POM Magazine

POM Magazine, Magazine voor Stijl & Cultuur

POM Magazine

Rotterdam-hotelvakantie in eigen stad

Om te ontdekken hoe een hotelvakantie in eigen stad voelt, boekte ik een natuurhuisje op een eiland in de Bergse Plas in Rotterdam: de Island Cabin. Nu wil het dat mijn vriend Jim en ik vorige maand naar een dorp net buiten Rotterdam verhuisd zijn. Technisch gezien is Rotterdam niet meer onze woonplaats, maar dat mag de pret niet drukken. De Maasstad voelt nog steeds als ónze stad, en na drie maanden verbouwen, verhuizen en weer verder verbouwen zijn we best toe aan een uitje. Island Cabin is niet voor één nacht te boeken dus boekten we er twee. We mogen er maandag vanaf 16.00 uur in en op woensdag moeten we om 12.00 uur weer weg zijn. Na een vroeg aangevangen thuiswerkdag krijgen we bericht dat de cabin al schoon is en dat we ook iets eerder mogen komen. We ronden snel ons werk af, lunchen wat en gaan onze spullen pakken. We moeten woensdagmiddag allebei weer acte de présence geven op kantoor- en bijbaan. Laptops en toebehoren gaan dus mee in de meest waterdichte rugtas die we hebben. Omdat we niet lang weg zijn, denken we dat het allemaal gaat passen in twee tassen. Dat is fijn, want onze heenreis mag kort zijn, ze eindigt met een heel bijzonder vervoersmiddel. We gaan overnachten op een eiland en daar komen we… per waterfiets!

door Zwaantje van Klaveren

Niet al te veel meenemen is dus het devies. We beginnen met inpakken. Een set schone werkkleren, een zooitje ondergoed en sokken, tandenborstels en douchefris: het hoeft allemaal niet veel ruimte in te nemen. Oh ja, de verrekijker gaat natuurlijk mee. Laten we ook een paar Donald Duckies in de tas steken. Goed, toch ook een leesboek. En ik kan mijn tekenspullen ook niet thuislaten, het schijnt daar prachtig te zijn. Opladers mee? Ja, opladers mee. Oh, misschien de EHBO-etui, je weet maar nooit. Hebben we een spelletje? Pak de yahtzeebeker maar, die is lekker klein. Zijn we er zo? Oh ja… nee dus. De boodschappen. We hebben geen idee hoe het waterfietsen gaat, dus we willen alles in één ruk meenemen. We baseren wat we willen eten en drinken deels op hoe makkelijk het te vervoeren is. Rond half drie staan we minder licht bepakt dan de bedoeling was te wachten op de metro: de twee rugtassen, én twee linnen boodschappentassen vol. Ik biecht op dat ik voor de zekerheid een tweede fles wijn in mijn tas heb gestoken. Mijn vriend begint te lachen: “Ik ook!”
Bij Centraal Station aangekomen, komt de tram aangereden wanneer wij aan komen lopen; dat zit niet tegen! In een mum van tijd stappen we weer uit. We lezen de instructies nog eens door: daar rechtdoor, daar naar rechts, door het hek de steiger op. We zien de waterfiets dobberen onder een oude treurwilg. Het regent al dagen af en aan, en donkere wolken trekken ook nu weer samen. Hoewel de eigenaar nog even heeft staan hozen in de waterfiets voor onze aankomst, ben ik blij dat ik twee lege plastic tassen in mijn zak gestoken heb. Na een beetje gewiebel en geschipper zitten we, met tassen en al, in de waterfiets. De bips droog op het plastic, de voeten op de pedalen – en daarmee de knieën enigszins in de buik gedrukt, we zijn allebei lang van stuk en stevig van bouw. Dat geeft trouwens niets, het fietsen gaat vlot en voor we het weten zijn we bij de plaats van bestemming aangekomen.

Alles is tiptop geregeld. Duidelijke route-, aanmeer- en sleutelinstructies zorgen ervoor dat we vlak voor de volgende bui binnen staan. We zijn meteen onder de indruk. Iedere vakantiehuiseigenaar zegt natuurlijk op de website dat het huisje smaakvol is ingericht, van alle gemakken voorzien en dat het uitzicht schitterend is, maar dat dat in dit geval echt waar is staat buiten kijf. De langgerekte, zwartstalen keuken heeft een lange houten bar met bruinleren bank erachter, en mondt uit in een lederen loungehoek met houtkachel. De lange zijde van het huisje bestaat bijna helemaal uit glas. We kijken uit over de houten vlonder, waar we banken, stoelen, een hangmat en een pizza-oven ontwaren. Overal staan planten. Island Cabin is stoer, sfeervol en met oog voor detail ingericht. Binnen ontdekken we een beamer met scherm, we zetten een muziekje aan en zien dat er ook een fles wijn voor ons klaarstaat – de vierde dus, dat belooft wat. Zodra de boodschappen in en om de koelkast opgeborgen zijn verkennen we de slaap- en badkamer. Daarna schenken we onszelf een glaasje in en genieten van het uitzicht. Als je hier in de lente of zomer bent, kun je de schuifpui meters ver opentrekken en verleng je de ruimte met de hele vlonder. Wij genieten vandaag toch liever vanachter het glas. Het is hier behaaglijk. De grauwe ganzen, kuif- en wilde eenden zwemmen af en aan. Een stel merels lijkt een nest te bouwen in een boom verderop, roodborsten en allerhande mezen verkennen het terrein. Een groepje brutale halsbandparkietjes inspecteert de boel even, er worden wat pinda’s gepeuzeld. Goed idee, wij trekken ook een zak nootjes open.

Uitkijkend vanaf de vlonder zien we de Straatweg in de verte, maar we zien vooral veel stadsnatuur – zelfs in de winter is het hier heel groen. Vanaf andere huisjes varen af en toe motor- en roeibootjes op en neer. Bij de cabin ligt een sloep, die is te huur, maar wij houden het bij de waterfiets. Het is geen weer voor lange boottochten en bovendien zijn we hier maar kort. Terwijl het langzaam donker wordt, genieten we van de lampjes die aangaan in de verte. Heel soms hoor je een vliegtuig, en als je erop let kun je buiten de snelweg horen. Toch voelt het alsof we helemaal weg zijn uit de stad en alleen op de wereld zijn. In de verte branden feestelijke lampjesslingers en zien we een mooie fontein. De grauwe ganzen laten af en toe gakkend weten dat ze er nog zijn. We steken de haard aan en bakken pannenkoeken. Omdat het vakantie is trekken we nog een flesje open. We nestelen ons in de loungehoek, het voelt een beetje als een zitkuil – in onze optiek het hoogste compliment dat je een zithoek kunt geven. We besluiten een film aan te zetten. Het vuur zorgt voor extra warmte en sfeer. Het is genieten. We kletsen nog wat, en zoeken dan ons bed op.

