Wat is het toch met verdriet? Rosita Segers speelt het antwoord.

Verdriet intrigeert actrice Rosita Segers. In de serie ‘Zuipkeet’ speelt ze de Limburgse Sanne die probeert om te gaan met het verdriet van de verdwijning van een vriend. Verdriet staat ook centraal in ‘Spread The Sadness’, een toneelstuk door haar geschreven en geproduceerd. In een interview met Anke Verbeek vertelt Rosita over deze bijzonder fascinatie.

door Anke Verbeek

Waar gaat de serie Zuipkeet over?
Zuipkeet is een tiendelige web-serie op YouTube van Toneelgroep Maastricht, Pupkin en BNNVARA. Het gaat over een vriendengroep uit Venray. Vijf jaar geleden is één van de vrienden uit die groep, Heise, verdwenen. Na vijf jaar wordt hij officieel doodverklaard en wordt er voor hem een kerkdienst gehouden in Venray. Mijn personage heet Sanne. Zij is na Heise’s verdwijning naar Utrecht verhuisd en is daar naar de filmacademie gegaan. Sanne besluit om een film te maken over haar vrienden en over de verdwijning. Ze wil proberen erachter te komen wat er toen precies is gebeurd.

Wat vind je van je personage Sanne?
Sanne is heel creatief en een doorzetter. Als iemand nee tegen haar zegt, dan gaat ze daar niet zomaar mee akkoord. Dat bewonder ik. Aan de andere kant, ze vindt het moeilijk als er op het moment suprême meer bij komt kijken dan alleen haar journalistenkant.

Jij bent ook creatief. Je komt uit de buurt van Venray. In hoeverre vind je dat je op Sanne lijkt?
Toen ik het treatment (red- beschrijving van de inhoud en verloop van een film) las vond ik het wel toevallig. Een meisje uit Limburg dat vertrekt naar Utrecht om een creatieve opleiding te doen, net als ik. Ze gaat, net als ik, af en toe nog terug naar Limburg. Als ik iets graag wil of iets erg vind, heb ik ook een sterke mening. De kanten van Sanne in mij, probeerde ik te vertalen naar de Sanne die ik speel.

Hadden jullie vroeger met vrienden ook een zuipkeet?
We hadden een schuur waar we vaak waren om te drinken en feestjes te organiseren (lacht).

Wat voor manier van acteren gebruikte je om Sanne te vertolken.
Veel is tot stand gekomen met improvisatie. Dat was ook het concept van de serie. De dialogen waren niet uitgeschreven. Tijdens het draaien kwam ik erachter dat er geen tijd was om steeds vijf minuten te improviseren. Mijn personage vindt van alles, over van alles. Dat is informatie die ik niet mag vergeten te zeggen.

Hoe verlopen de opnames als het concept leunt op de improvisatie van de acteurs?
Tijdens het draaien was het best wel hectisch. We deden een technische doorloop, met camera, licht, geluid, en daarna ging ik improviseren. Terwijl ik met de regisseur mijn geïmproviseerde tekst besprak, bouwde de crew de set op en bepaalde de shots. Daarna draaiden we gelijk de scene. Voor sommige scenes schreef de regisseur de avond daarvoor nog een dialoog of monoloog uit. Bij elke scene was het opnieuw uitzoeken: gaan we dit helemaal improviseren of gaan we toch de tekst vastleggen.

Deed je zelf het camerawerk als Sanne?
Vaak begin ik met filmen en op een gegeven moment neemt de cameraman het over. Dat was een choreografie die we telkens moesten uitzoeken en uitproberen. In de serie hoor ik wanneer ikzelf film. Je doet de handeling zelf en dan ga je anders praten, vanwege een andere concentratie. Op het moment dat de cameraman filmde moest ik mijn stem laten klinken alsof ikzelf aan het filmen was.

Je hebt een theaterstuk geschreven en geproduceerd, Spread The Sadness. Hoe is dat stuk tot stand gekomen?
Spread The Sadness is een productie van Non Creators Company, een collectief van Max Laros en mijzelf. Max en ik werkten graag samen tijdens onze opleiding. We besloten om na ons afstuderen een voorstelling te maken over verdriet. Wij vinden het allebei moeilijk om te huilen. In onze directe omgeving zien we dat het niet makkelijk is om te zeggen dat je verdrietig bent. We zien dat de mediawereld van verdriet een verdienmodel heeft gemaakt. Vloggers posten filmpjes met de mededeling dat ze heel erg moesten huilen. Een programma als ‘All you need is love’ is op huilen gebouwd. Huilen is goed voor de kijkcijfers. Maar het zijn oprechte tranen en het is goed om als kijker mee te kunnen huilen, om zo je emoties te kunnen uiten. We hebben daarover een voorstelling gemaakt.

Waarom heb je een fascinatie voor verdriet?
Ik vond het zwak als mensen snel huilen. Je huilt niet zomaar. Je huilt met een belangrijke reden. Ik begin wel in te zien dat mensen kunnen huilen omdat ze zich even niet zo fijn voelen. Dat moet er dan gewoon uit. Tijdens de voorstelling hebben we geprobeerd om vanuit verdriet te huilen en puur fysiek te huilen. Fysiek huilen lukt me niet. Ik moet in een verdrietige- of emotionele gemoedstoestand zijn, wil ik kunnen huilen.

Hoe laten jullie dit allemaal in de voorstelling voorbijkomen?
Op een associatieve manier, we leggen niks uit. Het gaat om beelden, voelen en ervaringen. Het publiek mag er zelf iets van maken. Ik ben ook heel benieuwd hoe iedereen na de voorstelling de zaal uitloopt en wat ze hebben meegemaakt.

Dat is een hele andere vorm dan bij Zuipkeet?
Zuipkeet is een verhaal met een begin, midden en eind, vol karakters die hetzelfde blijven. Het zit logisch en realistisch in elkaar. Spread The Sadness, is een collage. Max en ik spelen niet één rol. We staan er als basis, als Max en Rosita. Maar we worden ook alterego’s en spelen diverse karakters. Het is een montage van puzzelstukjes die elk verschillend zijn vormgegeven en verweven zijn tot een geheel.

Hoe is de interactie met het publiek in Spread The Sadness?
Het publiek maakt een voorstelling iedere keer anders. Als je als speler een lachje of kuchje hoort, ben je je daarvan bewust en kan het invloed hebben op het tempo van scenes. In sommige scenes spelen we op het publiek en nemen we de mensen mee. De manier waarop ze naar mij kijken neem ik mee in het spelen, in de manier waarop ik mijn tekst zeg of een toon zing. In Spread The Sadness gaat het om de moed van de acteurs en het publiek om zich open te stellen en geraakt te worden.

Spread The Sadness van Non Creators Company is te zien in Utrecht, Amsterdam en Den Haag.
Zuipkeet is te zien op het YouTube kanaal van NPO3.

Fotografie: Merel Oenema

Een man vol verflust

Kapper en kleurspecialist Garrincha van de Utrechtse salon SIM SON, houdt van radicale haarkleurverandering, voor zichzelf en voor anderen. “Ik vind het belangrijk om als kapper mensen uit hun schulp te halen en dingen te laten doen met hun haar, die niet mogen”, legt hij uit in een interview met Klaartje Til. In dit artikel maak je kennis met de man die mensen aanmoedigt om over hun grens te gaan. Want als je kiest voor een enorme haarkleurverandering, opent er ook iets vanbinnen.

Garrincha, waar komt jouw fascinatie voor het kleuren van haar vandaan?
Ik kleur mijn haar al sinds mijn elfde jaar. Door de jaren heen heb ik gemerkt hoe mijn haar reageert op het kleuren, hoe het zich ontwikkelt en waar het niet tegen kan. Ik heb veel kennis opgedaan met het verven van mijn eigen haar. Daarom ben ik me gaan specialiseren in het kleuren van haar. Ik heb erg gevoelig haar dus ik kan als kleurspecialist wel alle haarsoorten aan, denk ik.

Waarom wilde je op zo’n jonge leeftijd al je haar verven?
Ik zag een tekenfilm waarin één van de personages rode punten in het haar had. Verder zag ik in diezelfde periode ook de videoclip van Britney Spears, Toxic, waarin ze afwisselend rood, zwart en blond haar heeft. Dat wilde ik ook. Ik heb de blauwe- en rode mascara van mijn moeder gepakt en daarmee kleurde ik mijn haren. Ze vond dat niet leuk, maar zei wel: “Als je dit echt wilt, dan kunnen we je haar gewoon op traditionele manier laten kleuren.” Diezelfde week ging ik naar de kapper en had ik rood haar (lacht).

