POM Magazine

POM Magazine, Magazine voor Stijl & Cultuur

POM Magazine

Bibliotheek Ambassade Hotel

Het Amsterdamse Ambassade Hotel aan de Herengracht heeft zijn gasten iets bijzonders te bieden. In de bibliotheek en zelfs in de hotelbar kunnen gasten duizenden door de auteur gesigneerde boeken bekijken. Song B. sprak hotelbibliothecaris Eelco Douma die al 32 jaar werkzaam is bij het Ambassade Hotel. “Inmiddels ben ik reserveringsmanager, maar we hebben ook deze prachtige boekencollectie die we sinds het jaar 2000 aan gasten en bezoekers tentoonstellen,” zo legt Eelco uit. “Toen ben ik gevraagd om de collectie erbij te doen. Het kost niet zo veel tijd en het is één van de leukste dingen die ik in mijn werk doe.”

door Song B.

Het Ambassade Hotel heeft een eigen boekenverzameling. Hoe is deze collectie ontstaan?
Het is een traditie dat uitgeverijen bij het Ambassade Hotel kamers reserveren wanneer hun auteurs naar Nederland komen om de vertaling van hun boek te promoten. Vroeger zaten de uitgeverijen, net als ons hotel, aan de Herengracht of vlak in de buurt van de Herengracht. Inmiddels zijn de meeste naar elders verhuisd, maar ze weten ons nog steeds te vinden om hun schrijvers onder te brengen. Tijdens hun bezoek houden de auteurs in ons hotel interviews met de pers. Er zijn altijd één of meerdere personen van de uitgeverij aanwezig en zij hebben altijd een stapel boeken bij zich. Na afloop blijven er altijd wel een paar boeken achter. De hoteleigenaar heeft op een gegeven moment besloten om ze te houden. Hij vroeg aan de auteurs of ze er een paar woordjes in wilden zetten. Zo is de verzameling ontstaan. Het is inmiddels uitgegroeid tot een collectie van 5.000 boeken. En het groeit nog steeds.

Zijn het de uitgeverijen of de auteurs die jullie hotel weten te vinden?
In eerste instantie de uitgeverijen. Het gebeurt wel dat auteurs bij ons logeren als ze op eigen gelegenheid naar Amsterdam komen.

Ontstaat er dan een band met de schrijver?
Ja zeker!

Hebben de auteurs dan een band met het hotel of meer met jou en je collega’s? 
Ik denk dat het een combinatie is. Natuurlijk krijg je in de loop van de jaren een band met de auteurs die het hotel bezoeken. Ik werk hier nu bijna 32 jaar en de meeste schrijvers heb ik de afgelopen jaren een paar keer in het hotel gezien. Het Ambassade Hotel is een mooi hotel op een mooie locatie in Amsterdam en het biedt goede service aan zijn gasten. Het hotel bestaat sinds 1953. Niet in deze vorm, het is langzaam uitgegroeid tot een rijtje klassieke grachtenpanden aan de Herengracht. Het is tien jaar geleden verbouwd door Cruz y Ortiz, de architecten die ook het Rijksmuseum hebben verbouwd. Het hotel besteedt veel zorg aan de inrichting en decoratie. We hebben twee culturele pijlers waarmee wij ons profileren: we zijn een literair hotel en we hebben kunst van de COBRA beweging. Dat hangt door het hele gebouw en in de hotelkamers.

Wat vind je het allerleukste aan de hotelbibliotheek?
Het is ontzettend leuk om schrijvers te ontmoeten wiens boeken ik graag lees. Zoals bijvoorbeeld de Canadese schrijfster Margaret Atwood. Zij was hier tijdens de lockdown periode. Toen was het heel stil in ons hotel. Ik had toen de tijd om rustig met haar te praten. We zijn trouwens als locatie verschenen in een boek van de schrijfster Donna Tart. Zij heeft maar drie boeken geschreven en die waren alle drie mega bestsellers in de VS en Europa. In het laatste boek, Het Puttertje, speelt één hoofdstuk zich af in ons hotel. Geweldig!

Is er een gesprek met een auteur dat je is bijgebleven?
Het gaat vaak over het weer, en over koetjes en kalfjes. Maar niet altijd. Ik herinner me een gesprek met de Nederlandse auteur Pieter Waterdrinker. Hij heeft veel meegemaakt in zijn leven en laat dat ook terugkomen in zijn boeken. Zo zijn er nog wel een paar gesprekken. Onder andere met de Britse auteur Rupert Thomson, hij is in Nederland niet zo bekend maar hij schrijft prachtig. Hij vertelde onder andere over de inspiratiebronnen voor zijn boeken.

Hoe is de boekencollectie opgebouwd?
De verzameling is heel divers. De boeken zijn uitgegeven door verschillende uitgeverijen en vallen onder verschillende genres: romans, kinderboeken, kookboeken – topkok Nigella Lawson is hier een paar keer geweest- journalistieke boeken, thrillers, detectives, boeken over tuinieren; het is een gevarieerde collectie.

Waar in het hotel staan de boeken?
De boeken staan in een aparte ruimte én in de hotelbar. Ze staan alfabetisch gerangschikt op de achternaam van de auteur. De collectie is inmiddels te groot voor de plankruimte die ik heb. Eens in de paar jaar moet ik de moeilijke beslissing nemen welke boeken ik eruit moet halen om ruimte te maken voor de recente aanwinsten. Heel jammer. Wie weet kunnen we ooit de boekenruimte uitbreiden. Ik heb het liefst alle boeken op de planken staan. Als we van een schrijver meerdere titels hebben, haal ik er een paar titels uit en laat ik de overige staan. We gooien nooit boeken weg! Dat is zonde. Ze zijn allemaal gesigneerd en hebben voor ons waarde, vooral sentimentele waarde.

Heb je contact met andere hotelbibliothecarissen?
We hebben goede contacten met de Bibliotheca Philosophica Hermetica, die zit in een heel mooi grachtenpand aan de Keizersgracht. Hun collectie bevat illustere oude documenten onder andere uit de 15e eeuw.  Wij sturen onze gasten naar hen en zij sturen geïnteresseerden naar onze bibliotheek.

Is de collectie alleen toegankelijk voor hotelgasten?
Nee hoor. Onze boeken staan ook in de hotelbar waar iedereen welkom is. Maar we lenen ze niet uit, daarvoor zijn ze te waardevol. Als iemand een favoriete auteur heeft en even wil kijken wat die in het boek heeft geschreven, mag dat natuurlijk altijd.

Gaan mensen ergens in het hotel zitten om het boek te lezen?
Nee, niet echt. Wel hebben we aan de andere kant van de receptie een salon, vol met boeken die gasten achtergelaten hebben. Die boeken zetten we daar op de planken en daarmee mogen mensen doen wat ze willen. Die boeken mogen ze wèl meenemen. Soms, als ik een paar gesigneerde boeken ontvang van dezelfde titel zet ik er één op de plank in de salon. Leuke verrassing voor de gast.

Eelco, wie is jouw favoriete schrijver?
Ik heb enkele favorieten. De eerdergenoemde Britse schrijver Rupert Thomson bijvoorbeeld. Ik volg hem sinds het begin van zijn carrière. Hij is een paar keer in het hotel geweest. Hij schrijft hele fantasievolle romans. Ik vind het magisch realistisch, net als het werk van José Saramago, de Portugese Nobelprijswinnaar. Saramago leeft niet meer maar hij is hier een aantal keren geweest. Je moet wel moeite doen om zijn boeken te lezen. Mooi geschreven boeken met hele lange zinnen, maar zijn werk vind ik zeker de moeite waard. Verder is de Vlaamse auteur Dimitri Verhulst een favoriet van mij. Hij is de laatste jaren niet meer zo productief, maar hij heeft hele mooie boeken geschreven. Die lees je wel heel makkelijk.

Is er een schrijver die nog nooit bij jullie is geweest en wiens boeken je heel graag aan de collectie zou willen toevoegen?
Haruki Murakami! Ik vind het een prachtige schrijver, ik heb er heel veel van gelezen. Zo mooi zoals die man schrijft. Murakami is verschrikkelijk groot en heeft het niet nodig om naar ander landen te reizen om zijn boeken te promoten. Ieder jaar wordt hij weer getipt voor de Nobelprijs, maar het is hem nog niet gelukt de Nobelprijs te ontvangen. Hij heeft lang in Amerika gewerkt en gewoond. Ik denk dat als hij Japan ooit nog eens verlaat, dat hij eerder naar Amerika gaat dan naar Amsterdam. Maar ik zou het geweldig vinden als hij ons hier komt bezoeken.

Heb je een droom voor de toekomst van de bibliotheek?
Ik zou het heel leuk vinden als de boekencollectie zelf in een roman zou verschijnen. Misschien moet ik eens een bevriend auteur proberen te overtuigen. Verder zou ik het leuk vinden als we meer boekpresentatie hebben voor nieuwe, niet eerder uitgegeven boeken. We doen natuurlijk nu al boekpresentaties maar meestal voor de Nederlandse vertaling van bestaande boeken.

Wat zijn de toekomstplannen voor de bibliotheek?
We willen graag dat het Ambassade Hotel nog meer een literaire plek van samenkomst wordt. We organiseren eens in de twee maanden een literaire avond. Mensen kunnen zich daarvoor aanmelden via een link op de website. Voor zo’n event brengen we twee sprekers, journalisten of auteurs, met elkaar in gesprek over een actueel onderwerp. We doen dat voor een publiek van 60 mensen. Na afloop is er een meet-and-greet met de auteurs, hier in de bibliotheek. We hadden al literaire avonden vóór de Covid lockdowns en gelukkig hebben we dat nu weer opgepakt.

