stop op contact

ik had deze dag contact met de caissière
zo een die je pas al voor
de boodschappen scant
en op de toonbank legt
met een blik in haar ogen

en met een vriend
aan de lijn die niet kon komen wegens
stroomstoring en over stroom gesproken
met het koffiezetapparaat

en met de deur die nog open stond

en wat afsluiten betreft
in elke weg lag een geluid
of een bericht

ik had contact met mijn smoezen
zodat ik mezelf voor de gek kon houden
ze lagen languit in mijn geheugen
op me te wachten in een strandstoel
aan een zee van gedachtes

steeds voor elke vloed
word ik geëbd

zo zal het gaan
er wordt op me gewacht
en met mij gaat het altijd druk

Gedicht: Philip Rozema
Illustratie: Viola Gesmundo

Philip Rozema, de dichter

Ieder jaar benoemt de Rijksuniversiteit Groningen een dichtende student tot huisdichter. De zestiende huisdichter is Philip Rozema. In 2015/2016 raakte het publiek bekend met zijn gedichten via zijn bundel te ruime ruimte en via diverse audio- en video opnamen. Rozema (1993) is een dichter die graag optreedt op festivals. In mei 2016 sloot hij zijn huisdichterschap af met zijn eigen theatervoorstelling, Plusminus, een mix van woord, beeld, en soundscapes die hij met zijn stem maakt; een persoonlijk verhaal over de zin en onzin van zoeken naar geluk.

Op de middelbare school wist Rozema al dat hij universiteitsdichter wilde worden. Pas nadat hij zich drie keer had opgegeven, werd hij door de jury gekozen. “Als huisdichter werd ik gevraagd voor allerlei projecten en dan gaat de boel rollen”, vertelt Philip. Hij houdt niet alleen van het schrijfproces, maar ook van het voordragen van zijn gedichten. Nou ja voordragen, het is meer een performance, creatief bezig zijn, zonder gebonden te zijn aan papier. Zo probeert hij het enthousiasme bij zichzelf en het publiek vast te houden. “Ik vind het heerlijk om op te treden. Hoewel ik soms wat rustiger aan moet doen hoor, want als ik te veel moet optreden, sneeuwt het onder,” vertelt hij. “Een optreden geeft vaak een kick. Alle ogen zijn op jou gericht en je hebt zelf alles onder controle. In de poëzie kan ik echt mezelf zijn, het is een uitlaatklep. Op het podium komt het tot zijn recht.”

Als klein kind schijnt hij gezegd te hebben: ik rijm nog eens wat. Een familieanekdote die nu fier op de achterflap van zijn bundel te ruime ruimte prijkt. Zelf weet hij het niet meer, maar wel dat hij taal en taalgrapjes leuk vond. Op de basisschool kwam het los. “In groep zes en zeven had ik een leraar die ons liet dichten”, vertelt hij. “Ik schreef eerst poëzie en ben later pas gaan lezen. Misschien wel beter ook, zo zonder kaders.” De nominatie voor de Gouden Lijst, een landelijke prijs voor kind- en jeugdliteratuur, is voor Rozema een omslagpunt. “Daar is heel veel uit voortgekomen”, legt hij uit. “Ik was 16 jaar oud en heb toen de dichter en schrijver, Hans Hagen, mijn gedichten gemaild. Hij gaf het advies om contact op te nemen met de dichter, Ted van Lieshout. Ik heb toen Ted van Lieshout mijn werk gemaild en hij nomineerde me voor de Gouden Lijst.”

Toen ik Philip vroeg wat hem inspireert, antwoordde hij: “De taal zelf, denk ik. Een gedicht hoeft niet ingewikkeld te zijn maar het moet heel helder, minimalistisch zijn, iets op een andere manier laten zien”, legt hij uit. “Als ik een gedicht schrijf, probeer ik de kern te pakken. Het gedicht ons wi-fi uit de bundel te ruime ruimte is een maatschappij-ironisch gedicht. In dat gedicht heb ik mijn mening achter gehouden. Het is een observatie”, vertelt Philip. “Een gedicht hoeft niet altijd per se maatschappijkritisch te zijn”, legt hij uit. “Ontsnappen kan ook, en stilstaan. Het morele achterwege laten en geen oordeel vellen, kan mensen stil laten staan.” In, er is een weg, geeft Rozema een hoopgevend beeld. “Als je een weg maakt, is er vaak ook een weg terug”, legt hij uit. “Als je vastloopt, kun je terug. Het gaat altijd ergens heen als je niet stilstaat. Ik zoek niet zozeer naar licht in de zin van makkelijk, maar in de zin van kernachtig. Iets plaatsen, daarop doorassociëren en dan weer terug naar de originele plaatsing.” In zijn gedicht stop op contact legt hij een dag vast waarin je het gevoel hebt dat je het druk hebt, terwijl dat best wel meevalt. Het gevoel dat je nooit alles afkrijgt, altijd wel iets te doen is of op je ligt te wachten, een bericht bijvoorbeeld. Maar social media is voor Rozema niet per se een last. “Het is heel makkelijk om even naar een Facebook post te gaan, op zoek naar de beloning dat iemand iets gepost heeft”, vertelt hij. “Je hebt voortdurend het gevoel van: wat mis ik? Natuurlijk heb je de keuze, maar eigenlijk ook niet. De bewegingen die we bewust of onbewust maken fascineren me.”

