POM Magazine

POM Magazine, Magazine voor Stijl & Cultuur

POM Magazine

Urban cowboy

Een urban cowboy lijkt een paradoxale verschijning, maar is het niet per se. Een cowboy is als gras dat tussen de tegels doorgroeit; de ruimte in een vierkant systeem is krap, maar hoe klein ook – het laat wildgroei toe. Cowboys treffen elkaar zelden. Als ze elkaar treffen, dan is het kort en to the point. Lonesome, maar nooit alleen. Ik ben naar ze op zoek gegaan in mijn stad.

Als de stad verschilt van het Wilde Westen, dan is het wel door de gigantische dichtheid van mensen. Meer tegels, meer woekering, meer cowboys. En hoezeer cowboys ook in verschijning, doen én laten verschillen, ze zijn gesneden uit hetzelfde hout – en dat ruik je. Het vraagt lef en moed om je authenticiteit te etaleren, maar voor een urban cowboy is het een moeiteloze bezigheid. De stad kent andere wetten, andere behoeften, andere kansen – maar de dialoog die de cowboy daarmee aangaat is onveranderd. Keer op keer die vraag: wat doe ik met mijn vrijheid vandaag? In mijn vriendenkring vond ik enkele urban cowboys. Ik vroeg ze naar hun cowboybestaan, wat voor hen een cowboy is. En hoe typisch ze ook voldoen aan het profiel, in gesprek met mij trappen zij de kaders plat van wat een cowboy is. Daardoor passen ze wat henzelf betreft, nooit echt in het vakje cowboy. Dat er toch al niet was. Precies zoals het een cowboy betaamt. Althans voor sommige dan.

Caspar is sinds dit jaar officieel mijn vriend. Hij is een urban cowboy. Vind ik. Is het zijn kledingstijl? Zijn strak geschoren baardlijn? Omdat hij wildvreemde dames op straat begroet en soms zelfs de volgende morgen van ontbijt voorziet? Nee, het is zijn Honda motor. Of simpelweg omdat een afspraak niet lukt als we via de telefoon proberen af te spreken, en ik hem voortdurend tegenkom wanneer we elkaar vergeten. “Een urban cowboy kent de wetten van de jungle en de wetten van de stad”, zegt hijzelf, “hij weet hoe hij de dingen moet bespelen om te krijgen wat hij wil – Hoe ga je om met een vrouw? Hoe krijg je goed betaald werk? Wat zijn de plekken om naar toe te gaan?” Volgens Caspar kan een yup heel goed een urban cowboy zijn, en ook andersom. En toch is er volgens hem dat wezenlijke verschil. “Zelfverrijking heeft geen prioriteit”, vertelt hij me, een vrije vogel die pakt wat ie nodig heeft. Hij werkt niet voor het systeem, maar laat het systeem voor zich werken.” Toen ik met Casper sprak spookte in mijn hoofd die uitspraak die ik ooit las: Als je de koning wilt vermoorden, dan moet je zijn beste vriend worden. Een urban cowboy rebelleert niet. Hij kent de mazen van de wet, en kruipt er met stijl tussendoor. “Ik vind mezelf in die zin geen urban cowboy”, vertelt Casper, “omdat ik financieel nog niet die onafhankelijkheid in de vingers heb. Een urban cowboy heeft funky koopwaar waarmee hij zijn poen verdient. Waar ze lekker van leven zonder hun hand op te houden. En tegelijkertijd zijn ze niet afhankelijk van hun eigen succes. Vrijheid verliezen, dat is niet aan de orde. Een koophuis, het kan. Zolang het vrijheid geeft en niet neemt.” Terwijl Casper me dit vertelt, schudt hij zand uit zijn oren. Uit Black Rock Desert, waar hij op het Burning Man festival echte cowboys ontmoette.

Wat mij en mijn andere vriend Jasper bijeen brengt, is dat we elkaar overal en nergens tegenkomen. Jasper is een vagebond, een ‘struiner nummer 1’. Naar eigen zeggen een cowboy zonder hoed. Misschien omdat het stedelijk landschap genoeg schaduw biedt? Op zijn benen, nog liever dan op de fiets, beweegt hij door de stad. Altijd in gezelschap van Jan en alleman. “Struinen is het mooiste wat er is”, zegt hij, “voor avontuur hoef je niet ver weg te gaan. Alles is om je heen te vinden”. Zijn ogen zijn altijd op de horizon gericht. Wat hem betreft is een urban cowboy goed herkenbaar. “Ze roken. Dat moet. En ze hebben masculiene eigenschappen. Ze hebben geen paard, maar een fiets of een Vespa. Tegelijkertijd zijn ze qua kledingstijl niet in een hok te stoppen”, aldus Jasper. Volgens hem is het meer een zekere behendigheid die van een urban man een cowboy maakt. Het moderne lasso gooien in de vorm van skateboarden, over een touw lopen of met vuilniszakken gooien. Het blijft wellicht voor altijd een mysterie, maar het is waar. “Een urban cowboy is populair bij de vrouwen. Schroomt niet om met veel vrouwen het bed in te duiken. Maar tegelijkertijd is hij een loner. Hij heeft niet superveel vrienden, maar is feitelijk ook nooit alleen. Behalve dan in zijn eigenzinnigheid”, vertelt Jasper me. “En uiteraard, een urban cowboy doet iets in de muziek”, voegt hij er aan toe. Jasper gooit niet met lasso’s, maar met vinyl. Hij draait platen, samplet ze en maakt er compleet nieuwe hiphopbeats van die hij ook live performt. In kroegen, woonkamers en tunnels.

De derde cowboy is mijn vriendenkring is Joshua. Ik heb hem al jaren niet meer gezien. En toch: als ik iemand het hokje van cowboy in en uit mag drijven, dan is het Joshua. Hij heeft simpelweg de looks. Inspirerend hoe iemand die er zo goed uit ziet louter sympathie toont. Zijn glimlach spreidt een lage tandartsrekening ten toon. Arrogantie is hem onbekend. Joshua kun je overal op de planeet tegen komen. Ik zou zeggen vier seizoenen lang. In de zomermaanden bouwt hij gigantische steigers en installaties op festivals op én af. Eelt op de handen, eelt op de ziel. Hij kent de paradox van onafhankelijkheid in het samenzijn. Hij zei ooit:”Het enige wat je nodig hebt op reis is een fles water, de rest komt vanzelf.” Ik nam contact op via facebook, want hij zat in Tokyo. Het label van cowboy lapte hij direct aan zijn laars. “Ik vind het een negatieve klank hebben, cowboy. Iemand die zich van niemand wat aantrekt en zijn zelfbedachte regels heel uitgesproken naleeft en daarmee tegen de schenen van anderen schopt. Niet dat ik van het keurslijf ben”, voegde hij eraan toe. “Ik zou mezelf liever zien als Urban Ninja. Iemand die in de onwetendheid zijn dingen voor elkaar krijgt. En vaak voor een groter plaatje gaat. Zonder dat iemand het echt in de gaten heeft. Soms linksom, soms rechtsom. Urban cowboy klinkt in mijn oren een beetje dommig en rebels. Veel geschreeuw maar weinig inhoudelijke acties die inspirerend zijn en effectief. Anyway, what’s in word, hè? Allemaal interpretaties van iets dat in werkelijkheid leeg is.”
Ik kan niet wachten tot ik Joshua vergeten ben en weer ergens tegen het lijf loop. Ontsnappend aan hetzelfde vangnet, een oneindige variatie op dat thema van bewegingsvrijheid. Als woorden een lasso zijn dan gooi je soms raak, soms mis. Ter afsluiting mijn versie van een typische urban cowboy. Autobiografisch? Misschien. Behalve op de momenten dat ik mis gooi. Het blijft buiten de vakjes kleuren.