Welke haarkleuren heb je allemaal gehad?
Er is geen kleur die ik niet heb gehad. Rood was mijn eerste kleur, toen was ik elf jaar oud. Geel heb ik ook gehad, dat is één van mijn favoriete kleuren eigenlijk. Verder paars, blauw, groen, oranje, zwart. Ik heb elke kleur van de regenboog gehad.

Wilde je van jongs af aan het kappersvak in?
Nee, vroeger wilde ik niet per se kapper worden. Ik wilde eigenlijk tekenfilms maken. Maar ik vond niet iets waar ik goed in was, en het kappersvak ging me wel goed af. Toen ben ik alsnog de kappersopleiding gaan doen. Op YouTube kwam ik een haarkleurspecialist tegen die kleurrijke dingen met haar maakt. Ik had zoiets van, wauw, wat hij doet, dat wil ik ook doen.

Jouw fascinatie ligt niet bij het kappersvak maar bij kleur en kleurrijke dingen creëren?
De passie is gaandeweg wel steeds meer naar het kappersvak toe getrokken, met name naar de creatieve kant van het vak. Het heeft een tijdje geduurd voordat ik het kappersvak leuk vond. In het begin was ik er ook slecht in. Maar bij de salon waar ik toen werkte, heb ik veel geleerd van de kleurspecialist. Ik had een hele goede leraar aan hem. Vanaf dat moment ben ik zelf ook heel veel gaan experimenteren.

Wie zijn de mensen die bij jou hun haar laten kleuren?
Alle soorten mensen. Jong, oud, creatief en commercieel. Mensen die creatieve kleuring willen hebben. Mensen die alleen hun uitgroei gedaan willen hebben of high-lights willen. Maar ik heb ook oudere dames als klant die voor knalrood of knalroze gaan. Dat zijn toch de mensen die tegen de verwachting van de maatschappij ingaan.

De haarvervende mens kunnen we niet specificeren als een bepaald soort?
Nee, eigenlijk niet. Het is de behoefte aan verandering. Voor sommige mensen staat het symbool voor rebels zijn. Dat geldt met name voor jongeren van 10 tot 18 jaar. Andere mensen doen het meer om zichzelf uit te drukken.

Wanneer iemand bij jou komt voor zijn eerste haarkleurverandering, zie je dan dat er een verandering plaats heeft gevonden bij die persoon, wanneer die later weer terugkomt?
Je merkt wel bij mensen die voor de creatievere dingen gaan, dat het iets los kan maken dat naar meer smaakt. Ik heb een klant die wilde destijds blauw haar. Ik ben in stappen haar haar gaan kleuren, en heb er eerst blauwe high-lights ingezet. En nu, 5 jaar later, komt ze nog steeds bij mij. Ze heeft al eens paarsblauw- en oranje haar gehad.

Merk je aan de verhalen die mensen vertellen dat het-smaakt-naar-meer, breder wordt getrokken?
Ik merk dat mensen die voor zo’n verandering gaan, zelfverzekerder worden. In het begin trekken ze zich de mening van anderen aan. Maar uit de persoonlijke verhalen blijkt dat mensen beter in hun vel zitten. Ze hebben lak aan de mening van anderen omdat ze zichzelf willen uitdrukken. Ik vind het heel belangrijk dat mensen zichzelf kunnen zijn, en zich kunnen uitdrukken op de manier zoals zij dat willen.

Je voelt een verplichting om mensen de gelegenheid te geven om gehoor te geven aan hun authentieke drang?
Soms knip ik kinderen die heel graag blauw of roze haar willen. Ze mogen dat niet omdat de ouders bang zijn voor de meningen van anderen. Ik vind het heel erg dat je zoiets meegeeft aan een kind. Een kind hoeft daar helemaal niet bij stil te staan. Ik probeer daar altijd een beetje doorheen te prikken. Niet alle ouders vinden dat even chill. Maar ik vind dat ik dat moet kunnen doen, als kapper zijnde.

Welke plannen en ambities heb je nog allemaal als kapper?
Ik wil zelf een kleurmethode ontwikkelen en die aan andere kappers doorgeven. Op die manier wil ik mijn liefde en passie voor het kleuren van haar, delen. Ik wil kappers op weg helpen om nog meer te creëren, grenzen te verleggen en zekerder te maken van hun werk. Ik denk dat je over het algemeen met chemicaliën, zoals haarverf en permanent, veel veranderingen in het haar kunt aanbrengen. In Japan en Zuid-Korea is permanent heel erg groot en populair. Het lijkt me geweldig om dat ook hier te doen en daarin les te geven. Over het algemeen komt permanent weinig voor in Nederland. Het wordt geassocieerd met beschadigend voor het haar en schapenkrullen. Maar in Azië zie ik een manier van werken die vernieuwend is. Dat kan een evolutie of misschien wel een revolutie worden, als dat naar het Westen komt.

Fotografie: Merel Oenema
Insta: Garrincha

Haar Metamorfose

Klaartje Til had behoefte aan iets anders. Zij liet haar goudblonde krullenbos radicaal veranderen door haarkleurspecialist Garrincha. In de Utrechtse kapsalon SIM SON liet ze de controle los en gooide alles overboord. Ze eindigde met een hoofd vol witgrijze krullen. Klaartje doet verslag van haar haartransformatie.

Op 11-jarige leeftijd heb ik een pak henna veel te lang in mijn haar laten zitten. Het doel: een mooie rode gloed over mijn haar. Het resultaat: een knaloranje kop. Sindsdien heb ik het nooit meer aangedurfd om ook maar iets aan mijn haar te doen. Maar de wil is er altijd geweest. Felblauw, rood en zelfs dreadlocks passeerden in mijn gedachten de revue. Van de mensen in mijn omgeving kreeg ik altijd de opmerking dat ik prachtig haar heb. Dat motiveerde me niet om mijn verfangst te overwinnen. Dat anderen geobsedeerd waren met mijn haar was vlijend. Maar de betovering die anderen voelden voor mijn haar, voelde ik bij het zien van meisjes en vrouwen die met waanzinnige kleurencombinaties van de kapper kwamen en hun kapsel met een enorme dosis zelfvertrouwen droegen. Als ik dan in de spiegel keek raakte ik steeds meer verveeld van mijn blond-rossige krullen, met altijd diezelfde scheiding en laagjes. De angst om weer weken rond te lopen met een mislukte haarkleur was echter hardnekkig, en stond in de weg.

Toen ik voor POM Magazine een serie artikelen ging maken over radicale haarverandering, kon ik er niet meer onderuit. Het was nu of nooit. Ik maakte een afspraak voor een interview met de kleurspecialist Garrincha in de Utrechtse kapperszaak SIM SON. Ook boekte ik meteen een afspraak bij hem voor een verfbeurt, een zilvergrijze coupe met pony. Als ik de zaak binnenstap is Garrincha nog bezig met een andere klant, een oude bekende van mij van de kunstacademie. Zij heet Tiva. Ik herinnerde me Tiva altijd met blauw haar. In plaats van wachten met pijn in mijn buik totdat het mijn beurt is, besluit ik haar een paar vragen te stellen.

Tiva wat heb je op je hoofd? Wat gebeurt er?
Ik heb een hele dikke laag verf op mijn hoofd omdat ik roze haar wil.

Verf je het vaak?
Nu niet meer zo vaak. Het is een jaar geleden dat ik het voor het laatst liet verven. Dat was ook bij Garrincha. Mijn haar werd toen wit geverfd met een paar donker- en lichtblauwe tinten erin.

Welke kleuren heb je allemaal gehad?
Toen ik nog op de kunstacademie zat, heb ik mijn haar in heel veel verschillende kleuren gehad. Ik verfde mijn haar zelf en had een doos vol met potjes kleur. Roze, paars en alle tinten blauw, ook turquoise. Ik heb een keer rood haar gehad, en alle kleuren die er een beetje tussenin zitten. Maar geen groen en oranje.

Staan groen en oranje nog op je bucketlist?
Ik weet het niet. Ik denk niet dat oranje mijn kleur is (lacht). Groen zou ik wel een keer willen. Maar het is niet een kleur waar ik meteen voor zou gaan.

Waarom verf je steeds je haar? Waarom doe je het?
Het is een soort expressie. Ik vind het leuk om er steeds weer anders uit te zien. Ik hou ervan om expressief te zijn met mijn uiterlijk en met wat ik doe. Daar is gekleurd haar een onderdeel van.

Is het elke keer weer een identiteitsverandering?
Van nature heb ik heel lichtblond haar. Als kind hoorde ik altijd: “Oh dat is zo bijzonder en mooi, daar moet je niks aan doen.” Maar ik was het zat dat iedereen dat zei. Ik heb mijn haar heel kort geknipt toen ik 16 jaar oud was. Daarna was ik om. Ik dacht toen: “Ik ben in control, dit is wat ik doe, deal ermee. Het maakt me niet uit wat je ervan vindt.” De eerste keer dat ik mijn haar kleurde, verfde ik het blauw. Ik werd constant nageroepen met het liedje van Eiffel 65, I’m blue da ba dee, da ba da. Daar moet je even doorheen, maar ik vind het verder helemaal de moeite waard.