Interview: Anne van der Heiden
Fotografie: Joyce ter Weele

De Zwaan

In Duitsland stapte ik ooit eens in een taxi. Het eerste wat de chauffeur mij vroeg was of ik uit Nederland kwam. Ik ben nogal fier op mijn mondje-buiten-de-deur, dus geschrokken vroeg ik of mijn Duits zo slecht was dat hij mij meteen als Hollander herkende. Nee, nee, suste hij. Hij had jaren in Nederland gewoond, in Rotterdam én Amsterdam. Hij pikte een Nederlands accent dus wat sneller op. Op mijn vraag welke van de twee genoemde steden hij het leukst vond, daar ik was als Rotterdammer wel benieuwd naar, antwoordde hij dat hij het zo jammer vond dat er in Rotterdam geen centrum, geen echte Altstadt was. Nog voor ik een grapje over het bombardement kon maken, begon hij zich al te verontschuldigen: het Duitse schuldgevoel zat ook in zijn generatie nog diep. Op mijn beurt sussend zei ik dat excuses niet nodig waren. Hij was er destijds niet bij geweest en bovendien had hij gelijk: er ís niet maar één centrum van Rotterdam.

door Zwaantje van Klaveren
Rotterdam is beroemd om een aantal dingen. Het gebrek aan een eenduidig centrum is er één van. Het toekennen van een bijnaam aan bijna ieder plein, gebouw en openbaar kunstwerk, een ander. Winkelen doe je in Rotterdam in de Koopgoot, wat nu eenmaal lekkerder klinkt dan haar echte naam: ‘de Beurstraverse’. Menig Rotterdammer zal geen idee hebben wat je daarmee bedoelt. Jarenlang had ik een bijbaantje in een drogisterij in de Koopgoot. Daar beantwoordde ik ook vele vragen van toeristen: “Weet u misschien hoe wij van de Beurstraverse naar de Koopgoot kunnen lopen?” Tja….
Als ik dan vervolgens ook uit moest leggen waar je na een dagje toerisme goed uit eten kon gaan, resulteerde dat meestal in een soort Jackson Pollock-achtige regen van kruisjes, pijltjes en cirkeltjes op de stadsplattegrond.

Ga je wandelend vanaf Centraal Station en hou je van kunst? Loop dan langs de sculpturen van Paul McCarthy en Naum Gabo. Of op z’n Rotterdams: ‘Dan loop ‘ie toch vanaf Station Kapsalon langs Kabouter Buttplug en Het Ding?’ Liever met de metro? Stap uit bij Beurs: winkelen doe je immers ook aan weerskanten van de Goot, op de Lijnbaan of Hoogstraat. Maar denk niet dat je nu in het hart van Rotterdam bent: we noemen Zadkine’s monument ‘De verwoeste stad’ niet voor niets Stad zonder hart. Maar een tochtje langs de beroemde Rotterdamse architectuur is wel aan te raden. Voor de Hef, de vroegere Koningshavenbrug, ga je oostwaarts. Dan kom je gelijk langs het Potlood (oftewel Blaaktoren) en de Fluitketel (station Blaak); prachtig van lelijkheid en iconen van de Binnenrotte, een groot marktplein. Ja, de markt, of liever: de mart. Als je ergens een gezellig hapje wil eten moet je de Hoerenloper over naar de Kaap: de brug naar de voormalige rosse buurt in de oude zeemansbuurt Katendrecht. Maar goed, je dagjer Rotterdam: vanuit de Koopgoot is ook het Museumpark aan te lopen. Bovendien kun je voor veel kunstinitiatieven naar Charlois, maar dan moet je wel ‘de tunnel onderdoor’, want dat ligt óp Zuid. Charlois spreek je trouwens uit als Sjaarloos, Charleroi ligt elders. Een échte Rotterdammer pleurt er nog een j tussen: Sjaarjloos. Voor de beroemde Rotterdamse havens moet je al helemaal een eind op pad: per Spido (waterbus) zie je waarschijnlijk het meest.

De Rotterdamse bijnamen beginnen steeds bekender te worden. Sinds Rotterdam bovenaan wat internationale top-vijf-reislijstjes prijkt, vind je op internet steeds meer artikelen die uitleggen dat je de Hofpleinfontein ook de Flipspuit kunt noemen en dat het Timmerhuis, met haar kantoren, woningen en museum, in de volksmond de Glasbak genoemd wordt. En omdat Rotterdam bruist -en er dagelijks een paar extra blikken toeristen opengetrokken worden- groeien de verschillende stadskernen langzaam naar elkaar toe. Zo komen er ook steeds meer bijnamen. Voor de Markthal werd ooit een bijnamenwedstrijd uitgeschreven, maar wat het geworden is weet niemand in mijn stad. De Markthal is gewoon de Markthal: Rotterdammers krijgen hun bijnamen niet graag in de maag gesplitst. Vlakbij de Markthal ligt aan de Wijnhaven een enorme bruine woontoren met daarnaast twee kleinere, gelijkgekleurde bijgebouwen. In de volksmond ging dit gebouw uiteindelijk de Pleeborstel heten.
Maar de állerberoemdste Rotterdamse bijnaam, de Zwaan, wordt enkel door niet-Rotterdammers gebruikt. Een Rotterdammer noemt de Erasmusbrug hooguit ‘die witte brug’, als ‘ie aan een toerist uitlegt dat hij niet de rode Willemsbrug moet hebben.
Vorige week hoorde ik twee Nederlandse toeristen aan een voorbijganger vragen waar ze de Zwaan konden vinden. De man hield in, dacht even na, schudde zijn hoofd en antwoordde: “Je ken ‘ut altijd in de Diergaarde probere…..”

Bezield of niet?

Wij leven in een wereld waarin we meer en meer versmelten met de dingen om ons heen. En daarom wordt de vraag naar methodes om de ziel van objecten te bepalen, steeds groter. Waarom? Misschien om onze onafhankelijkheid te bewaken als mens, of misschien om empathie te tonen voor de spullen die we ontwerpen, produceren en gebruiken. Ontwerper en onderzoeker Judith Dörrenbächer beschrijft in haar boek, “Beseelte Dinge-Design aus Perspektive der Animismus”, een zoektocht naar manieren om de ziel van een object te definiëren, zodat we de grensvervaging tussen mens en ding beter kunnen herkennen. Bert van der Zee sprak met Judith Dörrenbächer over de rol die is weggelegd voor ontwerpers als het gaat om grensbewaking.

