Rotterdam-hotelvakantie in eigen stad

Om te ontdekken hoe een hotelvakantie in eigen stad voelt, boekte ik een natuurhuisje op een eiland in de Bergse Plas in Rotterdam: de Island Cabin. Nu wil het dat mijn vriend Jim en ik vorige maand naar een dorp net buiten Rotterdam verhuisd zijn. Technisch gezien is Rotterdam niet meer onze woonplaats, maar dat mag de pret niet drukken. De Maasstad voelt nog steeds als ónze stad, en na drie maanden verbouwen, verhuizen en weer verder verbouwen zijn we best toe aan een uitje. Island Cabin is niet voor één nacht te boeken dus boekten we er twee. We mogen er maandag vanaf 16.00 uur in en op woensdag moeten we om 12.00 uur weer weg zijn. Na een vroeg aangevangen thuiswerkdag krijgen we bericht dat de cabin al schoon is en dat we ook iets eerder mogen komen. We ronden snel ons werk af, lunchen wat en gaan onze spullen pakken. We moeten woensdagmiddag allebei weer acte de présence geven op kantoor- en bijbaan. Laptops en toebehoren gaan dus mee in de meest waterdichte rugtas die we hebben. Omdat we niet lang weg zijn, denken we dat het allemaal gaat passen in twee tassen. Dat is fijn, want onze heenreis mag kort zijn, ze eindigt met een heel bijzonder vervoersmiddel. We gaan overnachten op een eiland en daar komen we… per waterfiets!

door Zwaantje van Klaveren

Niet al te veel meenemen is dus het devies. We beginnen met inpakken. Een set schone werkkleren, een zooitje ondergoed en sokken, tandenborstels en douchefris: het hoeft allemaal niet veel ruimte in te nemen. Oh ja, de verrekijker gaat natuurlijk mee. Laten we ook een paar Donald Duckies in de tas steken. Goed, toch ook een leesboek. En ik kan mijn tekenspullen ook niet thuislaten, het schijnt daar prachtig te zijn. Opladers mee? Ja, opladers mee. Oh, misschien de EHBO-etui, je weet maar nooit. Hebben we een spelletje? Pak de yahtzeebeker maar, die is lekker klein. Zijn we er zo? Oh ja… nee dus. De boodschappen. We hebben geen idee hoe het waterfietsen gaat, dus we willen alles in één ruk meenemen. We baseren wat we willen eten en drinken deels op hoe makkelijk het te vervoeren is. Rond half drie staan we minder licht bepakt dan de bedoeling was te wachten op de metro: de twee rugtassen, én twee linnen boodschappentassen vol. Ik biecht op dat ik voor de zekerheid een tweede fles wijn in mijn tas heb gestoken. Mijn vriend begint te lachen: “Ik ook!”
Bij Centraal Station aangekomen, komt de tram aangereden wanneer wij aan komen lopen; dat zit niet tegen! In een mum van tijd stappen we weer uit. We lezen de instructies nog eens door: daar rechtdoor, daar naar rechts, door het hek de steiger op. We zien de waterfiets dobberen onder een oude treurwilg. Het regent al dagen af en aan, en donkere wolken trekken ook nu weer samen. Hoewel de eigenaar nog even heeft staan hozen in de waterfiets voor onze aankomst, ben ik blij dat ik twee lege plastic tassen in mijn zak gestoken heb. Na een beetje gewiebel en geschipper zitten we, met tassen en al, in de waterfiets. De bips droog op het plastic, de voeten op de pedalen – en daarmee de knieën enigszins in de buik gedrukt, we zijn allebei lang van stuk en stevig van bouw. Dat geeft trouwens niets, het fietsen gaat vlot en voor we het weten zijn we bij de plaats van bestemming aangekomen.

Alles is tiptop geregeld. Duidelijke route-, aanmeer- en sleutelinstructies zorgen ervoor dat we vlak voor de volgende bui binnen staan. We zijn meteen onder de indruk. Iedere vakantiehuiseigenaar zegt natuurlijk op de website dat het huisje smaakvol is ingericht, van alle gemakken voorzien en dat het uitzicht schitterend is, maar dat dat in dit geval echt waar is staat buiten kijf. De langgerekte, zwartstalen keuken heeft een lange houten bar met bruinleren bank erachter, en mondt uit in een lederen loungehoek met houtkachel. De lange zijde van het huisje bestaat bijna helemaal uit glas. We kijken uit over de houten vlonder, waar we banken, stoelen, een hangmat en een pizza-oven ontwaren. Overal staan planten. Island Cabin is stoer, sfeervol en met oog voor detail ingericht. Binnen ontdekken we een beamer met scherm, we zetten een muziekje aan en zien dat er ook een fles wijn voor ons klaarstaat – de vierde dus, dat belooft wat. Zodra de boodschappen in en om de koelkast opgeborgen zijn verkennen we de slaap- en badkamer. Daarna schenken we onszelf een glaasje in en genieten van het uitzicht. Als je hier in de lente of zomer bent, kun je de schuifpui meters ver opentrekken en verleng je de ruimte met de hele vlonder. Wij genieten vandaag toch liever vanachter het glas. Het is hier behaaglijk. De grauwe ganzen, kuif- en wilde eenden zwemmen af en aan. Een stel merels lijkt een nest te bouwen in een boom verderop, roodborsten en allerhande mezen verkennen het terrein. Een groepje brutale halsbandparkietjes inspecteert de boel even, er worden wat pinda’s gepeuzeld. Goed idee, wij trekken ook een zak nootjes open.

Uitkijkend vanaf de vlonder zien we de Straatweg in de verte, maar we zien vooral veel stadsnatuur – zelfs in de winter is het hier heel groen. Vanaf andere huisjes varen af en toe motor- en roeibootjes op en neer. Bij de cabin ligt een sloep, die is te huur, maar wij houden het bij de waterfiets. Het is geen weer voor lange boottochten en bovendien zijn we hier maar kort. Terwijl het langzaam donker wordt, genieten we van de lampjes die aangaan in de verte. Heel soms hoor je een vliegtuig, en als je erop let kun je buiten de snelweg horen. Toch voelt het alsof we helemaal weg zijn uit de stad en alleen op de wereld zijn. In de verte branden feestelijke lampjesslingers en zien we een mooie fontein. De grauwe ganzen laten af en toe gakkend weten dat ze er nog zijn. We steken de haard aan en bakken pannenkoeken. Omdat het vakantie is trekken we nog een flesje open. We nestelen ons in de loungehoek, het voelt een beetje als een zitkuil – in onze optiek het hoogste compliment dat je een zithoek kunt geven. We besluiten een film aan te zetten. Het vuur zorgt voor extra warmte en sfeer. Het is genieten. We kletsen nog wat, en zoeken dan ons bed op.

’s Morgens is het heerlijk wakker worden: door de smalle ramen naast ons hoge bed zien we de zon opkomen. De vogels op het water laten ook duidelijk horen dat ze er zijn. We mikken wat broodjes in de oven, bakken een eitje en zetten een lekkere bak koffie – die laatste trouwens door de cabin voorzien. Het ontbreekt ons aan niets. Jim moet vandaag nog een stukje vanuit huis, nou ja, de cabin dus, werken. Hij wil daarom om 9 uur even inbellen. We besluiten dat dat ook best vanaf het water kan. We vegen met een handdoek de stoelen in de waterfiets droog en trappen de plas op. Wat een uitzicht, we hebben zelfs even een waterig zonnetje in het gezicht. De collega’s lachen verbaasd: “Jim, waar zit jij nou?!” “Oh, ik zit met Zwaantje op een waterfiets, op de Bergse plas. Hoezo?

Het is droog en niet al te koud, de zon piept af en toe door de wolken. We besluiten om met de waterfiets naar de kade te gaan en een rondje om de Bergse Achterplas te wandelen. We wandelen Hillegersberg door. Het is even wennen, want je bent ineens weer vanuit de natuur in de stad. Maar wij komen hier niet vaak, en het is leuk om dit stuk van Rotterdam weer eens te zien. Al slingerend lopen we de plas om. Ondanks dat we het gebied kennen, voelt dit als een stadswandeling op vakantie. Tevreden komen we weer bij de waterfiets aan. Eenmaal aangemeerd pakken we een zoutje en drinken we een glaasje. Het is ook wel weer heel lekker om terug te zijn. De avond laat zich samenvatten met de woorden lanterfanten, uitrusten en genieten. Er is niet veel meer te doen dan naar buiten kijken; wanneer de zon verdwenen is, kijken we naar de vlammen van de houtkachel. We keuvelen wat, luisteren muziek, kijken een aflevering 2 voor 12 terug… Tevreden kruipen we ons mandje in.