Urban Cowboy?
Iemand die goed gekleed is maar niet bang is vies te worden. Voorbereid op alles dat hij wil beleven.
Hij heeft niet alleen zijn telefoonoplader altijd bij zich, maar ook een powerbank, condooms, aansteker, pen, zakmes, deo, paspoort, oordopjes, tandenstokers, kauwgum, flesje water, cash en pinpas.
Hij heeft een compact maar robuust vervoersmiddel: een fiets, skateboard, een brommer. Hij heeft geen auto of motor omdat hem dat beperken kan.
Hij onderscheidt stijl van imitatie, maar is niet bang is om op te lossen in de massa.
Zijn smaak etaleert hij niet uiterlijk of verbaal maar geeft hij terloops prijs als gevolg van directe behoeftevoorziening.
Hij is iemand die net zo gelukkig is met een zak chips in het park, als met een viergangendiner bij een vijf sterren restaurant.
Zijn culturele achtergrond is verwaarloosbaar maar niet verloren.
Integendeel, hij eert zijn roots maar heeft de sporen daarvan uitgewist en mengt zich moeiteloos in iedere andere cultuur.
Hij is iemand die zijn krachten niet ontleent aan een systematische training maar aan de noodzaak van beweging.
Hij danst, hij is onzichtbaar.
Als je hem ziet, herken je hem direct; je wilt iets van hem wat hij nooit geven zal en toch is hij gul en deelt dat wat nodig is.
Iemand die in een groep gecamoufleerd is, maar voor een publiek bulkt van zelfvertrouwen.
In geen enkele vrouw vindt hij wat hij van zijn moeder niet kreeg.
Hij doet geen vlieg kwaad, maar als er bloed moet vloeien dan zal er bloed vloeien.
Hij laat zich glad scheren zonder een nieuwe afspraak te maken.
En bovenal, hij heeft een zakdoek bij zich want je weet maar nooit waar je op een dag je handen zoal aan vuil maakt.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer

The Educator

In deze editie van POM Magazine deelt de Duitse pedagoog en filosoof, André Schütte, in het artikel ‘Tijd in geometrische vormen’ zijn kijk op het concept tijd. Op de vraag hoe hij het liefst afgeschilderd wil worden in dit artikel: als pedagoog of als filosoof, antwoordt hij pijlsnel: “als onderwijskundige”. Hoog tijd dus om de man achter de filosofische bespiegelingen nader onder de loep te nemen.

Zijn pad naar de universiteit van Siegen, waar hij aan verbonden is als onderzoeksmedewerker bij de vakgroep pedagogiek, verliep met veel zijwegen en omzwervingen. Als hij al een persoonlijk motto heeft, dan zou “Ik oefen, dus ik ben” waarschijnlijk het dichtst in de buurt komen. In eerste instantie wilde André journalist worden: hij koos voor Germanistiek en filosofie aan de Heinrich-Heine universiteit in Düsseldorf. De geschreven pers belandde echter in een financiële crisis, en omdat hij er allesbehalve zeker van was dat hij de gedroomde journalistieke baan zou kunnen vinden, had hij behoefte aan een plan B. Na een kort – en naar eigen zeggen teleurstellend – uitstapje richting musicologie, besloot Schütte pedagogiek aan zijn groeiende lijst van academische titels toe te voegen. Hij geeft ruiterlijk toe dat hij in eerste instantie bevooroordeeld was en pedagogiek toch enigszins als een letterlijke B-keuze beschouwde; uitsluitend gemaakt zodat hij in geval van nood les kon gaan geven. Maar tijdens het behalen van zijn lesbevoegdheid voor Duits en filosofie aan de universiteit in Keulen kwam hij erachter dat pedagogiek ook een filosofische kant had. André, was verkocht.
De specialiteit van Schütte is de filosofie van Peter Sloterdijk. En dit is vooral interessant omdat Sloterdijk niet per se gespecialiseerd is in pedagogiek of theorieën op het gebied van educatie; André was er echter van overtuigd dat Sloterdijk een boel had bij te dragen aan het vakgebied. Hij bewees zijn gelijk door te promoveren op de theorieën van Sloterdijk aan de Universiteit van Keulen.

Hoewel het volkomen afwijkt van zijn oorspronkelijke droom om journalist te worden, eindigde André Schütte met de perfecte baan aan de universiteit: het bestuderen van leerprocessen en praktijken vanuit een filosofisch perspectief. Zoals hij meermaals benadrukte tijdens ons gesprek, beschouwt hij zichzelf bovenal als onderwijskundige en niet zozeer als filosoof of pedagoog. Zelf zegt hij erover: “Het is wel een beetje ironisch dat iemand die gespecialiseerd is in Peter Sloterdijk, die ons aanspoort om vooral plannen te maken, zoveel toekomstplannen heeft gehad die anders uitpakten. Sloterdijk leert ons dat alles wat we doen eigenlijk een herhaling is, maar wel een herhaling waar wij richting aan geven. Het hebben van een doel geeft ons de kans om naar perfectie te sterven. Je zou kunnen zeggen dat mijn huidige doelstelling is dat ik moet blijven leren, groeien en dus oefenen. Een leven zonder doel is zinloos, maar als je je uitsluitend focust op dat doel, zet je oogkleppen op en creëer je een tunnelvisie. Als een plan anders uitpakt, is dat niet per definitie falen. Het kan ook een deur openen naar een andere mogelijkheid.”