Wereldplek Keulen

De Duitse journalist Frank Lorentz woont al 25 jaar in Keulen. Daarvoor zwierf hij jarenlang van appartement naar appartement, van land naar land en van stad naar stad. Maar eenmaal in Keulen besloot hij er voorgoed te blijven. Waarom? Dat is de vraag die Klaartje Til stelde aan Frank om te achterhalen wat Keulen zo’n bijzondere stad maakt.

door Klaartje Til

Frank, waarom ben na jaren van rondzwerven in diverse steden en diverse landen in Keulen gebleven?
Ik denk dat ik graag in een grote stad wilde wonen, groter dan Düsseldorf. Ik werkte daar voor een mediabedrijf dat mij een job aanbood vlakbij mijn woonadres. Ik had te voet naar kantoor kunnen gaan. Dat was het moment waarop ik besloot naar Keulen te verhuizen. Het klinkt gek, maar ik ga liever met de auto naar mijn werk dan lopend.

Als je Keulen met andere Duitse steden vergelijkt, springt Keulen er dan uit?
Keulen lijkt op Berlijn. Het is een beetje vies, niet echt mooi en de mensen kleden zich relaxed, heel informeel zeg maar. In Düsseldorf zijn de mensen chiquer gekleed. Er is een high-society lifestyle in Düsseldorf. In Keulen heerst een relaxed lifestyle.

Hoe noem je mensen die uit Keulen komen?
In het Duits heet Keulen, Köln en er is onderscheid tussen Kölner en Kölsch. Kölner zijn mensen die uit Keulen komen, maar je mag jezelf Kölsch noemen als je minstens vijf generaties Kölner bent. Dan pas ben je Kölsch.

Ik ben nog nooit in Keulen geweest. Als ik Keulen zou bezoeken wat is dan de ultieme Keulen beleving?
Dan moet je per trein komen terwijl je luistert naar elektronische muziek want Keulen is bekend om zijn electronic music scene. Je stapt uit op station Köln Hauptbahnhof en wanneer je het stationsgebouw uit loopt vind je de Dom recht tegenover je. Vergeet niet de glas-in-lood ramen te bewonderen van de beeldend kunstenaar Gerhard Richter. Hij heeft die special voor de Dom gemaakt. Na je bezoek aan de Dom maak je een wandeling langs de Rijn. Daarna bezoek je een voetbalwedstrijd van FC Köln. Op de laatste dag van Carnaval, Rosenmontag, moet je de Carnavalsoptocht zien. Na de Carnavalsoptocht drink je in een Brauhaus een Kölsch biertje in een smal glas, een zogenaamde “Stange”.

Is er een eigen voetbalcultuur in Keulen?
Jazeker, FC Köln, is één van de grootste clubs van Duitsland. De club promoveert en degradeert voortdurend. Mijn zoon zag zijn eerste FC Köln wedstrijd toen hij vier jaar oud was. We zagen de wedstrijd in een café. FC Köln verloor en zou weer eens degraderen uit de Bundesliga. Na afloop van de wedstrijd waren de mensen in het café één seconde teleurgesteld. Twee seconden later werd er muziek gedraaid en begonnen mensen mee te zingen met de muziek. Zij vierden dat FC Köln zeker wel weer eens zal promoveren. Natuurlijk heb je in Keulen hooligans die boos zijn als FC Köln verliest, maar de meeste supporters vieren zowel het winnen als verliezen, beide zijn een reden tot feesten.

Welke rol speelt de rivier de Rijn in Keulen?
Zonder de Rijn zou de stad niet Keulen zijn. In het zuiden van Keulen, in de buurt van Rodenkirchen, zijn zandstranden, de zogenaamde Kölsche Riviera. Op warme zomerdagen is het heel verleidelijk om een plons te nemen in de Rijn. Maar er is een levensgevaarlijke onderstroom die je naar de bodem van de rivier sleurt. Je hebt geen schijn van kans. Het is daarom verboden in de Rijn te zwemmen. De Rijn is ambivalent, het heeft twee gezichten, een liefelijk gezicht en een donker gezicht.

Je noemde de buurt Rodenkirchen, zijn buurten belangrijk voor de identiteit van Keulen?
Keulen bestaat uit zogenaamde “Veedel”, een soort kleine dorpjes die alles hebben wat je nodig hebt zoals supermarkten, winkels en restaurants. Keulen bestaat uit ongeveer twaalf “Veedel”. Samen vormen ze de stad Keulen.

Waarom is Keulen niet echt een mooie stad?
Natuurlijk is er de prachtige Dom, het is het grootste sightseeing monument van Duitsland waar miljoenen toeristen op afkomen. Keulen is zwaar gebombardeerd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik denk dat toen zo’n 95% van de binnenstad is verwoest, het merendeel van de historische binnenstad is verdwenen. Na de oorlog is alles weer opgebouwd tegen zo laag mogelijk kosten. Daarom ziet de binnenstad van Keulen eruit zoals het nu eruit ziet. Maar weet je, het zijn de mensen die Keulen maken tot wat het is, niet stenen, die doen er niet toen. Behalve de Dom dan.

Hoe maken de mensen de stad Keulen?
De mensen in Keulen zijn ruimdenkend en maken meteen een praatje met je. Het kost geen moeite om met ze in contact te komen. Ze houden van hun stad. Deze liefde voor de stad hoor je in de Keulse carnavalsliedjes. Er is een nummer met de titel Hey Kölle! Du bes e Jeföhl, vertaald is dat Hé Keulen! Je bent een gevoel. Het nummer is van de Kölsch band Höhner. Dat is wat Keulen is, een gevoel, niet stenen of sightseeing attracties, maar een gevoel. Trouwens, het clublied van FC Köln is ook van de band Höhner. Het heet Mer stonn zo dir, FC Kölle. Deze muziek is Kölsch, FC Köln is Kölsch en natuurlijk heet het lokale bier Kölsch.

Wat maakt Keulen uniek?
De Duitse voetbalcoach, Jürgen Klopp, heeft eens tijdens een persconferentie, het volgende antwoord gegeven op de vraag wat voor soort coach bent u- Ik ben de normale. Dat zou je ook van Keulen kunnen zeggen. Keulen is de normale. Met uitzondering van de Dom is Keulen doodnormaal.

Neon Muzeum Warsaw

Grafisch ontwerper David Hill en fotograaf Ilona Karwinska zijn de oprichters van Neon Muzeum Warsaw. David en Ilona werden bij toeval curatoren van een unieke collectie. Wat begon als een romantische wandeling door Warschau resulteerde in een collectie van meer dan 300 prachtige neonlichten uit de periode van de Koude Oorlog. Giulia Weijerman sprak met David Hill om erachter te komen waarom deze Poolse neonlichten uit deze specifieke periode zo bijzonder zijn. Tijdens het interview viel Giulia van de ene verbazing in de andere.

door Giulia Weijerman

David, waarom ben je zo geïnteresseerd in Poolse neonlichten?
Toen ik in 2005 mijn vrouw Ilona in Londen leerde kennen, nodigde ze me uit om Warschau te bezoeken. Ilona komt oorspronkelijk uit Polen. Ze verhuisde als tiener naar het Verenigd Koninkrijk en bracht daar haar volwassen leven door. Ze wist net zoveel van de geschiedenis en cultuur van Polen als ik. Toen we door de straten en boulevards van Warschau wandelden, zag ik overal neonreclames. Ik ben van huis uit grafisch ontwerper en typograaf. Het viel me op dat deze neonlichten zo fris oogden, in lettertypes die ik nog nooit eerder had gezien. Ik vond ze fantastisch, maar niemand leek er ook maar enige aandacht aan te besteden. Ilona is portretfotograaf. Ze had net een groot antropologisch project in Syrië en Libanon afgerond en ze vroeg zich af wat ze hierna zou gaan doen. ‘Waarom ga je niet neons fotograferen in plaats van mensen?’, heb ik toen geroepen. Dat was het startsein voor een fotodocumentaire en die bracht ons uiteindelijk naar het behoud van deze prachtige, historische neonreclames. We hebben nu meer dan 300 neons in onze collectie, de eerste en grootste collectie van Europa.

Wat maakt de neons in jullie collectie zo bijzonder?
Wat ik zo fascinerend vind is dat ze zijn ontworpen binnen de strikte regels en voorschriften die destijds opgelegd werden door de staat. Grafisch ontwerpers moesten binnen deze parameters werken, er was geen ‘carte blanche’. Het was een zorgvuldig gecontroleerd medium en daarom is het zo ongelooflijk dat deze ontwerpers zulke mooie, expressieve neons hebben gecreëerd. Elk neonlicht is ontworpen voor één doel, dus voor één gebouw, één product, één dienst of één fabriek. De letters en tekens zijn uniek. Ze werden maar één keer gebruikt in een ontwerp en daarna nooit meer. Maar toen de ontwerpers van het eerste uur met pensioen gingen namen de technici het ontwerpen van ze over. Zij begonnen veelvoorkomende lettertypes als Grotesk Neue en Helvetica te gebruiken. Je zag eind jaren 80 steeds vaker neons in dit lettertype. Het deed afbreuk aan de originaliteit die de vroege stijl zo kenmerkte. De latere generatie neons hebben naar mijn mening niet dezelfde visuele- en emotionele lading.