We worden wakker tijdens de Slag om de Bergse Achterplas: de Nijl- & Canadese ganzen vechten luidkeels om de eer en glorie van de veenplas. Wij moeten helaas na het ontbijt onze spullen alweer pakken. We rekken ons verblijf zo lang we aandurven. We moeten om 12 uur weg zijn, maar pakken om 11 uur de waterfiets. Straks gaat er nog wat mis, het blijft spannend! Dat was niet nodig, blijkt achteraf. We blikken terug op een fijn verblijf. De waterfiets bracht ons op de heenweg in één keer in de vakantiestemming, op de terugweg blijft het vakantiegevoel gelukkig ook nog even hangen. In een ander seizoen zou een korte vakantie hier nog leuker zijn: het water op of in, iets meer van de buitenlucht genieten. Normaal gesproken zijn wij meer kampeerders, of boeken we een eenvoudige kamer op fietsvakantie of andere doorreis. Dit verblijf was een stuk kostbaarder, maar dat was het dan ook wel waard. Je bent echt even helemaal weg. En de vakantiefoto’s op de waterfiets zijn nu al legendarisch. We hebben ons geen moment verveeld.

POM Magazine Instagram

Utrecht- hotelvakantie in eigen stad

Wanneer wordt een hotelovernachting nou zo’n mooie beleving dat het verblijf zelf een ware vakantie is? POM Magazine redactieleden gingen op zoek naar het antwoord met de volgende opdracht: vind een hotel in je eigen stad, boek een kamer voor één nacht, check zo vroeg mogelijk in en zo laat mogelijk uit. Verlaat in de tussentijds het hotel niet en kijk hoelang het duurt voordat je je gaat vervelen. In deze serie namen we in drie Nederlandse metropolen, een hotel onder de loep. Anke Verbeek vertelt in het tweede artikel van deze serie over haar hotelbeleving. Anke woont in Utrecht en samen met haar partner was ze te gast in Hotel BUNK Utrecht.

SLAPEN IN EEN KERK
Hotel BUNK Utrecht zit in een oude kerk midden in het centrum, maar de sfeer in BUNK is allesbehalve kerks. De stemming is luchtig en expressief. Overal in het gebouw vinden we op muren en deuren ludieke oneliners. Verder hangt BUNK vol popart kunstwerken met bijbehorende tekstbordjes waardoor het voelt alsof je een tentoonstelling bezoekt. BUNK zet de klassieke elementen van de kerk naar eigen hand. Het licht valt door de glas-in-lood ramen op de bonte inrichting en het kerkorgel hangt als pronkstuk in de eetzaal. De BUNK-ervaring is überhaupt erg instagrammable en lijkt de droom voor influencers en social media fanaten. De medewerkers zijn supervriendelijk en komen meteen naar je toe om je te helpen tijdens het inchecken en het bestellen in de bar en het restaurant. Er wordt rekening gehouden met Gen-Z gasten, je kunt bijvoorbeeld digitaal inchecken via een zelf-incheckbalie.

BUNK BIEDT SPEELSHEID EN HUMOR
De gasten worden aangemoedigd om een #BUNKetlist te maken, met dingen die je altijd al in een hotel hebt willen doen, zoals kamernummer bingo of een kussen-schreeuw sessie. Verder organiseert BUNK tentoonstellingen, lezingen, poëzieavonden, cabaret, lichtinstallaties, livemuziek, filmvertoningen en soms een expositie van een artist-in-residence. Mijn partner en ik kwamen speciaal voor een Jazz concert van de band Bob Roos, die optrad in het restaurant tijdens het diner. Het motto van het BUNK Restaurant is trouwens, “Voor ons menu vliegen we de hele wereld over”. Dat was niet gelogen, op het menu staan oneindig veel opties aan vlees-, vis-, en vegetarische gerechten uit diverse wereldkeukens. Elk gerecht heeft een eigen twist, met net een ander ingrediënt of andere manier van opdienen, maar alles blijft lekker toegankelijk. Alle gerechten hebben een vega of vegan versie. Speelsheid en grapjes vonden we ook op de menukaart zoals het gerecht: SEND LOVE TO KITCHEN -unlimited $ 0.00. Het koffie kopje is net zo ludiek. Wanneer je het kopje leeggedronken hebt, kun je op de bodem “hi pretty” lezen. De gasten wordt een tafel toegewezen: een chique versie van een lange picknicktafel waar we mochten plaatsnemen naast andere hotelgasten. Het is een concept waar ik fan van ben. Het geeft een huiselijke sfeer helemaal als de hotelkat zomaar gezellig bij je komt zitten. Alle tafels zaten vol. Door de inrichting, de kleuren, de kaarsjes en de Jazz act was de sfeer heel warm.

WAS ER EEN FATSOENLIJKE BAR?
Jazeker, met allerlei wijnen, bieren en cocktails. De bar kwam ‘s avonds tijdens het diner en concert helemaal tot leven. Op de derde verdieping is een mooie loungeplek op een balkon dat uitkijkt op het grandioze orgel. Hangend over de reling konden we bijna het hele hotel zien met zijn bezoekers en gasten. Wat ons opviel is dat het publiek zo’n beetje om de paar uur verandert. Toen we ‘s middags incheckten voerden Utrechtse flexwerkers de boventoon. Een paar uur later maakten ze plaats voor Europese reizigers. Aan onze linkerkant dineerden bijvoorbeeld twee Spaanse vriendinnen en rechts van ons een Engels gezelschap. De sfeer is levendig, casual-chique en gelukkig vol ontspanning en plezier, afgezien van het business etentje verderop in het restaurant.

HOE LANG DUURDE HET VOORDAT JULLIE JE GINGEN VERVELEN?
We checkten om drie uur ‘s middags in en hadden om acht uur het diner met Jazz concert gepland. In de tussentijd konden we het hotel ontdekken, drankjes drinken en een beetje loungen, maar dat was net niet genoeg om de tijd te vullen. Het hotel wordt in de middag vooral gebruikt door flexwerkers, waardoor je niet zo snel in een relaxte mood komt. We voelden ons bijna schuldig dat we niet aan het werk waren. Ik vond het jammer dat je niet naar een spa kon gaan, sporten of buiten terrassen. De kunsttentoonstelling hadden we snel bekeken en ons Jazz concert was meer voor de sfeer hoewel BUNK ook grote popconcerten organiseert, waarbij het restaurant verandert in een concertzaal. Het personeel vroeg aan ons wat we nog gingen bezoeken in Utrecht. BUNK lijkt meer gefocust op gasten die activiteiten plannen buiten het hotel. We hebben genoten van het kerkhotel met entertainment, zalig eten en een goede bar, maar er was net niet genoeg beleving voor een dagvakantie in eigen stad.

POM Magazine Instagram

Amsterdam- hotelvakantie in eigen stad

Wat is eigenlijk een hotel? Het is een gebouw waar je kunt overnachten. Het heeft meestal een restaurant, roomservice, receptionisten, een bar en een ontbijtkamer. Maar, wanneer wordt een hotelovernachting nou zo’n mooie beleving dat het verblijf zelf een ware vakantie is? POM Magazine redactieleden gingen op zoek naar het antwoord met de volgende opdracht: vind een hotel in je eigen stad, boek een kamer voor één nacht, check zo vroeg mogelijk in en zo laat mogelijk uit. Verlaat in de tussentijds het hotel niet en kijk hoelang het duurt voordat je je gaat vervelen. In deze serie namen we in drie Nederlandse metropolen, een hotel onder de loep. In het eerste artikel van deze serie vertelt Polly Parker over haar hotelbeleving in Amsterdam.

HOTEL JAKARTA AMSTERDAM
Achter het Amsterdamse Centraal Station, midden op het IJ ligt het Java Eiland. Het is een plek met een maritieme geschiedenis want tot de jaren ’70 voerden oceaanstomers hier af en aan. Daarna werd het een haven voor kunstenaars, hippies en krakers. Nu schittert Hotel Jakarta op dit bijzondere eiland, een gebouw van glas en staal in de vorm van een taartpunt. Door de vorm heeft het vanbinnen veel weg van een schip. Op elke etage komen de kamers uit op een galerij die uitkijkt op een binnentuin vol tropische planten en palmbomen die reiken tot de tweede etage. Alle galerijen eindigen in de “punt van de taart” waar je lekker kunt zitten in comfortabele fauteuils met uitzicht op het IJ en de binnentuin.