Tijdens het interview met André over het concept tijd, vroeg ik hem op een gegeven moment of ik nu met de man of de wetenschapper te maken had. Hij antwoordde dat het lastig is om onderscheid te maken tussen die twee: “de wetenschappelijke baan beïnvloedt hoe dan ook je persoonlijke leven en denkbeelden, dus je past je onherroepelijk aan.”
Goed. We hebben het hier over iemand met drie universitaire titels, die zelfs nog geprobeerd heeft een vierde daaraan toe te voegen, namelijk muziek. Er zijn bepaalde filosofische stromingen die een grote invloed lijken te hebben gehad op ontwikkelingen in de kunsten; zeg bijvoorbeeld “existentialisme” en iedereen roept meteen Sartre en de Beauvoir. Toen ik André vroeg naar de link tussen de kunsten en filosofie, zei hij: “Als je klassieke filosofie als een logisch systeem beschouwt, dan zou je kunnen zeggen dat tegenwoordig een groot aantal filosofen een logisch iets op een artistieke wijze proberen te presenteren. Veel filosofen, zoals Immanuel Kant, schreven puur logische teksten, en sommigen doen dat nog steeds. Maar tijdens de 19e en vooral de 20e eeuw ontdekten meer en meer filosofen dat we de wereld niet in een puur logisch kader kunnen dwingen; er is ook zoiets als een esthetische orde. De postmodernistische filosofen van de 20e eeuw gebruiken dat esthetische element: sommigen schrijven zelfs op een zeer poëtische wijze. En als we naar het concept tijd kijken in relatie tot kunst, dan zou muziek wel eens de kunstvorm kunnen zijn met de grootste mogelijkheden om heden en verleden met elkaar te verbinden. Neem sampling bijvoorbeeld, het gebruik van bestaande opnamen en kennis om iets nieuws te scheppen. Misschien is dat wel waarom ik me tot musicologie aangetrokken voelde.”
Als ik tot slot vraag of kunst ons filosofie kan leren, zegt hij gedecideerd: “nee, dat is echt een stap te ver. Kunst toont ons filosofie.” En na een korte stilte voegt hij toe: “onder andere.”

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: Maxi Uellendahl

Loop of Love? That’s the question.

Rick Treffers is iemand die niet onder één noemer te plaatsen valt. Hij is zanger, componist, producer, maker van muziek- en theatervoorstellingen en initiatiefnemer van de huiskamerconcertenserie Live in the Living. In 2015 bracht hij als Mist, de cd ‘The Loop of Love’ uit. Rick nam het album op in het Spaanse Valencia, waar hij sinds een paar jaar regelmatig verblijft. Op een zonnig terras vlakbij het Westerpark in zijn oude vertrouwde Amsterdam sprak hij afgelopen zomer met Nicole Broekema over zijn muziek, zijn inspiratie en zijn dromen.

Het is even stil geweest rondom Mist, maar je bent nu weer terug met een nieuwe cd, ‘The Loop of Love’. Je bent de cd nu aan het promoten. Je was bij de radio zag ik?
‘Ja, ’s nachts bij de EO, vier nummers live spelen. En bij Omroep Friesland. Daar ben ik altijd welkom. Verder een aantal huiskamerconcerten in Nederland en dan naar Duitsland en Amerika. Als je een jaar lang in een studio gezeten hebt wordt het toch wel een beetje eenzaam. Niet zo zeer qua vrienden, maar meer omdat je dan de hele tijd bezig bent met die cd. Je hebt geen idee wat het verder gaat opleveren. Dan komt de cd uit en gebeuren er heel veel dingen. Je komt weer naar buiten. En dat is ook wel een opluchting.’

Ook spannend, qua recensies?
‘Ja, heel spannend. Ik probeer recensies altijd met een korrel zout te nemen. Maar je hoopt altijd dat het hele positieve recensies zijn. En tot nu toe gaat het aardig.’

Treed je nog steeds op met Mist?
‘Met één van de bandleden, Ivar Vermeulen, heb ik altijd samengespeeld. Een andere goede vriend van me, Jeroen Luttikhuis, speelde ook bij Mist. Maar in 2009 zijn we met de band gestopt. Ik had allerlei andere projecten en zij hebben drukke banen en kinderen, dus er was weinig tijd meer voor de band. Toen ben ik naar Spanje gegaan. In 2013 had ik plotseling allemaal Engelstalige nummers. Toen heb ik ze gemaild: “Kijk, een paar nieuwe nummers, wat vinden jullie ervan?” “Nou tof, te gek….nieuwe plaat maken?”, was het antwoord. Ze hebben me heel erg gestimuleerd en op afstand meegewerkt aan de cd. Ivar is ook naar Valencia gekomen en een weekend lang hebben we allerlei dingetjes opgenomen en beluisterd. En hier in Amsterdam hebben we ook iets gedaan, bij Jeroen in zijn thuisstudio. Ik heb daarnaast een aantal Spaanse muzikanten gevraagd mee te spelen. Het is een project waar meerdere mensen aan mee hebben gewerkt, maar meer dan ooit mijn plaat. Ik heb de productie en arrangementen grotendeels zelf gedaan en veel zelf ingespeeld. Het is in dat opzicht eigenlijk meer een soloproject. In Spanje treed ik nu op met een volledig nieuwe band, om het nieuwe album te promoten.’

Je hanteert verschillende muziekstijlen en zingt in diverse talen. Bepaalt de muziekstijl of je wel of niet met een band werkt?
‘De cd’s van Mist klinken als een band, maar ik kan het repertoire ook solo spelen of in kleine akoestische bezetting. En ook als band dus. De twee Nederlandstalige cd’s die ik in 2007 en 2010 maakte heb ik in mijn eentje opgenomen en vormgegeven, met medewerking van diverse muzikanten. Het was geen band, maar live heb ik wel een band geformeerd toen. De liedjes op de tweede cd Prettige Vooruitzichten gingen over het verlangen om weg te gaan uit Nederland naar een warmhartiger land. Het is natuurlijk autobiografisch want ik ben het uiteindelijk ook gaan doen. Live heb ik het album omgevormd tot een documentaire op toneel. Ik speelde in mijn eentje de instrumenten maar het klonk wel een beetje als een band want mijn geluidsman Frans Roovers bediende de rest van de apparaten. Het was een muziektheatervoorstelling over Rock Truffels, een fictief personage, een soort rockster, die vooral bekend is ver buiten Nederland. In die voorstelling waren er acteurs en bekende Nederlanders als Leo Blokhuis en Paul de Munnik die op televisieschermen hun persoonlijke ervaringen met Rock vertelden. Het was een toneelstuk in combinatie met beeld en mijn liedjes. Maar na deze productie dacht ik: “Oké, ik kan nu doorgaan met Nederlandstalig en dan speel ik over tien jaar misschien voor 80 man in een theatertje ergens in Nederland. Heb ik daar wel zin in?”. Want met Mist had ik al een internationale carrière. En dat wilde ik niet opofferen’.

Je had toen al een internationale carrière?
‘Ja. Met Mist speelden we in Zuid-Amerika, in veel Europese landen en vooral in Spanje. En ik wilde toch weer terug, de grens over. Ik had al heel lang het verlangen om terug te gaan naar Spanje waar ik al een jaartje had gewoond toen ik 23 was. Toen ben ik vier jaar geleden opnieuw gegaan. Op avontuur.’

En heb je ook iets in het Spaans gedaan?
‘Ik heb een project gedaan toen ik in Spanje aankwam. Dat heet ‘El Turista Optimista’ met liedjes in het Spaans.
Het zijn liedjes die de Spaanse cultuur met liefde op de hak nemen. Ik heb videoclips waarin ik zing; “O, het is allemaal geweldig hier maar waarom halen ze het vuilnis pas om drie uur ’s nachts op?”. Liedjes over culturele gewoontes die ze in Spanje heel logisch vinden maar voor Nederlanders een beetje vreemd zijn. Daar zing ik over, met een glimlach, maar ook met een soort ironie.’