Je haar verven komt voort uit de behoefte iets toe te eigenen?
Ja, het is een beetje toe-eigenen, tenminste zo begon het. Nu is het puur omdat ik het vet vind.

Tiva’s antwoorden zetten me aan het denken. Waarom voel ik al zo lang, de sterke behoefte om mijn haren te verven? In veel van wat Tiva zegt kan ik me vinden. Zelfexpressie, controle hebben, toe-eigening en, ach, misschien ook wel een beetje rebellie. Als Tiva met een korte, strakke pastelroze coupe en een lach van oor tot oor vertrekt, is het mijn beurt. Met vriendelijke ogen en een bos krullen waar je U tegen zegt, nodigt Garrincha me uit om plaats te nemen. Nog steeds met pijn in mijn buik, ga ik zitten. Maar na de eerste wasbeurt gebeurt er iets geks, ik begin te ontspannen. Misschien komt het door de zachtaardige uitstraling van Garrincha. Misschien door zijn provocerende vraag, “Weet je het zeker?”, terwijl hij de eerste klodder verf door mijn haren smeert. Een grap die hij vaak maakt om te relativeren maar ook een keer heel verkeerd is gevallen, vertelt hij later. Hoe dan ook, terug kan ik niet meer.

Ik heb vijf uur in die stoel gezeten en mijn haar zien veranderen van blond, naar botergeel, naar grijs en zilver, om uiteindelijk met een kapsel te eindigen waarbij ik niet kan stoppen met stralen. De vraag is nu niet meer waarom ik mijn haren heb geverfd, maar waarom ik er zo lang mee heb gewacht. Hoewel grijs een relatief veilige kleurkeuze is, voelt het als een enorme, expressieve verandering. De verveling die ik voelde bij mijn natuurlijke haarkleur, was het teken dat ik toe was aan iets nieuws en spannends. De verandering van mijn haar staat voor het ingaan van een nieuwe fase vol met creativiteit en avontuur. De verveling heeft plaatsgemaakt voor een fris en zelfverzekerd gevoel. Misschien staat mijn coupe voor hoe ik wil dat mensen mij zien. Ik ben een jong persoon, mijn haar is grijs, mijn coupe is groots, het is krullend en speels met een pony.

Fotografie: Merel Oenema
Insta: Garrincha

How to make an IMPAKT

Digitale kunst, online symposia of een virtueel feest, ze zijn sinds jaar en dag de gewoonste zaak van de wereld voor IMPAKT. Dit centrum voor mediacultuur biedt een platform voor kunstenaars die digitale kunst maken. Anke Verbeek sprak voor POM Magazine met IMPAKT directeur, Arjon Dunnewind en IMPAKT PR & Marketing, Michelle Franke.

door Anke Verbeek

Arjon, Michelle kunnen jullie uitleggen wat IMPAKT is?
IMPAKT richt zich op kunstenaars die digitale kunst maken. We bieden ze ondersteuning en een presentatieplatform. In het begin was IMPAKT alleen een festival, maar we zijn door de jaren heen steeds meer gaan doen. In 2018 zijn we verhuisd naar de Lange Nieuwstraat in Utrecht waar we een tentoonstellingsplek hebben. Daarmee is het programma dat we naast het jaarlijkse festival hebben, belangrijker geworden. We zijn uitgegroeid tot een centrum voor mediacultuur. Samen met kunstenaars, academici, journalisten en filosofen onderzoeken we op welke manier ontwikkelingen op het gebied van mediacultuur, onze maatschappij veranderen.

IMPAKT organiseert webprojecten en online exposities. Daarnaast hosten jullie lezingen en events. Hoe is het gelukt om in coronatijd nog zoveel naar buiten te brengen?
We zijn al in 2001 met de virtuele ruimte begonnen, met IMPAKT Online. Dat heeft zich doorontwikkeld in IMPAKT Channel waarop we virtuele dingen doen. In april 2021 zijn we  begonnen met IMPAKT TV. Dit is een online format dat dichter op de actualiteit van de dag zit. Door de coronamaatregelen zijn we nog intensiever bezig gegaan op IMPAKT Channel en met onze webprojecten.

Zijn er events omgezet van een fysiek format naar een online format?
Jazeker, maar niet door hetzelfde fysieke event gewoon via Zoom te laten verlopen. We hebben gekeken hoe we van een fysiek event, een nieuwe, digitale ervaring konden maken. Rondom een groot thema brengen we presentaties en kunstwerken op een interactieve manier samen. Bezoekers worden digitaal genavigeerd door onderwerpen en kunstwerken. Voor het IMPAKT Festival hebben we de festivalervaring online gebracht met het festivalportal. Daarmee kon de online bezoeker in verschillende ruimtes  van een virtueel gebouw rondlopen. In de virtuele bar kon je een digitaal drankje drinken en in de main room was de livestream te volgen. Tussendoor namen mensen je op de portal mee naar een soort IMPAKT TV, waar 24 uur iets te zien was. Hierdoor veranderde het festival in een marathonuitzending van 100 uur.

Zijn alle fysieke exposities te vertalen naar een online versie?
Dat varieert heel erg per geval. De festivaltentoonstelling Dreaming In Everywhen bijvoorbeeld, hadden we al geconcipieerd en vormgegeven voordat duidelijk werd dat we de rest van het festival helemaal online gingen doen. We hebben veel werken online gepresenteerd. Maar er was in de tentoonstelling ook een cilindervormige ruimte te zien die gevormd werd door doeken, die vanaf het plafond in de fysieke expositieruimte hingen. Daarbinnen was een bed waarop een borduurwerk lag met een reliëfachtig patroon. Het was onmogelijk om de ervaring van- op dat bed liggen met een koptelefoon en aanwezig zijn in die omsloten ruimte- naar iets digitaals te vertalen.

Biedt digitalisering andere mogelijkheden dan de fysieke presentatie?
Bij een traditioneel symposium zijn alle lezingen strak ingepland. Meestal kun je ze allemaal achterelkaar bijwonen, en soms heb je parallelsessies. Maar in het symposium, Radicalization By Design bijvoorbeeld, is de online bezoeker helemaal in-control en kun je navigeren door de vragen, onderwerpen en kunstwerken. Het publiek krijgt door het online format, de vrijheid om een eigen route te bepalen door de digitale content. We vragen vaak aan kunstenaars om iets nieuws te maken voor een online expositie. Het is niet een surrogaat van een fysieke expositie en vindt zijn waarde in de interactieve, online, niet-lineaire omgeving.

In de IMPAKT projecten zie ik dat kunstwerken, lezingen, essays en panels gecombineerd worden. Daar komen online formats ook nog eens bij. Zien jullie dat als een blijvertje na Covid?
Het oudste IMPAKT webproject hebben in 2016 gemaakt, ver voor Covid. Het was een manier om het IMPAKT festival van 2015 een soort after-life te geven. Digitale kunst is helemaal niet meer zo marginaal. Er is recent een digitaal kunstwerk verkocht voor miljoenen euro’s. Het spannende van online kunst is dat het digitaal is en dus door iedereen gekopieerd kan worden. Met de blockchain technologie kun je aantonen: fijn dat je een kopie hebt maar het leidt allemaal terug naar het origineel van mij, dus ik ben de eigenaar. Het gaat om de scheidslijn tussen enerzijds digitaal, reproduceerbaar en beschikbaar. En anderzijds, om het verlangen dat het kunstwerk uniek moet zijn en een vorm van tastbaarheid moet hebben. Dat is een interessant spanningsveld.