LOPEN IN DE TROPEN
Ik had een arrangement geboekt met de mooie naam “Lopen naar de tropen” inclusief één overnachting, een uitgebreid ontbijt, Indische rijsttafel in Café Jakarta en parkeren in de garage onder het hotelpand. Ik kwam met de auto en was blij dat er veel ruimte is vlak voor de hotelingang om even te parkeren, zodat ik kon inchecken en een parkeerkaart bij de receptie kon ophalen. Nadat ik mijn bagage naar de kamer had gebracht, ben ik op onderzoek uitgegaan in het hotel. Het was een warme meidag en wat opviel was dat er nergens in de gemeenschappelijke ruimtes airconditioning aanstond. Hotel Jakarta heeft een enorm glazen dak met panelen die tegen elkaar opengezet stonden waardoor er een aangename milde bries in het hele gebouw stroomde.

HOTEL JAKARTA HEEFT EEN IN-HOUSE BAKKERIJ
Op de begane grond vond ik Bakkerij Westers waar hotelgasten, maar ook buurtbewoners brood en gebakjes kunnen kopen. De bakkerij heeft in het hotel een lunchroom waar je koffie, thee, taart en sandwiches kunt bestellen. Ik nam thee en een gebakje dat er prachtig uitzag. Ik mocht zelf de thee samenstellen. In een hoek stonden enorme flessen en waar je theeblaadjes “kon tappen” in een stoffen theezakje. De thee was van uitstekende kwaliteit en er was voldoende keuze. Alles werd geserveerd in modern Delftsblauw servies. Na mijn theepauze wandelde ik door de ellipsvormige binnentuin dat een soort mini oerwoud is met tropische planten. Alle hotelkamers kijken uit op de binnentuin waardoor het lijkt alsof je op een luxe schip bent. Alleen kijk je niet uit op een zwembad maar op een oerwoud.

WELLNESS CENTER EN ZWEMBAD
Maar Hotel Jakarta heeft zeker een zwembad. Het ligt op de eerste etage en het heeft een glazen binnenmuur. De zwemmers kunnen door die muur het tropisch oerwoud zien en aan de andere kant het IJ. Overal staan ligstoelen die allemaal uitkijken op het water waar de schepen voorbijvaren. Het is een smal zwembad maar lang genoeg om baantjes te trekken. Het Wellness Center is ook op de eerste etage met toegang tot het zwembad, de sauna en de beautysalon. Ik had een rug behandeling geboekt van anderhalf uur. Het Wellness Center heeft hetzelfde interieur als de rest van het hotel, maar het is er wel een beetje klein. De behandelruimte vond ik wel weer ruim en de behandeling was uitstekend.

CAFE JAKARTA
Na mijn bezoek aan de beautysalon ging ik even naar mijn kamer om me om te kleden voor het diner in Café Jakarta, een groot restaurant met een enorme bar en een open keuken. De Indische rijsttafel was smakelijk, maar erg mainstream. Als liefhebber van Indisch eten mochten van mij de kruidenmixen in de rijsttafelgerechtjes meer eigen signatuur hebben. Maar ik begreep dat de chef de smaken zo toegankelijk mogelijk moet houden, toen ik zag hoe een Duitse dame aan de tafel naast mij, een weifelende blik wierp op haar bord met Rendang Daging en de ober vroeg wat het eigenlijk voor gerecht was dat ze had besteld. Gelukkig staan er ook Westerse gerechten als zalm, oesters en entrecote op het menu. De lokale gasten waren smaakvol geklede eindtwintigers en dertigers die met hun date chique wilden dineren, want de entourage van Café Jakarta is chique. Verder veel jonge Oost-Europese gasten die er mooi en stijlvol uitzagen. De groepjes Duitse en Engelse toeristen (Busreis? Cruise?) een paar tafeltjes verderop daarentegen zagen er in hun gekreukte kleding uit alsof ze aan het kamperen waren. Tip beste mensen: hoe meer je je best doet om er verzorgd uit te zien, des te hartelijker worden de obers. Grenzend aan het restaurant ligt aan het water een breed buitenterras waar je na het diner kunt genieten van je koffie of aperitief. Maar ik heb geen koffie op het terras genomen want ik ging op zoek naar de Skybar.

SKYBAR MALABAR
In de “punt van de taart” op de achtste verdieping zit Skybar Malabar. Ook hier veel hout en glas. Je kunt de lichtjes van de gebouwen aan de overkant van het water zien met in de verte het oude Amsterdam, terwijl aan de andere kant de lichtjes van Amsterdam Noord schitteren. Voornamelijk gesoigneerde veertig plussers kwamen hier nog even wat drinken. Ik denk dat op vrijdagavond en in het weekend meer jonge mensen komen. Maar er heerste die maandagavond een leuke vibe. Malabar serveerde veel cocktails met combinaties aan ingrediënten die ik nooit eerder op een drankkaart heb gezien (saté cocktail?). Ik heb net op internet even de drankkaart gecheckt en gelukkig staan er nu wel cocktails op die me lekker lijken. Maar tijdens mijn verblijf trokken het mij niet aan. In plaats daarvan heb een glas champagne genomen, aan champagne kun je geen buil vallen.

HOUTSNIJWERK!
Mijn hotelkamer had houten wanden en een houten plafond. Verder was er een open badkamer, een aparte wc en een garderoberuimte. De slaapkamer kon afgesloten worden van dit alles met een schuifpaneel waarin een groot houtsnijwerk van een Indonesische danser te zien was. Ook de nachtkastjes hadden houtsnijwerk in de schuiflades. In de hele kamer voerde de kleur beige de boventoon, van vitrages en overgordijnen tot de bekleding van de zitbank. Verder was de kamer goed geëquipeerd. Er was een strijkijzer, een föhn, een espresso apparaat, een waterkoker, een kluis, badjassen, slippers en twee plastic halve liter flessen met water. De waterflessen met Delftsblauw decoratie mocht je als souvenir meenemen, ik gebruik ze nog steeds. Mijn kamer had een balkon dat volledig met glas was afgeschermd want het waait non-stop op het Java Eiland.

HEB IK ME VERVEELD TIJDENS MIJN VERBLIJF?
Ik checkte in op een maandag om 16:00 en de volgende dag checkte uit om 12:00. Hotel Jakarta is een lounge hotel, overal kun je chillen. De kracht van dit hotel zit ‘m in de architectuur van het gebouw dat optimaal gebruikmaakt van het uitzicht. Of je nu wandelt door de binnentuin, ligt op een massagetafel of ergens zit in een fauteuil, op een saunabank of in een ligstoel- overal kun je genieten van een adembenemend uitzicht. Zelfs tijdens het baantjes trekken in het zwembad. De hotelmedewerkers zijn behulpzaam en door de inrichting, het eten en de binnentuin waan je je in Indonesië, even weg uit je eigen stad. Heb ik me verveeld? Geen seconde.

 

POM Magazine Instagram

Cultuur Winter/Lente

Het theaterseizoen vliegt door de winter, op weg naar de lente. Polly Parker heeft weer de krenten uit de culturele pap gehaald. Lekker zoet/zuur, lekker rafelig en altijd inspirerend. Hier is Polly’s choice.

HULP, De Veenfabriek
In het theatertje om de hoek bereidt een groep zorgmedewerkers een benefietavond voor. Nadat ze de beelden zagen van een vreselijke ramp konden ze niet stil blijven zitten. Gaandeweg slaat goede moed om in twijfel: we willen helpen, maar helpt het ook?
Vanaf 1 februari t/m 17 april te zien in diverse Nederlandse theaters.

De Meester en Margarita, Orkater|KONVOOI
Het literaire werk met de gelijknamige titel van auteur Boelgakov is nu te zien in een theaterbewerking van Orkater|Konvooi. De Duivel, De Meester en Margarita, nemen je meer in een sprookjesachtige nachtmerrie op zoek naar de waarheid.
Vanaf 15 februari t/m 4 maart te zien in diverse Nederlands theaters.

We are (not) Tupac Shakur, DIEHELEDING
In een moordend raptempo analyseert DIEHELEDING de grote heldenverhalen uit de geschiedenis, om te eindigen bij the biggest story of them all: het grillige levensverhaal van de Afro-Amerikaanse rapper Tupac Shakur.
Vanaf 7 maart t/m 19 mei te zien in diverse Nederlandse theaters.