In het Spaans zijn jouw liedjes een knipoog naar hun cultuur. Maar in de Nederlandse nummers zitten venijnige teksten. Is het de taal die daarin meespeelt?
‘Mijn Engelstalige liedjes gaan vaak over de liefde en over relaties. Op één of andere manier komen die bij mij altijd eruit in het Engels. De Engelstalige liedjes maak ik thuis op mijn gitaar of keyboard, terwijl ik klanken met mijn stem maak. Vanuit die klanken ontstaan woorden en vanuit die woorden maak ik dan weer de tekst. Toen wilde ik een liedje schrijven in het Spaans, dat wilde ik een keer proberen. Wat eruit kwam was een liedje over de Nederlanders in Spanje. De liedjes van El Turista Optimista sloegen aan bij het Spaanse publiek. Ze zijn gemaakt vanuit mijn visie op Spanje. De teksten zijn daarbij misschien wel belangrijker dan de muziek en ontstaan meer vanuit het inhoudelijke idee dan vanuit de klank van de woorden.’

En in het Nederlands?
‘Dat zit er een beetje tussenin. Ik heb Nederlandstalige liedjes die over de liefde gaan en die zijn eigenlijk net zo tot stand gekomen als mijn Engelstalige teksten, alleen het Nederlands heeft hardere klanken door al die medeklinkers. Daardoor klinkt het af en toe minder zacht, minder lief. Die eerste Nederlandstalige plaat is qua thematiek en inhoud best wel heftig. Ik maak er ook nogal wat woordspelingen in en dat kan tricky zijn. In het Engels zou ik het niet durven, want het is niet mijn moedertaal. De Nederlandse liedjes van de eerste twee platen zitten een beetje tussen serieus en grappig in.’

Hoe ben je in de muziek gerold? Gedoken, gekozen of niet?
‘Mijn vader was amateurmuzikant. Hij speelde piano en accordeon. Ik zong in de klas op de lagere school. We hadden een leuke lerares die ons allerlei liedjes leerde zingen. Dat vond ik heel leuk. Als puber raakte ik samen met mijn neef geïnteresseerd in hardrock en heavy metal. Voordat ik het wist was ik zanger in een hardrockband, met vrienden uit Haarlem. Ondertussen maakte ik de HEAO af. In de muziek ben ik totaal autodidact. Ik heb toelatingsexamen gedaan voor het conservatorium – als zanger – maar werd niet aangenomen. Eén van de leden van de toelatingscommissie was Edwin Rutten. Ik liet een liedje van mezelf horen op de Spaanse gitaar van mijn zus. Hij zei: “Je bent niet aangenomen, dat is jammer, maar dat eigen lied wat je deed, dat was goed. Dus misschien kan ik je een tip geven. Je moet verder gaan, maar meer als componist dan als zanger”. Dat heb ik ter harte genomen. Ik ben vervolgens in Madrid begin jaren negentig begonnen met het schrijven van heel veel liedjes en bracht in 1995 mijn eerste plaat uit met mijn eerste eigen band, Girlfriend Misery. Daarna heetten we Miss Universe en in 2002 veranderden we de naam in Mist. Na de cd ‘We Should Have Been Stars’, in datzelfde jaar, dacht ik echt van “Ja… dit is het, hier sta ik zó achter”. Ik was toen 35 jaar oud. Toen pas had ik het gevoel dat ik serieus als componist èn zanger door wilde gaan. Wat dat betreft ben ik wel een beetje een laatbloeier, geloof ik.’

Vind je het belangrijk dat je mensen raakt met jouw muziek?
‘Ja, ik maak die muziek niet alleen voor mijzelf. Anders zou ik niet optreden. Ik maak het vanuit mijzelf en het is voor mij belangrijk dat het ook aankomt bij de mensen. Ik put uit mijn ervaringen en liefdes. Dat zijn dingen die eigenlijk universeel zijn en die veel mensen herkennen. Ik heb toevallig het talent om zowel met muziek als met taal iets te vertellen. Het is een enorme kick om dat te kunnen doen.’

Jouw cyclus van schrijven, loopt die continu door?
‘Nee. Vroeger wel. Toen schreef ik altijd. Maar toen zocht ik ook richting. Nu is bijna alles wat ik schrijf blijvend. Het is heel leuk om het oude werk terug te horen. Ik vertelde toen eigenlijk te veel en wilde heel veel uitleggen, ook in de teksten. Soms moet je juist niet alles uitleggen, dan komt er meer ruimte voor interpretatie. Dat is gewoon een kwestie van ervaring en van veel doen. Je zit in een bepaalde context, je leeft in een bepaald soort leven en van daaruit heb je bijna alles al. Je talent en inspiratie is dan een klein, maar zeer belangrijk deel. De rest is context.’

Context is de basis voor jouw creatieproces?
‘Context is misschien wel belangrijker dan inspiratie. David Byrne van de ‘Talking Heads’ schrijft daarover in zijn boek ‘How Music Works’. Geweldig boek! Zo herkenbaar wat hij allemaal in zijn boek schrijft. Hij is ook muzikant maar hij is heel erg wetenschappelijk bezig geweest met al zijn ervaringen. Hij heeft ook veel landen bezocht en gekeken hoe muziek daar gemaakt en beleefd wordt. Superinteressant. Hij schrijft op een hele toegankelijke manier. Niet droog. Als een soort dagboek over wat hij meegemaakt heeft als muzikant. Fantastisch.’

Je hebt alles zelf georganiseerd en geregeld. Er zit een zakelijkheid en organisatietalent in jou.
‘Ik kan organiseren en ben ondernemend als het op promotie van mijn muziek aankomt. Maar soms hangt succes ook af van ‘being at the right place at the right time’. Vaak zijn er binnen industrieën en systemen mensen en partijen die van invloed zijn. Als je die niet mee hebt, dan kun je doorbreken wel vergeten. Tenzij je via YouTube zelf een hit scoort of zo. Maar ik ben realistisch en praktisch ingesteld en doe het met de dingen die ik heb. Een lange adem, onder andere.’

Je zegt dat je heel ondernemend bent en dat het belangrijk is dat je met jouw muziek mensen raakt. Ben je op zoek naar een bepaalde doelgroep? Ben je daarmee bezig bij het schrijven van muziek ?
‘Het maken van muziek en het op de markt brengen van muziek zijn voor mij twee strikt gescheiden dingen. Wanneer ik muziek maak denk ik niet: “OK, als ik nou dit soort muziek maak en als ik hier een dingetje bij doe dan vindt het publiek het mooier”. Absoluut niet, want dan zou ik mezelf tekort doen. Dan ga je ‘toegepaste muziek’ maken. En ik denk dat de beste muziek, de meest persoonlijke en de meest authentieke muziek is. Soms als ik met Ivar aan het luisteren ben naar een nieuw nummer, dan zeggen we wel eens “Misschien kunnen we het een beetje arrangeren zoals die-en-die band”. Dat wel. Natuurlijk word ik beïnvloed door de huidige tijd. Er is zoveel muziek gemaakt en er zijn zoveel ritmes en geluiden die al een keer gemaakt of gebruikt zijn, die dingen gebruik je dan gewoon ook. Maar wat je er verder mee doet dat is jouw interpretatie.’