Vanwaar die interesse voor techno-animisme?
Vandaag de dag nemen objecten veel beslissingen voor ons. Ze zijn verbonden met andere objecten, ze leren, ze voelen – ze hebben eigenschappen die voorheen alleen mensen hadden. Aan de andere kant verliezen objecten weerstand doordat tastbare grenzen simpelweg oplossen. Het is niet meer zo duidelijk waar een object begint en onze barrière eindigt of andersom. Objecten passen zich aan ons gedrag aan, ze leren om aan onze wensen of aan de wensen van de bedrijven die ze ontwerpen, te voldoen. Bovendien beïnvloeden ze ons gedrag zonder dat we het doorhebben. Daar komt nog eens bij dat deze objecten onderling nauw verbonden zijn. Ze zijn onderdeel van iets groters, een soort ‘internet van dingen’. Ze vormen als het ware een nieuw ecosysteem. Iets leeft in die objecten, iets dat ze quasi-levend maakt.

Wat heeft animisme hiermee te maken?
We vinden in deze technologische ontwikkeling kenmerken terug waarvan wij, moderne mensen, altijd dachten dat alleen inheemse volkeren dat doen, zoals het praten tegen dingen. Maar tegenwoordig praat iedereen tegen dingen en zwaait iedereen naar dingen om een interactie met ze aan te gaan. Dit is gedrag waarvan moderne mensen zich ooit distantieerden door te zeggen: wij zijn rationeel, wij zijn volwassen, we geloven niet dat dingen een ziel hebben. Dus aan de ene kant vinden we onszelf heel modern, een high-tech maatschappij. Aan de andere kant gedragen we ons pre-modern. Dat contrast boeit me. De toekomst en het verleden versmelten. Tegelijkertijd besef ik dat het best wel lastig is voor mensen om eigenwaarde te ontwikkelen, omdat de grens tussen mens en technologie vervaagt. Wat ooit een tastbare tegenhanger was, is nu een ongrijpbaar object. Dit fenomeen doet me denken aan iets dat in animisme theorieën, ‘magisch denken’ genoemd wordt. Animisme, magie en betovering zijn met elkaar verweven.

Kunt u een voorbeeld geven van magisch denken?
Daarvoor verwijs ik graag naar de psycholoog Jean Piaget. In zijn beschrijving van de vroege ontwikkeling van het kind, stelt hij dat jonge kinderen niet in staat zijn om een onderscheid te maken tussen zichzelf en de buitenwereld. Wanneer kinderen hun ogen dicht doen denken ze dat de wereld verdwijnt. Of ze denken dat de maan hun volgt wanneer ze rondlopen. Jonge kinderen denken dat hun eigen gedachten en hun gedrag de buitenwereld beïnvloeden. Ze zijn zich in beperkte mate bewust van de scheidslijn tussen zichzelf en de wereld om zich heen. Jean Piaget noemde dit ‘magisch denken’. Hedendaagse technologie bekrachtigt dit verschijnsel op een nieuwe manier. Met slimme contactlenzen kun je in de toekomst de buitenwereld besturen door bijvoorbeeld een paar keer te knipperen met je ogen. En wanneer dit soort brein-computer interactie alledaagser wordt, zullen je boodschappen misschien wel aan huis afgeleverd worden, alleen maar door eraan te denken. Dit soort technologie werkt magisch denken in de hand. Maar hoe bewaken we onze eigenwaarde in een omgeving waarin technologie zich moeiteloos aan onze wensen aanpast? Misschien hebben we een nieuwe vorm van verzet nodig, weerstand. We moeten gaan nadenken over methodes waarmee we de grenzen tussen onszelf en de buitenwereld, tussen onszelf en de technologie die ons omgeeft, kunnen bewaken.

Grensbewaking met behulp van weerstand?
Ja, weerstand ontstaat bijvoorbeeld in een systeem dat opzettelijk met fouten ontworpen is. Wanneer gebruikelijke processen verstoord worden, zal een object zich meer als een tegenhanger uiten. Hetzelfde geldt voor een transparanter systeem dat laat zien wat er daadwerkelijk gebeurt tussen de gebruiker en het systeem. Transparantie laat zien dat de interactie niet magisch is. Vooropgezette fouten en transparantie vormen een weerstand die afstand creëert tussen gebruiker en technologie. Deze afstand is kennelijk nodig om kritisch en zelfbewust te blijven.

Dus weerstand kan integraal in een product ontworpen worden?
Weerstand kun je ook ervaren in experimenten met fysieke interactie tussen mens en object. Dit soort experimenten richt zich bijvoorbeeld op het imiteren van een object om er bewust empathie voor te krijgen. Hierdoor identificeer je een object als iets dat los staat van jou, want je kunt alleen empathie hebben voor iets dat anders is dan jijzelf. Het zou mooi zijn om deze bevindingen te verleggen naar de technologische wereld. Misschien helpt het ons om meer empathie te voelen voor de technologie om ons heen, en helpt het ons tegelijkertijd om gepaste afstand te bewaren.

Wat rest ons? Hoe ziet u dit voor u?
Wel, we hebben te doen met twee perspectieven: het technologisch optimistische en het technologisch pessimistische perspectief. Het pessimistische perspectief zegt: ‘we raken onze controle kwijt omdat objecten de macht krijgen over ons, we zijn geen subjecten meer, maar de objecten worden subjecten, help! De wereld op zijn kop, nu zijn wij passieve objecten!’ Het optimistische vertrekpunt gaat er vanuit dat technologie ons helpt om betere mensen te worden doordat we iets aan onszelf toevoegen. Ik ben niet geïnteresseerd in één van beide perspectieven [sic]. Ik vind dat we grenzen nodig hebben tussen mens en technologie om zelfbewustzijn in stand te houden. Maar in plaats van vasthouden aan het oude onderscheid tussen autonoom subject en het passieve object, denk ik dat we moeten onderhandelen over deze grenzen, zodat er nieuwe scheidslijnen ontstaan. Ik ben erg geïnteresseerd in experimentele en artistieke methoden die je helpen te onderhandelen tussen jezelf en het andere. Hierdoor blijf je bewust van jezelf en je eigenwaarde.