Neon Muzeum Warsaw

Grafisch ontwerper David Hill en fotograaf Ilona Karwinska zijn de oprichters van Neon Muzeum Warsaw. David en Ilona werden bij toeval curatoren van een unieke collectie. Wat begon als een romantische wandeling door Warschau resulteerde in een collectie van meer dan 300 prachtige neonlichten uit de periode van de Koude Oorlog. Giulia Weijerman sprak met David Hill om erachter te komen waarom deze Poolse neonlichten uit deze specifieke periode zo bijzonder zijn. Tijdens het interview viel Giulia van de ene verbazing in de andere.

door Giulia Weijerman

David, waarom ben je zo geïnteresseerd in Poolse neonlichten?
Toen ik in 2005 mijn vrouw Ilona in Londen leerde kennen, nodigde ze me uit om Warschau te bezoeken. Ilona komt oorspronkelijk uit Polen. Ze verhuisde als tiener naar het Verenigd Koninkrijk en bracht daar haar volwassen leven door. Ze wist net zoveel van de geschiedenis en cultuur van Polen als ik. Toen we door de straten en boulevards van Warschau wandelden, zag ik overal neonreclames. Ik ben van huis uit grafisch ontwerper en typograaf. Het viel me op dat deze neonlichten zo fris oogden, in lettertypes die ik nog nooit eerder had gezien. Ik vond ze fantastisch, maar niemand leek er ook maar enige aandacht aan te besteden. Ilona is portretfotograaf. Ze had net een groot antropologisch project in Syrië en Libanon afgerond en ze vroeg zich af wat ze hierna zou gaan doen. ‘Waarom ga je niet neons fotograferen in plaats van mensen?’, heb ik toen geroepen. Dat was het startsein voor een fotodocumentaire en die bracht ons uiteindelijk naar het behoud van deze prachtige, historische neonreclames. We hebben nu meer dan 300 neons in onze collectie, de eerste en grootste collectie van Europa.

Wat maakt de neons in jullie collectie zo bijzonder?
Wat ik zo fascinerend vind is dat ze zijn ontworpen binnen de strikte regels en voorschriften die destijds opgelegd werden door de staat. Grafisch ontwerpers moesten binnen deze parameters werken, er was geen ‘carte blanche’. Het was een zorgvuldig gecontroleerd medium en daarom is het zo ongelooflijk dat deze ontwerpers zulke mooie, expressieve neons hebben gecreëerd. Elk neonlicht is ontworpen voor één doel, dus voor één gebouw, één product, één dienst of één fabriek. De letters en tekens zijn uniek. Ze werden maar één keer gebruikt in een ontwerp en daarna nooit meer. Maar toen de ontwerpers van het eerste uur met pensioen gingen namen de technici het ontwerpen van ze over. Zij begonnen veelvoorkomende lettertypes als Grotesk Neue en Helvetica te gebruiken. Je zag eind jaren 80 steeds vaker neons in dit lettertype. Het deed afbreuk aan de originaliteit die de vroege stijl zo kenmerkte. De latere generatie neons hebben naar mijn mening niet dezelfde visuele- en emotionele lading.

Hoe ben je ertoe gekomen om een museum te starten?
Mijn ouders waren verzamelaars. Het verzamelen is me met de paplepel ingegoten. Voor mij was het logisch deze neon objecten te verzamelen en te laten zien aan het publiek in een museum. We vonden een ruimte in het gebouw waarin we nu al bijna 12 jaar zitten. Ilona stelde een pop-up tentoonstelling voor van een paar weken. Daarna zouden we wel zien. Onze eerste tentoonstelling was in mei 2012. Het was onderdeel van The European Museum Nights Event en we hadden een advertentie geplaatst. Er kwamen 6.000 mensen in één nacht naar ons museum! We waren totaal verrast door de positieve reactie van het publiek. We hadden negatief commentaar verwacht, de neonreclames waren symbolen van het communistische regime. Ze zijn ontworpen door de beste grafische kunstenaars, ondanks dat de communistische autoriteiten de initiatiefnemers waren van de neonisatiecampagne.

Vertelt het museum ook iets over de geschiedenis van de neons? Of ligt de focus met name op de esthetiek?
De geschiedenis van de neons is voor ons van top belang! In ons archief hebben we duizenden originele tekeningen, projectplannen en blauwdrukken. In het museum hebben we de neons voorzien van tekstlabels met informatie over de geschiedenis, de ontwerper en de locatie van het gebouw waarop de neons stonden. In de jaren vijftig waren de mensen rusteloos in Oost-Europa. Ze wilden hun vrijheid terug en herinnerden zich het leven tijdens het interbellum. De Sovjets en communisten waren bang dat ze de controle zouden verliezen. Iemand heeft waarschijnlijk tijdens één of andere conferentie in Moskou geroepen: laten we overal neons plaatsen, dan lijken de steden een beetje zoals tijdens het interbellum. In het begin waren we bang dat het publiek onze tentoonstelling zou zien als sympathie voor het communisme. Maar in de loop der jaren is de politieke bijklank afgenomen. We willen gewoon dat de mensen genieten van de esthetiek. Het is ongelofelijk dat een samenleving die zo gecontroleerd werd, zulke prachtige neons heeft voortbracht.

Verzamelen jullie alleen neons uit de periode van de Koude Oorlog?
We zijn met name geïnteresseerd in de neon designs uit de periode van 1955/56 tot het einde van het regime in 1989. Het was een initiatief van de communistische autoriteiten, het was een staatsproject en het werd geleid door een intern staatsorgaan. Dit zijn geen commerciële neonlichten en het waren geen advertenties. Het waren socialistische berichten, symbolen om ’te informeren, te vormen en te amuseren’. De staat stond geen concurrentie toe en in Polen was er maar één bedrijf dat alle productie van neons afhandelde. We zijn erachter gekomen dat andere Oostbloklanden achter het IJzeren Gordijn, ook hun eigen neonpropaganda hadden. Er was dus een lokale stijl in Polen, Hongarije had een bepaalde stijl en het voormalige Tsjechoslowakije had zijn eigen stijl.

Hoe ziet het museum er over 5 of 10 jaar uit?
Nou, veel groter. We exposeren nu 125 volledig gerestaureerde neonlichten. Maar we hebben honderden neons in opslag, wachtend om te schitteren. Sommigen zijn behoorlijk groot. We hebben bijvoorbeeld de grootste en tevens de oudste neonreclame van het voormalige Oostblok. Het is gemaakt tijdens de Stalinperiode en Stalin had een hekel aan Westerse neonreclame. Het is ons een raadsel waarom de autoriteiten een neon wereldbol met een diameter van 5 meter lieten bouwen, om die vervolgens in1950 midden in het centrum van Warschau te plaatsen. Wij hebben het origineel in onze collectie. Deze neon wereldbol moet het middelpunt worden van onze tentoonstelling, want het symboliseert de oorsprong van de neonisatiecampagne. Maar dat kan alleen in een grotere expositieruimte. We hebben momenteel zo’n 500-600 m2 aan ruimte en dat willen we graag verdubbelen. We hopen volgend jaar te verhuizen naar een groter gebouw, dichter bij het centrum van Warschau. Ons huidige publiek bezoekt ons nooit toevallig. Het zijn mensen die vastbesloten zijn onze collectie te bekijken en doen nu veel moeite om ons te vinden. Het Neon Muzeum ligt aan de oostkant van Warschau, aan de andere kant van de Vistula rivier. Het is een hele trip om bij ons te komen. Er komen nu jaarlijks 100.000 bezoekers naar het museum. Maar met de verhuizing naar het centrum van Warschau hopen we nog meer bezoekers aan te trekken.

Heb je een favoriet in jullie collectie?
De neons zijn voor ons als kinderen en we houden evenveel van ze. Maar stiekem heb ik twee favorieten. Eentje toont een grote blauwe cirkel met een elektrisch rood woord ‘Mydlła’, dat betekent zeep. Rechtsonder staat het woord ‘Farby’, dat verf betekent. Het is mijn favoriet omdat mensen altijd zo verbaasd zijn wanneer ze lezen dat deze neon gemaakt is voor zulke alledaagse producten als zeep en verf. Ze denken in eerste instantie dat het een reclame is voor een jazzcafé of een cocktailbar, omdat het er zo spectaculair uitziet. Mijn andere favoriet laat het woord ‘Syrena’ zien in oogverblindend helderblauw licht. De typografie is verbluffend mooi. Het komt uit een verlaten bioscoopgebouw in Elbląg, aan de Baltische kust. Het gebouw zou afgebroken worden en toen de slopers controleerden of er nog iemand binnen was, vonden ze stukjes van deze neonreclame. De vastgoedontwikkelaar bood aan om het volledig te restaureren en aan ons te doneren. Het was zo’n mooi, genereus gebaar. We hebben daarom een speciale verlichtingsceremonie in het museum georganiseerd voor deze neon.