’s Morgens is het heerlijk wakker worden: door de smalle ramen naast ons hoge bed zien we de zon opkomen. De vogels op het water laten ook duidelijk horen dat ze er zijn. We mikken wat broodjes in de oven, bakken een eitje en zetten een lekkere bak koffie – die laatste trouwens door de cabin voorzien. Het ontbreekt ons aan niets. Jim moet vandaag nog een stukje vanuit huis, nou ja, de cabin dus, werken. Hij wil daarom om 9 uur even inbellen. We besluiten dat dat ook best vanaf het water kan. We vegen met een handdoek de stoelen in de waterfiets droog en trappen de plas op. Wat een uitzicht, we hebben zelfs even een waterig zonnetje in het gezicht. De collega’s lachen verbaasd: “Jim, waar zit jij nou?!” “Oh, ik zit met Zwaantje op een waterfiets, op de Bergse plas. Hoezo?

Het is droog en niet al te koud, de zon piept af en toe door de wolken. We besluiten om met de waterfiets naar de kade te gaan en een rondje om de Bergse Achterplas te wandelen. We wandelen Hillegersberg door. Het is even wennen, want je bent ineens weer vanuit de natuur in de stad. Maar wij komen hier niet vaak, en het is leuk om dit stuk van Rotterdam weer eens te zien. Al slingerend lopen we de plas om. Ondanks dat we het gebied kennen, voelt dit als een stadswandeling op vakantie. Tevreden komen we weer bij de waterfiets aan. Eenmaal aangemeerd pakken we een zoutje en drinken we een glaasje. Het is ook wel weer heel lekker om terug te zijn. De avond laat zich samenvatten met de woorden lanterfanten, uitrusten en genieten. Er is niet veel meer te doen dan naar buiten kijken; wanneer de zon verdwenen is, kijken we naar de vlammen van de houtkachel. We keuvelen wat, luisteren muziek, kijken een aflevering 2 voor 12 terug… Tevreden kruipen we ons mandje in.

We worden wakker tijdens de Slag om de Bergse Achterplas: de Nijl- & Canadese ganzen vechten luidkeels om de eer en glorie van de veenplas. Wij moeten helaas na het ontbijt onze spullen alweer pakken. We rekken ons verblijf zo lang we aandurven. We moeten om 12 uur weg zijn, maar pakken om 11 uur de waterfiets. Straks gaat er nog wat mis, het blijft spannend! Dat was niet nodig, blijkt achteraf. We blikken terug op een fijn verblijf. De waterfiets bracht ons op de heenweg in één keer in de vakantiestemming, op de terugweg blijft het vakantiegevoel gelukkig ook nog even hangen. In een ander seizoen zou een korte vakantie hier nog leuker zijn: het water op of in, iets meer van de buitenlucht genieten. Normaal gesproken zijn wij meer kampeerders, of boeken we een eenvoudige kamer op fietsvakantie of andere doorreis. Dit verblijf was een stuk kostbaarder, maar dat was het dan ook wel waard. Je bent echt even helemaal weg. En de vakantiefoto’s op de waterfiets zijn nu al legendarisch. We hebben ons geen moment verveeld.

POM Magazine Instagram

Haarverf!

Ik ben zo’n tien jaar terug gestopt met het verven van mijn haar, en ik heb er nooit spijt van gehad. Nou moet je allemaal natuurlijk helemaal zelf weten of je je haar verft of niet. Mijn missie is niet om ieder mens er als een grijze dakduif bij te laten lopen. Ik hoop wel dat wanneer iemand naar de verfkwast grijpt, ze dat doen omdat ze dat zelf mooi vinden, en niet door onzekerheid of druk van buitenaf.

Misschien was bij mij de lol er ook wel af omdat ik alles al eens geprobeerd had. Tussen mijn 15e en 18e heeft mijn haar iedere haarkleur gehad die je kan bedenken. Groen, roze, paars, blauw, geel, rood, zwart, wit… Alles ertussen ook. Zelfs een dag of twee grijs, al gebiedt eerlijkheid te zeggen dat het eigenlijk een mislukte blondeeractie betrof: mijn vaste haarverfadres was gesloten op zondag.

Menig gezin waarbij ik als nieuw aangestelde oppas voor de deur stond schrok zich een hoedje. Ik kwam meestal via mijn moeder aan die adresjes. Tegenwoordig is een tiener met knalroze haar prima gangbaar. Maar toen ik rond 2003 op de stoepen van die nietsvermoedende gezinnen verscheen sloeg de schrik menig ouder om het hart, al had dat mogelijk ook met mijn gothicjurken, skatebroeken en kortgeknipte rockbandshirts te maken. Gelukkig bleek al snel dat mijn alternatieve uiterlijk niet betekende dat ik een slechte babysitter was. Ik had dan uiteindelijk ook veel vaste oppasadresjes, en kon me liters en liters haarverf permitteren. Mijn haarstatement toen was hetzelfde als mijn haarstatement nu: ik kies zelf wel hoe ik eruitzie, en dat heeft niets te maken met wat ik kan. Goed, destijds wilde ik vooral laten zien hoe ‘anders’ ik was, een vrije geest – de zoveelste idealistische puber dus. Nu gaat het mij erom dat de waarde van een mens niet afhangt van leeftijd of in hoeverre je voldoet aan suffe schoonheidsidealen. En toch, ik kan er niets aan doen, vind ik het ergens wel fijn als zo’n kassière (m/v/x) mij om mijn identiteitsbewijs vraagt bij het kopen van een fles wijn. Het is niet erg om oud te zijn, maar ik stel het toch liever nog even uit. Het leven vliegt al voorbij. Ja, ik ben ouder dan 18.

Nee, dan omgekeerd. Het meest extreme dat mij in die zin overkwam gebeurde zo’n 15 jaar geleden, ik zal rond de 20 geweest zijn. Mijn haren waren niet meer zwart, ik was sinds ik in de drogisterij werkte langzaam overgegaan naar kleuren als donkerbruin en mahonierood – tinten die we zelf verkochten mocht je als medewerker ook in je haar. Ik was op weg naar een festival en zat met mijn backpack en tent in een Belgische trein. Ik had een ticket met jongerenkorting, destijds mocht je maar liefst tot je 27e op zo’n kaartje reizen. Toen de conducteur langskwam en ik mijn kaartje overhandigde begon hij te mopperen: “Nou mevrouwtje, dacht u nou écht dat ik dáár in zou trappen?” Toen ik vroeg wat hij bedoelde legde hij uit dat hij niet kon tolereren dat een dame van in de veertig op een jongerenkaart reisde. Terwijl ik mijn paspoort uit mijn zak peuterde om mijn leeftijd en zijn ongelijk te bewijzen probeerde ik te bedenken wat er aan de hand kon zijn: ik had geen kater, was niet net ziek geweest, had bij mijn weten geen rimpels… Ik stond voor een raadsel. De conducteur concludeerde ondertussen dat hij ernaast zat, knipte mijn kaartje en liep zonder blikken of blozen door naar de volgende coupé. Toen ik mijn medereizigers had verteld hoe oud ik was zeiden ze allemaal troostend dat ze niet anders gedacht hadden. Inmiddels ben ik, als ik eraan terugdenk, vooral boos dat zo’n kaartenknipper gelijk van het slechtste uitgaat – dat ik een leugenachtige fraudeur ben, een half-zwartrijder. Maar destijds was ik toch vooral op mijn ziel getrapt dat ik er twee keer zo oud uit scheen te zien als ik was. En toen heb ik dus nog vijf jaar lang lopen tobben met pakjes chocoladebruin, asblond en henna-rood. Ik ben blij dat ik ervan af ben.