Hoe ben je ertoe gekomen om een museum te starten?
Mijn ouders waren verzamelaars. Het verzamelen is me met de paplepel ingegoten. Voor mij was het logisch deze neon objecten te verzamelen en te laten zien aan het publiek in een museum. We vonden een ruimte in het gebouw waarin we nu al bijna 12 jaar zitten. Ilona stelde een pop-up tentoonstelling voor van een paar weken. Daarna zouden we wel zien. Onze eerste tentoonstelling was in mei 2012. Het was onderdeel van The European Museum Nights Event en we hadden een advertentie geplaatst. Er kwamen 6.000 mensen in één nacht naar ons museum! We waren totaal verrast door de positieve reactie van het publiek. We hadden negatief commentaar verwacht, de neonreclames waren symbolen van het communistische regime. Ze zijn ontworpen door de beste grafische kunstenaars, ondanks dat de communistische autoriteiten de initiatiefnemers waren van de neonisatiecampagne.

Vertelt het museum ook iets over de geschiedenis van de neons? Of ligt de focus met name op de esthetiek?
De geschiedenis van de neons is voor ons van top belang! In ons archief hebben we duizenden originele tekeningen, projectplannen en blauwdrukken. In het museum hebben we de neons voorzien van tekstlabels met informatie over de geschiedenis, de ontwerper en de locatie van het gebouw waarop de neons stonden. In de jaren vijftig waren de mensen rusteloos in Oost-Europa. Ze wilden hun vrijheid terug en herinnerden zich het leven tijdens het interbellum. De Sovjets en communisten waren bang dat ze de controle zouden verliezen. Iemand heeft waarschijnlijk tijdens één of andere conferentie in Moskou geroepen: laten we overal neons plaatsen, dan lijken de steden een beetje zoals tijdens het interbellum. In het begin waren we bang dat het publiek onze tentoonstelling zou zien als sympathie voor het communisme. Maar in de loop der jaren is de politieke bijklank afgenomen. We willen gewoon dat de mensen genieten van de esthetiek. Het is ongelofelijk dat een samenleving die zo gecontroleerd werd, zulke prachtige neons heeft voortbracht.

Verzamelen jullie alleen neons uit de periode van de Koude Oorlog?
We zijn met name geïnteresseerd in de neon designs uit de periode van 1955/56 tot het einde van het regime in 1989. Het was een initiatief van de communistische autoriteiten, het was een staatsproject en het werd geleid door een intern staatsorgaan. Dit zijn geen commerciële neonlichten en het waren geen advertenties. Het waren socialistische berichten, symbolen om ’te informeren, te vormen en te amuseren’. De staat stond geen concurrentie toe en in Polen was er maar één bedrijf dat alle productie van neons afhandelde. We zijn erachter gekomen dat andere Oostbloklanden achter het IJzeren Gordijn, ook hun eigen neonpropaganda hadden. Er was dus een lokale stijl in Polen, Hongarije had een bepaalde stijl en het voormalige Tsjechoslowakije had zijn eigen stijl.

Hoe ziet het museum er over 5 of 10 jaar uit?
Nou, veel groter. We exposeren nu 125 volledig gerestaureerde neonlichten. Maar we hebben honderden neons in opslag, wachtend om te schitteren. Sommigen zijn behoorlijk groot. We hebben bijvoorbeeld de grootste en tevens de oudste neonreclame van het voormalige Oostblok. Het is gemaakt tijdens de Stalinperiode en Stalin had een hekel aan Westerse neonreclame. Het is ons een raadsel waarom de autoriteiten een neon wereldbol met een diameter van 5 meter lieten bouwen, om die vervolgens in1950 midden in het centrum van Warschau te plaatsen. Wij hebben het origineel in onze collectie. Deze neon wereldbol moet het middelpunt worden van onze tentoonstelling, want het symboliseert de oorsprong van de neonisatiecampagne. Maar dat kan alleen in een grotere expositieruimte. We hebben momenteel zo’n 500-600 m2 aan ruimte en dat willen we graag verdubbelen. We hopen volgend jaar te verhuizen naar een groter gebouw, dichter bij het centrum van Warschau. Ons huidige publiek bezoekt ons nooit toevallig. Het zijn mensen die vastbesloten zijn onze collectie te bekijken en doen nu veel moeite om ons te vinden. Het Neon Muzeum ligt aan de oostkant van Warschau, aan de andere kant van de Vistula rivier. Het is een hele trip om bij ons te komen. Er komen nu jaarlijks 100.000 bezoekers naar het museum. Maar met de verhuizing naar het centrum van Warschau hopen we nog meer bezoekers aan te trekken.

Heb je een favoriet in jullie collectie?
De neons zijn voor ons als kinderen en we houden evenveel van ze. Maar stiekem heb ik twee favorieten. Eentje toont een grote blauwe cirkel met een elektrisch rood woord ‘Mydlła’, dat betekent zeep. Rechtsonder staat het woord ‘Farby’, dat verf betekent. Het is mijn favoriet omdat mensen altijd zo verbaasd zijn wanneer ze lezen dat deze neon gemaakt is voor zulke alledaagse producten als zeep en verf. Ze denken in eerste instantie dat het een reclame is voor een jazzcafé of een cocktailbar, omdat het er zo spectaculair uitziet. Mijn andere favoriet laat het woord ‘Syrena’ zien in oogverblindend helderblauw licht. De typografie is verbluffend mooi. Het komt uit een verlaten bioscoopgebouw in Elbląg, aan de Baltische kust. Het gebouw zou afgebroken worden en toen de slopers controleerden of er nog iemand binnen was, vonden ze stukjes van deze neonreclame. De vastgoedontwikkelaar bood aan om het volledig te restaureren en aan ons te doneren. Het was zo’n mooi, genereus gebaar. We hebben daarom een speciale verlichtingsceremonie in het museum georganiseerd voor deze neon.

Zijn er nieuwe tentoonstellingen gepland voor de nabije toekomst?
We hebben onlangs een beurs gewonnen voor de nieuwe tentoonstelling, Women Designers of Light. In deze tentoonstelling staat het werk van de vrouwelijke neonontwerpers van Warschau centraal. Eind jaren 50 en begin jaren 60 werkten duizenden vrouwen als neon buisbuigers, maar de ontwerpers waren meestal mannen. Pas later begonnen vrouwen neons te ontwerpen. Op 21 november openen we deze tentoonstelling en het is een uitbreiding van de permanente tentoonstelling van ons museum.

Neon Muzeum Warsaw

Brussel: een stad met vele gezichten

Ik ben één keer in Brussel geweest. Nou ja gestrand, is een beter woord. Ik wilde het vliegtuig nemen vanuit Brussel Airport, maar door het heftige winterweer miste ik mijn vliegtuig. Toen moest ik noodgedwongen in Brussel overnachten en ben door de straten van Brussel gaan wandelen om de sfeer van de stad te proeven. Ik snap het meteen wanneer mensen zeggen dat Brussel heel rauw is. Toen ik daar door die brede straten wandelde voelde ik me op één of andere manier niet helemaal op mijn gemak, een beetje gekkig. Ik begreep niet waar dat nou aan lag. Maar na mijn interview met de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga, ben ik de stad beter gaan begrijpen. Jip woont sinds 3 jaar in Brussel, waar zij een filmopleiding volgt aan de Brusselse kunstacademie, Sint Lucas. In dit artikel legt ze uit hoe het nou zit met die rauwe kant van deze fascinerende Europese metropool.

door Klaartje Til

Jip, wat voor stad is Brussel voor jou?
Brussel is een bijéén geraapt zooitje. Het heeft 19 gemeenten en zo’n 180 nationaliteiten. Dat maakt Brussel de meest gemixte stad die ik ken. Ik voel me daar erg prettig bij. Het boeit en inspireert mij.

Wat bedoel je met gemixte stad?
Zoals iedere stad heeft Brussel zijn cirkels met mensen. Ik merk dat die cirkels in elkaar overlopen. Mensen kennen andere mensen uit andere cirkels. Iedereen staat open voor andere kringen. Verder zie ik dat in Brussel verschillende culturen niet gescheiden worden gehouden in aparte buurten. Er zijn zoveel verschillende nationaliteiten in Brussel dat ze wel met elkaar moeten samenleven. Je kunt het niet opsplitsen omdat het een stad is die van zichzelf al zo opgesplitst is. En België is ook al zo opgesplitst. Misschien voelen de mensen zich daarom eerder thuis in Brussel omdat het niet echt een stad is van één nationaliteit. Ook al is de stad opgesplitst, het werkt wel heel erg goed als geheel.

Wat bedoel je met opgesplitst?
Brussel is niet echt een eenheid, qua taal, qua verschillende gemeenten, qua splitsing tussen Vlaams en Waals. Er wordt Frans en Nederlands gesproken, naast de diverse talen die mensen vanuit hun eigen cultuur spreken. Die Frans- en Nederlands taligheid van België splitst de mensen natuurlijk maar de echte Brusselaars voelen zich geen Vlaming of Waal. Ze komen uit Brussel en dat gaat gepaard met een bepaalde trots. Zoals ik al zei is er niet echt verdeling van de wijken. Ook niet qua welgesteldheid. Arm en rijk woont door elkaar heen. En als ik één straat verder had gewoond dan had ik me moeten inschrijven in een andere gemeente. Ik woon nog net in Brussel zelf, maar iets verderop heb je Schaerbeek, Ixelles en Saint-Gilles. Dat zijn buitenwijken die aparte gemeenten zijn die bij groot Brussel horen en allemaal hun eigen centrum hebben. Die gemeenten hebben andere regels en tradities.