Heeft digitaal exposeren ook nadelen?
Het is belangrijk dat mensen zich vertrouwd voelen in het event wat je organiseert. Je moet ze activeren om zoveel mogelijk online actief en persoonlijk betrokken te zijn bij het event. Waarmee je trouwens onderling contact kunt creëren met mensen uit alle delen van de wereld. Afgelopen januari hebben we een virtual Bal Masqué georganiseerd in samenwerking met Media Art Lab Moskou. Op het bal waren online gasten aanwezig uit Nederland, Oostenrijk, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika. Dat soort samenwerkingen zijn heel makkelijk online te organiseren. Hoe jammer het ook is dat we bepaalde dingen vanwege Corona fysiek niet meer kunnen doen, we werken nu in een stimulerende, nieuwe situatie waarin een hoop dingen niet meer moeten en een heel veel nieuwe dingen kunnen.

www.impakt.nl

Simcha, de krullenkeizerin

Klaartje Til zat vaak in de kappersstoel schietgebedjes te doen in de hoop dat haar krullen er niet ‘uitgeknipt’ zouden worden. De kapper vermeed ze het liefst. Ze ging hooguit maar één keer per jaar, omdat het nodig was. Tot ze ergens een paar jaar geleden in Dijon, Frankrijk, haar beste knipbeurt tot dan toe had. Na deze ervaring ging ze op onderzoek uit en ontdekte een nieuw fenomeen, de krullenkapper. Tijdens haar zoektocht maakte ze kennis met krullenspecialist Simcha, van de Amsterdamse kapperszaak, Simcha & Friends. In een interview met Klaartje vertelt Simcha over haar liefde voor krullen.

door Klaartje Til 

Simcha, wat is het toch met krullen en kappers? Waarom gaat dat vaak niet goed samen?
Als je als kapper geen krullenbol bent, weet je niet wat voor drama het kan zijn als de schaar in de krullen wordt gezet. Het is essentieel en vooral prettig voor de klant, dat je zelf ook krullen op je hoofd hebt. Of je moet er enorm verweven mee zijn en je heel graag willen specialiseren in krullen. Het is belangrijk dat je gevoel hebt voor die krullen en inlevingsvermogen om te bepalen hoe kort je wel of juist niet mag gaan. De gemiddelde krullenbol wordt altijd verknipt. Het woord verknipt is eigenlijk niet het juiste woord. Te kort geknipt is de juiste omschrijving. Een krullend haar is een spiraal, die meteen als een kurkentrekker de lucht in gaat. Aan de hand van het type krul moet je als kapper inschatten in hoeverre je die spiraal, al dan niet de lucht in wil laten gaan.

Maar er zijn in Nederland toch altijd mensen met krullend haar geweest?
Jawel, er waren altijd al heel veel krullenbollen. Maar krullend haar werd vroeger beschouwd als slordig, niet chique. Dat geldt zeker voor Afro-haar. Krullend haar is vaak nog een no-go. En ik heb zoiets van ‘embrace’ die krullen. Wat je op je hoofd aan haar hebt, daar moet je van genieten. Door de migratie zijn er in Europa veel meer soorten krullen bij gekomen. Maar in principe waren er altijd al krullen. Alleen daar werd niks mee gedaan. Ze werden volledig steil geföhnd en/of chemisch behandeld om vooral maar niet te krullen.

Wat waren jouw ervaringen met kappers, als kind?
Ik werd voortdurend te kort geknipt. Dan zei ik tegen een kapper dat ik het lang wilde houden, doe er een puntje af. Nou bij de derde knip dacht ik al, laat maar zitten. Want dan was mijn pony weer tot aan mijn voorhoofd opgesprongen. Daardoor raakte ik als kind zeer gefrustreerd over mijn krullen. Ook omdat ik in een omgeving was met kinderen die hun haar steil geborsteld kregen of vlechtjes hadden. Ik werd ook steil geföhnd bij de kapper. Dan dacht ik, waarom doe je dat? Ik heb er vreselijk uit gezien.

Toen dacht je, ik ben er klaar mee, ik word de beste kapper van de wereld?
Nou, ik weet niet of ik dat ben, maar ik wilde in ieder geval proberen iets te doen wat een ander niet kon, of niet wilde doen. Het mooiste was dat mijn vader zoiets had van- het zal wel, daar groeit ze wel overeen. Maar zo klein als ik was, ik knipte en föhnde vrienden en vriendinnen. Ik wist al vroeg, dit is wat ik wil gaan doen en ik moet zo vroeg mogelijk het kappersvak in en op reis gaan, want hier in Nederland ga ik het niet leren.

Je bent gaan reizen. Wat leerde je in het buitenland?
Ik ben eerst naar Israël gegaan. Daar begon ik in een kibboets mensen een beetje bij te knippen. Dat was lachen, gieren, brullen. Ik was 17 en deed het gewoon. Het ging eigenlijk zo goed, dat ik vond dat ik ermee aan de slag moest. Toen ben ik één van de allerbeste kapperszaken van Israël binnengelopen. Dat was een zaak waar mensen vanuit de hele wereld stonden te knippen. Ze hadden zelf ook allemaal een kop met krullen en dat was een verademing. Dat ik uit Amsterdam kwam vonden ze cool. Ze hadden zoiets van, nou laat dan maar zien wat je kan. Ik stond binnen een maand te knippen. In die zaak heb ik een hele poos gewerkt. Op een geven moment dacht ik, nou weet ik het wel. Toen ben ik verder gereisd, onder andere naar Senegal en Marokko, om me verder te verdiepen in de krul.

Jij gebruikt een geheel nieuwe techniek van krullen knippen. Wat is er zo bijzonder aan die techniek?
Het is voor mij niet nieuw, maar voor een leek wel. Een krul is een spiraal. Na het wassen droogt die iedere keer anders op. Die krul zal nooit in dezelfde vorm terugvallen. Kun je het je voorstellen? Honderdduizend spiraaltjes die je nat maakt en die de volgende dag weer anders opdrogen. Dus ik ga voor echt hele mooie symmetrische lijnen. Juist bij krullen. Daarom knippen wij ook heel steil haar. Steil haar is ook een kwestie van heel mooi, heel secuur en heel perfectionistisch belijnen. Ik ben onwaarschijnlijk perfectionistisch. Ik hou ervan dat haar een mooi verloop heeft.

Jouw zaak loopt als een trein, al 35 jaar. Komt het alleen door de techniek van krullen knippen?
Gastvrijheid is heel erg belangrijk, zorgen dat mensen relaxed zijn. Dat meisje dat ik net knipte, is een heel mooi voorbeeld. Zij vertelde dat ze haar hele leven lang werd verknipt. Ze vond het heel spannend en vroeg of ze mij foto’s mocht laten zien van de coupe die ze graag zou willen hebben. Ik heb haar uitgelegd dat iedereen een andere haarstructuur heeft. En dat ik al die krullenbollen die zij mij op foto’s liet zien, ging proberen te verwoorden in één coupe met haar haarstructuur. Ik beloofde haar: we maken iets heel moois, no stress. Ze flipte gewoon zo blij als ze was met haar coupe. “Eindelijk iemand die het begrijpt”. Dat is wat ik de hele dag hoor. Dat mensen het bijna opgeven. Als een soort mantra herhaal ik, het komt goed, no stress, ik beloof je dat het niet te kort wordt. Dan zie je dat ze zich ontspannen en verschijnt er een lach op het gezicht. Als ze omhoogkomen na het föhnen, gaan ze echt shinen of huilen. Dat is het grootste compliment. (red- bij Simcha worden mensen met krullen, geknipt en geföhnd, met hun hoofd helemaal voorover gebukt).

Het is zoveel meer als ik het zo van jou hoor, dan even haren knippen.
We zitten nu in een ruimte die ingericht is voor mensen, waarvan we het gevoel hebben dat ze rust nodig hebben. Omdat ze iets meemaken of ziek zijn. Als ze veel verdriet hebben kunnen ze hier gewoon zonder gêne hun verdriet ventileren. Onlangs had ik een klant die heel erg ziek is, ze heeft kanker. Daar helpen wij haar doorheen. Ik laat pruiken maken en knip zelf de pruik in de coupe die de klant graag wil. Ik begeleid vaste klanten die ziek worden zelf, van a tot z. Daar wil ik dan ook niets voor hebben. Dat is het echte werk, gevoel van eigenwaarde teruggeven aan deze vrouwen. Want het is geen kunst om krachtige haren en grote bossen mooi haar, te kappen en mensen blij te maken met een coupe. Nee, de kunst is om mensen die moeten overleven en hun haar verliezen, te begeleiden en gerust te stellen. En ervoor te zorgen dat ze weten: ik leg mijn hoofd letterlijk in haar handen en het gaat goed komen.

Dat is heftig en zwaar lijkt me?
Ik probeer het leuk en luchtig te maken. Ik ben Simcha, mijn naam betekent vreugde. Mensen liggen in een deuk omdat ik vaak zeg wat ik denk. Die pruiken samen doen met de klant, dat is vaak ook heel melig. En dan die dame net, die haar vriend nu uren buiten laat wachten. Ze is zo blij met haar coupe, dat ze nu ook gekleurd wil worden. Alleen hebben we op dit moment even geen plek. Maar ze blijft gewoon wachten, want ze wil het zo graag. Of het nou iemand is die hier komt om een pruik te laten maken of het is iemand die jarenlang verknipt is. Het is allebei zo mooi. Die verbazing, die emotie, het is zo prachtig.

Fotografie: Merel Oenema.

