen. “Ik begin altijd met een herkenbare structuur in het gebouw door middel van daglicht en uitzicht”, zo vertelt hij. “Mensen moeten meteen begrijpen waar ze naartoe gaan. We hebben het hier over een zorggebouw zoals een ziekenhuis of verpleeghuis. Dat moet je bij alle keuzes die je als architect maakt in gedachte houden. Een verpleeghuis bijvoorbeeld moet voelen als een thuis. Ik wil dat thuisgevoel benaderen. Een gebouw moet niet een gezicht zijn waarachter het allemaal gebeurd, maar in alle vezels van het gebouw moet het voor een gebruiker kloppen: je prettig voelen, prettig werken of prettig wonen. Daar heb je als architect best wel invloed op”. Hoeveel invloed kun je lezen in het artikel Zorgzaam gebouw, waarin Ryan van Kanten in een interview met Klaartje Til uitlegt waarom het voor hem de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Tekening en foto: Mecanoo

Kunst, geen scheikunde

Een interview met Inge Aanstoot ontaardt al snel in een maalstroom van associaties die je in een fractie van een seconde mijlenver van de gestelde vraag voeren. Gedachten kronkelen oneindig voort en voor je het weet ben je – met oneindig veel plezier – drie uur verder en zijn je vragen eigenlijk nog niet eens aan bod gekomen, laat staan beantwoord. Wie de schilderijen van Inge kent, zal dit niet verbazen. Al sinds haar afstuderen in 2009 worden haar doeken omschreven als ongebreidelde associaties waarvan zij geleidelijk steeds meer de dirigent geworden is. Samen met Thierry Reniers blikt Inge terug op haar ontwikkeling als beeldend kunstenaar en vertelt ze over haar uitdagingen voor de komende zes jaar.

Hoe heb je de periode sinds je afstuderen ervaren?

Inge Aanstoot-The Young Artist (2014)
Inge Aanstoot-The Young Artist (2014)

‘Op de academie had ik nog niets geleerd over wat er als kunstenaar op je afkomt. Dat is ook best fijn. Voor de eerste solo bij Vonkel had ik gewoon al werk klaar staan. Er werd nog helemaal niet aan me getrokken. Dat veranderde toen ik steeds vaker de vraag kreeg of ik voor die-en-die beurs werk beschikbaar had. Gelukkig vaar ik wel bij deadlines en kan ik soms best een nachtje doortrekken, maar als je ook drie dagen in de week bij De Tuinen werkt blijft er weinig ruimte in je hoofd over om inhoudelijk stappen te kunnen zetten. Elke beginnend kunstenaar loopt hier natuurlijk tegenaan, maar het is fijn dat ik me nu helemaal op de kunst kan richten. Frustraties over het proces kunnen overigens ook leiden tot heel goede resultaten. ‘The Young Artist’ is bijvoorbeeld zo’n frustratie-explosie en gaat over de worsteling die je als kunstenaar doormaakt. Hierdoor is het een heel atypisch werk geworden, ook wel een sleuteldoek eigenlijk.

Kun je iets vertellen over je zogenaamde sleuteldoeken?
‘Lang was ‘Fever Pitch’ het sleuteldoek, hoewel dat op een heel andere manier tot stand gekomen is. Na een periode waarin ik juist veel tijd had om maar wat aan te klooien, werd ik gevraagd om een werk te maken voor een expositie bij TENT en dat gaf een positieve ‘boost’. Terugkijkend zie ik dat sleuteldoeken steeds ontstaan als er iets wezenlijks in mijn leven verandert. ‘Caught In the Act’ ontstond bijvoorbeeld toen ik me veel meer in kunstenaarsinitiatieven en atelierpanden ging mengen en er ‘getouwtrek’ over mijn werk ontstond tussen Galerie Jaap Sleper en Vonkel. Het schilderij gaat deels over mijn eigen positiebepaling. In de afgelopen zes jaar heb ik vooral geleerd om tegen autoriteiten als museumdirecteuren en galeriehouders te durven zeggen wat ik vind en hoe ik het graag wil hebben. Wat daarbij helpt, is dat ik inmiddels zelf ook beter weet waar ik het over heb.’