Die Frans-Nederlands tweetaligheid in België lag nooit zo lekker. Is dat in Brussel ook zo?
Met name een oudere generatie Walen verwacht dat iedereen in België Frans spreekt. De jongeren zijn vaak meertalig. De Vlamingen die ik ken in Brussel spreken vaak Frans. Maar mensen afkomstig uit Brussel zelf spreken allemaal Frans èn Nederlands. Zij mengen zich in zowel de Waalse kringen als de Vlaamse kringen van Brussel. Want in Brussel is een deel van de mensen Vlaams en een deel Waals. Daarnaast heb je de expats, die wonen op hun eigen Brusselse eilandje.

Bestaat er ook zo iets als een Brussels taal?
Jazeker, meerdere zelfs. Er is zoiets als Brussels Frans en dat is heel anders dan het Frans dat in Frankrijk gesproken wordt. Dan heb je nog de Brusselse straattaal, die heeft iets heel cools met veel Frans en veel swag. Het wordt veel gesproken door jongeren. Verder is er een heel ouderwets soort Brussels dat alleen door de Brusselaren wordt gesproken, maar nauwelijks meer te horen is in de stad. Het is echt een taal van vroeger en het heeft iets volks.

Als je door Brussel loopt wat straalt de stad met zijn gebouwen en publieke ruimtes uit?
Het eerste wat in me opkomt is: verlepte rijkdom. Er zijn veel mooie gebouwen, maar die zijn zo slecht onderhouden. Je ziet veel grijs en op een grijze dag is de stad extra grijs. Maar ook hierin is Brussel een stad vol variatie. Je merkt de mengelmoes ook qua gebouwen. In Brussel staan verschillende bouwstijlen pal naast elkaar. Er zijn veel prachtige Art Nouveau gebouwen te bewonderen in het centrum van Brussel. De kunstacademie St Lucas zit in een oud kasteel en in Molenbeek staat veel nieuwbouw. Wat ook opvalt als je door Brussel loopt, zijn de grote muurschilderingen van controversiële, seksueel getinte taferelen.

Je noemde ze al, de mensen die uit Brussel zelf komen, de Brusseleers. Wat typeert een Brusseleer?
Bier drinken en lekker naar cafeetjes gaan tot diep in de nacht. Alle cafés sluiten op een bepaald uur. Voor het oog lijken sommige cafés gesloten omdat bijvoorbeeld de gordijnen dicht zijn. Maar achter de dichte halve gordijntjes zijn ze gewoon open tot in de kleine uurtjes. Je moet lang op het raam kloppen en je hand omhoog steken boven die halve gordijntjes. Dan komen ze de deur opendoen en kun je naar binnen. Daar vind je de Brusseleer nog om 7 uur in de ochtend, rokend, kletsend en drinkend.

En vind je er ook cafés vol met muurschilders?
Ik denk dat de kunstenaarsscene wel groot is, maar je merkt niet dat die aanwezig is. Er is een techno scene in Brussel maar die is underground. Sowieso is Brussel niet een stad waar de clubs het podium vormen voor dik feesten. De tofste feesten zijn vaak eenmalig georganiseerd of eens per jaar. Wat in Brussel heel groot is, is de hip-hop scene. Die rappen Brussels. De hip-hop jongeren zijn heel modieus: cool, urban hip-hop achtig met veel nineties invloeden en weinig onderscheid in stijl tussen jongens en meisjes. Ook dat hoort echt bij Brussel. Jong zijn en lekker op straat rondhangen, pintjes halen bij de nachtwinkel, geluidsboxjes op de achtergrond met hip-hop, Frans-Nederlands praten, tot heel laat in nacht wanneer iedereen dan altijd dronken is.

Heeft Brussel ook zijn eigen held, zoals Amsterdammers bijvoorbeeld hun André Hazes hebben?
Ja, Jacques Brel. Er staat een standbeeld van hem in de buurt van Manneke Pis. Zijn muziek voelt zoals Brussel voelt: stoffig, Frans, Bourgondisch, vol romantiek en grauw. Een mix van dat alles. Somber, verdrietig en romantisch.

Ik vind Brussel rauw overkomen, waar ligt dat aan denk je?
Het voelt rauw omdat het een samenhang is van verschillende culturen en talen. Er is wanorde en weinig structuur maar dat maakt het ook open-minded. Het feit dat alles samensmelt en tegelijkertijd heel erg verdeeld is. In dat contrast zit, denk ik, het rauwe.

Foto: CHAP 14 van Dourone voor Le Mur Brussels

Volgens Camilla Lonis is het sleutelwoord voor Los Angeles cultuur. Autocultuur, tatoeagecultuur, straatcultuur, muziekcultuur, geïmporteerde cultuur- die palmbomen maakten oorspronkelijk geen deel uit van het straatbeeld van Los Angeles. Camilla legt Klaartje Til uit wat Los Angeles zo bijzonder maakt.

door Klaartje Til

Bij Los Angeles zie ik voor me: glitter, glamour, Hollywood, showbizz en overal celebrities. Is dat ook echt zo?
Als je hier woont is het vrijwel onmogelijk om niet via-via in aanraking te komen met een beroemd persoon. De glitzy glamour Hollywood Hills lifestyle is zeker Los Angeles. Los Angeles heeft heel veel buurten en die verschillen allemaal van elkaar. Samen vormen ze Los Angeles. Echo Park en Silver Lake bijvoorbeeld zijn buurten waar je mensen op straat ziet lopen die volledig gekleed zijn in jaren 70 outfit. Dat is hun dagelijkse outfit. Rij je een stuk verder, dan kom je in een wijk vol Mexicaanse cultuur, daar eet men voornamelijk taco’s en overal zie je graffitikunst.

Wat merk je nog meer van de Mexicaanse invloeden in Los Angeles?
LA ligt dicht bij de Mexicaanse grens, je kunt zo naar Mexico, een prachtig land. Maar de grens met Mexico is ook een plek waar mensen opgepakt worden en worden vastgezet, omdat ze geprobeerd hebben illegaal Amerika binnen te komen. Omdat het dicht bij de grens ligt, heeft LA programma’s lopen waardoor mensen die hier illegaal zijn alsnog hier kunnen leven. Ze hebben geen papieren, geen social security number, maar kunnen dan wel een beroep doen op de gezondheidszorg. Zij kunnen bijvoorbeeld ook nog steeds hun rijbewijs halen.

Waar komt die solidariteit vandaan, denk je?
Een groot deel van de bevolking in LA heeft een Mexicaanse achtergrond. Je laat een stad slecht functioneren, als je niet een beetje meegevend bent.

Wat is de reputatie van Los Angeles binnen en buiten California?
Een stad waar iedereen in yoga kleding rondloopt, waar iedereen sterallures heeft, super arrogant is en waar verder 0,0 cultuur is. Mensen die hier op vakantie zijn bezoeken de bekende bezienswaardigheden. Ze gaan naar Hollywood Boulevard om de Walk of Fame te zien. Daar zijn ook heel veel zwervers. Ze zien het grote contrast tussen arm en rijk en dat is confronterend. Ze bezoeken Beverly Hills en zien daar de overdreven luxe en Rodeo Drive met zijn intense merkvertegenwoordiging. Maar dat zijn niet de dingen die LA maken.

En wat maakt LA dan? Hoe kan ik daarachter komen als ik ooit een bezoek breng aan Los Angeles?
Dan moet je heel Sunset Boulevard afgaan. Dat is een enorm lange straat die dwars door verschillende buurten loopt. Je start bij het strand, richting Hollywood. Je rijdt langs de Hollywood Walk of Fame en komt vervolgens in Los Feliz, een wat kalmer buurtje. Daarna kom je in de hipster buurten Silverlake en Echo Park en rij je door naar Down Town LA. Je pakt zo alle buurten mee. Ik rij soms die straat af puur voor de lol, want het is prachtig. Ik denk dat het ook belangrijk is om kennis te maken met East LA, dat is het oudste gedeelte van Los Angeles vol Mexicaanse cultuur. South LA is ook heel anders. Het is meer uitgestrekt, totaal niet toeristisch en boordevol cultuur. En natuurlijk is het strand belangrijk in Los Angeles. Ik hou heel erg van Malibu, waar je ook goed kunt hiken.

Hebben heel veel rappers het niet over het strand van Malibu?
Weet je, als je hier eenmaal woont kom je erachter dat over elk deel van LA gerapt wordt (lacht).

Waarom is juist rap zo groot in LA?
Veel beroemde rappers zijn hier opgegroeid. Misschien heeft het ook te maken met de gangcultuur in LA. Dat zijn niet een paar groepjes mensen die voor de lol gezellig ergens rondhangen. Zij opereren op hun eigen manier en daar zijn bepaalde regels voor. Het is een andere manier van opgroeien, het is wat groffer. Ik denk dat je dan ook meer creativiteit, vrijheid en de noodzaak voelt om jezelf te uiten. In LA gebeurt dat vaak met rap en graffiti.

Is Los Angeles een culinaire stad?
De eetcultuur is erg goed, maar je moet wel weten waar je moet zijn. Er zijn oneindig veel fantastische Mexicaanse restaurants. Verder zijn foodtrucks een belangrijk deel van de eetcultuur. Vaak zijn er food- en cocktailtrucks in straten waar ook al veel restaurants zijn. Je loopt dan op straat en haalt hier een food-fill, daar een taco en verderop een cocktail bij één van de trucks. Het is allemaal heel losjes. Er zijn ook uitersten want LA heeft heel veel super chique restaurants. Zij serveren daar kleinere porties en zijn prachtig aangekleed.