Simcha’s friends

Klaartje Til onderzocht, als krullenbol, het fenomeen krullenkapper en ontdekte in Amsterdam de kapsalon, Simcha & Friends. Voor POM Magazine bezocht Klaartje de salon. Zij sprak met klanten en kappers op zoek naar het antwoord op de vraag: wat is het toch met krullen?

door Klaartje Til

Klant Caroline
Het is de vijfde keer dat ik bij Simcha kom. De vorige kapper knipte mijn haar ook goed maar deed niet wat ik wilde. Als ik dan zei dat ik ergens absoluut niet kort geknipt wilde worden, dan werd het toch kort geknipt. Ik had daar genoeg van. Het is moeilijk om een kapper te vinden die goed krullend haar kan knippen, dat is zeker. Ik kom hier naar aanleiding van een krantenartikel over Simcha & Friends. Het was toen moeilijk om een afspraak te maken omdat ze het zo druk hebben. Ik las dat artikel en dacht, dat wil ik ook. Toen ik hier de eerste keer was, vroeg Simcha of ik zenuwachtig was. Maar nee, ik had er alle vertrouwen in, ik voelde me goed. De haarproducten die ze hier verkopen zijn magisch. Ik föhnde mijn haar vroeger nooit. Ze hebben me hier overgehaald omdat dat wel te doen, met die haarproducten. Ik kan nog steeds niet zo goed föhnen als de kappers hier, maar het is echt fantastisch. Van een bezoek bij Simcha word ik zelfverzekerder. En met die haarproducten, nou dat doet wel wat voor je haar en voor jezelf.

Klant Daisy
Ik ben heel blij dat het nu normaler wordt dat er krullenkappers zijn. Het is gewoon een aparte tak van sport. Dit is de eerste keer dat ik bij Simcha & Friends ben. Als ik ergens voor het eerst kom doe ik wel mijn huiswerk. Ik ga niet blind naar een kapper zonder dat ik weet of het goed staat aangeschreven. Ik heb een krantenartikel gelezen over Simcha. En op social media gekeken, waar je een klant vóór en na een knipbeurt ziet. Daaruit kon ik wel opmaken dat ze hier wel weten wat ze doen, als het op krullen aankomt.

Toen ik een jaar of dertien was had ik heel kort haar dat erg krulde. Ik zat in de wachtkamer met mijn opa bij de orthodontist. Ik weet nog dat daar een jongetje zat met zijn moeder. Hij zei tegen zijn moeder, dat meisje heeft echt een zwarte pietenpruik. Misschien dat ik onbewust daarom mijn krullen ook niet leuk vond. Het was eind jaren negentig, de hele zwarte pieten discussie die we nu hebben, was er toen nog niet. Mensen zeggen dat soort dingen omdat je er blijkbaar anders uitziet. Maar ik zie mezelf niet als anders.  Als tiener was ik niet blij met mijn krullen. Ik was jaloers op mensen met steil of golvend haar, dat wilde ik ook. Ik zat eens bij een kapper waar meiden waren met sluik, steil haar. Die zeiden, “Oh wat heb je mooi haar, en volumineus.” Toen pas werd ik me ervan bewust dat mijn krullen niet echt de standaard norm zijn. Ik ben mijn krullen gaan omarmen en wijs mijn krullen niet meer af.  Ik vond ze wel een last want het kost veel tijd en energie om je krullen goed te onderhouden. Je kunt niet een simpele shampoo of masker gebruiken. Ik kan niet elke dag mijn haar föhnen want dan wordt het stro. Dit was mijn eerste bezoek bij Simcha. Hoe mijn haar zit na een knipbeurt bij Simcha & Friends? Top, superblij mee!  Heel erg bedankt. Ik heb mijn haar weer terug.

Kapper Safae
Krullen knippen is niet makkelijk. Op één hoofd zitten vaak meerdere soorten krullen, die verschillen in structuur. Bij sommige mensen is dat verschil in type krul best wel groot. Dan moet je met verschillende producten gaan werken. Elke type krul op dat ene hoofd, moet weer anders geknipt worden. Krullen knippen is dus maatwerk. Golvend, krullend of kroes haar, iedere soort krul moet op een andere manier geknipt worden. Op de kappersschool krijg je niet standaard les in het knippen van krullend haar. Omdat je het niet echt leert op de kappersschool, worden veel kappers nerveus als ze krullen moet knippen. De krul is eigenwijs en valt steeds anders. Het is daarom eng om krullen te knippen. Steil haar valt vaak hetzelfde en dat is makkelijker te knippen.

Tips van Simcha voor mensen met krullen.
Het komt helemaal goed met de krullen, zeker als mensen zichzelf een beetje meer verzorging zouden gunnen. Dus ik zeg: heel goed verzorgen en vier keer per jaar een heel klein puntje eraf bij een kapper die verstand heeft van krullen. Search het internet naar geschikte kappers. Wacht net zolang met knippen tot je naar de juiste kunt gaan. Zorg dat je een kapper vindt die zelf krullen op het hoofd heeft. Laat je niet overrulen door angst en wees heel duidelijk dat je het niet te kort wilt. En vooral niet zeggen, knip er maar af wat nodig is!

Fotografie: Merel Oenema

Bezield of niet?

Wij leven in een wereld waarin we meer en meer versmelten met de dingen om ons heen. En daarom wordt de vraag naar methodes om de ziel van objecten te bepalen, steeds groter. Waarom? Misschien om onze onafhankelijkheid te bewaken als mens, of misschien om empathie te tonen voor de spullen die we ontwerpen, produceren en gebruiken. Ontwerper en onderzoeker Judith Dörrenbächer beschrijft in haar boek, “Beseelte Dinge-Design aus Perspektive der Animismus”, een zoektocht naar manieren om de ziel van een object te definiëren, zodat we de grensvervaging tussen mens en ding beter kunnen herkennen. Bert van der Zee sprak met Judith Dörrenbächer over de rol die is weggelegd voor ontwerpers als het gaat om grensbewaking.

Vanwaar die interesse voor techno-animisme?
Vandaag de dag nemen objecten veel beslissingen voor ons. Ze zijn verbonden met andere objecten, ze leren, ze voelen – ze hebben eigenschappen die voorheen alleen mensen hadden. Aan de andere kant verliezen objecten weerstand doordat tastbare grenzen simpelweg oplossen. Het is niet meer zo duidelijk waar een object begint en onze barrière eindigt of andersom. Objecten passen zich aan ons gedrag aan, ze leren om aan onze wensen of aan de wensen van de bedrijven die ze ontwerpen, te voldoen. Bovendien beïnvloeden ze ons gedrag zonder dat we het doorhebben. Daar komt nog eens bij dat deze objecten onderling nauw verbonden zijn. Ze zijn onderdeel van iets groters, een soort ‘internet van dingen’. Ze vormen als het ware een nieuw ecosysteem. Iets leeft in die objecten, iets dat ze quasi-levend maakt.

Wat heeft animisme hiermee te maken?
We vinden in deze technologische ontwikkeling kenmerken terug waarvan wij, moderne mensen, altijd dachten dat alleen inheemse volkeren dat doen, zoals het praten tegen dingen. Maar tegenwoordig praat iedereen tegen dingen en zwaait iedereen naar dingen om een interactie met ze aan te gaan. Dit is gedrag waarvan moderne mensen zich ooit distantieerden door te zeggen: wij zijn rationeel, wij zijn volwassen, we geloven niet dat dingen een ziel hebben. Dus aan de ene kant vinden we onszelf heel modern, een high-tech maatschappij. Aan de andere kant gedragen we ons pre-modern. Dat contrast boeit me. De toekomst en het verleden versmelten. Tegelijkertijd besef ik dat het best wel lastig is voor mensen om eigenwaarde te ontwikkelen, omdat de grens tussen mens en technologie vervaagt. Wat ooit een tastbare tegenhanger was, is nu een ongrijpbaar object. Dit fenomeen doet me denken aan iets dat in animisme theorieën, ‘magisch denken’ genoemd wordt. Animisme, magie en betovering zijn met elkaar verweven.

Kunt u een voorbeeld geven van magisch denken?
Daarvoor verwijs ik graag naar de psycholoog Jean Piaget. In zijn beschrijving van de vroege ontwikkeling van het kind, stelt hij dat jonge kinderen niet in staat zijn om een onderscheid te maken tussen zichzelf en de buitenwereld. Wanneer kinderen hun ogen dicht doen denken ze dat de wereld verdwijnt. Of ze denken dat de maan hun volgt wanneer ze rondlopen. Jonge kinderen denken dat hun eigen gedachten en hun gedrag de buitenwereld beïnvloeden. Ze zijn zich in beperkte mate bewust van de scheidslijn tussen zichzelf en de wereld om zich heen. Jean Piaget noemde dit ‘magisch denken’. Hedendaagse technologie bekrachtigt dit verschijnsel op een nieuwe manier. Met slimme contactlenzen kun je in de toekomst de buitenwereld besturen door bijvoorbeeld een paar keer te knipperen met je ogen. En wanneer dit soort brein-computer interactie alledaagser wordt, zullen je boodschappen misschien wel aan huis afgeleverd worden, alleen maar door eraan te denken. Dit soort technologie werkt magisch denken in de hand. Maar hoe bewaken we onze eigenwaarde in een omgeving waarin technologie zich moeiteloos aan onze wensen aanpast? Misschien hebben we een nieuwe vorm van verzet nodig, weerstand. We moeten gaan nadenken over methodes waarmee we de grenzen tussen onszelf en de buitenwereld, tussen onszelf en de technologie die ons omgeeft, kunnen bewaken.