Waarom is het belangrijk dat mensen zich definiëren ten opzichte van objecten?
Het is belangrijk om autonoom te blijven denken en je terug te kunnen trekken uit je omgeving. Je kunt je alleen verantwoordelijk voelen wanneer je duidelijk voelt wie je bent en voelt dat je de mogelijkheid hebt om dingen te beïnvloeden. Dat maakt ons anders dan onze technologie. Wij maken ethische beslissingen, onze smartphone niet. Ik vind het interessant om te zien hoe we onze eigenwaarde en ons menselijke bewustzijn kunnen behouden, terwijl alles om ons heen zo quasi-menselijk is. Hoe bewaken we onze scheidslijnen? Hoe ontwerpen we nieuwe grenzen? We moeten toewerken naar een nieuw begrip van het mens-zijn, en naar een nieuw begrip van het object, want beide zijn aan het veranderen.

Tekst en interview: Bert van der Zee

Wetenschapper der technologische bezieling

Dat een designer nadenkt over de vorm en functie van een ontwerp, daar kijkt niemand van op. Dat een filosoof de tijd doodt met nadenken over de ziel, verrast ook niemand. Maar een designer die de bezieling van objecten onderzoekt, dat is toch wel bijzonder. De Duitse ontwerper en wetenschapper Judith Dörrenbächer ging de uitdaging aan. Zij onderzoekt of objecten, dingen en technische systemen een ziel hebben.

“Van origine ben ik ontwerper”, vertelt ze POM Magazine. “Ik heb de meest uiteenlopende dingen gedaan, van grafisch ontwerp tot het vormgeven van tentoonstellingen. Ik heb gestudeerd aan de Köln International School of Design, waar ze het belangrijk vinden dat theorie en praktijk nauw verweven zijn. Tijdens mijn studie raakte ik gefascineerd door de theoretische aspecten van design. Ik besloot me bezig te houden met esthetische technieken waarmee je de realiteit kunt ontleden en samenstellen. Op dit moment ben ik druk bezig te promoveren op het onderwerp ‘technologische bezieling’.”

In 2015 organiseerde Dörrenbächer voor de Hochschule Niederrhein een conferentie in Krefeld, met als onderwerp: de bezieling der dingen. De resultaten en conclusies van deze conferentie publiceerde Dörrenbächer in het boek ‘Beseelte Dinge’. Momenteel werkt Dörrenbächer aan de Universiteit Siegen waar zij onderzoek doet naar de interactie tussen hersens en computer, voor een gehoorapparaat dat bestuurd kan worden door hersengolven. “Door de innovatieve technologie die gebruikt wordt in het gehoorapparaat ontstaat een nieuwe kijk op de relatie tussen passief object en actief subject. Dit past perfect in, wat binnen sommige animistisch theorieën, ‘magisch denken’ wordt genoemd”, legt ze uit. In het artikel Bezield of niet? praat Judith Dörrenbächer met POM Magazine’s Bert van der Zee, en vertelt zij over technologische bezieling, magisch denken en het vervagen van de grens tussen mens en object.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Maxi Uellendahl

Austin- een vreemde eend in de Texaanse bijt?

Toen POM Magazine mij vroeg om een interview te doen voor een artikel over Austin, met de in Austin woonachtige Nederlandse beeldend kunstenaar Steef Crombach was ik een beetje verbaasd. De ziel en sfeer achterhalen van een stad in Texas? Een Amerikaanse staat waaraan het beeld van cowboys, red-necks en behoudenheid kleeft? Daarbij, ik wist helemaal niets van Austin. Maar daar is verandering in gekomen. Steef Crombach (Maastricht, 1992) woont en werkt in Austin en she lives the Austin life! In dit artikel legt ze uit wat Austin volgens haar zo bijzonder maakt.

Steef, je komt al een paar jaar naar Austin. Kun je mij iets vertellen over deze stad?
Austin is de hoofdstad van Texas. Dat is eigenlijk vreemd, want Houston is een veel grotere stad. Austin is ook helemaal niet conservatief, wat vaak het geval is bij steden waar een bestuurlijk apparaat gevestigd is. Austin is juist heel liberaal en opvallend anders dan de rest van Texas. Er wordt wel eens gezegd dat ieder mens in zijn eigen bubbel leeft. Dat je alleen mensen ontmoet die dezelfde lifestyle en opvattingen hebben als jij. In Austin is die bubbel en de grens van die bubbel voelbaar en zichtbaar. Zodra je maar 40 minuten uit Austin rijdt kom je bij kleine dorpen waar je het traditionele Texas tegenkomt. En dat is echt wel het tegenovergestelde van wat je in Austin ziet.

Waarom is Austin anders dan de rest van Texas?
Het is een intellectuele stad en een echte tech stad vanwege de University of Texas Austin met meer dan 50.000 studenten. Er zijn dus heel veel jonge mensen. Verder komen er het hele jaar door mensen naar Austin vanwege de muziek. Dat zijn mensen uit liberale steden als New York en San Francisco, die hier allemaal naartoe reizen. Het motto van Austin is: Keep Austin Weird. Nu is dat niet meer zo heel relevant, maar vroeger was dat anders. De hippies kwamen in de jaren 60/70 speciaal naar Austin. Vanaf die periode is ook de muziek naar Austin gekomen. De meeste ouders van de mensen die ik hier ken en die hier wonen, zijn nog steeds hippie. Dat krijgen hun kinderen natuurlijk allemaal mee. Organische producten kopen is hier doodnormaal. Het eerste filiaal van de organische supermarktketen, Whole Foods Market, startte in Austin. En die is er nog steeds.

Ik wist niet dat Austin zo’n muziekstad is.
Er wordt van bars, restaurants en hotels verwacht dat ze constant live muziek hebben. Als muzikant kun je heel makkelijk rondkomen van je optredens. Er komen daarom veel muzikanten naar Austin waardoor het muzikale aanbod groeit en daarvoor komen mensen weer naar Austin. Het is een cirkel die zichzelf in stand houdt. Verder zijn er veel jaarlijks terugkerende muziekevenementen zoals South-by-South-West en Austin City Limits. En om de twee weken is er het gratis festival, Blues On The Green, waar iedere keer zo’n 8000 mensen op afkomen. Dit soort gratis festivals heb je hier eigenlijk bijna wekelijks.