Hoe noem je een typische LA-er?
Een Angelino en een Angelina. Je moet ballen hebben om er eentje te zijn. Of je nou LA native bent, of je komt hier wonen, je moet je hard maken voor iets. Dat is natuurlijk in elke grote stad zo. Maar deze stad is meer uitgestrekt, je moet het zelf naar je zin maken. Als jij niet stevig in je schoenen staat, vind je je draai niet in LA. Ook al ben je hier geboren en getogen, dan nog moet je vechten voor waar je in gelooft. Angelino’s en Angelina’s hebben veel meegemaakt, zij schrikken nergens van terug. De sfeer die in LA hangt is echt elektrisch, er is hier zoveel te doen en er gebeurt hier zoveel.

Het klinkt als elektrisch, gepassioneerd en gemotiveerd.
Als je wat wilt bereiken in LA moet je keihard werken. Er is veel competitie. Uit alle delen van Amerika en de rest van de wereld komen mensen naar LA. Het is een mengelmoes van mensen die allemaal graag wat van zichzelf willen maken. Je moet carrière georiënteerd zijn en dan nog komen sommige mensen van een koude kermis thuis.

Waaraan merk je dat iemand uit LA komt?
Aan het respect voor de cultuur die hier al bestaat. Het gaat puur om de manier waarop men hier met elkaar omgaat. Ik zie vaak bij mensen die hier net zijn dat ze anders spreken tegen zwervers en daklozen. Ze hebben ook minder respect voor het feit dat mensen hier bewapend kunnen zijn. Angelino’s en Angelina’s erkennen dat er een cultuur is waarin respect afdwingen belangrijk is. Dat uit zich in heel genuanceerd gedrag, dat je uit respect aan elkaar toont.

Rotterdam-hotelvakantie in eigen stad

Om te ontdekken hoe een hotelvakantie in eigen stad voelt, boekte ik een natuurhuisje op een eiland in de Bergse Plas in Rotterdam: de Island Cabin. Nu wil het dat mijn vriend Jim en ik vorige maand naar een dorp net buiten Rotterdam verhuisd zijn. Technisch gezien is Rotterdam niet meer onze woonplaats, maar dat mag de pret niet drukken. De Maasstad voelt nog steeds als ónze stad, en na drie maanden verbouwen, verhuizen en weer verder verbouwen zijn we best toe aan een uitje. Island Cabin is niet voor één nacht te boeken dus boekten we er twee. We mogen er maandag vanaf 16.00 uur in en op woensdag moeten we om 12.00 uur weer weg zijn. Na een vroeg aangevangen thuiswerkdag krijgen we bericht dat de cabin al schoon is en dat we ook iets eerder mogen komen. We ronden snel ons werk af, lunchen wat en gaan onze spullen pakken. We moeten woensdagmiddag allebei weer acte de présence geven op kantoor- en bijbaan. Laptops en toebehoren gaan dus mee in de meest waterdichte rugtas die we hebben. Omdat we niet lang weg zijn, denken we dat het allemaal gaat passen in twee tassen. Dat is fijn, want onze heenreis mag kort zijn, ze eindigt met een heel bijzonder vervoersmiddel. We gaan overnachten op een eiland en daar komen we… per waterfiets!

door Zwaantje van Klaveren

Niet al te veel meenemen is dus het devies. We beginnen met inpakken. Een set schone werkkleren, een zooitje ondergoed en sokken, tandenborstels en douchefris: het hoeft allemaal niet veel ruimte in te nemen. Oh ja, de verrekijker gaat natuurlijk mee. Laten we ook een paar Donald Duckies in de tas steken. Goed, toch ook een leesboek. En ik kan mijn tekenspullen ook niet thuislaten, het schijnt daar prachtig te zijn. Opladers mee? Ja, opladers mee. Oh, misschien de EHBO-etui, je weet maar nooit. Hebben we een spelletje? Pak de yahtzeebeker maar, die is lekker klein. Zijn we er zo? Oh ja… nee dus. De boodschappen. We hebben geen idee hoe het waterfietsen gaat, dus we willen alles in één ruk meenemen. We baseren wat we willen eten en drinken deels op hoe makkelijk het te vervoeren is. Rond half drie staan we minder licht bepakt dan de bedoeling was te wachten op de metro: de twee rugtassen, én twee linnen boodschappentassen vol. Ik biecht op dat ik voor de zekerheid een tweede fles wijn in mijn tas heb gestoken. Mijn vriend begint te lachen: “Ik ook!”
Bij Centraal Station aangekomen, komt de tram aangereden wanneer wij aan komen lopen; dat zit niet tegen! In een mum van tijd stappen we weer uit. We lezen de instructies nog eens door: daar rechtdoor, daar naar rechts, door het hek de steiger op. We zien de waterfiets dobberen onder een oude treurwilg. Het regent al dagen af en aan, en donkere wolken trekken ook nu weer samen. Hoewel de eigenaar nog even heeft staan hozen in de waterfiets voor onze aankomst, ben ik blij dat ik twee lege plastic tassen in mijn zak gestoken heb. Na een beetje gewiebel en geschipper zitten we, met tassen en al, in de waterfiets. De bips droog op het plastic, de voeten op de pedalen – en daarmee de knieën enigszins in de buik gedrukt, we zijn allebei lang van stuk en stevig van bouw. Dat geeft trouwens niets, het fietsen gaat vlot en voor we het weten zijn we bij de plaats van bestemming aangekomen.

Alles is tiptop geregeld. Duidelijke route-, aanmeer- en sleutelinstructies zorgen ervoor dat we vlak voor de volgende bui binnen staan. We zijn meteen onder de indruk. Iedere vakantiehuiseigenaar zegt natuurlijk op de website dat het huisje smaakvol is ingericht, van alle gemakken voorzien en dat het uitzicht schitterend is, maar dat dat in dit geval echt waar is staat buiten kijf. De langgerekte, zwartstalen keuken heeft een lange houten bar met bruinleren bank erachter, en mondt uit in een lederen loungehoek met houtkachel. De lange zijde van het huisje bestaat bijna helemaal uit glas. We kijken uit over de houten vlonder, waar we banken, stoelen, een hangmat en een pizza-oven ontwaren. Overal staan planten. Island Cabin is stoer, sfeervol en met oog voor detail ingericht. Binnen ontdekken we een beamer met scherm, we zetten een muziekje aan en zien dat er ook een fles wijn voor ons klaarstaat – de vierde dus, dat belooft wat. Zodra de boodschappen in en om de koelkast opgeborgen zijn verkennen we de slaap- en badkamer. Daarna schenken we onszelf een glaasje in en genieten van het uitzicht. Als je hier in de lente of zomer bent, kun je de schuifpui meters ver opentrekken en verleng je de ruimte met de hele vlonder. Wij genieten vandaag toch liever vanachter het glas. Het is hier behaaglijk. De grauwe ganzen, kuif- en wilde eenden zwemmen af en aan. Een stel merels lijkt een nest te bouwen in een boom verderop, roodborsten en allerhande mezen verkennen het terrein. Een groepje brutale halsbandparkietjes inspecteert de boel even, er worden wat pinda’s gepeuzeld. Goed idee, wij trekken ook een zak nootjes open.

Uitkijkend vanaf de vlonder zien we de Straatweg in de verte, maar we zien vooral veel stadsnatuur – zelfs in de winter is het hier heel groen. Vanaf andere huisjes varen af en toe motor- en roeibootjes op en neer. Bij de cabin ligt een sloep, die is te huur, maar wij houden het bij de waterfiets. Het is geen weer voor lange boottochten en bovendien zijn we hier maar kort. Terwijl het langzaam donker wordt, genieten we van de lampjes die aangaan in de verte. Heel soms hoor je een vliegtuig, en als je erop let kun je buiten de snelweg horen. Toch voelt het alsof we helemaal weg zijn uit de stad en alleen op de wereld zijn. In de verte branden feestelijke lampjesslingers en zien we een mooie fontein. De grauwe ganzen laten af en toe gakkend weten dat ze er nog zijn. We steken de haard aan en bakken pannenkoeken. Omdat het vakantie is trekken we nog een flesje open. We nestelen ons in de loungehoek, het voelt een beetje als een zitkuil – in onze optiek het hoogste compliment dat je een zithoek kunt geven. We besluiten een film aan te zetten. Het vuur zorgt voor extra warmte en sfeer. Het is genieten. We kletsen nog wat, en zoeken dan ons bed op.

’s Morgens is het heerlijk wakker worden: door de smalle ramen naast ons hoge bed zien we de zon opkomen. De vogels op het water laten ook duidelijk horen dat ze er zijn. We mikken wat broodjes in de oven, bakken een eitje en zetten een lekkere bak koffie – die laatste trouwens door de cabin voorzien. Het ontbreekt ons aan niets. Jim moet vandaag nog een stukje vanuit huis, nou ja, de cabin dus, werken. Hij wil daarom om 9 uur even inbellen. We besluiten dat dat ook best vanaf het water kan. We vegen met een handdoek de stoelen in de waterfiets droog en trappen de plas op. Wat een uitzicht, we hebben zelfs even een waterig zonnetje in het gezicht. De collega’s lachen verbaasd: “Jim, waar zit jij nou?!” “Oh, ik zit met Zwaantje op een waterfiets, op de Bergse plas. Hoezo?

Het is droog en niet al te koud, de zon piept af en toe door de wolken. We besluiten om met de waterfiets naar de kade te gaan en een rondje om de Bergse Achterplas te wandelen. We wandelen Hillegersberg door. Het is even wennen, want je bent ineens weer vanuit de natuur in de stad. Maar wij komen hier niet vaak, en het is leuk om dit stuk van Rotterdam weer eens te zien. Al slingerend lopen we de plas om. Ondanks dat we het gebied kennen, voelt dit als een stadswandeling op vakantie. Tevreden komen we weer bij de waterfiets aan. Eenmaal aangemeerd pakken we een zoutje en drinken we een glaasje. Het is ook wel weer heel lekker om terug te zijn. De avond laat zich samenvatten met de woorden lanterfanten, uitrusten en genieten. Er is niet veel meer te doen dan naar buiten kijken; wanneer de zon verdwenen is, kijken we naar de vlammen van de houtkachel. We keuvelen wat, luisteren muziek, kijken een aflevering 2 voor 12 terug… Tevreden kruipen we ons mandje in.