Geur!

Een geur kan je in de maling nemen: je ruikt iets, maar komt er niet op wat het is. Zulke problemen hebben we zelden met onze ogen. Moet je je voorstellen dat iemand je een vergiet laat zien, en dat je dan zegt: “Oh, zo’n eh… is het een hoedje? Nee, een steelpan? Het komt wel uit de keuken, volgens mij… Puntje van m’n tong!” De neus werkt anders, geur is een wonderlijk iets.

door Zwaantje van Klaveren

Een geur kan een berg aan herinneringen opwekken: het zogenaamde ‘madeleinemoment’ van de Franse schrijver Marcel Proust. Ik had zelf zo’n ervaring jaren geleden, in een oude boerderij langs de snelweg tussen Rotterdam en Delft, tijdens een zoektocht naar meer werkruimte. De eerste keer dat ik er binnenkwam en de plavuizen rook, stond ik ineens in het voormalige woonhuis van mijn oom en tante. Ik kon me hun hele woning voor de geest halen: de hoekbank en de haard, de kapstok in de hal, van de schommel in de tuin tot de keramieken knoflookpot op het aanrecht. Logeerpartijtjes bij mijn nicht, discolampen knutselen op de zolderkamer van mijn neef, alles stond me binnen een seconde helder voor de geest. En dat allemaal dankzij de geur van een vloer! Een kwartiertje later betraden we overigens een kamer dat waarschijnlijk jarenlang een hondenkraamkamer was geweest, ondanks het hoogpolig tapijt. Heel andere herinneringen drongen zich op: mijn eerste kater, een benedenwindse fietstocht langs een slachthuis…

Er zijn geuren die je associeert met iets waar het in wezen niets mee te maken heeft. Bij het Rotterdamse metrostation Maashaven ruikt het altijd naar versgebakken roomboterspritsen, al ruik je technisch gezien waarschijnlijk het bakken van ontbijtgranen in de naastgelegen fabriek. En soms kun je je wel half herinneren hoe iets ruikt, wetende dat je het meteen zult herkennen áls je het ruikt, maar toch niet precies meer weten hoe die geur was tot ‘ie zich aandient. De geur van pubers, bijvoorbeeld.
Je denkt meteen aan een combinatie van vieze sokken, klotsende oksels, vergeten deodorant doch een overdaad aan aftershave. Als iemand zegt dat het ergens naar de kleedkamer van een gymzaal op een middelbare school rook, heb je er meteen een idee bij. Pukkels en feromonen. En toch weet je pas echt weer wat de geur van een bende pubers is als zo’n roedel riekende tieners ineens langs je loopt.
Ik was onlangs in het Stedelijk Museum Schiedam. Terwijl ik de verhalen, voorwerpen en kunstwerken in me opnam was de geur ineens daar. En, hoe toepasselijk, bij de tentoonstelling ‘Familie’- ik dacht even dat er een performance begon. Een hele klas geurende hormoonbommen stormde door de museumzalen. Na de gymles in de kleedkamer met je eerste sport-bh lopen klooien, stiekem sigaretten roken in je tussenuur, naar de buurtsuper voor chips en andere vette broodvervangers, eeuwige vriendschap en liefdesverdriet. Nog voor ik ze zag dacht ik het al: oh ja, zó ruikt de puberteit.

De volgende ochtend zwom ik mijn wekelijkse baantjes in het zwembad om de hoek. Ik denk dat het de geurencombinatie moet zijn geweest van opdrogend haar, zwembadwater en verwarmde sportruimte, maar wellicht zit het ‘m in iets anders. Hoe dan ook: na het zwemmen, tijdens het aankleden, ruikt het altijd naar roze koeken. In welk zwembad dan ook. Ik ben niet de enige die dat vindt: mijn zusje associeert de geur van ik-ben-net-wezen-zwemmen óók met roze koeken. Na de zwemles mochten we altijd iets uit de automaat kiezen, u raadt al waar de voorkeur meestal naar uitging.
Ik sloeg een handdoek om mijn schouders en pakte mijn tas uit mijn kluisje. Terwijl ik het borgmuntje opborg werd ik ineens omringd door een groep drijfnatte basisschoolkinderen. Ze dribbelden achter een meester op blauwe plastic overschoentjes aan. Ik kon geen kant op. Aan de overkant van de gang stond een mevrouw in badpak. Droog nog, zij wilde van de kleedhokjes veilig oversteken naar de kluisjes. Hoe groot zijn die schoolklassen tegenwoordig?
Terwijl de kinderen giebelend langsglibberden, wist ik mezelf ertussen te wringen en belandde naast de mevrouw. “Ik wacht nog even,” zei ze lachend, “tot het overstekend wild voorbij is”. Ik vroeg me af hoeveel jaar het zou duren voordat deze kinderen ineens naar ontwikkelende zweetklieren zouden ruiken. Ruiken zwemmende pubers eigenlijk wel naar roze koeken? De snoepautomaat bij de uitgang had geen roze koeken, wel spritsen. Mmm, smells like Maashaven!

Nog meer vogels kijken

De nijlganzen in het Zuiderpark weten van geen ophouden. Net toen ik dacht dat we nu toch écht wel te dicht op de winter zouden zitten om nog jongen groot te brengen, zag ik tijdens een wandeling vorige week een koppel met een nest jonge nijlgulletjes! Die term moet ik misschien even uitleggen. Sinds mijn vriend en ik weten dat jonge eendjes ook wel pulletjes worden genoemd, verbasteren we die term voor ieder babyvogeltje dat we zien. Ganzen krijgen gulletjes, meerkoeten hebben kleine meerkulletjes…Taal leeft, zullen we maar zeggen.

Omdat het Zuiderpark één van de mooiste parken van Rotterdam is en precies tussen mijn huis en het zwembad ligt, wandel ik er een paar keer per week met mijn zwemtas op de rug doorheen. Soms voel ik me bijna een boswachter. Al observerend loop ik door ‘mijn’ park. Ík weet waar je hier wel eens fazanten kunt zien. Je hoeft mij niet te vertellen dat er wel eens een koppel ooievaars boven het grote veld cirkelt- allang gespot! Ik stap soms bijna ongevraagd op mensen af als ik ze naar een boom zie staren: “Inderdaad, daar zitten elk jaar groene spechten!”
Toen ik gisteren een groep kauwtjes achter een buizerd aan zag gaan, zette ik nog net niet mijn handen aan de mond om de hondeneigenaren aan de overkant van het water erop te attenderen.