Heb je nog een grote droom of passie?
‘Muziek en taal zijn mijn twee passies. Zolang ik die op een creatieve manier kan gebruiken in mijn leven, en daarmee mensen kan bereiken, ben ik tevreden. Verder wil ik heel veel andere nummers maken, en muziek voor beeld en theater maken, dat soort dingen. Ik zou ook graag nog meer willen reizen met mijn muziek. Of zonder muziek, om bijvoorbeeld rapportages te maken. Leven als muzikant is een risicovol bestaan maar ik zal altijd dingen blijven produceren en bezig zijn met dingen die ik leuk vind. Ik zal in dat opzicht nooit in een gat vallen. Ik wil qua werk mijn eigen baas zijn, dat ben ik altijd geweest en die vrijheid vind ik aangenaam.’

Interview: Nicole Broekema
Foto: Jasmijn Schrofer

Koken volgens KISS

Vanaf deze maand start POM Magazine met de nieuw serie Het Gerecht. In deze reeks vertelt een restauranteigenaar over zijn of haar favoriete gerecht. Soms is dat een gerecht op de kaart dat verbonden is met het ontstaan van het restaurant, soms is het een gerecht met een sterke jeugdherinnering en soms is het een gerecht dat de filosofie van het restaurant in één hap samenvat. In de primeur van deze serie sprak Anne van der Heiden met Remco Bras Verschoor, eigenaar van de vegetarisch/biologische lunchroom Baklust in Den Haag. In een interview met Anne vertelt Remco over een bijzondere risotto en legt hij uit wat rockmuziek met zijn gerecht te maken heeft.

Allereerst: wat is Baklust?
Baklust is… rebels. Het is geen franchise van een grote keten, niet alle tafels zijn hetzelfde, het is niet strak. Juist die imperfecties dragen bij aan het huiskamergevoel, net als de manier waarop we met onze klanten omgaan. De kaart is klein maar doordacht: vrijwel alles is in een handomdraai aan te passen voor veganisten of mensen die glutenvrij eten. Ik heb veel in het buitenland gewerkt en kan zo kwaad worden van die Nederlandse houding ten opzichte van horeca. In Frankrijk is ‘garçon’ een respectabele baan, hier is het meer een bijbaantje waarvoor je alleen maar een cursusje melk opschuimen hoeft te volgen. Horeca is een echt vak en dat zie je bij ons terug. Geen anonimiteit en onverschilligheid: onze klanten praten met elkaar, ook als ze elkaar niet kennen.

Waarom vegetarisch?
Baklust was al vegetarisch, ik ook. Daarom wilde ik het juist overnemen. Ik ben echt geen evangelist die iedereen wil bekeren, vleeseters zijn hier van harte welkom, maar ik wil hen wel wat leren. Al moet ik 10 keer per dag uitleggen wat seitan is! Ik wil mensen verrassen met de rijkdom van de vegetarische keuken. Niet op de vleesbakkers manier met salade geitenkaas en broodje mozzarella. We hebben wel geitenkaas en mozzarella in het menu verwerkt, omdat die ingrediënten herkenbaar zijn voor de vleeseters en instap-vegetariërs die hier ook komen. Die kiezen vaak eerst veilig. Maar als dat bevalt…. durven ze de keer daarna misschien wel onbekender terrein aan.
En dan heb ik het niet over dat trendy visuele gedoe met schuimpje van dit en cappuccino van dat op je bord: leuk hoor, maar het gaat toch om de smaak! Meer dan 3 smaken per gerecht is trouwens zinloos, die proef je toch niet. Ik kook volgens mijn favoriete band aller tijden, KISS. Oftewel: Keep It Simple Stupid.

Wat is jouw ultieme gerecht en waarom?
De quinoa salade. Allereerst omdat het helemaal volgens mijn KISS principe is, zoet, zuur en zout zijn perfect in balans. Het heeft alles wat een salade moet hebben. En het gerecht is echt gegroeid, het heeft een verhaal.
Ik kijk veel BBC: voor het programma ‘Kew on a Plate’ heeft chef Raymond Blanc een heel jaar lang een moestuin gehad in Kew gardens. Met de oogst uit de tuin heeft hij volgens het seizoen gekookt. Het bijbehorende kookboek is mijn absolute favoriet. Eén van de gerechten daarin is een risotto met gerst en worteltjes. Geweldig lekker, maar niet praktisch voor bij ons in de lunchroom: het duurt veel te lang om te maken. Maar ik wilde het zo graag op de kaart, dat ik ermee ben gaan spelen. Allereerst heb ik in plaats van de gerst, quinoa gebruikt. Saillant detail is dat ik eigenlijk niet van quinoa hield, ik vond het een beetje zeepachtig. Maar door de quinoa in het kookvocht van de wortels te koken, krijgt de quinoa een heerlijk zoetje. De dressing voor de Caesar salade die al op kaart stond bleek hier perfect bij te passen. Tot slot kwamen de polenta croutons er nog bij voor de zout-ervaring. Daar ben ik de hier zo populaire Israëlische chef Ottolenghi dankbaar voor, dat hij eindelijk Nederland aan de polenta heeft gekregen. Supervoedsel wat mij betreft: simpel, lekker en verrassend.
Het eindresultaat staat niet voor niets bij het rijtje salades op ons menu. Onderaan, want de laatste onthoud je het beste en iedereen moet hem gewoon proberen. Met brood en boter erbij hè, zoals het hoort bij een maaltijdsalade. Salade zonder brood is zo Hollands.

Interview en tekst: Anne van der Heiden
Foto: Jasmijn Schrofer

Steef Crombach- a Dutch woman in Austin

Drie jaar geleden ging de Nederlandse beeldend kunstenaar Steef Crombach naar Austin, vlak nadat zij in 2014 de Stroom aanmoedigingsprijs had gewonnen. Ze besloot die te gebruiken om op onderzoek te gaan in Texas naar het typische Amerika.

Steef Crombach (Maastricht, 1992) stelt alledaagse thema’s en banale objecten centraal in haar werk. Amerika, het land van de ultra consumptie, sluit daarop naadloos aan. Ze kwam terecht in Austin, een stad waar mensen veel interesse hebben in kunst en graag een kunstwerk in hun huis hebben van de kunstenaar die ze net persoonlijk hebben gesproken.

Steef heeft een verftechniek uitgevonden waarmee ze dubbelzijdige doeken maakt. Hierdoor kunnen de schilderijen gebruikt worden als space dividers en kunnen ze als installaties gepresenteerd worden. De scheidslijn tussen fine art en crafts, en de vast omlijnde ideeën hierover zijn voor haar een inspiratiebron voor het materiaalgebruik.