Zijn er nieuwe tentoonstellingen gepland voor de nabije toekomst?
We hebben onlangs een beurs gewonnen voor de nieuwe tentoonstelling, Women Designers of Light. In deze tentoonstelling staat het werk van de vrouwelijke neonontwerpers van Warschau centraal. Eind jaren 50 en begin jaren 60 werkten duizenden vrouwen als neon buisbuigers, maar de ontwerpers waren meestal mannen. Pas later begonnen vrouwen neons te ontwerpen. Op 21 november openen we deze tentoonstelling en het is een uitbreiding van de permanente tentoonstelling van ons museum.

Neon Muzeum Warsaw

Saskia Diez- Devine Design

Volgens de Duitse sieradenontwerper, Saskia Diez zijn sieraden altijd een geschenk, ongeacht of je ze cadeau krijgt of dat je ze voor jezelf koopt. Saskia’s ontwerpen zijn toegankelijk, speels, artistiek, progressief en androgeen.“Zoals volgens mij moderne mensen zijn”, legt ze uit in een interview met Anke Verbeek.

door Anke Verbeek

Ik vind het fascinerend dat de sieraden die je ontwerpt minimalistisch zijn en tegelijkertijd zichtbaar en aanwezig.
Mijn ontwerpen zijn zeer aanwezig zonder te schreeuwen. Het maakt niet uit hoe groot een ontwerp is. Zelfs een klein sieraad kan je fysieke houding veranderen. Het creëert een mooi moment van zelfbewustzijn wanneer je een sieraad uitkiest om die dag te dragen. Het maakt niet uit welke kleding je draagt, met sieraden kun je je look veranderen naar glamour, avant-garde of chic.

Een sieraad kan een geschenk zijn van een familielid, het kan een statussymbool zijn, het kan je zelfvertrouwen geven. Wat vind je van deze sociale aspecten van sieraden?
Ik ben niet geïnteresseerd in sieraden als statussymbool. Mensen kopen mijn ontwerpen niet vanwege status. Daarvoor zijn ze qua prijs veel te toegankelijk. Mensen die status belangrijk vinden, kiezen de grote merken. Ik beschouw een sieraad eerder als een containertje dat situaties, gebeurtenissen, verhalen, stemmingen en liefde bewaart. Dit sociale aspect is een belangrijke eigenschap van sieraden. Ik heb nog nooit mensen ontmoet die me niet konden vertellen van wie, wanneer en waarom ze een sieraad hebben gekregen.

Op jouw website lees ik dat je ontwerpt voor een vrouw als jijzelf. Wat voor iemand ben jij?
Wat ik daarmee wil zeggen is dat ik ontwerp voor iemand die dezelfde waarden en dezelfde opvattingen heeft over hoe je juwelen moet dragen. Toen ik begon in de juwelen business bestonden er slechts een paar categorieën. Je had dure juwelen die mensen kochten als statussymbool. Verder had je juwelen die artistiek waren en lastig te dragen. Dat waren eerder objecten dan juwelen. En natuurlijk had je de sieraden die special ontworpen werden voor een klant. Ik was in geen van allen geïnteresseerd. Ik wilde sieraden ontwerpen die maken dat je je sterker voelt, trotser en bewuster. Ik ben als goudsmid begonnen bij een bedrijf dat dure juwelen van hoge kwaliteit maakte. Geen van de stukken die ik daar had gemaakt, wilde ik zelf dragen. Ze waren allemaal uniek, heel artistiek en extravagant. Als ik zoiets zou dragen zou ik helemaal verdwijnen. Ik wilde juist iets dragen dat me zou benadrukken in plaats van laten verdwijnen.

Hoe ziet jouw creatieproces eruit? Waar begin je?
Ik maak schetsen om de ideeën die ik in mijn hoofd heb op papier te krijgen. Dan begin ik snel mock-ups te maken om te kijken hoe iets valt op de huid, hoe het beweegt, of de lengte goed is. Voor de mock-ups gebruik ik goedkope materialen. Dan moet je denken aan papier, deeg, kralen, garen of aluminiumfolie. Als ik met kostbare materialen zou werken, zou ik me niet vrij voelen om van alles uit te proberen. Ik wil het namelijk goed doen en wil geen materiaal verspillen. Wanneer ik met de mock-ups aan de gang ben, sta ik open voor alles. Maar geleidelijk aan laat ik dingen weg totdat ik het gevoel heb, dat het idee waaraan ik wilde werken, duidelijk zichtbaar is.

Waar vind je de inspiratie die jouw creatieve proces in gang zet?
Ik heb een startpunt nodig. Dat kan van alles zijn: een idee, een lied, een film of een vriend. Het kan een bepaald gevoel zijn dat ik wil overbrengen aan de dragers van mijn sieraden, zoals geluk of geborgenheid.

Hoe beïnvloeden gevoelens jouw ontwerpen?
Toen het ernaar uitzag dat de Covid-pandemie op zijn einde was, begon ik aan een serie gebaseerd op het gevoel: Ok, laten we gaan feesten! De sieraden doen je denken aan het gevoel dat je hebt als je ’s nachts uitgaat om te feesten, iets wat we al een tijdje niet meer hadden gedaan. Ze schitteren en hebben een donkere gunmetal kleur. Eén van onze best verkochte ontwerpen is trouwens geïnspireerd op een meubelstuk, een fauteuil met een massieve rugleuning. Ik zag die massieve stoel en wilde sieraden ontwerpen gebaseerd op het gevoel dat het in mij opriep. Toen we deze serie lanceerden, aarzelden klanten een beetje. Het duurde een paar seizoenen voordat klanten deze collectie begonnen te kopen. Het is een collectie die nog steeds erg goed verkoopt.

Als het op vakmanschap aankomt, werk je dan graag met je handen?
O jazeker, want je verstand en je verbeelding kunnen je bedriegen. Ik kan het meest fantastische idee hebben dat ik wil vertalen in een sieraad. Maar dan begin ik met mijn handen te werken en op een gegeven moment denk ik: bah, het is eigenlijk helemaal niet zo’n fantastisch idee! Maar het één leidt tot het ander, een fout in het ontwerp of iets dat fout is gegaan tijdens het maken. Dat leidt dan tot het finale ontwerp. Toen ik aan een serie werkte waarin leer werd gebruikt, had ik zo’n beeld van mooie weefpatronen in mijn hoofd. Het werd allemaal erg ingewikkeld en de ontwerpen leken niet echt in verbinding te staat met je lichaam. Ik raakte gefrustreerd en dacht: als ik nou eens dit of dat erbij doe. Maar het werd alleen maar nog ingewikkelder. Toen besloot ik franjes te knippen in een stuk leer en ineens was daar de definitieve versie! Het had niets meer nodig. Het was een heel lang en gecompliceerd proces dat resulteerde in een heel eenvoudig ontwerp.

Welk materiaal spreekt je het meeste aan?
Ik hou uiteraard van goud en zilver. Voor grote of massieve sieraadstukken gebruik ik verguld materiaal. Het heeft geen zin om een groot of massief sieraad in goud te maken als het betekent dat de koper daarvoor veel geld moet uitgeven en maar weinig mensen het sieraad kunnen kopen. Maar voor kleinere of verfijnde stukken gebruik ik wel goud. Momenteel ben ik helemaal verliefd op zilver. Zilver is het witste metaal dat er is, omdat zilver het grootste spectrum aan licht reflecteert. Ik hou van stenen, parels en kralen, maar ik werk niet veel met edelstenen. Het liefst werk ik met halfedelstenen.

Hoe vind je deze materialen?
Ik werk met leveranciers die goud en zilver leveren. We werken voornamelijk met gerecycled metaal. Voor stenen ga ik naar dealers waarmee ik al heel lang werk en die ik vertrouw. We bewerken ook oude sieraden. Veel mensen hebben ringen, kettingen of oorbellen die ze van familieleden hebben geërfd. Vaak worden deze stukken niet gedragen. Ze zijn ouderwets, uit de mode of passen niet bij de smaak van de eigenaar. In deze sieraden zitten vaak stenen van een kwaliteit en grootte die je tegenwoordig niet meer tegenkomt. Ze kwamen uit een bepaalde mijn en op een gegeven moment is die mijn uitgeput. Ik vind het heerlijk om stenen uit deze oude sieraden te halen en ze samen met het metaal om te turnen naar een moderne ontwerp. Zo krijg je een uniek sieraad dat je nergens anders vindt en zijn emotionele waarde voor de drager behoudt, ook al is het een nieuw ontwerp. Ik vind het erg leuk om dit soort unieke stukken te maken.