We worden wakker tijdens de Slag om de Bergse Achterplas: de Nijl- & Canadese ganzen vechten luidkeels om de eer en glorie van de veenplas. Wij moeten helaas na het ontbijt onze spullen alweer pakken. We rekken ons verblijf zo lang we aandurven. We moeten om 12 uur weg zijn, maar pakken om 11 uur de waterfiets. Straks gaat er nog wat mis, het blijft spannend! Dat was niet nodig, blijkt achteraf. We blikken terug op een fijn verblijf. De waterfiets bracht ons op de heenweg in één keer in de vakantiestemming, op de terugweg blijft het vakantiegevoel gelukkig ook nog even hangen. In een ander seizoen zou een korte vakantie hier nog leuker zijn: het water op of in, iets meer van de buitenlucht genieten. Normaal gesproken zijn wij meer kampeerders, of boeken we een eenvoudige kamer op fietsvakantie of andere doorreis. Dit verblijf was een stuk kostbaarder, maar dat was het dan ook wel waard. Je bent echt even helemaal weg. En de vakantiefoto’s op de waterfiets zijn nu al legendarisch. We hebben ons geen moment verveeld.

POM Magazine Instagram

Utrecht- hotelvakantie in eigen stad

Wanneer wordt een hotelovernachting nou zo’n mooie beleving dat het verblijf zelf een ware vakantie is? POM Magazine redactieleden gingen op zoek naar het antwoord met de volgende opdracht: vind een hotel in je eigen stad, boek een kamer voor één nacht, check zo vroeg mogelijk in en zo laat mogelijk uit. Verlaat in de tussentijds het hotel niet en kijk hoelang het duurt voordat je je gaat vervelen. In deze serie namen we in drie Nederlandse metropolen, een hotel onder de loep. Anke Verbeek vertelt in het tweede artikel van deze serie over haar hotelbeleving. Anke woont in Utrecht en samen met haar partner was ze te gast in Hotel BUNK Utrecht.

SLAPEN IN EEN KERK
Hotel BUNK Utrecht zit in een oude kerk midden in het centrum, maar de sfeer in BUNK is allesbehalve kerks. De stemming is luchtig en expressief. Overal in het gebouw vinden we op muren en deuren ludieke oneliners. Verder hangt BUNK vol popart kunstwerken met bijbehorende tekstbordjes waardoor het voelt alsof je een tentoonstelling bezoekt. BUNK zet de klassieke elementen van de kerk naar eigen hand. Het licht valt door de glas-in-lood ramen op de bonte inrichting en het kerkorgel hangt als pronkstuk in de eetzaal. De BUNK-ervaring is überhaupt erg instagrammable en lijkt de droom voor influencers en social media fanaten. De medewerkers zijn supervriendelijk en komen meteen naar je toe om je te helpen tijdens het inchecken en het bestellen in de bar en het restaurant. Er wordt rekening gehouden met Gen-Z gasten, je kunt bijvoorbeeld digitaal inchecken via een zelf-incheckbalie.

BUNK BIEDT SPEELSHEID EN HUMOR
De gasten worden aangemoedigd om een #BUNKetlist te maken, met dingen die je altijd al in een hotel hebt willen doen, zoals kamernummer bingo of een kussen-schreeuw sessie. Verder organiseert BUNK tentoonstellingen, lezingen, poëzieavonden, cabaret, lichtinstallaties, livemuziek, filmvertoningen en soms een expositie van een artist-in-residence. Mijn partner en ik kwamen speciaal voor een Jazz concert van de band Bob Roos, die optrad in het restaurant tijdens het diner. Het motto van het BUNK Restaurant is trouwens, “Voor ons menu vliegen we de hele wereld over”. Dat was niet gelogen, op het menu staan oneindig veel opties aan vlees-, vis-, en vegetarische gerechten uit diverse wereldkeukens. Elk gerecht heeft een eigen twist, met net een ander ingrediënt of andere manier van opdienen, maar alles blijft lekker toegankelijk. Alle gerechten hebben een vega of vegan versie. Speelsheid en grapjes vonden we ook op de menukaart zoals het gerecht: SEND LOVE TO KITCHEN -unlimited $ 0.00. Het koffie kopje is net zo ludiek. Wanneer je het kopje leeggedronken hebt, kun je op de bodem “hi pretty” lezen. De gasten wordt een tafel toegewezen: een chique versie van een lange picknicktafel waar we mochten plaatsnemen naast andere hotelgasten. Het is een concept waar ik fan van ben. Het geeft een huiselijke sfeer helemaal als de hotelkat zomaar gezellig bij je komt zitten. Alle tafels zaten vol. Door de inrichting, de kleuren, de kaarsjes en de Jazz act was de sfeer heel warm.

WAS ER EEN FATSOENLIJKE BAR?
Jazeker, met allerlei wijnen, bieren en cocktails. De bar kwam ‘s avonds tijdens het diner en concert helemaal tot leven. Op de derde verdieping is een mooie loungeplek op een balkon dat uitkijkt op het grandioze orgel. Hangend over de reling konden we bijna het hele hotel zien met zijn bezoekers en gasten. Wat ons opviel is dat het publiek zo’n beetje om de paar uur verandert. Toen we ‘s middags incheckten voerden Utrechtse flexwerkers de boventoon. Een paar uur later maakten ze plaats voor Europese reizigers. Aan onze linkerkant dineerden bijvoorbeeld twee Spaanse vriendinnen en rechts van ons een Engels gezelschap. De sfeer is levendig, casual-chique en gelukkig vol ontspanning en plezier, afgezien van het business etentje verderop in het restaurant.

HOE LANG DUURDE HET VOORDAT JULLIE JE GINGEN VERVELEN?
We checkten om drie uur ‘s middags in en hadden om acht uur het diner met Jazz concert gepland. In de tussentijd konden we het hotel ontdekken, drankjes drinken en een beetje loungen, maar dat was net niet genoeg om de tijd te vullen. Het hotel wordt in de middag vooral gebruikt door flexwerkers, waardoor je niet zo snel in een relaxte mood komt. We voelden ons bijna schuldig dat we niet aan het werk waren. Ik vond het jammer dat je niet naar een spa kon gaan, sporten of buiten terrassen. De kunsttentoonstelling hadden we snel bekeken en ons Jazz concert was meer voor de sfeer hoewel BUNK ook grote popconcerten organiseert, waarbij het restaurant verandert in een concertzaal. Het personeel vroeg aan ons wat we nog gingen bezoeken in Utrecht. BUNK lijkt meer gefocust op gasten die activiteiten plannen buiten het hotel. We hebben genoten van het kerkhotel met entertainment, zalig eten en een goede bar, maar er was net niet genoeg beleving voor een dagvakantie in eigen stad.

POM Magazine Instagram

Amsterdam- hotelvakantie in eigen stad

Wat is eigenlijk een hotel? Het is een gebouw waar je kunt overnachten. Het heeft meestal een restaurant, roomservice, receptionisten, een bar en een ontbijtkamer. Maar, wanneer wordt een hotelovernachting nou zo’n mooie beleving dat het verblijf zelf een ware vakantie is? POM Magazine redactieleden gingen op zoek naar het antwoord met de volgende opdracht: vind een hotel in je eigen stad, boek een kamer voor één nacht, check zo vroeg mogelijk in en zo laat mogelijk uit. Verlaat in de tussentijds het hotel niet en kijk hoelang het duurt voordat je je gaat vervelen. In deze serie namen we in drie Nederlandse metropolen, een hotel onder de loep. In het eerste artikel van deze serie vertelt Polly Parker over haar hotelbeleving in Amsterdam.

HOTEL JAKARTA AMSTERDAM
Achter het Amsterdamse Centraal Station, midden op het IJ ligt het Java Eiland. Het is een plek met een maritieme geschiedenis want tot de jaren ’70 voerden oceaanstomers hier af en aan. Daarna werd het een haven voor kunstenaars, hippies en krakers. Nu schittert Hotel Jakarta op dit bijzondere eiland, een gebouw van glas en staal in de vorm van een taartpunt. Door de vorm heeft het vanbinnen veel weg van een schip. Op elke etage komen de kamers uit op een galerij die uitkijkt op een binnentuin vol tropische planten en palmbomen die reiken tot de tweede etage. Alle galerijen eindigen in de “punt van de taart” waar je lekker kunt zitten in comfortabele fauteuils met uitzicht op het IJ en de binnentuin.

LOPEN IN DE TROPEN
Ik had een arrangement geboekt met de mooie naam “Lopen naar de tropen” inclusief één overnachting, een uitgebreid ontbijt, Indische rijsttafel in Café Jakarta en parkeren in de garage onder het hotelpand. Ik kwam met de auto en was blij dat er veel ruimte is vlak voor de hotelingang om even te parkeren, zodat ik kon inchecken en een parkeerkaart bij de receptie kon ophalen. Nadat ik mijn bagage naar de kamer had gebracht, ben ik op onderzoek uitgegaan in het hotel. Het was een warme meidag en wat opviel was dat er nergens in de gemeenschappelijke ruimtes airconditioning aanstond. Hotel Jakarta heeft een enorm glazen dak met panelen die tegen elkaar opengezet stonden waardoor er een aangename milde bries in het hele gebouw stroomde.