Vandaag besloot ik te kijken hoe het de nijlgulletjes verging. Ik kon ze niet meteen vinden. Soms eindigen ze als snoekenvoer of pikt een buizerd ze mee. Maar ook de ouders zag ik niet, vermoedelijk waren ze gewoon even op pad. Een aantal andere ganzen op het veld daarentegen lag fotogeniek te dutten in de herfstzon. Ik pakte mijn telefoon om een kiekje te maken.

Ineens stopt er een politieauto achter me. “Zooo, mevrouwtje…”
Ik draai me geschrokken om, doe ik iets dat niet mag?
In de auto zitten twee agenten, de raampjes zijn omlaag gedraaid.
“Weet u nou eigenlijk wat u precies staat te fotograferen?” vervolgt de agent die mij aansprak.
Enigszins van mijn à propos antwoord ik: “Eh… in dit geval vooral de Canadese ganzen hier. Die grauwe ganzen die daar verderop liggen te zonnen zijn zo aan de beurt. Ik was eigenlijk op zoek naar het nestje nijlganzen dat hier woont.”
De agent: “Ah ja, inderdaad, de grote Canadese gans… dat wist u dus. Maar wist u dat er ook een koppel geringde brandganzen rondscharrelt?”

Ik begin te glunderen. “Ja, die heb ik wel eens gezien! Maar wist ú dat er elk jaar ook een koppeltje van één brand- en één nijlgans zit? Ik heb ze nog nooit op jongen betrapt, maar ze komen ieder jaar opnieuw terug.”
In gedachten vraag ik mij af of zo’n jonkie een nijlbrandgulletje of een brandnijlgulletje zou heten. Brijlgans? Nandgans?

Ondertussen begint de tweede agent te lachen: “Hahaha, Jan, ze weet er meer van dan jij!” Licht mopperend pakt Jan het stuur weer beet. “Ja ja, Mies, dat kan wel zijn, maar ik zeg het je: de méésten hebben géén idee!”
We zeggen gedag, de agenten rijden door.
Mijn boswachtersgevoel is nog nooit zo sterk geweest.

Cryptogram

Al jaren lezen mijn vriend en ik de krant online. Alleen op zaterdag ontvangen we de papieren weekendeditie in de bus. Daar hebben we allerlei redenen voor. Tijdens een lange treinreis leest het wel lekker en soms wil je ook op een terrasje wat te doen hebben als het gesprek aan tafel je niet zo aanstaat. Ach, en met klussen! Met klussen is het altijd handig om een oude krant achter de hand te hebben. Ja, we verzinnen een hoop excuusjes, maar er is maar één echte reden waarom we ieder weekend een puber tegen minimum jeugdloon door weer en wind naar onze brievenbus laten fietsen. Op zaterdag staat het cryptogram in de krant.

door Zwaantje van Klaveren

Mijn vriend en ik sliepen al af en toe met elkaar voordat we gingen daten. En eigenlijk zijn we gaan daten omdat ik erachter was gekomen dat hij een Sinterklaassurprise voor mijn beste vriendin moest maken, maar hij geen idee had hoe hij zijn uitgebreide knutselplan werkelijkheid kon laten worden. In mijn kleine studioappartementje liet ik hem zien hoe je met stroken oude krant, een teil behangplak en hier en daar een kartonnetje, satéprikker of paperclip ongeveer de hele wereld bij elkaar kan knutselen. Terwijl lijmlagen en verfklodders droogden liet hij mij zien hoe je een Sinterklaasgedicht kunt schrijven van literaire kwaliteit, ondanks dat je enige hulpmiddelen de facebookpagina van je slachtoffer en de website van Mick’s Rijmwoordenboek zijn. In de aanloop naar pakjesavond, die overigens gevierd zou worden in het stamcafé waar we elkaar ontmoet hebben, gebruikten we onze getrokken lootjes en escalerende creaties steeds frequenter als excuus om met elkaar af te spreken. Na een tijdje viel er steeds minder te knutselen, en de gedichten dreigden zulke complexe rijmvormen te krijgen dat je ze niet meer kon lezen. Wat dán te doen? De puzzelbijlage lag ongeschonden tussen de repen die vroeger het opiniekatern hadden gevormd. Het cryptogram keek ons uitdagend aan. “Zullen we een poging wagen?” vroeg mijn toen-nog-niet-verkering. Ik had altijd het idee dat die puzzel schier onmogelijk was om op te lossen, al keek je er een jaar naar. Maar waarom ook niet? Anders blijf je maar steeds levensgrote shetlandpony’s papier-machéën.

We realiseerden ons al vlot twee dingen. Eén: cryptogrammakers spreken een taal die je niet in een weekje leert. Twee: volgende week vind je de oplossingen naast het nieuwe cryptogram. Iedere zaterdag spraken we af, en iedere week werden we een beetje beter. Nog geen week na 5 december, was de verkering officieel aan. Pas weken later lukte het ons om zonder hulp een crypto te voltooien. Inmiddels lezen we alle katernen dus digitaal, maar de puzzelpagina reist nog steeds met ons mee. Als we een papieren editie missen vanwege vakantie, dan teken ik de puzzel in ons reisdagboekje uit en schrijf ik de omschrijvingen over. De krant heeft trouwens prima de mogelijkheid om de puzzel digitaal in te vullen, maar dat is toch niet hetzelfde. Met mijn schoonouders, oma, de helft van de stamgasten in ons café en de uitbater ervan, hebben we inmiddels een onofficiële competitie gaande. Hebben jullie hem al af? Bijna niets is zo frustrerend als bij de laatste opgave blijven hangen, er maar één of twee niet weten, terwijl je bijna próéft wat het zijn moet. Het enige wat erger is dan een net-niet-opgeloste puzzel is een cryptogram dat je in één ruk invult. Is deze door de stagiair gemaakt? Wát een teleurstelling! Tot slot is de meest recente les die we leerden over het cryptogram deze. Elke puzzelmaker spreekt een eigen taal. Toen mijn moeder onlangs een crypto uit háár krant voor ons bewaard had, hebben we die na 75 minuten worstelen weer blanco bij haar ingeleverd. Het was alsof we een Sinterklaasgedicht in het Italiaans moesten schrijven. Mick’s Rijmwoordenboek kon ons niet helpen.

Vogels Kijken

Als kunstenaar heb je al snel een bepaalde reputatie hoog -of misschien laag- te houden. Zéker als je graag een biertje gaat drinken in je stamkroeg. En je weet: één bier is geen bier, dus een borrel wordt soms toch een feestje en een feestje loopt best eens uit de klauwen. En kunstenaars, zo zegt men, die zijn een beetje gek.