Website Saskia Diez

Materiaaltransformatie: van klein tot groot

De vrije kunst van textielontwerper Michelle Schmit valt op. Het is beeldende kunst om in een ruimte te hangen. Anke Verbeek bezocht Michelle thuis waar ze ook haar atelier heeft. Het werd een wederzijds gesprek vol inspiratie en observaties. Op de vraag of ze zichzelf ziet als beeldend kunstenaar of als ontwerper, antwoordt Michelle Schmit: allebei. Maar het liefst noemt ze zichzelf maker, want het één sluit het ander niet uit.

door Anke Verbeek

Je hebt jarenlang een eigen studio gehad waar je ontwierp voor mode en interieur. Daar ben je op een gegeven moment mee gestopt en je bent vrije werk gaan maken. Wat is het verschil tussen jouw textielontwerpen en je vrije kunst?
Toegepaste kunst heeft eisen, beperkingen en tijdslimieten. Vrije kunst heeft veel meer ruimte. Soms heeft het alle ruimte, wat ook weer moeilijk kan zijn. Vrije kunst betekent voor mij uniek werk en dat is een groot verschil met toegepaste kunst, wat in principe in grote hoeveelheden wordt geproduceerd.

De natuur is een belangrijke inspiratiebron voor je. Wat vind je intrigerend aan de natuur?
In de natuur vind ik een oorspronkelijk beeld dat niet door mensen is gemaakt. De natuur geeft me energie en ideeën voor mijn werk. We zijn laatst naar zoutmijnen in Frankrijk geweest. Daar zag ik dwarsdoorsneden van zoutplakken. En in Spanje hebben we een stuk cactus gevonden dat uit allerlei lagen bestaat. Het is allemaal inspiratie voor mijn werk. Iets wat ik langs de zee vind. Of vrienden zijn ergens geweest en brengen iets van een kapokboom voor me mee. Van een klant die een werk heeft aangekocht heb ik een kluwen algen gekregen. Er worden hier voortdurend dingen naar binnen gesleept en dat laat ik op me inwerken.

Als je een werk maakt, wat vind je dan belangrijk?
Materiaaltransformatie vind ik heel interessant. Het is fascinerend dat de wol die ik gebruik ooit op een dier zat en dat ik nu die geschoren wol gebruik voor mijn werken. Ik haal materiaal uit elkaar en vanuit kleine stukjes ga ik het werk opbouwen. In het eindwerk ziet het materiaal er heel anders uit dan toen ik eraan begon. In al mijn werken ben ik steeds met kleine dingen iets groots aan het bouwen.

Als je vrij werk maakt, waar begin je dan?
Dat verschilt per werk. Fragile Landscapes bijvoorbeeld is een groot werk waarmee ik gestart ben na een wandeling in de duinen. Ik had foto’s gemaakt tijdens de wandeling, maar toen ik terugkwam zat mijn hoofd zo vol met ideeën en kleuren dat ik niet meer naar die foto’s heb gekeken. Ik ben aan de slag gegaan. Ik maak altijd stapels schetsen met het materiaal waarmee ik werk en van daaruit ga ik groter werken. Soms weet ik meteen wat ik wil maken. Soms moet ik uitproberen en testen. Het is een proeffase waarin ik uitzoek hoe het werk zou moeten worden. Zodra ik dat weet, ga ik het echte werk maken, de eindversie zeg maar. Dat is een belangrijke beslissing, heel spannend.

Laat je je werk door anderen uitvoeren, of doe je dat altijd zelf?
Om het samen met anderen te doen zou ik niet erg vinden. Maar voor nu vind ik het heel fijn om die verschillende processen zelf te doen: eerst dat broeien, dan het maken van de schetsen en dan het werk maken. Het is tijdrovend, niet alle stadia gaan vloeiend, het kan best wel een jaar duren. Maar ik krijg er ook heel veel nieuwe ideeën van.

Wat voor materiaal gebruik je voor je werk?
Op dit moment werk ik heel graag met wol: onbewerkte wol van schapen, alpaca’s of yak. Ik vind het mooi om de verschillen in kleur en structuur van dat onbewerkte materiaal te zien. Soms voel je aan de wol dat het van een oud dier is geweest omdat het futloos is en niet de veerkracht heeft van de wol van een jonger dier. Ik heb heel lang met papier gewerkt, want ik heb een enorme liefde voor papier. Maar ik maak ook werk dat bestaat uit draden van alg en van zijde.

Als je materiaal aan het onderzoeken bent, krijg je dan associaties die je gebruikt voor de eindversie?
Associaties hebben te maken met dingen die je herkent en ik wil iets maken wat ik nooit eerder heb gezien. De combinatie van verschillende materialen en technieken levert soms een interessant resultaat op en soms niet. Het blijft een zoektocht naar nieuwe verrassende vormen en combinaties.

Wat triggert je om tot een werk te komen?
Het zijn vaak dingen die gebeuren waarvoor ik een uiting zoek en zich vertalen in een werk. De aanleiding voor het werk Embrace is de oorlog in de Oekraïne. Ik wilde iets maken, iets moois, een omhelzing, en daar is dat werk uit voortgekomen. Bij het werk Widest Time, was het startpunt een oud gedicht van een Chinese dichter. In zijn gedicht vertelt hij dat we allemaal vinden dat we in een unieke tijd leven, maar dat iedereen dat vindt, al generaties lang. Dus laten we het een beetje ruimer zien. Daaruit ontstond het werk Widest Time. Kunst mag van mij ‘schuren’ en dat geldt ook voor mijn eigen werk. Het doet iets met je en dat hoeft niet perse mooi te zijn. Een andere keer vind ik dat het iets heel anders teweeg moet brengen, een bepaalde sereniteit bijvoorbeeld.

Waar zie je jouw werk het liefst? In het museum of op de catwalk?
Dat zou allebei kunnen. Ik zou het bijvoorbeeld heel leuk vinden om voor modeontwerper Dries van Noten stof of materiaal te ontwerpen. Op dit moment maak ik vrij werk dat niet is gericht op commerciële merken of op textielontwerp. Maar in de toekomst zou dat zeker mogelijk zijn.

Het werk van Michelle Schmit is te zien van 9 t/m 26 november, 2023 in KV02, Korte Vijverberg 2, Den Haag.

Een opera in de hitparade

Het gebeurt maar zelden dat een opera in de top 40 beland. Laat staan een onbekende opera zonder wereldberoemde zangers. Treemonisha (gecomponeerd door Scott Joplin in 1910) lukte het, bijna op de kop af 40 jaar geleden. De song Aunt Dinah sloeg in als een bom en bestormde wereldwijd de hitlijsten: in Nederland haalde het singletje de 5e plaats en bleef hij 9 weken plakken.

Scott Joplin (1868-1917): razend populair tijdens zijn leven, daarna in het vergeethoekje beland. Wat is er gebeurd waardoor hij ineens in de hitlijsten belandde, en in 1976 postuum een Pulitzer Prize kreeg voor zijn bijdrage aan de Amerikaanse muziek? Zelfs zijn meest bekende nummer ‘The entertainer’ gecomponeerd in 1902, inmiddels klassiek canon voor beginnende pianisten, dankt zijn populariteit aan de 70’s. Om precies te zijn, aan de grote Oscarwinnaar van 1973: “The Sting”, met Robert Redford en Paul Newman in de hoofdrollen als meester-oplichters. Componist Marvin Hamlisch liet zich inspireren door ragtime, en nam een aantal nummers van Scott Joplin op in de soundtrack. Zijn bewerking van ‘The entertainer’ werd de herkenningsmelodie van de film én een grote hit.

Maar de opmars van Joplin begon enkele jaren daarvoor, toen hij officieel herontdekt werd door musicoloog, pianist en dirigent Joshua Rifkin, momenteel professor of Music in Boston. In november 1970 bracht Rifkin bij het strikt klassieke platenlabel Nonesuch een album uit met de titel “Scott Joplin: Piano Rags”. Voor de eerste keer verkocht het label meer dan een miljoen exemplaren van een plaat: een verbijsterend commercieel succes. In 1972 werd Treemonisha voor het eerst uitgevoerd door de Atlanta Symphony en in 1973 was het Gunther Schuller die de eerste Grammy won met Joplins muziek: “Scott Joplin: The Red Back Book”. Hamlich leende weer een aantal van Schuller’s orkestraties van Joplins zogenaamde “Standard High-Class Rags” (1912) voor de filmmuziek van The Sting. En zo was de voedingsbodem gezaaid voor het jaren 70 succes van deze opera van Scott Joplin.