Austin ligt aan de rivier de Colorado. Wat merk je daarvan in de stad?
De natuur hoort bij de stad Austin. In de stad zijn veel mooie natuurlijke bronnen met ijskoud water en zeldzame salamanders. Barton Spring Pool is zo’n bron annex zwembad dat uiteindelijk doorstroomt in de Colorado rivier. Men kan er de hele dag in de zon rondhangen en topless zonnebaden, wat heel on-Amerikaans is. In Amerika zijn mensen over het algemeen erg preuts. Maar je mag er niet eten en alleen maar water drinken. Naast Barton Springs liggen de Barking Springs, omdat je daar je hond mag meenemen. Je ziet de segmenten van de samenleving naast elkaar liggen met een klein metalen hekje ertussen. Enerzijds het natuurlijke zwembad met water drinkende bezoekers en anderzijds een afwatering waar honden mogen rondlopen en mensen alcohol drinken en harde muziek draaien. Vanuit die waterbronnen kun je gemakkelijk door het stadscentrum roeien of kajakken op de Colorado rivier. Je vaart dan uiteindelijk onder de Congress Bridge, ook wel de vleermuizenbrug genoemd omdat er zoveel vleermuizen huizen. Zoveel zelfs, dat de lucht zwart kleurt wanneer ze s ’avonds uitvliegen.

Vertel eens over de buurten en wijken in Austin? Hoe verschillen die van elkaar?
Het State Capitol gebouw was tot voor kort het hoogste gebouw in Austin, omdat niks in de stad hoger mocht zijn dan het Capitol gebouw. Maar die regel is 10 jaar geleden opgeheven. Alle wolkenkrabbers van de skyline van Austin zijn dus 10 jaar of jonger. Over het algemeen is er veel laagbouw in Austin. Je hebt vaak het idee dat je in een bungalowpark bent.
Het uitgaansleven in de historische kern is in East 6th street, een straat met barretjes met balkons waar je op mag staan. Vlakbij East 6th street is Rainey street. Het verhaal gaat dat een vrouw daar ooit in haar woonhuis een bar is begonnen. Dat liep zo goed dat de hele buurt besloot hetzelfde te doen. Dus in Rainey street staan woonhuizen die nu bars zijn. In de binnenstad van Austin vind je ook moderne appartementsgebouwen met een zwembad op de binnenplaats. Verder zijn er heel veel hotels. Die hebben meestal een zwembad op de bovenste verdieping. Vaak mogen niet-hotelgasten daar ook zwemmen.

Iets buiten het uitgaanscentrum is een historisch district, Clarksville, met huizen die meestal maar één verdieping hoog zijn, een voorportaal met pilaren hebben en op enorme grasvelden staan. In het oostelijke gedeelte van de stad, East Austin, woonde tot voor kort vooral mensen met minder geld. East Austin wordt nu overspoeld met galeries, musea en andere creatieve initiatieven die de binnenstad ontvluchten vanwege hoge huren. In East Austin staat veel bebouwing uit de jaren 60/70. Het is er best wel vervallen, maar de bewoners doen heel veel aan hun huis met verf. Je ziet huizen in alle mogelijke kleuren, soms zelfs met mozaïek bekleed. De meeste jonge mensen wonen een ring verder verwijderd van de binnenstad, een wijk met allemaal appartementencomplexen. Dat zijn soms enorme gebouwen met een zwembad en een gezamenlijk wasruimte. Om deze complexen heen wordt dan een soort nieuw centrum gecreëerd met een grote supermarkt en winkels. En dan maken ze er een mooi park bij. Een voorbeeld van zo’n centrum is The Domain. Dit soort voorprogrammeerde sociale plekken werkt niet echt in Nederland, maar in Austin wel.

Wat merk je eigenlijk nog van de cowboy cultuur in Austin?
Er zijn cowboys in Austin: mensen te paard die een kleine boerderij hebben in de buurt van het historische centrum. Verder zie je country dancing in sommige bars en saloons. Maar cowboys zijn vaak republikeinen, denk aan guns en het ruwe leven. Dat vind je veel meer buiten Austin. Aan de andere kant, wanneer ben je een cowboy? Ik werk soms voor een brouwerij op het land net buiten Austin, waar ze hun eigen hoppe verbouwen. Als je dan buiten op het veld aan het werk bent, dan zijn lange mouwen, een lange broek, een hoed, handschoenen, zo’n typische cowboy zakdoek voor je neus tegen het stof, en hoge laarzen vanwege de slangen gewoon noodzaak. Dus je ziet er precies uit als een cowboy, terwijl het allemaal functionele kleding is die je beschermt en die je nodig hebt voor je werk.

Hoe noem je iemand die geboren en getogen is in Austin?
Een Austinite en je bent pas een Austinite als je in Austin geboren bent. Omdat zoveel mensen uit andere steden naar Austin verhuisd zijn, zijn er daar niet zo veel meer van. De geboren en getogen Austinites zijn nuchter en rustig. Ze geven al vanaf de eerste ontmoetingen een meer realistische weerspiegeling van hun karakter. Je hebt niet van die beleefdheidsvormen waar je omheen moet draaien. En je hoeft niet te raden wat ze nou bedoelen. Op zich hele vriendelijke mensen, nuchter en een sterke band met de natuur.

Illustratie: Auke Triesschijn

Metal voor beginners- een playlist

Ben je niet zo bekend met metal en heb je geen behoefte aan een heel weekend metal festival om uit te vinden wat je leuk vindt? Hieronder is een lijst met 10 bekende metal nummers die POM Magazine’s Nicole Broekema dwars door de diverse genres en tijdperken heen gekozen heeft. Smaken verschillen natuurlijk. Het zal je niet verbazen dat Nicole aardig wat heeft moeten schrappen om tot een top-10 te komen. Deze nummers worden steevast door het merendeel van het publiek meegebruld. Want ja, ook op metal festivals gaan de handjes de lucht in. Een lijstje dus om het festival gevoel nog even vast te houden. Show them metalhorns!

1. Ace of Spades – Motörhead
Om te beginnen, het lekker luisterbare en redelijk bekende Ace of Spades van Motörhead. Door het overlijden van rocklegende Lemmy Kilmister in 2015, helaas niet meer live te aanschouwen. Gelukkig heeft hij met z’n bandmaten heerlijke, pure rock achtergelaten, waaronder deze klassieker.