Ik ben wat dat soort dingen betreft een mens van extremen; go big or go home. Dat betekent naast groots feesten ook flink werken en naast die noeste arbeid ook knalhard relaxen. Tja, wat is er nou extremer dan een zooitje goeie tegenstellingen? Maandenlang 12 uur per dag aan een project werken, weekends incluis? Kan ik. Aansluitend een nachtje doorhalen voor een deadline? Prima, drie nachten als het moet. Natuurlijk niet voor het geld, maar voor de kunsten. Maar na zo’n deadlineseizoen kan ik ook schaamteloos lanterfanten. Wékenlang afwisselen tussen sauna, dierentuin en luie stoel. Dan een avondje kroeg en dat alles weer in de herhaling. Heerlijk! Mijn ruige kunstenaarsimago moest dan ook een lullige, oubollige tegenhanger hebben. Mijn vriend haakt gelukkig graag aan. Steeds vaker maakt een kroegentocht plaats voor een kilometerslange ochtendwandeling door bos of duin. Of met een kop koffie in de hand op een stoel voor een raam zitten. Wat doen we dan? Vogels spotten.

Ik zeg geen vogels kijken, dat klinkt te professioneel. Niet dat we geen mees van mus kunnen onderscheiden, maar een roofvogel die groter is dan een valkje heet bij ons al snel een buizerd. We leren er desondanks ieder jaar weer een paar soorten bij. Hoe meer we ervan weten, hoe leuker het wordt. Hoe het begonnen is, weten we niet precies, maar we zijn inmiddels lid van de Vogelbescherming en zitten jaarlijks te turven tijdens de Nationale Tuinvogeltelling. We monteerden onlangs een vogelvoederbakje aan ons raam. Bij iedere kool- of pimpelmees die er landt kijken we tevreden op. Het dikste exemplaar noemen we liefkozend de spekmees, alsof het om een soort vliegende slavink gaat. Als er een roodborstje op ons bakkie landt, gaat er nog net geen gejuich op: een róódborstje! Bij het zien of horen van een nijlgans, onderweg naar één van onze wandellocaties, fluisteren mijn vriend en ik elkaar steevast toe dat dat een gunstig voorteken is. Of het een mooie wandeling of een borrel na afloop belooft, laten we in het midden, maar gunstig is het.

Vorige week liep ik door het park naar de supermarkt en zag ik in de verte een buizerd vliegen – ja ja, ik weet het, misschien was het een havik. Dolenthousiast versnelde ik mijn pas. Ik wist zelfs een wiebelig filmpje te maken van hoe het beest de Groene Kruisweg overvloog. Filmpje op de app, vriendlief ook weer in zijn nopjes. Terwijl ik langs een bushalte stiefelde dacht ik dat dit wel het hoogtepunt van de dag moest zijn geweest. Op dat moment hoorde ik een roffel, vertraagde mijn pas, keek omhoog. Wéér een roffel, het moest een specht zijn! Uiteindelijk stond ik stil, één been in een plantsoen, boodschappentas in de ene hand terwijl ik met de andere hand boven mijn ogen de takken één voor één afspeurde, een enthousiaste grijns op mijn gezicht. Zo liep ik steeds dieper door de bosjes. Daar! Een grote bonte specht, kijk toch! Ik kon een schaterlach niet onderdrukken.
Ik keek op toen de bus aan kwam rijden. Zes paar ogen keek snel een andere kant op. Een kind vroeg iets aan een volwassene, die op zijn beurt tegen zijn voorhoofd tikte. Dat ik nog naar boven wees en ‘Een specht!’ riep terwijl ik uit het plantsoen klom maakte het geloof ik alleen maar erger. De bus draaide de Groene Kruisweg op en reed, achter de korsakovkliniek langs, uit het zicht.

Ach, ik heb een reputatie hoog -of laag- te houden.
Kunstenaars… die zijn een beetje gek.

De Grote Rotterdamse Kapsalontest

Dit stuk gaat niet over een kapperszaak, maar over een vette bek, dronkemansvoer, de studenten-schijf-van-vijf. Een gerecht met genoeg verzadigd vet om een voordeelpot vaseline mee te vullen, met bijna genoeg calorieën om een dozijn vleeskoeien op vet te mesten. Bedacht in Rotterdam maar inmiddels bekend in heel Nederland en zelfs daarbuiten. Mag ik de cholestorolverdubbelaar inzetten? Patat, vlees, kaas, sla, saus: allemaal bij elkaar in één handig bakje: De Kapsalon.

De kapsalon werd in 2003 geboren bij shoarmaboer El Aviva in Rotterdam-West.
Het moderne sprookje is velen bekend: een lokale kapper bestelt geregeld shoarma met friet in één bak, de shoarmaboer oppert de toevoeging van kaas en de sla gaat erop in plaats van ernaast. De klanten in de kapperszaak vragen waar ze ook zo’n heerlijke bak ellende kunnen halen: “Vraag hiernaast maar om een kapsalon, dan loopt het wel los”, was het antwoord.
Een standaard kapsalon bestaat uit een laag patat met daarop shoarma. Dit alles gaat, met een laag kaas erover, onder de grill en wordt opgediend met sambal, knoflooksaus én besprenkeld met wat sla en rauwkost. Voilà, uw kapsalon! Hier zijn de testresultaten.

The Döner Company
Waar beter te beginnen dan op Station Kapsalon, de koosnaam voor het Centraal Station van Rotterdam. The Döner Company is een keten van zo’n 40 kebabzaken die voornamelijk op en rondom stations gevestigd zijn. In hun filiaal op Rotterdam Centraal is het een komen en gaan van mensen. We hebben binnen no-time onze kapsalons op tafel staan, één met kip en één met lam. Ik haal de scoreformulieren die ik speciaal voor de gelegenheid gemaakt heb uit mijn tas, en meteen stuiten we op het eerste probleem: aan welke eisen moet de perfecte kapsalon voldoen? Ik was er blind vanuit gegaan dat mijn kompanen hun kapsalon net zo wilden zien als ik: lekker veel rauwkost met het liefst wat variatie erin, niet al te gek veel saus, liever shoarma dan döner. Niets bleek minder waar. Terwijl mijn ene tafelpartner vertelt dat er echt alleen een bescheiden handje ijsbergsla overheen mag, oreert de ander over hoe fijn het is dat er eens geen shoarma in de kapsalon zit. Terwijl ik de saus wat overdadig vind, schrijft een ander op dat het juist wel wat meer had gemogen.
We zijn het slechts over een paar dingen écht eens: de friet moet goed knapperig zijn, en dus het frituurvet goed vers. En we vinden allemaal dat deze kapsalons van The Döner Company een prima prijs-kwaliteitverhouding hebben. Niet de meest bijzondere bak ooit, maar een prima hap na een lange stapavond en voor een daaropvolgende treinreis huiswaarts. Voor een testpanel met zulke verschillende wensen, is het best aardig dat deze kapsalon toch niet slecht scoort. Een perfecte ijk-kapsalon. Wel komen we meteen aan bij ons tweede probleem: we zitten best vol. Ook na een galeriebezoek en een biertje in ons stamcafé moeten we er nog niet aan denken om nu al nog meer vettigheid naar binnen te harken. We besluiten het hier even bij te laten, het plan de campagne moet even worden herzien.