In haar werken onderzoekt Steef Crombach de patronen en objecten die onze dagelijkse omgeving vormgeven en die misschien wel deel zullen zijn van ons collectief geheugen, wanneer we later op deze tijd terugkijken. Klaartje Til sprak met Steef over de stad Austin, een liberale oase in het conservatieve Texas. In het artikel, Austin- een vreemde eend in de Texaanse bijt? kun je lezen waarom deze stad zo bijzonder is.

www.steefc.com

Filmmaker in Brussel: Jip Heijenga

Voor POM Magazine sprak de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga (1993) met Klaartje Til over de stad Brussel. Jip ging na haar dansopleiding aan Artez in Arnhem, naar Rotterdam voor een aantal dansprojecten om vervolgens in Brussel te belanden. Ondertussen woont ze al meer dan drie jaar in de Belgische hoofdstad.

Nadat Jip in 2014 haar opleiding aan de dansacademie had afgerond, werkte ze een jaar als danseres. Ze besloot om film te gaan studeren en ging op zoek naar een filmopleiding in steden buiten Nederland. Al snel kwam ze uit bij Brussel, want daar is een Nederlandstalige kunstacademie, LUCA school of arts. Jip’s afstudeerfilm, Love Rat, was afgelopen oktober genomineerd voor de competitie van Belgische studentenfilms op het internationale Film Festival Gent en was begin december te zien zien op het Kort Film Festival in Leuven. “Mijn film, Love Rat, is een in fictie gegoten documentaire over monogamie. Hoe monogamie vroeger was en nu, in deze tijd. Ik merk dat monogamie iets is waar jonge mensen veel mee bezig zijn”, zo vertelde Jip aan POM Magazine interviewer Klaartje Til. Toen Klaartje opmerkte dat, van een bezoek aan Brussel vooral de grauwe kant van de stad haar is bijgebleven, kon Jip dat goed begrijpen. “Ik snap wel dat de eerste indruk van Brussel een beetje duister kan zijn, maar ik hou daar ook wel van. Misschien dat ik me daarom hier heel erg thuis voel”, aldus Jip Heijenga in een interview met Klaartje Til. Jip’s kijk op Brussel is nu te lezen in het artikel Brussel: een stad met vele gezichten.

Fotografie: Jip Heijenga

Nieuw Circus

Al generaties lang spreekt het circus tot de verbeelding. In de loop van de tijd heeft het circus een groei doorgemaakt en anno 2016 is er een hoop aan de hand binnen de circuswereld. Sommige circustenten worden voorgoed opgerold, terwijl overal nieuwe vormen van circus opduiken. Een nieuw soort circus dat de traditionele principes van acrobatiek en woon/werkgemeenschap combineert met een moderne kijk op dynamiek, vrijheid en eenheid. Bert van der Zee sprak met Rosa Boon en Hanneke Meijers van TENT circustheater producties uit Amsterdam, over het nieuwe circus. Hij schoof aan tijdens de repetitie van hun nieuwe voorstelling ‘Romeo & Julia’.

Op het podium van het Amsterdams Bostheater staan vijf afgedankte vliegtuigslurven die normaliter als passagiersbruggen dienen. De slurven staan stevig gemonteerd in een enorme open compositie. Gedraaide hoeken, de lucht in stekend en voorzien van klimgaten, grepen, klauterroosters en stevige verankeringen – een robuust geheel. Je zou er zo in willen klimmen. Het is het decor voor ‘Romeo & Julia’, een productie die voortkomt uit een drieledig samenwerkingsverband tussen TENT, het Amsterdamse Bostheater en het muziektheaterensemble de Veenfabriek uit Leiden.

Circus regieassistent Hanneke Meijers en zakelijk leider Rosa Boon van TENT kijken trots naar het decor. “Schiphol is sponsor van het Amsterdams Bostheater. Via hen hebben we de slurven gekregen en daar is weer inspiratie voor het stuk ontstaan”.IMG_klimpaal Die interactie past bij wat TENT is: nieuw circus van vier enthousiaste circusliefhebbers die samen met verschillende artiesten en technici producties maken.
“In Frankrijk en Canada heeft het circus zich al 20 jaar verder doorontwikkeld ten opzichte van Nederland”, vertelt Rosa Boon. “Bij circus denken mensen hier nog steeds aan Bassie & Adriaan en Circus Renz. Het nieuwe circus is vaak in een theater; er is meestal geen tent meer. Onze voorstellingen hebben een dramaturgische lijn en zijn niet meer opgebouwd uit losse acts. We willen met het publiek een verhaal delen dat verder gaat dan alleen de technische excellentie. Dat kan heel klein zijn in het communiceren van een kleine emotie. Of juist groot zoals bij ‘Romeo & Julia’.”

Eind 2014 kwam TENT samen met het Amsterdamse Bostheater op uitnodiging van regisseur Ingejan Ligthart Schenk van het Amsterdamse Bostheater. De eerste proeven met het Amsterdamse Bostheater waren vooral gericht op het vinden van overlap tussen teksttheater en circus. Elkaars kracht ontdekken en versterken, en van daaruit werken aan één geheel.
Hanneke heeft een jaar lang met Ingejan Ligthart Schenk aan de voorbereiding gewerkt: samen materiaal verzamelen en ideeën uitwisselen om het beeldende en het vertellende bij elkaar te krijgen. IMG_kickVanaf begin 2016 sloot de Veenfabriek aan. De Veenfabriek componeerde de muziek en het geluid en speelt live tijdens de voorstelling. “Voor deze voorstelling zijn we in totaal met vijftien podiumkunstenaars: vijf circusartiesten, zes tekstacteurs en vier muzikanten”, vertelt Hanneke. “Toen we begonnen aan dit project hadden zij nog nooit eerder samengewerkt. Zij moesten de raakvlakken vinden in elkaars vakgebied. Het is dus echt aan elkaar wennen om de techniek onder de knie te krijgen van het gooien en vangen van mensen. Omdat we allemaal uit verschillende disciplines komen, circus, theater en muziek, is de kruisbestuiving interessant. Zo hebben twee muzikanten van de Veenfabriek en twee circusartiesten van TENT ook een rol met tekst gekregen.”

Het vinden van de juiste mix van gevaar, techniek en veiligheid – en dan ook nog een verhaal vertellen. Voor TENT maakt dat het circus nieuw. Het bouwt voort op de klassieke vorm, maar gaat daarin verder. Hierin is Hanneke’s rol als circus regieassistent essentieel.IMG_schaduwvanger
“Het is natuurlijk ook teksttheater. En zeker bij een verhaal zoals ‘Romeo & Julia’ waarin de tekst zo leidend is”, vertelt Hanneke. “Juist door stukken tekst weg te laten kan het verhaal verteld worden op een beeldende manier. Kun je het overbrengen zonder het verzuchtende ‘oh Romeo’. Hierdoor ontstaat circus dat je raakt op een dieper niveau dan alleen maar ‘ooh’{doet schrikbeweging}. Maar ontstaan er ook reacties als ‘oh wat een mooi beeld’ of ‘ik voel wat ze hiermee proberen te zeggen’.”