Grensbewaking met behulp van weerstand?
Ja, weerstand ontstaat bijvoorbeeld in een systeem dat opzettelijk met fouten ontworpen is. Wanneer gebruikelijke processen verstoord worden, zal een object zich meer als een tegenhanger uiten. Hetzelfde geldt voor een transparanter systeem dat laat zien wat er daadwerkelijk gebeurt tussen de gebruiker en het systeem. Transparantie laat zien dat de interactie niet magisch is. Vooropgezette fouten en transparantie vormen een weerstand die afstand creëert tussen gebruiker en technologie. Deze afstand is kennelijk nodig om kritisch en zelfbewust te blijven.

Dus weerstand kan integraal in een product ontworpen worden?
Weerstand kun je ook ervaren in experimenten met fysieke interactie tussen mens en object. Dit soort experimenten richt zich bijvoorbeeld op het imiteren van een object om er bewust empathie voor te krijgen. Hierdoor identificeer je een object als iets dat los staat van jou, want je kunt alleen empathie hebben voor iets dat anders is dan jijzelf. Het zou mooi zijn om deze bevindingen te verleggen naar de technologische wereld. Misschien helpt het ons om meer empathie te voelen voor de technologie om ons heen, en helpt het ons tegelijkertijd om gepaste afstand te bewaren.

Wat rest ons? Hoe ziet u dit voor u?
Wel, we hebben te doen met twee perspectieven: het technologisch optimistische en het technologisch pessimistische perspectief. Het pessimistische perspectief zegt: ‘we raken onze controle kwijt omdat objecten de macht krijgen over ons, we zijn geen subjecten meer, maar de objecten worden subjecten, help! De wereld op zijn kop, nu zijn wij passieve objecten!’ Het optimistische vertrekpunt gaat er vanuit dat technologie ons helpt om betere mensen te worden doordat we iets aan onszelf toevoegen. Ik ben niet geïnteresseerd in één van beide perspectieven [sic]. Ik vind dat we grenzen nodig hebben tussen mens en technologie om zelfbewustzijn in stand te houden. Maar in plaats van vasthouden aan het oude onderscheid tussen autonoom subject en het passieve object, denk ik dat we moeten onderhandelen over deze grenzen, zodat er nieuwe scheidslijnen ontstaan. Ik ben erg geïnteresseerd in experimentele en artistieke methoden die je helpen te onderhandelen tussen jezelf en het andere. Hierdoor blijf je bewust van jezelf en je eigenwaarde.

Waarom is het belangrijk dat mensen zich definiëren ten opzichte van objecten?
Het is belangrijk om autonoom te blijven denken en je terug te kunnen trekken uit je omgeving. Je kunt je alleen verantwoordelijk voelen wanneer je duidelijk voelt wie je bent en voelt dat je de mogelijkheid hebt om dingen te beïnvloeden. Dat maakt ons anders dan onze technologie. Wij maken ethische beslissingen, onze smartphone niet. Ik vind het interessant om te zien hoe we onze eigenwaarde en ons menselijke bewustzijn kunnen behouden, terwijl alles om ons heen zo quasi-menselijk is. Hoe bewaken we onze scheidslijnen? Hoe ontwerpen we nieuwe grenzen? We moeten toewerken naar een nieuw begrip van het mens-zijn, en naar een nieuw begrip van het object, want beide zijn aan het veranderen.

Tekst en interview: Bert van der Zee

Wetenschapper der technologische bezieling

Dat een designer nadenkt over de vorm en functie van een ontwerp, daar kijkt niemand van op. Dat een filosoof de tijd doodt met nadenken over de ziel, verrast ook niemand. Maar een designer die de bezieling van objecten onderzoekt, dat is toch wel bijzonder. De Duitse ontwerper en wetenschapper Judith Dörrenbächer ging de uitdaging aan. Zij onderzoekt of objecten, dingen en technische systemen een ziel hebben.

“Van origine ben ik ontwerper”, vertelt ze POM Magazine. “Ik heb de meest uiteenlopende dingen gedaan, van grafisch ontwerp tot het vormgeven van tentoonstellingen. Ik heb gestudeerd aan de Köln International School of Design, waar ze het belangrijk vinden dat theorie en praktijk nauw verweven zijn. Tijdens mijn studie raakte ik gefascineerd door de theoretische aspecten van design. Ik besloot me bezig te houden met esthetische technieken waarmee je de realiteit kunt ontleden en samenstellen. Op dit moment ben ik druk bezig te promoveren op het onderwerp ‘technologische bezieling’.”

In 2015 organiseerde Dörrenbächer voor de Hochschule Niederrhein een conferentie in Krefeld, met als onderwerp: de bezieling der dingen. De resultaten en conclusies van deze conferentie publiceerde Dörrenbächer in het boek ‘Beseelte Dinge’. Momenteel werkt Dörrenbächer aan de Universiteit Siegen waar zij onderzoek doet naar de interactie tussen hersens en computer, voor een gehoorapparaat dat bestuurd kan worden door hersengolven. “Door de innovatieve technologie die gebruikt wordt in het gehoorapparaat ontstaat een nieuwe kijk op de relatie tussen passief object en actief subject. Dit past perfect in, wat binnen sommige animistisch theorieën, ‘magisch denken’ wordt genoemd”, legt ze uit. In het artikel Bezield of niet? praat Judith Dörrenbächer met POM Magazine’s Bert van der Zee, en vertelt zij over technologische bezieling, magisch denken en het vervagen van de grens tussen mens en object.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Maxi Uellendahl

Brussel: een stad met vele gezichten

Ik ben één keer in Brussel geweest. Nou ja gestrand, is een beter woord. Ik wilde het vliegtuig nemen vanuit Brussel Airport, maar door het heftige winterweer miste ik mijn vliegtuig. Toen moest ik noodgedwongen in Brussel overnachten en ben door de straten van Brussel gaan wandelen om de sfeer van de stad te proeven. Ik snap het meteen wanneer mensen zeggen dat Brussel heel rauw is. Toen ik daar door die brede straten wandelde voelde ik me op één of andere manier niet helemaal op mijn gemak, een beetje gekkig. Ik begreep niet waar dat nou aan lag. Maar na mijn interview met de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga, ben ik de stad beter gaan begrijpen. Jip woont sinds 3 jaar in Brussel, waar zij een filmopleiding volgt aan de Brusselse kunstacademie, Sint Lucas. In dit artikel legt ze uit hoe het nou zit met die rauwe kant van deze fascinerende Europese metropool.

door Klaartje Til

Jip, wat voor stad is Brussel voor jou?
Brussel is een bijéén geraapt zooitje. Het heeft 19 gemeenten en zo’n 180 nationaliteiten. Dat maakt Brussel de meest gemixte stad die ik ken. Ik voel me daar erg prettig bij. Het boeit en inspireert mij.

Wat bedoel je met gemixte stad?
Zoals iedere stad heeft Brussel zijn cirkels met mensen. Ik merk dat die cirkels in elkaar overlopen. Mensen kennen andere mensen uit andere cirkels. Iedereen staat open voor andere kringen. Verder zie ik dat in Brussel verschillende culturen niet gescheiden worden gehouden in aparte buurten. Er zijn zoveel verschillende nationaliteiten in Brussel dat ze wel met elkaar moeten samenleven. Je kunt het niet opsplitsen omdat het een stad is die van zichzelf al zo opgesplitst is. En België is ook al zo opgesplitst. Misschien voelen de mensen zich daarom eerder thuis in Brussel omdat het niet echt een stad is van één nationaliteit. Ook al is de stad opgesplitst, het werkt wel heel erg goed als geheel.

Wat bedoel je met opgesplitst?
Brussel is niet echt een eenheid, qua taal, qua verschillende gemeenten, qua splitsing tussen Vlaams en Waals. Er wordt Frans en Nederlands gesproken, naast de diverse talen die mensen vanuit hun eigen cultuur spreken. Die Frans- en Nederlands taligheid van België splitst de mensen natuurlijk maar de echte Brusselaars voelen zich geen Vlaming of Waal. Ze komen uit Brussel en dat gaat gepaard met een bepaalde trots. Zoals ik al zei is er niet echt verdeling van de wijken. Ook niet qua welgesteldheid. Arm en rijk woont door elkaar heen. En als ik één straat verder had gewoond dan had ik me moeten inschrijven in een andere gemeente. Ik woon nog net in Brussel zelf, maar iets verderop heb je Schaerbeek, Ixelles en Saint-Gilles. Dat zijn buitenwijken die aparte gemeenten zijn die bij groot Brussel horen en allemaal hun eigen centrum hebben. Die gemeenten hebben andere regels en tradities.