2. Raining Blood – Slayer
Gelijk door naar een heel andere sound, naar Slayer, de goden van de trash metal. Natuurlijk komen voor dit lijstje meerdere nummers van deze band in aanmerking. Ik heb gekozen voor Raining Blood, vanwege de herkenbare riffs en omdat die andere al in de Top 2000 staat.

3. Black no. 1 – Type-o-Negative
De donkere, soms melancholieke, soms humorvolle muziek van Type-O-Negative wordt breed gewaardeerd in de metal wereld. Hebben zij met het nummer “My Girlfriend’s Girlfriend” de nodige hitlijsten behaald, op de metal weide is het Black No. 1 dat de meeste snaren raakt. Loving you!

4. Run to the Hill – Iron Maiden
In een metal lijst kan Iron Maiden natuurlijk niet ontbreken. Maar welk nummer? Fear of the dark, veelal afsluiter van de show? Het wat algemeen bekendere Number of the Beast met het prachtige gesproken intro? Of misschien The Trooper of toch Aces High omdat dat van die heerlijke songs zijn? Nee, het wordt Run to the Hill, omdat dat toch de beste “meezinger” van allemaal is!

5. Davidian – Machine Head
De drumroffel, de gitaariffs, de oerschreeuw, de tekst; we kunnen het allemaal meedoen. Hoor duizenden stemmen meeschreeuwen: Let freedom ring….!! Luister en je weet waarom het geen verdere toelichting nodig heeft.

6. Chop Suey! – System of a Down
Afwisselend snel en chaotisch, en dan weer rustig en engelachtig, het bekendste nummer van System of a Down, Chop Suey! hoort absoluut in dit lijstje met meezingers. Diep respect voor iedereen die dit nummer ook daadwerkelijk helemaal kan meezingen.

7. Bro Hymn – Pennywise
Typisch voorbeeld van een nummer dat velen kennen; zo’n deuntje dat iedereen meehumt, soms zonder te weten welke band of nummer het is. Strijdlied van tientallen sportclubs wereldwijd. Het energieke refrein “Whooo-oh-oh-oh …” werkt erg aanstekelijk en verraadt niet direct de lading van de tekst: het verlies van dierbare vrienden. Een welgeslaagd eerbetoon.

8. War Pigs – Black Sabbath
In het woud van vele, vaak snoeiharde, metal genres dacht je misschien niet direct aan Black Sabbath. Toch zeker in de lijst opgenomen omdat deze band gezien wordt als de eerste metal band. Waarschijnlijk ken je het nummer “Paranoid”, de enige top-10 hit van deze band. In dit lijstje hoort War Pigs, omdat het heerlijk is om mee te doen met de lange uithalen.

9. Snap your fingers, snap your neck – Prong
Ondanks (of wellicht dankzij) hun cultstatus worden een aantal nummers van Prong nog altijd hoog gewaardeerd. Naast (persoonlijke) favoriet “Who’s fist is this anyway”, is Snap your fingers, snap your neck, het nummer waarbij de meeste handjes de lucht in gaan. Met knippende vingers, inderdaad.

10. Master of Puppets – Metallica

In vele lijsten op 1 als beste metal nummer ooit, ontbreekt dit nummer natuurlijk ook hier niet. Omdat echt bijna iedereen dit meezingt of neuriet, omdat het… nou ja, inderdaad, omdat het gewoon het beste nummer is. 😉
Master…
Master…
Master…

Tekst en muziekkeuze: Nicole Broekema

Eddy

Eddy ontmoette ik zo’n acht jaar geleden. Met grote regelmaat bekleedde hij de kruk naast mij aan de toog van mijn stamkroeg. Hij hield het altijd langer vol dan ik. Sterker nog, hij is nog steeds recordhouder van de langste nazit ooit in Proeflokaal de Riddert. Om vijf uur ’s middags dronk hij zijn eerste slok, om vier uur de volgende middag taaide hij af. Toen de barman van dienst vermoeid, maar voldaan, naar huis fietste, wuifde Eddy nog even vanaf het volgende terras.

door Zwaantje van Klaveren

Ieder jaar was hij present bij de surprise-avond, steevast op 5 december in genoemd etablissement. Eddy was een groot schrijver, dichter en orator: het perfecte gezelschap op pakjesavond. Dat maakte ook dat Eddy als enige geen surprise hoefde te knutselen. Tegen zijn scherpe pen kon toch geen papier-machéen standbeeld op. Eddy was een vat van kennis en ervaring, met een oog voor schoonheid en een groot gevoel voor humor. Een man met meer verhalen dan je op kan. Een man bij wie menigeen aan de lippen hing. Eddy was een bekend gezicht in Rotterdams café’s, maar niet enkel een leuke stamgast: daar doe je hem ongelooflijk tekort mee. Hij was schrijver, geschiedkundige, curator, adviseur. Opende exposities, nam deel aan publieke debatten. Dichtte, droeg voor. Bij nader inzien: daar doe je hem ook tekort mee. Omschrijf zo’n man maar eens.

Eddy correspondeerde met jong en oud en ook met mij. Bladerend door mijn mailbox vind ik gesprekken over de Scheepsjongens van Bontekoe, gedichten van Kaváfis, meningen over hedendaagse politiek, meningen over niet-hedendaagse politiek, verslagen van zijn reizen door Egypte, door de rest van de wereld. We tipten elkaar musea, muziekstukken en componisten, schrijvers en boeken en bundels. We stuurden elkaar linkjes van youtube-filmpjes waarin naaktslakken en zeepokken zich op de vreemdste manieren trachtten voort te planten. We bezochten elkaars evenementen.

Eddy ging enige tijd terug wat kortademig naar het ziekenhuis. Het was slecht nieuws: longkanker. Prognose: twee maanden. Om Eddy’s bed verzamelden zich familie en vrienden. Een kamer in een hospice werd geregeld. Hoe geliefd Eddy was, werd steeds duidelijker. Er stonden steeds meer stoelen om zijn bed en een rij op de gang. In groepsapps werd afgesproken wie wanneer kon komen. Een verpleegkundige vroeg bijna fluisterend aan ons: ‘Is… is die meneer beroemd?’
‘Wij zeggen zelf liever berucht,’ grapten wij. Onze eigen Nachtburgemeester. Wereldberoemd, bij ons.