Niet alleen de onverwachte populariteit is opvallend. Het werk an sich is een raadsel op meerdere fronten. Toen de opera gepubliceerd werd in 1911, prees de American Musician and Art Journal het stuk al aan als “…an entirely new form of operatic art.” Saillant detail is dat Treemonisha tijdens Joplins leven nooit de planken heeft gehaald, dat gebeurde pas 60 jaar later. Hoewel het elementen bevat van ‘zwarte’ volksmuziek en -dansen, een soort van pre-blues muziek, spirituals en een kenmerkende ‘call-and-response’ scene, is het allesbehalve een ‘zwarte’ opera. En het is zeker geen ragtime opera, zoals het werk vaak abusievelijk wordt genoemd. De opera is volkomen traditioneel opgezet in de populaire romantische stijl van begin 20e eeuw, met alles erop en eraan: ballet, ouverture, prelude, koren, aria’s en recitatieven.

Treemonisha gaat over een voormalige slavengemeenschap in een bos, in de regio waar Joplin opgroeide. De heldin, de 18-jarige Treemonisha, leert lezen van een blanke vrouw en beschermt daarna haar ‘volk’ tegen degenen die misbruik willen maken van hun bijgeloof en hun gebrek aan educatie. Ze wordt ontvoerd en bijna in een wespennest gegooid als haar vriend Remus haar weet te redden. Hierna kiest de gemeenschap haar tot hun leider omdat ze zich realiseren dat kennis hier hun redding is geweest. De pers noemde het in de jaren 70″…a startlingly early voice for modern civil rights causes, notably the importance of education and knowledge to African American advancement.”

Anno 2016 is een discussie gaande over een verontrustende stagnatie in de opera-praktijk. Belangrijke regisseurs en vooraanstaande academici zien de toekomst van de klassieke opera en de regisseurs-opera somber in. Sinds de 19de eeuw hebben klassieke muziek en opera een soort status aparte in Europa, het is kunst voor de kunst, l’art pour l’art, waarin zij geen maatschappelijke functie hoeft te vervullen. Er gaan stemmen op dat hierdoor de opera op termijn de aansluiting met een groot deel van de maatschappij – en daarmee het potentiele publiek – heeft verloren. Misschien heeft Scott Joplin hiervoor met Treemonisha een oplossing gevonden. Het is een echte opera volgens de klassieke regels, maar met een hoog entertainment gehalte door het gebruik van populaire muzikale elementen en een herkenbaar verhaal. Een opmerkelijk staaltje van publieksgericht én maatschappijkritisch componeren, des te verbazingwekkender omdat het is ontstaan in een tijd waarin educatie en culturele bagage vrijwel uitsluitend aan blanken waren voorbehouden. Maar volgens mij is en blijft vooral de aanstekelijke muziek de hoofdoorzaak van de ongekende populariteit. Want waarom zou opera niet ook entertainment mogen zijn? Joplin was zelf “The entertainer”, en zijn lef om een nieuw soort opera proberen te scheppen werd in ieder geval uiteindelijk beloond met een mega-hit.

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: Jasmijn Schrofer

Wat is het toch met verdriet? Rosita Segers speelt het antwoord.

Verdriet intrigeert actrice Rosita Segers. In de serie ‘Zuipkeet’ speelt ze de Limburgse Sanne die probeert om te gaan met het verdriet van de verdwijning van een vriend. Verdriet staat ook centraal in ‘Spread The Sadness’, een toneelstuk door haar geschreven en geproduceerd. In een interview met Anke Verbeek vertelt Rosita over deze bijzonder fascinatie.

door Anke Verbeek

Waar gaat de serie Zuipkeet over?
Zuipkeet is een tiendelige web-serie op YouTube van Toneelgroep Maastricht, Pupkin en BNNVARA. Het gaat over een vriendengroep uit Venray. Vijf jaar geleden is één van de vrienden uit die groep, Heise, verdwenen. Na vijf jaar wordt hij officieel doodverklaard en wordt er voor hem een kerkdienst gehouden in Venray. Mijn personage heet Sanne. Zij is na Heise’s verdwijning naar Utrecht verhuisd en is daar naar de filmacademie gegaan. Sanne besluit om een film te maken over haar vrienden en over de verdwijning. Ze wil proberen erachter te komen wat er toen precies is gebeurd.

Wat vind je van je personage Sanne?
Sanne is heel creatief en een doorzetter. Als iemand nee tegen haar zegt, dan gaat ze daar niet zomaar mee akkoord. Dat bewonder ik. Aan de andere kant, ze vindt het moeilijk als er op het moment suprême meer bij komt kijken dan alleen haar journalistenkant.

Jij bent ook creatief. Je komt uit de buurt van Venray. In hoeverre vind je dat je op Sanne lijkt?
Toen ik het treatment (red- beschrijving van de inhoud en verloop van een film) las vond ik het wel toevallig. Een meisje uit Limburg dat vertrekt naar Utrecht om een creatieve opleiding te doen, net als ik. Ze gaat, net als ik, af en toe nog terug naar Limburg. Als ik iets graag wil of iets erg vind, heb ik ook een sterke mening. De kanten van Sanne in mij, probeerde ik te vertalen naar de Sanne die ik speel.

Hadden jullie vroeger met vrienden ook een zuipkeet?
We hadden een schuur waar we vaak waren om te drinken en feestjes te organiseren (lacht).

Wat voor manier van acteren gebruikte je om Sanne te vertolken.
Veel is tot stand gekomen met improvisatie. Dat was ook het concept van de serie. De dialogen waren niet uitgeschreven. Tijdens het draaien kwam ik erachter dat er geen tijd was om steeds vijf minuten te improviseren. Mijn personage vindt van alles, over van alles. Dat is informatie die ik niet mag vergeten te zeggen.

Hoe verlopen de opnames als het concept leunt op de improvisatie van de acteurs?
Tijdens het draaien was het best wel hectisch. We deden een technische doorloop, met camera, licht, geluid, en daarna ging ik improviseren. Terwijl ik met de regisseur mijn geïmproviseerde tekst besprak, bouwde de crew de set op en bepaalde de shots. Daarna draaiden we gelijk de scene. Voor sommige scenes schreef de regisseur de avond daarvoor nog een dialoog of monoloog uit. Bij elke scene was het opnieuw uitzoeken: gaan we dit helemaal improviseren of gaan we toch de tekst vastleggen.

Deed je zelf het camerawerk als Sanne?
Vaak begin ik met filmen en op een gegeven moment neemt de cameraman het over. Dat was een choreografie die we telkens moesten uitzoeken en uitproberen. In de serie hoor ik wanneer ikzelf film. Je doet de handeling zelf en dan ga je anders praten, vanwege een andere concentratie. Op het moment dat de cameraman filmde moest ik mijn stem laten klinken alsof ikzelf aan het filmen was.

Je hebt een theaterstuk geschreven en geproduceerd, Spread The Sadness. Hoe is dat stuk tot stand gekomen?
Spread The Sadness is een productie van Non Creators Company, een collectief van Max Laros en mijzelf. Max en ik werkten graag samen tijdens onze opleiding. We besloten om na ons afstuderen een voorstelling te maken over verdriet. Wij vinden het allebei moeilijk om te huilen. In onze directe omgeving zien we dat het niet makkelijk is om te zeggen dat je verdrietig bent. We zien dat de mediawereld van verdriet een verdienmodel heeft gemaakt. Vloggers posten filmpjes met de mededeling dat ze heel erg moesten huilen. Een programma als ‘All you need is love’ is op huilen gebouwd. Huilen is goed voor de kijkcijfers. Maar het zijn oprechte tranen en het is goed om als kijker mee te kunnen huilen, om zo je emoties te kunnen uiten. We hebben daarover een voorstelling gemaakt.

Waarom heb je een fascinatie voor verdriet?
Ik vond het zwak als mensen snel huilen. Je huilt niet zomaar. Je huilt met een belangrijke reden. Ik begin wel in te zien dat mensen kunnen huilen omdat ze zich even niet zo fijn voelen. Dat moet er dan gewoon uit. Tijdens de voorstelling hebben we geprobeerd om vanuit verdriet te huilen en puur fysiek te huilen. Fysiek huilen lukt me niet. Ik moet in een verdrietige- of emotionele gemoedstoestand zijn, wil ik kunnen huilen.

Hoe laten jullie dit allemaal in de voorstelling voorbijkomen?
Op een associatieve manier, we leggen niks uit. Het gaat om beelden, voelen en ervaringen. Het publiek mag er zelf iets van maken. Ik ben ook heel benieuwd hoe iedereen na de voorstelling de zaal uitloopt en wat ze hebben meegemaakt.

Dat is een hele andere vorm dan bij Zuipkeet?
Zuipkeet is een verhaal met een begin, midden en eind, vol karakters die hetzelfde blijven. Het zit logisch en realistisch in elkaar. Spread The Sadness, is een collage. Max en ik spelen niet één rol. We staan er als basis, als Max en Rosita. Maar we worden ook alterego’s en spelen diverse karakters. Het is een montage van puzzelstukjes die elk verschillend zijn vormgegeven en verweven zijn tot een geheel.