HOTEL JAKARTA HEEFT EEN IN-HOUSE BAKKERIJ
Op de begane grond vond ik Bakkerij Westers waar hotelgasten, maar ook buurtbewoners brood en gebakjes kunnen kopen. De bakkerij heeft in het hotel een lunchroom waar je koffie, thee, taart en sandwiches kunt bestellen. Ik nam thee en een gebakje dat er prachtig uitzag. Ik mocht zelf de thee samenstellen. In een hoek stonden enorme flessen en waar je theeblaadjes “kon tappen” in een stoffen theezakje. De thee was van uitstekende kwaliteit en er was voldoende keuze. Alles werd geserveerd in modern Delftsblauw servies. Na mijn theepauze wandelde ik door de ellipsvormige binnentuin dat een soort mini oerwoud is met tropische planten. Alle hotelkamers kijken uit op de binnentuin waardoor het lijkt alsof je op een luxe schip bent. Alleen kijk je niet uit op een zwembad maar op een oerwoud.

WELLNESS CENTER EN ZWEMBAD
Maar Hotel Jakarta heeft zeker een zwembad. Het ligt op de eerste etage en het heeft een glazen binnenmuur. De zwemmers kunnen door die muur het tropisch oerwoud zien en aan de andere kant het IJ. Overal staan ligstoelen die allemaal uitkijken op het water waar de schepen voorbijvaren. Het is een smal zwembad maar lang genoeg om baantjes te trekken. Het Wellness Center is ook op de eerste etage met toegang tot het zwembad, de sauna en de beautysalon. Ik had een rug behandeling geboekt van anderhalf uur. Het Wellness Center heeft hetzelfde interieur als de rest van het hotel, maar het is er wel een beetje klein. De behandelruimte vond ik wel weer ruim en de behandeling was uitstekend.

CAFE JAKARTA
Na mijn bezoek aan de beautysalon ging ik even naar mijn kamer om me om te kleden voor het diner in Café Jakarta, een groot restaurant met een enorme bar en een open keuken. De Indische rijsttafel was smakelijk, maar erg mainstream. Als liefhebber van Indisch eten mochten van mij de kruidenmixen in de rijsttafelgerechtjes meer eigen signatuur hebben. Maar ik begreep dat de chef de smaken zo toegankelijk mogelijk moet houden, toen ik zag hoe een Duitse dame aan de tafel naast mij, een weifelende blik wierp op haar bord met Rendang Daging en de ober vroeg wat het eigenlijk voor gerecht was dat ze had besteld. Gelukkig staan er ook Westerse gerechten als zalm, oesters en entrecote op het menu. De lokale gasten waren smaakvol geklede eindtwintigers en dertigers die met hun date chique wilden dineren, want de entourage van Café Jakarta is chique. Verder veel jonge Oost-Europese gasten die er mooi en stijlvol uitzagen. De groepjes Duitse en Engelse toeristen (Busreis? Cruise?) een paar tafeltjes verderop daarentegen zagen er in hun gekreukte kleding uit alsof ze aan het kamperen waren. Tip beste mensen: hoe meer je je best doet om er verzorgd uit te zien, des te hartelijker worden de obers. Grenzend aan het restaurant ligt aan het water een breed buitenterras waar je na het diner kunt genieten van je koffie of aperitief. Maar ik heb geen koffie op het terras genomen want ik ging op zoek naar de Skybar.

SKYBAR MALABAR
In de “punt van de taart” op de achtste verdieping zit Skybar Malabar. Ook hier veel hout en glas. Je kunt de lichtjes van de gebouwen aan de overkant van het water zien met in de verte het oude Amsterdam, terwijl aan de andere kant de lichtjes van Amsterdam Noord schitteren. Voornamelijk gesoigneerde veertig plussers kwamen hier nog even wat drinken. Ik denk dat op vrijdagavond en in het weekend meer jonge mensen komen. Maar er heerste die maandagavond een leuke vibe. Malabar serveerde veel cocktails met combinaties aan ingrediënten die ik nooit eerder op een drankkaart heb gezien (saté cocktail?). Ik heb net op internet even de drankkaart gecheckt en gelukkig staan er nu wel cocktails op die me lekker lijken. Maar tijdens mijn verblijf trokken het mij niet aan. In plaats daarvan heb een glas champagne genomen, aan champagne kun je geen buil vallen.

HOUTSNIJWERK!
Mijn hotelkamer had houten wanden en een houten plafond. Verder was er een open badkamer, een aparte wc en een garderoberuimte. De slaapkamer kon afgesloten worden van dit alles met een schuifpaneel waarin een groot houtsnijwerk van een Indonesische danser te zien was. Ook de nachtkastjes hadden houtsnijwerk in de schuiflades. In de hele kamer voerde de kleur beige de boventoon, van vitrages en overgordijnen tot de bekleding van de zitbank. Verder was de kamer goed geëquipeerd. Er was een strijkijzer, een föhn, een espresso apparaat, een waterkoker, een kluis, badjassen, slippers en twee plastic halve liter flessen met water. De waterflessen met Delftsblauw decoratie mocht je als souvenir meenemen, ik gebruik ze nog steeds. Mijn kamer had een balkon dat volledig met glas was afgeschermd want het waait non-stop op het Java Eiland.

HEB IK ME VERVEELD TIJDENS MIJN VERBLIJF?
Ik checkte in op een maandag om 16:00 en de volgende dag checkte uit om 12:00. Hotel Jakarta is een lounge hotel, overal kun je chillen. De kracht van dit hotel zit ‘m in de architectuur van het gebouw dat optimaal gebruikmaakt van het uitzicht. Of je nu wandelt door de binnentuin, ligt op een massagetafel of ergens zit in een fauteuil, op een saunabank of in een ligstoel- overal kun je genieten van een adembenemend uitzicht. Zelfs tijdens het baantjes trekken in het zwembad. De hotelmedewerkers zijn behulpzaam en door de inrichting, het eten en de binnentuin waan je je in Indonesië, even weg uit je eigen stad. Heb ik me verveeld? Geen seconde.

 

POM Magazine Instagram

ANIMA

Anna Witte en Josefien van Kooten zijn het regisseursduo die de Rotterdamse haven onder de loep hebben genomen voor hun documentaire ANIMA. Ze kennen elkaar sinds hun jaren aan de kunstacademie en werken regelmatig aan gezamenlijke projecten, o.a. aan de documentaire ANIMA. POM Magazine’s Klaartje Til vroeg het duo wat het Rotterdamse havengebied zo bijzonder maakt.

door Klaartje Til

Wat is jullie connectie met de Rotterdamse haven?
Josefien
Als je vanuit Brabant naar Rotterdam rijdt kom je langs het havengebied. Je ziet het van een afstand. Anna woonde destijds in een gebouw vlakbij de Erasmusbrug, direct aan het water. Als ik daar was zag ik de hele tijd gigantische schepen voorbijkomen. De haven heeft een aantrekkingskracht. Er hangt de magie van een mechanische wereld.

Anna
De haven is visueel en indrukwekkend. Het is een exotische wereld die vlakbij is en tegelijkertijd heel ontoegankelijk. Dat geeft aantrekkingskracht en als documentairemaker wil je naar plekken waar je doorgaans niet kan komen.

Wat was het moment dat jullie geïntrigeerd raakten in de Rotterdamse haven?
Anna
Dat was op het Maasvlaktestrand. Het is een mooie plek, je ziet er regelmatig zeehonden en bruinvissen. Op één van die momenten dat ik daar was liep er opeens een groep Aziatische mannen over de duinen naar het strand. Ze hadden allemaal dezelfde witte pakken aan. Een paar mannen trokken die pakken uit en gingen in hun onderbroek het water in. Enkelen gingen gewoon met kleren en al het water in. Dat beeld raakte me. Ik begreep pas later dat het zeelui waren die waarschijnlijk na een lange tijd op een schip te zijn geweest, door iemand met een busje naar het strand zijn gebracht. Ik kreeg een inkijk in iemands leven, wat het voor iemand betekent om even vrijheid en misschien wel verbondenheid met de natuur te ervaren. Ik ben dat beter gaan begrijpen toen wij al in de haven kwamen voor onze film. Op die schepen en in de haven is heel veel geluid. Vergeleken met de schepen en machines ben je heel klein. Dat is ook waar we de film over wilden laten gaan. Toen ik het verhaal van die mannen op het strand aan Josefien vertelde begonnen we ons af te vragen: Wat is dit? En wat is dit voor ons?

Josefien
Ik was geïntrigeerd door het beeld van de mannen die zo’n intense vrijheid ervaarden, waarschijnlijk doordat ze een hele tijd omringd waren geweest door machinerie. Op een gegeven moment besloten we de film te maken over de haven, met de wetenschap dat het niet makkelijk zou zijn om daarbinnen te komen, en dat was ook zo.

Jullie geven aan dat het heel moeilijk is om het havengebied binnen te komen. Kunnen jullie daar iets over vertellen?
Anna en Josefien
We zochten mensen die binnen het havengebied werken, want dat wilden we onderzoeken. Uiteindelijk hebben we een sjorder (red- iemand die containers met klemmen, spanners en zware stangen op het schip vastzet) gevonden die zelf ook fotografeert en openstaat om mensen te helpen. Zelfs met zijn hulp was het lastig. We zijn vasthoudend geweest en uiteindelijk hebben we bij APM Containerterminal toestemming gekregen om te filmen. Het heeft meer dan een jaar geduurd eer we daar één keer, één dag mochten komen om te filmen. We hebben het ook bij andere terminals geprobeerd, maar tevergeefs. Maar het is ons wel gelukt om op een paar schepen te komen, via Seafarers Mission, The Bridge uit Oostvoorne.