Een kenmerkende scène hiervoor is de processie van Julia. Deze begint wanneer de schijndode Julia vanuit een 7 meter hoge vliegtuigslurf door een twee-man hoge acrobatenpiramide, naar beneden wordt getild via een andere slurf waar een rooster op is gemonteerd. Tegelijkertijd staan zowel het verhaal als de act elkaar ten dienst. “In de processiescène gaat het om de dood, om afscheid nemen van iemand. IMG_paalzwiep Het tempo ligt laag. Dan kies je niet voor salto’s doen of elkaar overgooien. Je zet niet zomaar ergens een jongleur neer. Je gaat heel erg op zoek naar wat voor acrobatiek past hierbij, welk tempo”, vertelt Hanneke.
Daarin is deze scène typisch voor het nieuwe circus. Oefenen, trainen, veel tijd samen doorbrengen en coachen op veiligheid en vertrouwen. Gevaar en vertrouwen gaan hand in hand. “De actrice die Julia speelt is geen acrobate. Zij moet erop kunnen vertrouwen dat het okay is dat zij opeens op een piramide van twee mensen hoog, dood in iemands armen moet liggen. Dat is doodeng in het begin”, aldus Hanneke. “Heel vaak is het ook nog eens zo dat als iemand fysiek iets fout doet, de ander daar last van heeft”.

Moderne circusopleidingen leiden breder op, zodat artiesten in meer disciplines inzetbaar zijn. Circus is niet meer iets dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. Hanneke verwelkomt dat. “Door de circusopleiding kan tegenwoordig iedereen het circusvak leren. Er is daardoor professionaliteit en vakgerichtheid. Het samenwerken met artiesten wordt prettiger. Er is zelfredzaamheid en ondertussen ook een gevoel voor de gemeenschap die het vroegere circus kenmerkt”. IMG_thegroupVolgens Rosa voorziet TENT tegelijkertijd in een behoefte. “In de tijd dat we bij circus Elleboog werkten kwamen er twee circusopleidingen bij in Nederland en er kwamen twee festivals voor nieuw circus”.
Rosa programmeerde toen vanuit Circus Elleboog voornamelijk voorstellingen uit het buitenland, waar het nieuwe circus verder ontwikkeld is. In Nederland was op dat moment nog geen gezelschap dat zich bezig hield met nieuw circus. “Ik dacht: waar moeten die studenten dan heen als ze straks afgestudeerd zijn? We willen die mensen in Nederland een basis kunnen bieden. Van daaruit is TENT ook opgericht: om werk te creëren en omdat we heel erg geloven in de kunstvorm an sich. We willen deze mooie nieuwe kunstvorm introduceren bij het Nederlandse publiek.”

Nieuw circus vraagt ook om nieuw publiek. “Heel veel van het nieuwe publiek bestaat al. Dat gaat naar moderne dans en theater en dat publiek vindt dit nieuwe circus ook interessant”, vertelt Rosa. “Aan de andere kant is er publiek dat heel erg van klucht en teksttheater houdt en dat op deze manier in aanraking komt met circus. Publiek dat zegt: Jeetje, is dit ook circus? Dit vind ik wél leuk! In de afgelopen zes jaar hebben we met TENT bijna 65.000 mensen bereikt, daar zijn we trots op. We zoeken bewust dit soort samenwerkingen op om op die manier breder publiek te bereiken. De omvang maakt niet uit. Laatst speelden we voor 40 mensen, in het Bostheater passen er 1.300.”

Het traditionele circus koestert het principe van zelfvoorzienendheid. Rosa gelooft hier in, maar omarmt ook flexibiliteit.
“We kijken per productie hoe we deze gaan financieren. We proberen daarin zo zelfstandig mogelijk te zijn. In het begin was er nog een houding van ‘dat gaan we zelf doen zonder subsidies’. IMG_amfiNu werken we met productiesubsidies van diverse private- en publieke fondsen. Het is lastig om daarmee de overheadkosten te dekken. Om ons verder te kunnen professionaliseren op zowel artistiek vlak als op het gebied van bedrijfsvoering gaan we in oktober een tweejarige subsidie aanvragen bij de gemeente Amsterdam. We willen graag de nieuwe kunstvorm, die ons circus is, realiseren. Met de vier partners van TENT (Hanneke Meijers, Cahit Metin, Minka Parkkinen en Rosa Boon, [red.]) kunnen we eigenlijk best al veel zelf en artiesten en technici halen we er extern bij. Schiphol sponsort het Amsterdamse Bostheater en bestaat bovendien 100 jaar. Het leek ze leuk om iets voor ons te kunnen betekenen. De vliegtuigslurven werden aangeboden. We werken ook graag met hoe de dingen zich zo aandienen. Dat past bij ons. Deze decoropstelling is voor deze zomer hier in het Bostheater. We denken nog na over een reisbare versie voor het nazomerseizoen.”

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer

De man achter de afdruk

Maak kennis met de man die zijn werk beschrijft als experimenten die een afdruk achter laten. Wim Warrink groeide op in Drenthe, in een dorpje vlakbij Emmen. “Een jeugd vol met jongensdingen”, zo vertelt hij. Met vrienden uit het dorp ging hij in zijn vrije tijd hutten bouwen, crossbanen aanleggen en oorlogje spelen in het bos. “Dat soort dingen deden we allemaal”, legt hij uit.

Zijn vrienden doen nu compleet andere dingen. De één is slager, de ander werkt in de bouw en weer een andere vriend is in hart en nieren, boer. Zijn vrienden begrijpen vaak niet wat hij aan het doen is, maar zij zorgen er wel voor dat hij projecten aan durft, omdat hij weet dat hij er niet alleen voor staat. “Als ik hun hulp nodig heb, helpen ze mij met advies, mentale steun of met fysieke arbeid”, vertelt hij. Ook in Groningen en Friesland heb ik fijne mensen om me heen die me het vertrouwen geven grote projecten aan te gaan.

Portretschraper, 2013

Na een opleiding elektrotechniek in Emmen ging Wim in 2006 verder met een opleiding industrieel productontwerp in Leeuwarden. Hij vond in 2011 uiteindelijk zijn plek bij de kunstacademie Minerva in Groningen waar hij in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs won. Een bezoek aan een tentoonstelling van het Gentse museum voor hedendaagse kunst, SMAK, was voor Wim een eyeopener. Daar zag hij in een statige museumzaal blokken hout hangen, gebundeld in een touw aan een muur, en zag hij overal stukken biels op de grond liggen. “Ik keek daarnaar en dacht, jeetje wat gaaf eigenlijk, is dit ook kunst?”, vertelt Wim, “en op het moment dat ik dát besefte, was ik om – ik wist niet dat zoiets mocht. Ik had tot dan toe nog een hele klassieke opvatting van kunst.”