Inge Aanstoot-Caught in the act (2012)
Inge Aanstoot-Caught in the act (2012)

Hoe is je persoonlijke ontwikkeling verder in je werk terug te zien?
‘Verhalenvertellers’ (2010), ‘Land’s End’ (2009) of ‘Pomegranates’ (2009) staan bol van de associaties en ik kan van elk element zeggen wat het betekent of waarom het staat waar het staat. ‘Gamma Delta’ (2015) en ‘Sabi’ (2015) zijn voor mijn doen daarentegen heel lege schilderijen en ik mag die nu ook maken van mezelf. Ik hoef niet meer alles wat ik zie of denk in één schilderij te stoppen. Tegelijkertijd hoeft voor mij niet langer alles in een schilderij over hetzelfde thema te gaan. Ik ben me er ook meer van bewust dat wat ik op een doek smijt, hoe dan ook gezien wordt als een statement. Als ik een vogel met een steigerpijp in zijn kont schilder, wordt dat per definitie als symboliek gezien, alleen maar omdat ik het heb geschilderd. Ik voel niet meer zo de verplichting om alles te moeten verklaren. Het is kunst, geen scheikunde. Bovendien is het een beetje zoals wanneer je op een feestje net het einde van een verhaal niet hoort. Dat verhaal blijft voor altijd spannend. Op eenzelfde manier wil ik dat mijn doeken een spannende relatie met mijn gedachten aangaan. Ik wil niet louter de illustrator van mijn ideeën zijn. Daarom ben ik ook geen puur politiek geëngageerd kunstenaar. Ik heb heus wel meningen over politiek, maar ik vind het niet zo interessant om die één op één in een schilderij te verwerken. Schilderkunst is daar voor mij gewoon niet het medium voor.’

Waar is beeldende kunst in jouw optiek dan wel een geschikt medium voor?
‘Met beeldende kunst kun je veel meer doen dan alleen een mening geven of een stelling innemen. Je zaait iets, zet mensen ertoe aan zelf hun gedachten op te maken. Ik wil graag open vragen stellen, zodat de toeschouwer zelf tot antwoorden of tot nieuwe vragen kan komen. Als ik in het Rijksmuseum voor het huwelijksportret van Frans Hals zou staan en Frans Hals zou daar zelf zijn om een toelichting te geven, dan zou ik hem niet vragen wie hij nou precies heeft geportretteerd. Het gaat mij erom dat hij me aan het denken zet op manieren die veel verder gaan dan de pure afbeelding. Ik wil het juist over deze ‘metadingen’ hebben.’

Kun je stellen dat je vrijer bent geworden in de manier waarop je een schilderij maakt?
‘Over sommige dingen ben ik meer gaan nadenken, over andere minder. Over het precieze hoe en waarom ik elementen in een doek stop een stuk minder bijvoorbeeld. Soms is het gewoon ook te veelomvattend. In ‘On Rites’ ligt bijvoorbeeld een dode zeehondenpuppy met wormen die uit zijn kop komen. Dit is een beeld dat regelrecht uit een documentaire van David Attenborough komt. Ik kijk elke avond voor het slapen gaan naar zijn documentaires, omdat ik het interessant vind om te zien wat de natuur aan fascinerends voortbrengt. Daarnaast is zo’n zeehondenkop in combinatie met krioelende wormen en zeesterren ook nog eens een heel esthetisch beeld. Maar in een groter plaatje vind ik het stuitend dat mensen liever gaan winkelen dan dat ze zich verdiepen in de natuur, dat ze hun kinderen meenemen naar de dierentuin, maar niet de bordjes lezen en ook nog eens amper naar de beesten kijken. Het schilderij gaat over al die dingen. In mijn inhoudelijke keuzes ben ik dus wel vrijer geworden. Toch ben ik me ook meer bewust van de reacties op wat ik doe. Bij mijn eerste werken vroeg iedereen bijvoorbeeld waarom ik met zoveel druipers schilderde. Dat deed ik niet bewust, het was inherent aan de vele lagen verdunde acryl die ik gebruikte. Voor mij waren die niet zo aanwezig, maar mensen moeten het natuurlijk niet alleen over die druipers gaan hebben. Hetzelfde met al die witte mensen die op lijken schenen te lijken. Als één persoon die associatie heeft, trek ik me daar weinig van aan. Als teveel mensen die hebben, vind ik dat wel een reden om me af te vragen waarom ik mensen zo in beeld breng. Het moet immers ook geen trucje worden. Zoals een vriend van me weleens gekscherend zei: ‘Het werk van Inge, dat is een zooitje planten, dode beesten en een wijf met een vinger in haar kut.’ Ik laat inderdaad bewust bepaalde elementen in mijn werk terugkomen, maar wil wel dat elk nieuw werk iets toevoegt en dat ik daarin zelf stappen zet. Daarom oefen ik ook heel veel op kleine schilderijtjes, die bijna allemaal mislukken. Waarom kan ik dat nu niet, terwijl ik doeken van twee bij drie meter zonder enige moeite voor elkaar krijg? Dat zijn uitdagingen die ik mezelf stel.’