Eddy wilde al heel lang een avond organiseren ter ere van zijn grote liefde, hem jaren geleden veel te vroeg ontvallen. Misty, moest nog één keer schitteren. Ook Misty was wereldberoemd in Rotterdam. RTV Rijnmond heeft er nog een mooie documentaire over gemaakt. Allerlei vrienden begonnen het feest te organiseren: het moet nu, nu het nog kan. Een groots plan werd opgezet. Wat was mogelijk, tussen rolstoel en zuurstoftank enerzijds, en de menigte vrienden en familie anderzijds? De posters prijkten al snel op de Rotterdamse wanden: MISTY – mooie herinneringen met Eddy Elsdijk.

De ochtend van het feest brak aan. Het was twee weken na de diagnose. Terwijl ik naar de glasbak liep kreeg ik het bericht dat Eddy de nacht ervoor in zijn slaap was overleden. Verslagenheid heerste in de groepsapp. Dat iemand met zo’n diagnose toch plótseling kon overlijden. Dat het nu gebeurd was. Dat het feest pas die avond zou zijn.

Een oude vriend is overleden.
We gaven het mooiste feest wat we maar konden.
Mooie herinneringen áán Eddy Elsdijk. Verdorie.

Kunstbunker Berlijn

Toen de Pools-Duitse media ondernemer Christian Boros in 2003 de Reichsbahn bunker in de Reinhardtstraße in Berlin Mitte kocht was het verre van geschikt voor kunsttentoonstellingen. Het had tot die tijd ook al diverse functies vervuld. De bunker stamt uit 1942 en maakte onderdeel uit van het bouwplan dat Berlijn moest omturnen tot de wereldhoofdstad Germania. Na de val van Berlijn in 1945 werd het gebouw gebruikt door de Sovjets als gevangenis voor Duitse krijgsgevangenen om vervolgens te dienen als opslagruimte voor zuidvruchten. Hieraan heeft het de bijnaam ‘Bananen Bunker’ te danken. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw vervult de bunker diverse functies waaronder technopodium, toneelpodium en nu dus tentoonstellingsruimte.

Het kunstverzamelaarsechtpaar Christian en Karen Boros was zich bewust van het feit dat het vijf verdiepingen hoge blok beton met 120 kamertjes niks weg had van een traditioneel museumgebouw. Zij deden daar hun voordeel mee. Ze lieten de 120 kamertjes ombouwen tot 80 ruimtes die elk variëren in hoogte en omvang en er kwam een zesde etage op het dak. Zij transformeerden die tot penthouse waar het gezin Boros sindsdien woont. Verwacht geen ruime lichte museumruimte, maar dat was ook niet de bedoeling van het echtpaar. De collectie van Karen en Christian is divers, zowel in formaat als in uitvoering. Verschillende werken in één ruimte zou het effect van een individueel werk teniet doen. De losse ruimtes bieden de mogelijkheid om elk werk een eigen omgeving te bieden waarin het tot zijn recht komt.

De Boros collectie bestaat uit werken van kunstenaars die geboren zijn in Berlijn of afkomstig uit andere delen van de wereld maar wonen en werken in Berlijn. Het merendeel van de werken stamt uit de jaren negentig van de vorige eeuw tot en met nu. De collectie bevat natuurlijk veel werken van Duitse kunstenaars, zoals foto’s van Wolfgang Tillmans en Thomas Ruff en schilderijen van Thomas Scheibitz, Florian Meisenberg en Thomas Zipp. Maar ook werken van buitenlandse kunstenaars. De mechanische boominstallaties van de Chinese Ai Weiwei zijn opgenomen in de collectie en zijn te zien in de huidige tentoonstelling, evenals werken van de Deense Olafur Eliasson. De Zweedse Klara Lidén en de Poolse Alicja Kwade tonen in de huidige tentoonstelling alledaagse voorwerpen die zodanig vervormd en opgesteld zijn dat ze communiceren met de ruimte waarin ze te zien zijn.

Sinds 2008 staan de zware metalen deuren open voor het publiek om een tentoonstelling te bezoeken. Het gebouw verhult niets, de sporen uit het verleden zijn als littekens her en der in de muren gekerfd. Verrassend genoeg komt dit de collectie ten goede omdat het veel conceptuele kunstwerken bevat waar het idee achter een werk een belangrijke rol speelt. De getoonde conceptuele kunstwerken zijn van deze tijd en communiceren de ontwikkelingen die de afgelopen drie decennia in de Westerse wereld hebben plaatsgevonden. De functionele omgeving van de bunker wordt gebruikt om de ideeën achter deze werken te versterken. Je hebt ook het idee dat je op bezoek bent in een woonhuis waarin toevallig veel kunst is. Het trappenhuis dat de bezoeker voert naar de vijf etages waar de kunstwerken opgesteld staan, is ook het trappenhuis dat het gezin Boros brengt naar hun woonhuis op de zesde etage. Wanneer jij de trap naar boven neemt om bijvoorbeeld de koperen bel van Thomas Zipp te bekijken zou je Christian of Karen Boros tegen kunnen komen op weg naar buiten om vervolgens gauw wat boodschapjes te doen in de buurtsupermarkt. Op hun beurt horen Christian en Karen in hun huiskamer weer het geroezemoes van de bezoekers en de geluiden van de kunstwerken. Want veel werken maken geluiden. Het zijn installaties die kraken en piepen, of elektronische tonen uitstoten.