Wat is de Seafarers Mission?
Anna en Josefien
Het is een organisatie van vrijwilligers die langs schepen gaan om de zeevarenden telefoonkaarten te brengen, of om ze op te halen en naar het dorp te brengen waar ze boodschappen kunnen doen en een borreltje drinken. The Bridge werkt samen met havenpastoors- en havenpredikanten. Eén van die pastoors zie je ook in de film. Soms overlijdt iemand op een schip en dan wordt een havenpastoor gevraagd aan boord te komen om een mis te houden voor de overledene. Dat vonden we een mooi, menselijk gebaar. Er is in die wereld zo weinig ruimte voor menselijkheid, maar dat wordt dus wel toegelaten. Terwijl er eigenlijk heel weinig wordt toegelaten. Soms mogen mensen niet eens van het schip af. Wij gingen vaak mee met de Seafarers Mission, als vrijwilligers. Zo kwamen we aan boord en konden we even met de kapitein praten om te vragen of we mochten filmen.

Hoe ging dat allemaal bij APM?
Anna en Josefien
We hebben meerdere gesprekken met ze gehad over wat we wilden filmen en hoe dat dan eruit zou gaan zien. Toen we daar waren, werden we begeleid en niet een beetje ook. Er was constant iemand bij ons om te kijken of het veilig gebeurde en of datgene wat we filmden wel ok was. Maar de mensen die daar werken en die we tegenkwamen vonden het leuk om te vertellen over wat ze doen. Want zij vinden, net als wij, de haven te gek. Ze zijn heel trots.

Welke crews hebben jullie allemaal voor de film gevolgd?
Anna en Josefien
In de haven hebben we eigenlijk met twee verschillende werelden te maken gehad. Enerzijds heb je de havenarbeiders, de havenbedrijven en de scheepswerven enerzijds. Anderzijds de bemanning aan boord, die vaak heel internationaal is. We hebben een keertje gefilmd op een schip met Indiase bemanning. Verder hebben we een aantal keren gefilmd op schepen met Filipijnse bemanning.

Ontstaan er ook mini-maatschappijen in zo’n wereld als de Rotterdamse haven?
Anna en Josefien
Een maatschappij of een mini-maatschappij impliceert iets menselijks. In de haven gaat het om gigantische systemen die zo efficiënt mogelijk moeten doordraaien. Dat is het hoofddoel en alles en iedereen is daar ondergeschikt aan. Werk is vooral werk, zeker op de schepen. Het gaat er niet om of je dit werk heel graag wilt doen en wat het jou brengt. Nee, het is gewoon werk.

Is er wat gedaan aan de aankleding of de omgeving om het wat menselijker te maken?
Anna
Ja, de containerterminals waren meestal netjes, de machines moeten namelijk goed kunnen draaien. Andere terminals lossen graan of erts en die zijn vaak erg vies. Maar op één van de schepen hing in de kantine ergens een kalendertje, zo midden tussen allerlei dingen die alleen maar met werk te maken hebben. Op een ander schip was ergens een gitaar. Dan zie je even tekenen van menselijkheid.

Jullie beginnen de film met de zin: wij maken dingen, maar de dingen maken ook ons. Wat bedoelen jullie daarmee?
Anna en Josefien
De haven is een wereld die door mensen is gemaakt, maar tegelijkertijd vormt die wereld wat mensen doen en wie ze zijn. Het gaat om de spanning tussen datgene waarover jij controle zou moeten hebben, maar datgene heeft ook veel controle over jou. We hopen dat de kijker na afloop van de film zich afvraagt: hoe zit dat in de wereld om mij heen.

Wat betekent de titel van de film, ANIMA?
Anna en Josefien
Het heeft meerdere betekenissen o.a. adem en ziel. Het heeft ook te maken met animisme, een natuurreligie die gelooft dat alles een ziel heeft. De titel wordt door heel veel mensen verschillend ontvangen. Spaanstaligen en Italiaanstaligen vinden de titel logisch. Ze gaan er meteen vanuit dat het met bezieling te maken heeft. Maar een titel als “De ziel van de haven” klinkt zo gesloten. Alsof we weten wat die ziel precies is.

Vinden jullie dat de haven een ziel heeft?
Josefien
Lastige vraag, want ik weet niet eens of er wel een ziel bestaat. Maar elke omgeving roept iets anders op, een ander gevoel, een ander soort emotie. Wat dat betreft is er wel een ziel denk ik.

Anna
De haven zelf is geen ziel maar ik denk dat wij een ziel toekennen aan alles en dus ook de haven.

Josefien
Er is een scene in de film die zich afspeelt in de machinekamer. Zijn die machines bezield? Ik denk van niet. Of zijn de mensen in de machinekamer bezield? Ik denk dat het eerder gaat over de combinatie van mens en machine, dat je daar hopelijk een beetje over gaat nadenken.

Anima is te zien via NPO 2DOC Kort


Fotografie: Jeroen Neus

Brussel: interessanter om in te wonen dan om te bezoeken

Toen Vera Nitsche zo’n 5 jaar geleden verhuisde van Parijs naar Brussel, werd ze verrast door de onverwachte kanten van deze Europese hoofdstad. Samen met haar Braziliaanse echtgenoot, haar zoontje van 8 en dochtertje van 2, woont de in Duitsland geboren Vera in Etterbeek, een Brusselse buitenwijk vlakbij de kantoren van de Europese Unie. Voor haar werk aan de Université Sorbonne Nouvelle pendelt ze een paar keer per week tussen Brussel en Parijs. In dit artikel vertelt Vera wat volgens haar, Brussel zo bijzonder maakt.

Brussel, een stad met subtiele charme
Hiervoor woonde ik in Parijs. Vergeleken met Parijs is Brussel nou niet bepaald een stad waarin je voortdurend in verwondering rondwandelt. De charme van Brussel is discreet, de mensen zijn meer relaxt. Het was makkelijk om mensen te ontmoeten en vriendschappen te sluiten. Men is niet zo opgeslokt in een stressritme. De mensen in Brussel vind ik open-minded. Misschien is het vanwege de kantoren van de Europese Unie, maar heel veel mensen met verschillende culturele achtergronden komen naar Brussel om te wonen en te werken. Velen hebben geen vrienden of familie in Brussel en dat maakt, denk ik, dat men meer openstaat voor elkaar en sneller contact met elkaar maakt.

Brussel is een mix
Brussel is op allerlei vlakken een heterogene stad. Buurten onderscheiden zich niet. Straten wel. Er is verschil van straat tot straat. Je slaat een andere straat in en je begeeft je in een andere wereld: mensen zijn anders gekleed, de winkels zijn anders, het zijn hele andere mensen. Qua architectuur is er in Brussel veel variatie. Natuurlijk is er overal Art Nouveau te vinden maar gemixt met meer klassieke- en hedendaagse architectuur. Toeristen bezoeken meestal het stadscentrum: de Grote Markt, Manneke Pis. Zoals in veel Europese steden vind je overal in Brussel het gewicht van haar geschiedenis. Maar ik denk dat Brussel interessanter is om in te wonen dan te bezoeken. In Ixelles of Saint-Gilles wonen veel jonge mensen en er is een bruisend nachtleven. Wij wonen in Etterbeek, vlakbij de kantoren van de Europese Unie. Het is een buitenwijk waar veel gezinnen wonen. Er is onderling veel sociaal contact. Maar het is ook een buurt met veel cafés en restaurants, het is er lekker levendig. Niet te vergelijken met de Parijse banlieus waar bewoners alleen maar heen gaan om te slapen. Ze werken, eten en drinken overdag in het centrum van Parijs en gaan s’ avonds naar hun woning in de banlieu, alleen maar om te slapen.

Een kalme wereldstad
Ik vind Brussel een rustige stad en tegelijkertijd is het een metropool waar een hoop te doen is. In de parken in het centrum, zoals Parc Léopold en Parc du Cinquantenaire, zie je mensen sporten, eten en relaxen. Maar er zijn ook boerenmarkten midden in het centrum van Brussel, zoals op Place Flagey en Place Jourdan. De hedendaags art scene is goed vertegenwoordigd in de programmering van theaters en bioscopen. Het Théâtre National omarmt een nieuwe generatie toneelmakers uit binnen- en buitenland. Het cultuuraanbod is niet zo groot als in Berlijn of Londen, waar het vaak moeilijk kiezen is. In Brussel is er bijvoorbeeld één belangrijk festival voor een bepaalde kunstvorm, in plaats van vijf festivals die, zoals in sommige steden, ook nog eens allemaal op het zelfde moment plaatsvinden.
De Belgen in Brussel vind ik erg vriendelijk en aardig. Wij hebben meer Frans sprekende vrienden omdat wij geen Nederlands spreken. Maar mijn man heeft veel Vlaamse collega’s. Wat me trouwens opviel toen ik hier net woonde, was dat er veel Italianen in Brussel wonen en overal hoorde ik Spaans en Portugees. Door de Europese instituties en de sfeer van Europese broederschap is Brussel anders dan andere Europese steden. Brussel geeft een glimp van wat Europa zou kunnen zijn. Een positief beeld van samenleven, tolerantie en openheid. Niet van een realistisch Europa natuurlijk, maar een utopisch Europa.

Voor dit artikel werd Vera Nitsche geïnterviewd door Joline Lodewijks.

Foto: Saint-Gilles van Francisco Anzola

Abonneer op onze nieuwsbrief

Door verder gebruik te maken van deze website gaat u automatisch akkoord met het plaatsen van cookies. Meer informatie Dit bericht verbergen