Wat zijn verder de opvallendste veranderingen in je werk?
‘De gezichten in mijn werk zijn uiteindelijk realistischer geworden. Mijn werk is in zijn totaliteit ook meer in evenwicht, vind ik, doordat ik duidelijkere keuzes maak. Daarnaast schroom ik minder om beelden te ‘jatten’. Waarom zou ik zelf moeten gaan bedenken hoe een dode zeehond erbij ligt, als een documentaire dat veel beter in beeld kan brengen? Zolang het past binnen wat ik wil overbrengen en binnen mijn manier van werken, vind ik dat ik ook werk van andere kunstenaars in mijn schilderijen mag integreren. In ‘Caught In the Act’ is bijvoorbeeld in de achtergrond mijn versie te zien van ‘Mr and Mrs Clark and Percy’ van David Hockney. Verder heb ik in dit doek een onderkant van een poster van Egon Schiele verwerkt en een half verfrommelde tekening van Leopold Rabus. Mijn werk gaat onder andere over hoe beelden en informatiestromen ons overspoelen en beïnvloeden, waarom zou ik me dan schuldig voelen om die beelden onderdeel te maken van mijn schilderijen? Het gekke is dat deze vrijheden er soms ook toe leiden dat ik juist minder aan mijn doeken toevoeg. De helft van ‘Gamma Delta’ wordt nu gevormd door een mintgroene muur en dat is eigenlijk spannender dan wanneer de achtergrond helemaal zou zijn ingevuld, zoals ik eigenlijk van plan was. Ook technische afwegingen gaan een grotere rol spelen. In ‘Sabi’ heb ik er bijvoorbeeld voor gekozen om de voet van de rechterpersoon onaf te laten en toch valt bijna niemand dat direct op.

Inge Aanstoot-Gamma Delta (2015)
Inge Aanstoot-Gamma Delta (2015)

Waar denk je dat je werk heengaat?
‘Ik merk dat er meer ruimte voor abstractie ontstaat, ook al denk ik niet dat ik ooit alleen maar vlekken en stroken zal gaan schilderen. Daarnaast ligt voor mijn gevoel de weg vrij om met andere formaten te gaan experimenteren of me toe te gaan leggen op andere media, zoals sculpturen of performances. Hoe concreter het idee wordt die je wilt uitdragen, hoe meer mogelijkheden er lijken te zijn om die te verbeelden. Schilderen ligt me natuurlijk en ik zou ook best tot het einde der dagen planten, beesten en wijven kunnen blijven schilderen. En af en toe een man. Maar naarmate mijn concept duidelijker wordt, is het misschien logischer om ook andere media te gebruiken. Ik ben niet echt een type dat een paar houten kratten in een weiland zet en er dan een tekst bij plaatst. Toch zie ik me in de toekomst wel combinaties van schilderijen en ruimtelijk werk maken. Alles wat comfortabel is, kan je immers ook beperken. Als ik merk dat schilderen alleen te comfortabel wordt, zou ik wel willen gaan verbreden.’

Wat is je uitdaging voor de komende zes jaar?
‘Ik hoop zo zelfkritisch te blijven dat ik over zes jaar toch niet die kunstenaar blijk te zijn die lekker makkelijk is blijven schilderen. Een vastomlijnd plan om dat te voorkomen heb ik echter niet. Mijn ervaring is dat het zich wel aandient. Maar als morgen Thom Puckey me belt en zegt ‘Ik ga jou eens leren om een marmeren beeld te maken’, dan zeg ik: ‘kom maar door.’

Je het ervoor gekozen om na de Willem de Kooning Academie geen vervolgopleiding te gaan doen. Overweeg je dat nog?
‘Ik heb na de academie wel geïnformeerd of dat iets voor me zou zijn, maar ze vonden me met 21 toen nog te jong. Op het moment dat ik vorig jaar met mijn bijbaan stopte, heb ik er opnieuw veel over nagedacht. Een masteropleiding levert je immers veel nuttige contacten op en je bent daarnaast ook omringd door gelijkgestemden met wie je lekker kunt bekvechten. Door hoe ik mijn leven en werk heb ingericht, heb ik die mogelijkheid echter nu ook. Het gevaar dat verder op de loer ligt, is dat docenten toch hun ‘legacy’ mee willen geven aan hun pupillen. Logisch, maar ik zie ook vaak een te grote kloof tussen docenten en de nieuwe generatie kunstenaars. Als ik een master zou gaan doen, ben ik ook bang dat ik me gedwongen zou voelen om te snel stappen te zetten. Ik heb nu de vrijheid om dat meer tijd te geven en dat is eigenlijk heel fijn. Op korte termijn ga ik het dus zeker niet doen, maar als ik op een punt zou komen dat ik echt niet meer weet hoe ik verder moet, blijft het een overweging. Hoewel ik dan misschien eerder een goede cursus keramiek zou gaan volgen om nieuwe impulsen te krijgen. Of misschien een masterclass tekenen.’

Tekst:Thierry Reniers
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Abonneer op onze nieuwsbrief

Door verder gebruik te maken van deze website gaat u automatisch akkoord met het plaatsen van cookies. Meer informatie Dit bericht verbergen