Die Frans-Nederlands tweetaligheid in België lag nooit zo lekker. Is dat in Brussel ook zo?
Met name een oudere generatie Walen verwacht dat iedereen in België Frans spreekt. De jongeren zijn vaak meertalig. De Vlamingen die ik ken in Brussel spreken vaak Frans. Maar mensen afkomstig uit Brussel zelf spreken allemaal Frans èn Nederlands. Zij mengen zich in zowel de Waalse kringen als de Vlaamse kringen van Brussel. Want in Brussel is een deel van de mensen Vlaams en een deel Waals. Daarnaast heb je de expats, die wonen op hun eigen Brusselse eilandje.

Bestaat er ook zo iets als een Brussels taal?
Jazeker, meerdere zelfs. Er is zoiets als Brussels Frans en dat is heel anders dan het Frans dat in Frankrijk gesproken wordt. Dan heb je nog de Brusselse straattaal, die heeft iets heel cools met veel Frans en veel swag. Het wordt veel gesproken door jongeren. Verder is er een heel ouderwets soort Brussels dat alleen door de Brusselaren wordt gesproken, maar nauwelijks meer te horen is in de stad. Het is echt een taal van vroeger en het heeft iets volks.

Als je door Brussel loopt wat straalt de stad met zijn gebouwen en publieke ruimtes uit?
Het eerste wat in me opkomt is: verlepte rijkdom. Er zijn veel mooie gebouwen, maar die zijn zo slecht onderhouden. Je ziet veel grijs en op een grijze dag is de stad extra grijs. Maar ook hierin is Brussel een stad vol variatie. Je merkt de mengelmoes ook qua gebouwen. In Brussel staan verschillende bouwstijlen pal naast elkaar. Er zijn veel prachtige Art Nouveau gebouwen te bewonderen in het centrum van Brussel. De kunstacademie St Lucas zit in een oud kasteel en in Molenbeek staat veel nieuwbouw. Wat ook opvalt als je door Brussel loopt, zijn de grote muurschilderingen van controversiële, seksueel getinte taferelen.

Je noemde ze al, de mensen die uit Brussel zelf komen, de Brusseleers. Wat typeert een Brusseleer?
Bier drinken en lekker naar cafeetjes gaan tot diep in de nacht. Alle cafés sluiten op een bepaald uur. Voor het oog lijken sommige cafés gesloten omdat bijvoorbeeld de gordijnen dicht zijn. Maar achter de dichte halve gordijntjes zijn ze gewoon open tot in de kleine uurtjes. Je moet lang op het raam kloppen en je hand omhoog steken boven die halve gordijntjes. Dan komen ze de deur opendoen en kun je naar binnen. Daar vind je de Brusseleer nog om 7 uur in de ochtend, rokend, kletsend en drinkend.

En vind je er ook cafés vol met muurschilders?
Ik denk dat de kunstenaarsscene wel groot is, maar je merkt niet dat die aanwezig is. Er is een techno scene in Brussel maar die is underground. Sowieso is Brussel niet een stad waar de clubs het podium vormen voor dik feesten. De tofste feesten zijn vaak eenmalig georganiseerd of eens per jaar. Wat in Brussel heel groot is, is de hip-hop scene. Die rappen Brussels. De hip-hop jongeren zijn heel modieus: cool, urban hip-hop achtig met veel nineties invloeden en weinig onderscheid in stijl tussen jongens en meisjes. Ook dat hoort echt bij Brussel. Jong zijn en lekker op straat rondhangen, pintjes halen bij de nachtwinkel, geluidsboxjes op de achtergrond met hip-hop, Frans-Nederlands praten, tot heel laat in nacht wanneer iedereen dan altijd dronken is.

Heeft Brussel ook zijn eigen held, zoals Amsterdammers bijvoorbeeld hun André Hazes hebben?
Ja, Jacques Brel. Er staat een standbeeld van hem in de buurt van Manneke Pis. Zijn muziek voelt zoals Brussel voelt: stoffig, Frans, Bourgondisch, vol romantiek en grauw. Een mix van dat alles. Somber, verdrietig en romantisch.

Ik vind Brussel rauw overkomen, waar ligt dat aan denk je?
Het voelt rauw omdat het een samenhang is van verschillende culturen en talen. Er is wanorde en weinig structuur maar dat maakt het ook open-minded. Het feit dat alles samensmelt en tegelijkertijd heel erg verdeeld is. In dat contrast zit, denk ik, het rauwe.

Foto: CHAP 14 van Dourone voor Le Mur Brussels

Zorgzaam gebouw

Het Nederlandse architectenbureau Mecanoo is internationaal bekend vanwege projecten als het nieuwe station in Delft, de bibliotheek in Birmingham en de campus van de technische universiteit in Manchester. Tot voor kort stonden zorggebouwen niet in Mecanoo’s rijtje met succesvolle projecten. Daar kwam verandering in toen Mecanoo de opdracht kreeg om het nieuwe Zaans Medisch Centrum te ontwerpen. Voor architect Ryan van Kanten een uitgelezen kans om zich als een atypische ziekenhuisarchitect bij Mecanoo op de kaart te zetten. En dat deed hij, met succes. Klaartje Til ging voor POM Magazine naar het kantoor van Mecanoo in Delft om Ryan van Kanten te interviewen, de architect voor wie het de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Ik ga meteen met de deur in huis vallen. Kan een gebouw verzorgend zijn?
Ja, dat denk ik wel, maar dan moet je het gebouw als één geheel zien en niet als een laag die je erop plakt of achteraf toevoegt. Dat is waar wij bij Mecanoo proberen sterk in te zijn. Meteen vanaf het begin van het ontwerpproces zoeken we naar methoden om mensen in het gebouw een beter gevoel te geven. Bij ons project Zaans Medisch Centrum in Zaandam, heeft dat heel goed gewerkt. Het ziekenhuis wilde positiviteit uitstralen en wilde niet een klassieke soort ziekenhuis zijn. Zij hebben ook niet gekozen voor een typische ziekenhuisarchitect, waarvan er een aantal zijn in Nederland en waarvan de ontwerpen allemaal een beetje op elkaar lijken. Het ziekenhuis in Zaandam wilde iets anders. Mecanoo had nog niet eerder een ziekenhuis ontworpen en toch kwamen ze bij ons uit. Juist omdat ze iets anders wilden.

Wat maakt het Zaans Medisch Centrum dan zo anders dan andere ziekenhuizen?
Wat wij heel erg in ons hoofd hadden, was dat dit gebouw niet een ziekenhuisuitstraling mocht krijgen. Je moet niet het gevoel hebben dat je een ziekenhuis binnenkomt. Bij het ontwerpen van een ziekenhuis moet je rekening houden met een aantal zaken, zoals dat het makkelijk schoon te maken is en veiligheid staat voorop. Dat is bij ons ontwerp voor het Zaans Medisch Centrum natuurlijk niet anders geweest, want dat zijn vereisten. Maar in ons ontwerp ligt dat er allemaal niet zo dik bovenop. We hebben het gebouw meer ontworpen als een publiek gebouw dat de bezoekers bij wijze van spreken eerder het gevoel geeft in een foyer van een theater te staan, dan in een ziekenhuis.

Wat maakt een ziekenhuisgebouw dan verzorgend?
In ons ontwerp voor het Zaans Medisch Centrum hebben we geprobeerd om stressmomenten te voorkomen. Mensen gaan met tegenzin naar het ziekenhuis. Maar het moet, omdat ze ziek zijn of zorg nodig hebben. Vlak voordat mensen het ziekenhuis binnenwandelen hebben ze al een bepaald stressniveau. Mensen hebben ook een piek in stressniveau als ze in een wachtruimte zitten, net voordat ze door een dokter binnen geroepen worden. Een architect kan dingen bedenken die positief afleiden waardoor die stresspiek weer naar beneden afgebogen wordt. Voor het Zaans Medisch Centrum hebben we ervoor gekozen om met grafiek te werken. In samenwerking met het Haagse ontwerpbureau Silo is een grafisch ontwerp gemaakt dat tekeningen op de wanden laat zien. Enerzijds om de weg te wijzen, anderzijds om een gevoel van verwondering toe te voegen aan het gebouw. De bezoeker komt een publieke hal binnen van drie verdiepingen hoog en ervaart verwondering bij binnenkomst door een enorm grote tekening van een menselijk lichaam, verwijzend naar de medische wetenschap. Maar als je er goed naar kijkt zie je allerlei kenmerken van de Zaanstreek, zoals traditionele Zaanse huisjes en elementen uit de scheepsbouw. Dat is een grappige manier van afleiding. De eerste indruk is van: “Hé, kijk, wat is dit voor iets bijzonders?” en niet alleen maar: “Oh, daar is de bel, daar is de wachtruimte, daar moet ik zijn zo en zo laat”.