Tja, die perfecte kapsalon, hoe heurt het nou eigenlijk?
Je kunt uitgaan van het -overigens prima lekkere- origineel bij El Aviva en alle andere soorten vervloeken, maar dat is een beetje zoals koppig volhouden dat alleen bier volgens middeleeuws recept goed smaakt. En hoewel ik ook graag koppig volhoud dat er geen room door een spaghetti carbonara hoort (het is ei, en niets anders!) en ik mijn stamppotten altijd zal maken met een stamper in plaats van een mixer (barbaren!), ben ik over het algemeen van mening dat variëren in de keuken een groot goed is. Die kapsalon was anders ook niet ontdekt. Dus: shoarma of döner, friet boven of onder, alles mag. In elk geval voor nu. Een oproep op Facebook dat ik op zoek was naar de meest bijzondere kapsalon van Rotterdam weerhield mensen er niet van gewoon te vertellen waar volgens hen, de lekkerste te krijgen is. Daarnaast werd mij ook de allerslechtste getipt (ergens achterin een supermarkt in west, wie durft?) en waren er een hoop aanraders buiten Rotterdam (waaronder een krabsalon -jazeker- in Nijmegen). Maar er zaten ook parels bij, en we gingen uit eten.

De Burgertrut
De Burgertrut aan het Delftseplein, vlakbij Rotterdam Centraal, staat in Rotterdam bekend als een gezellige plek voor een goede hap: met allerlei verantwoorde en lokale ingrediënten experimenteren zij al jaren de lekkerste burgers in elkaar, ook vegetarisch én veganistisch. Zodra ik hoorde dat zij ook een vegetarische kapsalon op de kaart hebben, moesten we er natuurlijk heen. En toen de bediening vroeg of ik ‘m vega of vegan wilde dacht ik: let’s go all the way. Kom maar door met je veganistische kapsalon! Ik moet eerlijk toegeven dat ik, vanwege het woordje ‘vegan’, toch ergens een hypergezonde, rawfood-quinoa-hipster-variant van de kapsalon had verwacht. Ik werd enorm verrast. Deze kapsalon tikte al mijn vinkjes af, en als je niet had gezegd dat ‘ie volledig plantaardig was had ik het waarschijnlijk nooit geraden. De vegan shoarma is krokant én sappig, de friet knisperend vers en de gemengde rauwkost royaal aanwezig. Het geheel wordt in het traditionele aluminium bakje geserveerd, met huisgemaakte sambal en knoflooksaus in fles en potje ernaast. De vegankaas is verrukkelijk (helemaal niet zoals de oranje aardappellijm die er soms voor door moet gaan!) en met een goeie gesmoltenkaasstructuur. Ik sta er werkelijk van te kijken, het is misschien wel de lekkerste kapsalon die ik überhaupt ooit opheb! Zelfs mijn vriend, die zich toch tot een bio-burger heeft laten verleiden, is er erg van onder de indruk, al heeft zijn perfecte kapsalon andere vinkjes om af te tikken (‘wel veel sla’). Het enige minpunt dat we kunnen bedenken is dat de fluweelzachte, lobbige knoflooksaus nét iets knoflokeriger had gemogen, maar dat durf ik bijna niet op te schrijven. De kapsalon van de Burgertrut kan ik iedereen, van verstokte vleeseter tot militant veganist, aanbevelen. Met haar acht-en-een-halve euro ben je niet eens echt duurder uit dan bij de meeste shoarmazaken, en heb je naast deze lekkere, royale kapsalon ook de ambiance. Je kan hier wat langer tafelen dan in de snackbar. De gezellige inrichting, het vriendelijke personeel en de huisgemaakte limonades op de kaart zijn allemaal pluspunten. Eet hier met je vrienden eens een kapsalon vóór je gaat stappen!

Green Delight
In het verlengde van de vegan kapsalon van de Burgertrut liggen de kapsalons van Green Delight: een tikkie gezonder, maar ook bedoeld om wat langer van te genieten. Hun kapsalons werden mij meermaals aangeraden. Ook zij hebben een veganistische kapsalonvariant op het menu staan, maar mijn medeproever en ik hebben na ons bezoek aan de Burgertrut meer oren naar de Koreaanse (met rundvlees & kimchi) en Indo-versie (met rendang en atjar). We hebben geluk, er is ondanks de grote groep die net dit knusse zaakje aan de Nieuwe Binnenweg inkomt nog een tafeltje vrij. De hele kaart ziet er verleidelijk uit maar we komen toch echt voor de kapsalons. Dat valt niets tegen. De grote, hete ovenschalen die voor ons neer worden gezet ruiken heerlijk, en smaken evenzo!
De opbouw is als een klassieke kapsalon, de uitvoering des te origineler. In plaats van patat zitten er grote frieten van zoete aardappel in. Niet zo krokant als een bakje Franse uit de frituur, maar het combineert perfect met het rundvlees, dat mooi uiteenvalt. De zoete aardappel en frisse rauwkost smaken er fantastisch bij. De kaas maakt het geheel behoorlijk machtig, vooral de cheddar op de Koreaanse versie. Als het geen traditioneel ingrediënt van de kapsalon zou zijn zou je ‘m waarschijnlijk niet missen. Maar begrijp me niet verkeerd, het missmaakt niet. Terwijl we aan onze drankjes nippen nemen we de tijd om deze kolossen soldaat te maken. Ondertussen praten we over soulfood, comfortfood en wat een kapsalon een kapsalon maakt. Hoe ver mag je van het origineel afwijken en het nog wel zo noemen? Wat ons betreft blijft Green Delight nog prima binnen de marges. Wie het daar niet mee eens is, heeft er duidelijk nog nooit gegeten. Voor €12,50 krijg je een hoop soul en comfort in je food. Plus: gemaakt en geserveerd door hele leuke mensen, op een heel relaxte plek!

Alfredo’s Taqueria
Wie na het voorgaande al begint te steigeren en eigenlijk de stap van shoarma naar döner al een te grote vond, kan dit kopje maar beter even overslaan. Alfredo’s Taqueria aan de Goudsesingel is gespecialiseerd in Mexicaans streetfood en dito cocktails. Het is niet de eerste plek waar je een kapsalon verwacht. De nachochips worden hier versgebakken en in de nachos kapsalon vinden we deze dan ook in plaats van de gebruikelijke patat. De huisgemaakte guacamole en salsa roja vervangen de sambal en knoflooksaus. De kaas is ruimschoots aanwezig, de kip is kruidig en het geheel is van een mooie laag sla voorzien. Een heerlijk gerecht, al is het meer een gezamelijk voorgerecht dan de éénbaksmaaltijd die ik aan het begin van dit artikel omschreef. Niet in de minste plaats omdat je het niet echt met je bestek kunt eten, maar ook niet helemaal met je handen. Hoewel we hier wel van comfort food kunnen spreken, zijn we hier misschien te ver van de originele kapsalon afgeweken. Een kapsalon is alles-in-één-bak, de boel met je vork naar binnen schuiven, het summum van snel bunkeren. Deze taqueria is een ontzettende aanrader, maar de opzet is hier omgekeerd: lang tafelen, veel kleine gerechtjes bestellen, hapjes van elkaars eten proeven terwijl er aan de bar nog een marguerita voor je wordt gemixt. Dus ga er vooral heen, geniet van de prachtlocatie en de prima cocktails en bestel zo veel als je op kunt (tip: hou ook wat ruimte voor een toetje!) maar voor nu is het hoog tijd om weer eens een échte kapsalon te gaan hakken.