Hoe is de interactie met het publiek in Spread The Sadness?
Het publiek maakt een voorstelling iedere keer anders. Als je als speler een lachje of kuchje hoort, ben je je daarvan bewust en kan het invloed hebben op het tempo van scenes. In sommige scenes spelen we op het publiek en nemen we de mensen mee. De manier waarop ze naar mij kijken neem ik mee in het spelen, in de manier waarop ik mijn tekst zeg of een toon zing. In Spread The Sadness gaat het om de moed van de acteurs en het publiek om zich open te stellen en geraakt te worden.

Spread The Sadness van Non Creators Company is te zien in Utrecht, Amsterdam en Den Haag.
Zuipkeet is te zien op het YouTube kanaal van NPO3.

Fotografie: Merel Oenema

Brussel: een stad met vele gezichten

Ik ben één keer in Brussel geweest. Nou ja gestrand, is een beter woord. Ik wilde het vliegtuig nemen vanuit Brussel Airport, maar door het heftige winterweer miste ik mijn vliegtuig. Toen moest ik noodgedwongen in Brussel overnachten en ben door de straten van Brussel gaan wandelen om de sfeer van de stad te proeven. Ik snap het meteen wanneer mensen zeggen dat Brussel heel rauw is. Toen ik daar door die brede straten wandelde voelde ik me op één of andere manier niet helemaal op mijn gemak, een beetje gekkig. Ik begreep niet waar dat nou aan lag. Maar na mijn interview met de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga, ben ik de stad beter gaan begrijpen. Jip woont sinds 3 jaar in Brussel, waar zij een filmopleiding volgt aan de Brusselse kunstacademie, Sint Lucas. In dit artikel legt ze uit hoe het nou zit met die rauwe kant van deze fascinerende Europese metropool.

door Klaartje Til

Jip, wat voor stad is Brussel voor jou?
Brussel is een bijéén geraapt zooitje. Het heeft 19 gemeenten en zo’n 180 nationaliteiten. Dat maakt Brussel de meest gemixte stad die ik ken. Ik voel me daar erg prettig bij. Het boeit en inspireert mij.

Wat bedoel je met gemixte stad?
Zoals iedere stad heeft Brussel zijn cirkels met mensen. Ik merk dat die cirkels in elkaar overlopen. Mensen kennen andere mensen uit andere cirkels. Iedereen staat open voor andere kringen. Verder zie ik dat in Brussel verschillende culturen niet gescheiden worden gehouden in aparte buurten. Er zijn zoveel verschillende nationaliteiten in Brussel dat ze wel met elkaar moeten samenleven. Je kunt het niet opsplitsen omdat het een stad is die van zichzelf al zo opgesplitst is. En België is ook al zo opgesplitst. Misschien voelen de mensen zich daarom eerder thuis in Brussel omdat het niet echt een stad is van één nationaliteit. Ook al is de stad opgesplitst, het werkt wel heel erg goed als geheel.

Wat bedoel je met opgesplitst?
Brussel is niet echt een eenheid, qua taal, qua verschillende gemeenten, qua splitsing tussen Vlaams en Waals. Er wordt Frans en Nederlands gesproken, naast de diverse talen die mensen vanuit hun eigen cultuur spreken. Die Frans- en Nederlands taligheid van België splitst de mensen natuurlijk maar de echte Brusselaars voelen zich geen Vlaming of Waal. Ze komen uit Brussel en dat gaat gepaard met een bepaalde trots. Zoals ik al zei is er niet echt verdeling van de wijken. Ook niet qua welgesteldheid. Arm en rijk woont door elkaar heen. En als ik één straat verder had gewoond dan had ik me moeten inschrijven in een andere gemeente. Ik woon nog net in Brussel zelf, maar iets verderop heb je Schaerbeek, Ixelles en Saint-Gilles. Dat zijn buitenwijken die aparte gemeenten zijn die bij groot Brussel horen en allemaal hun eigen centrum hebben. Die gemeenten hebben andere regels en tradities.

Die Frans-Nederlands tweetaligheid in België lag nooit zo lekker. Is dat in Brussel ook zo?
Met name een oudere generatie Walen verwacht dat iedereen in België Frans spreekt. De jongeren zijn vaak meertalig. De Vlamingen die ik ken in Brussel spreken vaak Frans. Maar mensen afkomstig uit Brussel zelf spreken allemaal Frans èn Nederlands. Zij mengen zich in zowel de Waalse kringen als de Vlaamse kringen van Brussel. Want in Brussel is een deel van de mensen Vlaams en een deel Waals. Daarnaast heb je de expats, die wonen op hun eigen Brusselse eilandje.

Bestaat er ook zo iets als een Brussels taal?
Jazeker, meerdere zelfs. Er is zoiets als Brussels Frans en dat is heel anders dan het Frans dat in Frankrijk gesproken wordt. Dan heb je nog de Brusselse straattaal, die heeft iets heel cools met veel Frans en veel swag. Het wordt veel gesproken door jongeren. Verder is er een heel ouderwets soort Brussels dat alleen door de Brusselaren wordt gesproken, maar nauwelijks meer te horen is in de stad. Het is echt een taal van vroeger en het heeft iets volks.

Als je door Brussel loopt wat straalt de stad met zijn gebouwen en publieke ruimtes uit?
Het eerste wat in me opkomt is: verlepte rijkdom. Er zijn veel mooie gebouwen, maar die zijn zo slecht onderhouden. Je ziet veel grijs en op een grijze dag is de stad extra grijs. Maar ook hierin is Brussel een stad vol variatie. Je merkt de mengelmoes ook qua gebouwen. In Brussel staan verschillende bouwstijlen pal naast elkaar. Er zijn veel prachtige Art Nouveau gebouwen te bewonderen in het centrum van Brussel. De kunstacademie St Lucas zit in een oud kasteel en in Molenbeek staat veel nieuwbouw. Wat ook opvalt als je door Brussel loopt, zijn de grote muurschilderingen van controversiële, seksueel getinte taferelen.

Je noemde ze al, de mensen die uit Brussel zelf komen, de Brusseleers. Wat typeert een Brusseleer?
Bier drinken en lekker naar cafeetjes gaan tot diep in de nacht. Alle cafés sluiten op een bepaald uur. Voor het oog lijken sommige cafés gesloten omdat bijvoorbeeld de gordijnen dicht zijn. Maar achter de dichte halve gordijntjes zijn ze gewoon open tot in de kleine uurtjes. Je moet lang op het raam kloppen en je hand omhoog steken boven die halve gordijntjes. Dan komen ze de deur opendoen en kun je naar binnen. Daar vind je de Brusseleer nog om 7 uur in de ochtend, rokend, kletsend en drinkend.

En vind je er ook cafés vol met muurschilders?
Ik denk dat de kunstenaarsscene wel groot is, maar je merkt niet dat die aanwezig is. Er is een techno scene in Brussel maar die is underground. Sowieso is Brussel niet een stad waar de clubs het podium vormen voor dik feesten. De tofste feesten zijn vaak eenmalig georganiseerd of eens per jaar. Wat in Brussel heel groot is, is de hip-hop scene. Die rappen Brussels. De hip-hop jongeren zijn heel modieus: cool, urban hip-hop achtig met veel nineties invloeden en weinig onderscheid in stijl tussen jongens en meisjes. Ook dat hoort echt bij Brussel. Jong zijn en lekker op straat rondhangen, pintjes halen bij de nachtwinkel, geluidsboxjes op de achtergrond met hip-hop, Frans-Nederlands praten, tot heel laat in nacht wanneer iedereen dan altijd dronken is.

Heeft Brussel ook zijn eigen held, zoals Amsterdammers bijvoorbeeld hun André Hazes hebben?
Ja, Jacques Brel. Er staat een standbeeld van hem in de buurt van Manneke Pis. Zijn muziek voelt zoals Brussel voelt: stoffig, Frans, Bourgondisch, vol romantiek en grauw. Een mix van dat alles. Somber, verdrietig en romantisch.

Ik vind Brussel rauw overkomen, waar ligt dat aan denk je?
Het voelt rauw omdat het een samenhang is van verschillende culturen en talen. Er is wanorde en weinig structuur maar dat maakt het ook open-minded. Het feit dat alles samensmelt en tegelijkertijd heel erg verdeeld is. In dat contrast zit, denk ik, het rauwe.

Foto: CHAP 14 van Dourone voor Le Mur Brussels