Denk jij als architect in dat soort thema’s?
Ik denk heel erg in termen van oriëntatie en daglicht. Mensen moeten meteen snappen waar ze zijn en waar ze heen moeten. Ze moeten de structuur van het gebouw direct kunnen overzien. Ik vind dat heel belangrijk. Ik vind dat je als architect ervoor moet zorgen dat je bij binnenkomst van een gebouw: rechts en links daglicht ziet, meteen ziet waar een lift is en je direct weet hoe het gebouw in elkaar zit. Daglicht is een must. Ik heb als vuistregel: maak nooit een wachtruimte waar geen daglicht is. Je biologie is erop geënt dat je moet voelen wat voor weer het is buiten, of het een regenachtige dag is of mooi weer. Dat moet je ook gewoon binnen kunnen ervaren. Dat helpt in de geruststelling en de verzachting van het stressgevoel. Daglicht helpt ook in de oriëntatie. Soms ontkomen we er niet aan om een gang inpandig te maken. Dan zorgen we ervoor dat aan het einde van die gang een doorkijk is naar buiten, zodat mensen altijd naar het daglicht toe lopen. En daar waar dat niet lukte hebben wij ervoor gezorgd dat er aan het einde van de gang een oriëntatiepunt met veel kunstlicht is. Zodat er in ieder geval een kijkpunt is naar de bestemming waar iemand naartoe loopt.

Hoe verdiep je jezelf als architect in dit soort aspecten wanneer je een gebouw gaat maken zoals het Zaans Medisch Centrum?
Door veel te praten met de gebruikers die gaan werken in het nieuwe ziekenhuis: de verpleging, de artsen, de maatschappelijk werkers, de vrijwilligers. Zij zijn allemaal ervaringsdeskundigen en hebben heel veel ervaringsinformatie. Tijdens het ontwerpproces hebben we twee jaar heel intensief gepraat met verschillende gebruikersgroepen. Juist bij zorgprojecten is het belangrijk te luisteren naar de gebruikers.

Speelt kleur een belangrijke rol in het ontwerp van een zorggebouw?
Bij het kiezen van kleuren voor bijvoorbeeld de afwerkingen van vloeren, wanden en plafonds, moet je rekening houden met een goede balans in prikkels. Het moet niet te saai zijn. Dus niet alleen maar wit. Maar te heftig is ook niet goed. Wanneer je ontwerpt voor een verzorgingstehuis voor ouderen zijn er valkuilen waarvoor je moet waken.

Wat voor valkuilen?
Voor een grote vloer met een afwerking in rubber of marmoleum is het beter om een egale vloerafwerking te maken en niet een afwerking waar ineens ergens een donker vlak opduikt. Mensen die slecht zien en mensen die moeilijk prikkels kunnen interpreteren, zouden kunnen denken dat ze in dat gat kunnen vallen. Bijvoorbeeld, mensen met dementie zijn daar heel gevoelig voor. Met felle primaire kleuren kun je ook de fout ingaan. Mensen met dementie weten niet hoe ze met zulke kleuren om moeten gaan.

Dus met felle primaire kleuren moet je oppassen?
Klopt. Bij verpleeghuizen zie je vaak pastelachtige kleuren; die zijn zachter en voor de mensen beter te begrijpen. Verder is het maken van contrast in het ontwerp belangrijk. Een witte deur, met een wit kozijn eromheen, in een witte muur, is lastig voor mensen met dementie. Zij snappen dan vaak moeilijk dat dat een deur is. Dan kun je beter het kozijn in een donkere kleur maken zodat ze weten dat ze daar doorheen moeten.

Jullie zijn nu ook bezig met het verpleeghuis Oranje Nassau ’s Oord in Wageningen. Hoe maak je van een verpleeghuis een verzorgend gebouw?
Voor dit verpleeghuis was het benaderen van het thuisgevoel een belangrijk thema. Als je uit huis moet omdat je gedwongen naar een verpleeghuis gaat, is dat een grote stap. Wat wij met ons ontwerp wilden bereiken, is dat je een verpleeghuis maakt waar je je thuis voelt. Dus jij komt daar niet als een patiënt een instituut binnen, maar we draaien het om. Je hebt daar je woning of je woongroep en dat is je huis. Mensen hebben hun eigen voordeur met een eigen huisnummer, en het verplegend personeel komt daar te gast. Je hebt heel veel eigen regie. Je mag zelf bepalen hoe je kamer eruit ziet, je mag je meubels meenemen. Als een opdrachtgever alleen maar zoveel mogelijk kamers in zoveel vierkante meter wilt hebben, omdat dat goedkoper is, dan kom je er niet. Het is belangrijk dat je nadenkt hoe je op de langere termijn een gebouw maakt dat voor de bewoners prettig is. Voor een verpleeghuis is ook de mening van de kinderen van die bewoners erg belangrijk. Zij laten tenslotte hun ouders achter bij het verpleeghuis.

Speelt locatie een rol bij het verzorgend maken van een gebouw? Zaans Medisch Centrum ligt langs een drukke snelweg.
Het Zaans Medisch Centrum ligt aan het einde van de A7 van Purmerend richting Zaandam. We zaten vast aan die locatie, het is hun grond, dus dat veranderen we niet zomaar. De oorspronkelijke vraag van de opdrachtgever was: maak een ziekenhuis waarbij het ziekenhuis precies aan de andere kant moest staan dan waar wij hem nu hebben geplaatst. En er moest parkeergelegenheid komen aan de voorkant van het ziekenhuis, richting de stad. Toen hebben wij in de competitie meteen al gezegd: “Wij kiezen ervoor om het om te draaien. Het ziekenhuis keert zich naar de stad toe, zodat je vanuit de stad en niet vanuit de snelweg, meteen het ziekenhuis inkomt. Zo presenteert het gebouw zich naar Zaandam en wendt het zich als het ware af van die snelweg.

Was het voor jullie belangrijk om het ziekenhuis weg te keren van het geluid?
Jazeker. Ons gebouw heeft ook een duidelijke knik. Het heeft een eenvoudige vorm, eigenlijk een lang gestrekte binnenstraat met daaromheen de bouwvolumes, waardoor het een alzijdig gebouw is- het heeft geen voorkant en geen achterkant. Door die knik te maken richting de stad, creëer je als het ware een welkomstgevoel, een gebaar van hier moet je zijn. Het is simpel in structuur, maar het werkt wel.

En de rest van de omgeving?
Het bestaande ziekenhuis wordt op dit moment gesloopt, op die plek komt een woonwijk. Zo verander je het ziekenhuis van een instituut aan de rand van de stad, naar een gebouw dat verweven is in een woonwijk, verweven in de maatschappij als het ware. Het ultieme voor een ziekenhuis is niet meer gezien te worden als een institutioneel gebouw, een fort waar je eerst door een poort moet om er te komen. Nee, het ziekenhuis is gewoon onderdeel van de maatschappij.

Wat zijn de trends die eraan komen als het gaat om het verzorgend gebouw?
Ik denk dat het institutionele karakter van ziekenhuizen zal verdwijnen. Het grote ziekenhuis waar je eerst met een auto naar een parkeerplaats rijdt en daarna het gebouw in gaat, dat zal denk ik in de toekomst steeds minder worden. Zorg zal zich steeds meer verweven in het normale straatbeeld en zorggebouwen zullen zich ontwikkelen tot een soort winkel waar je binnenstapt. Er zal natuurlijk altijd een kerngebouw zijn met operatiekamers en intensive care. Dit soort ruimtes kun je niet inpassen in een winkel. Maar om deze kernruimtes heen heb je ook een schil met verpleegkamers en een polikliniek. Waarom zou je van dat alles zo’n groot instituut maken? Voor het verzorgende karakter van het gebouw moet je er alles aan doen om het vooral laagdrempeliger te maken zodat een ziekenhuis binnenkomen minder stressvol wordt. Het zit ‘m niet zo zeer in de individuele kleuren en materialen maar in de totale uitstraling van het gebouw. Als je nu naar een verpleeghuis kijkt uit bijvoorbeeld de jaren zestig, dan zie je meteen dat het een verpleeghuis is. Ik denk dat dat niet goed is. Je moet niet het gevoel hebben dat je in een verpleeghuis woont, maar in een woongebouw waar toevallig zorg aanwezig is die je nodig hebt.

Fotografie: Mecanoo/Thijs Wolzak