De tips die ik kreeg na mijn oproep op Facebook kon ik goed aanvullen met tips uit de kroeg. Er ontstond een hele lijst kapsalonverkooppunten die, hoewel misschien niet het meest origineel, toch echt stuk voor stuk de beste verkochten. Door een combinatie van tijdgebrek, de angst dat het mijn neus uit zou komen en het feit dat ik maar een beperkt aantal kransslagaders heb, kon ik niet daadwerkelijk in iedere genoemde toko de kapsalon gaan proeven. Ik wil ze u niet onthouden, sommigen werden zo vaak, en vaak zo eloquent, genoemd en geroemd dat ze wel goed móéten zijn. Zo tip ik u de Mimoza, nabij het Oude Luxor, ook voor het ‘broodje grof’. Bent u in Noord, doe dan de Shoarma Bergweg of de Pyramide aan de Schieweg eens aan. Ook de HAS aan de Zwartjanstraat mag in dat rijtje. Op Zuid moet je Bella proberen, met hun houtskoolgrill. De PatatBakkerT in Kralingen heeft een versie met pulled chicken en satésaus die nieuwsgierig maakt. En bij het Stadhoudersplein wordt de kapsalon met zó’n glimlach geserveerd dat de smaak er niet eens toe doet.

Shoarmazaak De Sjeik aan de Van Speykstraat is mijn runner-up. Met een prettige, maar ondefinieerbare sfeer (die me terugwerpt naar de shoarmazaak waar ik als tiener met mijn vrienden kwam na heimelijke jointjes achter het winkelcentrum) én een uiterst smaakvolle kapsalon mogen zij niet in dit artikel ontbreken. In plaats van friet krijg je aardappelschijfjes, die krokanter zijn dan je durfde te dromen (dit in tegenstelling tot de kebabzaak bij mij om de hoek, waar ze de zompige schijfjes nog net niet direct uit de vriezer in het bakje mikken).

Maar voor de ultieme kapsalon kozen we het etablissement dat het vaakst werd genoemd.

Jaffa
De Jaffa is misschien wel de bekendste shoarmazaak van Rotterdam. Al sinds 1979 verkopen ze hun waar aan de bezoekers van de Witte de Withstraat, ooit het schoolvoorbeeld van een probleemwijk, nu een sprankelend uitgaansgebied. Speciaal voor de gelegenheid lieten wij ons als testteam flink vollopen: terugkeren naar de échte kapsalon gaat toch het beste met een bodempje bier.
We worden hartelijk begroet en aan tafel geholpen. De kapsalon wordt hier, als je ‘m niet meeneemt, op een bord geserveerd. De friet is mooi knapperig, het vlees sappig en mals, maar niet al te vet van smaak. De kaas is royaal over het geheel gesmolten. Een mooie laag ijsbergsla bedekt het geheel. Flessen sambal en knoflooksaus worden op tafel gezet, om naar wens toe te voegen. We laten het ons smaken. We vragen de kok of het klopt dat hier op een vrijdagavond 800 kapsalons verkocht worden. Nee, inmiddels nog wel wat meer, meent hij. Niet raar dus dat ze hier van wanten weten, al zijn we blij dat we een rustiger avond te pakken hebben. Het mag weinig vernieuwend zijn, maar deze kapsalon is hoe we ‘m graag proeven, vooral na een avondje stappen.

Zwaantje van Klaveren

Eddy

Eddy ontmoette ik zo’n acht jaar geleden. Met grote regelmaat bekleedde hij de kruk naast mij aan de toog van mijn stamkroeg. Hij hield het altijd langer vol dan ik. Sterker nog, hij is nog steeds recordhouder van de langste nazit ooit in Proeflokaal de Riddert. Om vijf uur ’s middags dronk hij zijn eerste slok, om vier uur de volgende middag taaide hij af. Toen de barman van dienst vermoeid, maar voldaan, naar huis fietste, wuifde Eddy nog even vanaf het volgende terras.

door Zwaantje van Klaveren

Ieder jaar was hij present bij de surprise-avond, steevast op 5 december in genoemd etablissement. Eddy was een groot schrijver, dichter en orator: het perfecte gezelschap op pakjesavond. Dat maakte ook dat Eddy als enige geen surprise hoefde te knutselen. Tegen zijn scherpe pen kon toch geen papier-machéen standbeeld op. Eddy was een vat van kennis en ervaring, met een oog voor schoonheid en een groot gevoel voor humor. Een man met meer verhalen dan je op kan. Een man bij wie menigeen aan de lippen hing. Eddy was een bekend gezicht in Rotterdams café’s, maar niet enkel een leuke stamgast: daar doe je hem ongelooflijk tekort mee. Hij was schrijver, geschiedkundige, curator, adviseur. Opende exposities, nam deel aan publieke debatten. Dichtte, droeg voor. Bij nader inzien: daar doe je hem ook tekort mee. Omschrijf zo’n man maar eens.

Eddy correspondeerde met jong en oud en ook met mij. Bladerend door mijn mailbox vind ik gesprekken over de Scheepsjongens van Bontekoe, gedichten van Kaváfis, meningen over hedendaagse politiek, meningen over niet-hedendaagse politiek, verslagen van zijn reizen door Egypte, door de rest van de wereld. We tipten elkaar musea, muziekstukken en componisten, schrijvers en boeken en bundels. We stuurden elkaar linkjes van youtube-filmpjes waarin naaktslakken en zeepokken zich op de vreemdste manieren trachtten voort te planten. We bezochten elkaars evenementen.

Eddy ging enige tijd terug wat kortademig naar het ziekenhuis. Het was slecht nieuws: longkanker. Prognose: twee maanden. Om Eddy’s bed verzamelden zich familie en vrienden. Een kamer in een hospice werd geregeld. Hoe geliefd Eddy was, werd steeds duidelijker. Er stonden steeds meer stoelen om zijn bed en een rij op de gang. In groepsapps werd afgesproken wie wanneer kon komen. Een verpleegkundige vroeg bijna fluisterend aan ons: ‘Is… is die meneer beroemd?’
‘Wij zeggen zelf liever berucht,’ grapten wij. Onze eigen Nachtburgemeester. Wereldberoemd, bij ons.