Een bezoek aan een tentoonstelling in de kunstbunker is een bijzondere gebeurtenis. Je bent niet een bezoeker, maar een gast. Eén van de twaalf gasten om precies te zijn, want vanwege brandveiligheidsregels mogen er maximaal twaalf mensen tegelijkertijd in de tentoonstellingsruimtes aanwezig zijn. Als je de kunstbunker wilt bezoeken moet je jezelf opgeven via de website voor een anderhalf uur durende rondleiding. Voordat de tour begint stelt iedereen zich aan elkaar voor en vertelt een beetje over zichzelf. Bezoekers zijn gemotiveerd en kritisch en de gids is nieuwsgierig naar de inzichten van de deelnemers bij het zien van een kunstwerk. Ondanks de kleine ruimtes en de beperkte capaciteit om een groot aantal bezoekers te ontvangen blijkt de bunker onwaarschijnlijk geschikt als kunstmuseum. De functionaliteit van het gebouw versterkt de getoonde werken. De persoonlijke rondleiding waarin dialoog een centrale rol speelt, maakt een tentoonstellingsbezoek een bijzondere gebeurtenis.
www.sammlung-boros.de

Foto en tekst: Polly Parker

Licht of donker?- een mijmering over duisternis

Afgelopen zomer zag ik voor het eerst in mijn leven een vuurvliegje tijdens een pikdonkere nacht. Terwijl ik door een park liep zag ik een lichtpuntje dat precies op dezelfde plek bleef knipperen. Ik wist nog niet wat het was en duwde de struiken voorzichtig opzij om het beter te kunnen bekijken. Ik zag een vuurvliegje spartelen in een spinnenweb. Het flikkerende licht versterkte het effect van de worsteling. Ik pakte het vliegje voorzichtig uit het web, plukte de plakkerige draden van een vleugel en zette het neer om bij te komen. Toen ik omkeek kon ik me moeilijk oriënteren. Ik was ver de duisternis in gedwaald. Ik baande me met moeite een weg door het donker tot ik eindelijk het licht van het hotel weer zag. Ik realiseerde mij de afhankelijkheid en kracht van het licht: als het vliegje geen licht had gegeven had ik het nooit gered.

door Jasmijn Schrofer

Later die avond staarde ik vanuit mijn hotelbed naar een straatlantaarn. Het licht scheen fel in mijn gezicht. Ik trok de gordijnen dicht om mij tegen het licht te weren om sneller te kunnen slapen. Maar mijn hoofd begon te razen. Ik dacht: zo hebben mensen niet altijd geleefd. Duisternis was honderden duizenden jaren onderdeel van het dagelijkse bestaan. Nu leven we in een wereld waarin we baden in kunstlicht. Het licht houdt onze 24-uurs-economie draaiende. Het laat mensen werken, terwijl het eigenlijk donker is. Licht is een machtsmiddel. Het is verslavend. Vanaf dat moment ben ik me maandenlang gaan verdiepen in de betekenis en de geschiedenis van licht en duisternis. Ik leerde dat vuur het eerste middel is waarmee de mens controle over de natuur kreeg. We waren niet langer afhankelijk van zonlicht. We gingen de duisternis bedwingen en kregen de macht om onze omgeving te temmen. Grote stukken grond werden gewonnen door verbranding van de wildernis om plaats te maken voor de mens. Er is al lang geen menselijk samenleven meer mogelijk of zelfs denkbaar zonder vuur. We staan er meestal niet bij stil dat bijna alle elektriciteit geproduceerd is door het stoken van vuur. Er is bijna niets dat tot een staat van voltooiing gebracht is zonder vuur.

Toen ik satellietfoto’s van de aarde bij nacht bestudeerde begreep ik waar de meeste beschaving zich op aarde heeft geconcentreerd. Licht duidt op welvaart. Duisternis is vaak een teken van isolatie, armoede en een economische achterstand. Afrika is het continent waar de meest absolute duisternis te vinden is. Veel mensen zijn hier nog steeds afhankelijk van vuur als lichtbron omdat elektrificering een trage ontwikkeling heeft doorgemaakt. Tijdens een lange reis door China zag ik precies het tegenovergestelde in, Chongqing, een Blade Runner achtige megastad waar alles tot diep in de nacht doordrenkt is van licht en waar gebouwen eruit zien als gigantische tv-schermen. In deze jonge metropool wonen nu al meer dan 30 miljoen mensen. In China heeft de afgelopen twintig jaar hyper-urbanisatie plaatsgevonden en het land telt nu zeventien megasteden zoals Chongqing.

Kunstmatig licht heeft enerzijds ongekende technologische vooruitgang teweeggebracht, maar het kan anderzijds ook de energiebalans aantasten bij trekvogels, insecten en amfibieën. Vogels die in de nacht trekken verliezen het zicht op de sterrenhemel. Ze raken gedesoriënteerd door de aantrekking van kunstlicht en blijven soms massaal rondjes vliegen om wolkenkrabbers of boortorens in de zee, totdat ze door uitputting dood neervallen.

Je staat er vaak niet bij stil dat duisternis het slaap- en waakritme van allerlei organismen dicteert, inclusief dat van de mens. Schemering doet ons lichaam melatonine aanmaken waardoor we slaap krijgen. Licht verstoort de aanmaak van dit hormoon. De ironie is dat we laat naar bed gaan en in bed blijven liggen terwijl het al lang licht is. We hebben gordijnen om daglicht en kunstlicht buiten te houden en gebruiken wekkers om op tijd op te staan. We zijn als dagdieren geneigd productief te blijven zolang er licht is, maar om te kunnen overleven is een goede en regelmatige nachtrust essentieel. Sinds wij in ons huishouden elektriciteit en lampen zijn gaan gebruiken zijn we gemiddeld anderhalf uur per nacht minder gaan slapen. Symboliseert dit hoe de mens zich heeft vervreemd van de natuur?
Licht staat symbool voor al het goede, terwijl duisternis altijd het kwade heeft gesymboliseerd. Het bezitten van licht heeft de samenleving productiever en welvarender gemaakt, maar ook kwetsbaarder en afhankelijker. Het belang van de duisternis is misschien in de vergetelheid geraakt terwijl duisternis toch, net als licht, onderdeel is van de natuur. Ik denk dat duisternis niet alleen symbool moet staan voor het kwade. Het staat ook symbool voor evenwicht, Yin en Yang. De universele functie van duisternis is, net als slaap en rust, essentieel voor de instandhouding van het leven zelf.

Fotografie: NASA