En zo begon het allemaal. Enkele jaren later maakte Wim installaties waarin mechanische- en menselijk kracht samenkomen. In zijn werk, Blikkenleger (2014), worden grote verfblikken leeggeschoten. Een projectiel wordt daarbij op de achterkant van het verfblik afgevuurd waardoor de verf uit het blik schiet.

Blikkenleger, 2014

In het werk de portretschraper (2013) probeert Wim een metaalplaat met het profiel aanzicht van Galileo door een homp klei te duwen. Het portret, de verfafdrukken, de metaalplaat, de machineconstructie, de leeg geknalde verfblikken- het zijn allemaal onderdelen die zijn kunstobjecten tot een evenwichtig geheel maken. Voor zijn nieuwste project maakte Wim lichtobjecten waarbij de hoofdrol niet weggelegd is voor mechanische kracht, maar voor compositie en verbondenheid tussen de diverse onderdelen. Hoe deze lichtobjecten tot stand zijn gekomen kun je lezen in het artikel Spiritualiteit? Welnee!. Tot 31 maart zijn zeven lichtobjecten van Wim te zien in de expositie Technisch Licht, in het Groninger Forum aan de Oude Boteringestraat in Groningen.

Tekst: Wim Warrink
Fotografie: Mente Warrink (Portret), Joyce Ter Weele (Blikkenleger), Tijmen van Dijk (Portretschraper)

Wasted cowboy

“Waar ik aan denk bij het woord Urban Cowboy? Ehm, ik denk vooral aan misplaatste cowboys die een beetje verward om zich heen kijken en zich afvragen hoe ze vanuit het Wilde Westen ineens in een vinexwijk terecht zijn gekomen………en ik moet denken aan van die oudere mannen met cowboyhoeden en sjekkies in de mondhoek, in de categorie vieze oom maar ook in de categorie neo-hippie; van die cowboyhoeden die op alles, van metalfestivals tot comic-cons en cosplayfeesten, rondlopen. Zou ik de term al moeten kennen?” (Inge Aanstoot)

Illustratie: Grafische Kamer

Philip Rozema, de dichter

Ieder jaar benoemt de Rijksuniversiteit Groningen een dichtende student tot huisdichter. De zestiende huisdichter is Philip Rozema. In 2015/2016 raakte het publiek bekend met zijn gedichten via zijn bundel te ruime ruimte en via diverse audio- en video opnamen. Rozema (1993) is een dichter die graag optreedt op festivals. In mei 2016 sloot hij zijn huisdichterschap af met zijn eigen theatervoorstelling, Plusminus, een mix van woord, beeld, en soundscapes die hij met zijn stem maakt; een persoonlijk verhaal over de zin en onzin van zoeken naar geluk.

Op de middelbare school wist Rozema al dat hij universiteitsdichter wilde worden. Pas nadat hij zich drie keer had opgegeven, werd hij door de jury gekozen. “Als huisdichter werd ik gevraagd voor allerlei projecten en dan gaat de boel rollen”, vertelt Philip. Hij houdt niet alleen van het schrijfproces, maar ook van het voordragen van zijn gedichten. Nou ja voordragen, het is meer een performance, creatief bezig zijn, zonder gebonden te zijn aan papier. Zo probeert hij het enthousiasme bij zichzelf en het publiek vast te houden. “Ik vind het heerlijk om op te treden. Hoewel ik soms wat rustiger aan moet doen hoor, want als ik te veel moet optreden, sneeuwt het onder,” vertelt hij. “Een optreden geeft vaak een kick. Alle ogen zijn op jou gericht en je hebt zelf alles onder controle. In de poëzie kan ik echt mezelf zijn, het is een uitlaatklep. Op het podium komt het tot zijn recht.”

Als klein kind schijnt hij gezegd te hebben: ik rijm nog eens wat. Een familieanekdote die nu fier op de achterflap van zijn bundel te ruime ruimte prijkt. Zelf weet hij het niet meer, maar wel dat hij taal en taalgrapjes leuk vond. Op de basisschool kwam het los. “In groep zes en zeven had ik een leraar die ons liet dichten”, vertelt hij. “Ik schreef eerst poëzie en ben later pas gaan lezen. Misschien wel beter ook, zo zonder kaders.” De nominatie voor de Gouden Lijst, een landelijke prijs voor kind- en jeugdliteratuur, is voor Rozema een omslagpunt. “Daar is heel veel uit voortgekomen”, legt hij uit. “Ik was 16 jaar oud en heb toen de dichter en schrijver, Hans Hagen, mijn gedichten gemaild. Hij gaf het advies om contact op te nemen met de dichter, Ted van Lieshout. Ik heb toen Ted van Lieshout mijn werk gemaild en hij nomineerde me voor de Gouden Lijst.”

Toen ik Philip vroeg wat hem inspireert, antwoordde hij: “De taal zelf, denk ik. Een gedicht hoeft niet ingewikkeld te zijn maar het moet heel helder, minimalistisch zijn, iets op een andere manier laten zien”, legt hij uit. “Als ik een gedicht schrijf, probeer ik de kern te pakken. Het gedicht ons wi-fi uit de bundel te ruime ruimte is een maatschappij-ironisch gedicht. In dat gedicht heb ik mijn mening achter gehouden. Het is een observatie”, vertelt Philip. “Een gedicht hoeft niet altijd per se maatschappijkritisch te zijn”, legt hij uit. “Ontsnappen kan ook, en stilstaan. Het morele achterwege laten en geen oordeel vellen, kan mensen stil laten staan.” In, er is een weg, geeft Rozema een hoopgevend beeld. “Als je een weg maakt, is er vaak ook een weg terug”, legt hij uit. “Als je vastloopt, kun je terug. Het gaat altijd ergens heen als je niet stilstaat. Ik zoek niet zozeer naar licht in de zin van makkelijk, maar in de zin van kernachtig. Iets plaatsen, daarop doorassociëren en dan weer terug naar de originele plaatsing.” In zijn gedicht stop op contact legt hij een dag vast waarin je het gevoel hebt dat je het druk hebt, terwijl dat best wel meevalt. Het gevoel dat je nooit alles afkrijgt, altijd wel iets te doen is of op je ligt te wachten, een bericht bijvoorbeeld. Maar social media is voor Rozema niet per se een last. “Het is heel makkelijk om even naar een Facebook post te gaan, op zoek naar de beloning dat iemand iets gepost heeft”, vertelt hij. “Je hebt voortdurend het gevoel van: wat mis ik? Natuurlijk heb je de keuze, maar eigenlijk ook niet. De bewegingen die we bewust of onbewust maken fascineren me.”

Interview: Anne van der Heiden
Fotografie: Joyce ter Weele

Abonneer op onze nieuwsbrief

Door verder gebruik te maken van deze website gaat u automatisch akkoord met het plaatsen van cookies. Meer informatie Dit bericht verbergen