Eddy wilde al heel lang een avond organiseren ter ere van zijn grote liefde, hem jaren geleden veel te vroeg ontvallen. Misty, moest nog één keer schitteren. Ook Misty was wereldberoemd in Rotterdam. RTV Rijnmond heeft er nog een mooie documentaire over gemaakt. Allerlei vrienden begonnen het feest te organiseren: het moet nu, nu het nog kan. Een groots plan werd opgezet. Wat was mogelijk, tussen rolstoel en zuurstoftank enerzijds, en de menigte vrienden en familie anderzijds? De posters prijkten al snel op de Rotterdamse wanden: MISTY – mooie herinneringen met Eddy Elsdijk.

De ochtend van het feest brak aan. Het was twee weken na de diagnose. Terwijl ik naar de glasbak liep kreeg ik het bericht dat Eddy de nacht ervoor in zijn slaap was overleden. Verslagenheid heerste in de groepsapp. Dat iemand met zo’n diagnose toch plótseling kon overlijden. Dat het nu gebeurd was. Dat het feest pas die avond zou zijn.

Een oude vriend is overleden.
We gaven het mooiste feest wat we maar konden.
Mooie herinneringen áán Eddy Elsdijk. Verdorie.

De Zwaan

In Duitsland stapte ik ooit eens in een taxi. Het eerste wat de chauffeur mij vroeg was of ik uit Nederland kwam. Ik ben nogal fier op mijn mondje-buiten-de-deur, dus geschrokken vroeg ik of mijn Duits zo slecht was dat hij mij meteen als Hollander herkende. Nee, nee, suste hij. Hij had jaren in Nederland gewoond, in Rotterdam én Amsterdam. Hij pikte een Nederlands accent dus wat sneller op. Op mijn vraag welke van de twee genoemde steden hij het leukst vond, daar ik was als Rotterdammer wel benieuwd naar, antwoordde hij dat hij het zo jammer vond dat er in Rotterdam geen centrum, geen echte Altstadt was. Nog voor ik een grapje over het bombardement kon maken, begon hij zich al te verontschuldigen: het Duitse schuldgevoel zat ook in zijn generatie nog diep. Op mijn beurt sussend zei ik dat excuses niet nodig waren. Hij was er destijds niet bij geweest en bovendien had hij gelijk: er ís niet maar één centrum van Rotterdam.

door Zwaantje van Klaveren
Rotterdam is beroemd om een aantal dingen. Het gebrek aan een eenduidig centrum is er één van. Het toekennen van een bijnaam aan bijna ieder plein, gebouw en openbaar kunstwerk, een ander. Winkelen doe je in Rotterdam in de Koopgoot, wat nu eenmaal lekkerder klinkt dan haar echte naam: ‘de Beurstraverse’. Menig Rotterdammer zal geen idee hebben wat je daarmee bedoelt. Jarenlang had ik een bijbaantje in een drogisterij in de Koopgoot. Daar beantwoordde ik ook vele vragen van toeristen: “Weet u misschien hoe wij van de Beurstraverse naar de Koopgoot kunnen lopen?” Tja….
Als ik dan vervolgens ook uit moest leggen waar je na een dagje toerisme goed uit eten kon gaan, resulteerde dat meestal in een soort Jackson Pollock-achtige regen van kruisjes, pijltjes en cirkeltjes op de stadsplattegrond.

Ga je wandelend vanaf Centraal Station en hou je van kunst? Loop dan langs de sculpturen van Paul McCarthy en Naum Gabo. Of op z’n Rotterdams: ‘Dan loop ‘ie toch vanaf Station Kapsalon langs Kabouter Buttplug en Het Ding?’ Liever met de metro? Stap uit bij Beurs: winkelen doe je immers ook aan weerskanten van de Goot, op de Lijnbaan of Hoogstraat. Maar denk niet dat je nu in het hart van Rotterdam bent: we noemen Zadkine’s monument ‘De verwoeste stad’ niet voor niets Stad zonder hart. Maar een tochtje langs de beroemde Rotterdamse architectuur is wel aan te raden. Voor de Hef, de vroegere Koningshavenbrug, ga je oostwaarts. Dan kom je gelijk langs het Potlood (oftewel Blaaktoren) en de Fluitketel (station Blaak); prachtig van lelijkheid en iconen van de Binnenrotte, een groot marktplein. Ja, de markt, of liever: de mart. Als je ergens een gezellig hapje wil eten moet je de Hoerenloper over naar de Kaap: de brug naar de voormalige rosse buurt in de oude zeemansbuurt Katendrecht. Maar goed, je dagjer Rotterdam: vanuit de Koopgoot is ook het Museumpark aan te lopen. Bovendien kun je voor veel kunstinitiatieven naar Charlois, maar dan moet je wel ‘de tunnel onderdoor’, want dat ligt óp Zuid. Charlois spreek je trouwens uit als Sjaarloos, Charleroi ligt elders. Een échte Rotterdammer pleurt er nog een j tussen: Sjaarjloos. Voor de beroemde Rotterdamse havens moet je al helemaal een eind op pad: per Spido (waterbus) zie je waarschijnlijk het meest.

De Rotterdamse bijnamen beginnen steeds bekender te worden. Sinds Rotterdam bovenaan wat internationale top-vijf-reislijstjes prijkt, vind je op internet steeds meer artikelen die uitleggen dat je de Hofpleinfontein ook de Flipspuit kunt noemen en dat het Timmerhuis, met haar kantoren, woningen en museum, in de volksmond de Glasbak genoemd wordt. En omdat Rotterdam bruist -en er dagelijks een paar extra blikken toeristen opengetrokken worden- groeien de verschillende stadskernen langzaam naar elkaar toe. Zo komen er ook steeds meer bijnamen. Voor de Markthal werd ooit een bijnamenwedstrijd uitgeschreven, maar wat het geworden is weet niemand in mijn stad. De Markthal is gewoon de Markthal: Rotterdammers krijgen hun bijnamen niet graag in de maag gesplitst. Vlakbij de Markthal ligt aan de Wijnhaven een enorme bruine woontoren met daarnaast twee kleinere, gelijkgekleurde bijgebouwen. In de volksmond ging dit gebouw uiteindelijk de Pleeborstel heten.
Maar de állerberoemdste Rotterdamse bijnaam, de Zwaan, wordt enkel door niet-Rotterdammers gebruikt. Een Rotterdammer noemt de Erasmusbrug hooguit ‘die witte brug’, als ‘ie aan een toerist uitlegt dat hij niet de rode Willemsbrug moet hebben.
Vorige week hoorde ik twee Nederlandse toeristen aan een voorbijganger vragen waar ze de Zwaan konden vinden. De man hield in, dacht even na, schudde zijn hoofd en antwoordde: “Je ken ‘ut altijd in de Diergaarde probere…..”

Abonneer op onze nieuwsbrief

Door verder gebruik te maken van deze website gaat u automatisch akkoord met het plaatsen van cookies. Meer informatie Dit bericht verbergen