Fotograaf-Arja Hyytiäinen

Voor de Finse fotograaf Arja Hyytiäinen is analoge fotografie de enige manier om foto’s te maken. Haar werk wordt wereldwijd op festivals en in galeries getoond. In fotobeelden lijkt ze een bevroren moment in de tijd vast te leggen. Rauw, vervreemd en een beetje griezelig. Vanuit haar woning in Frankrijk vertelt Arja Hyytiäinen, hoe ze haar leven leeft met fotografie.

door Klaartje Til

ZWEDEN
Oorspronkelijk kom ik uit Finland, maar ik ben op mijn 21ste naar Zweden verhuisd omdat ik in Göteborg psychologie wilde studeren. Ik heb ik me alleen nooit voor het psychologieprogramma ingeschreven. In plaats daarvan begon ik met een cursus fotografie aan de avondschool. Ik ontmoette toen mensen die me aanmoedigden serieus iets met fotografie te doen. Ik was stomverbaasd toen ik werd toegelaten tot de school voor fotografie in het Zweedse Angermanland. Daar brachten we eindeloos veel tijd door in de donkere kamer en leerden we hoe je fotofilm moet ontwikkelen en afdrukken. We maakten korte reportages waarbij we verschillende camera’s konden uitproberen om min of meer je eigen stijl te ontdekken.

KARELIANS
Karelians, is de titel van mijn eerste expositie. Het is een fotodocumentaire over een groep mensen in Karelië. Voor deze documentaire woonde ik een jaarlang in een dorp in het Russische deel van Karelië, net over de Finse grens. Het was een piepklein dorp met zes inwoners en een paar koeien. Er was geen openbaar vervoer en geen elektriciteit. Je kon in de winter het dorp niet uit vanwege de sneeuw want niemand maakte de wegen sneeuwvrij. Na een jaar keerde ik terug naar Zweden, naar de donkere kamer, om zwart wit foto’s af te drukken voor mijn eerste expositie. Daarna ben ik naar Praag gegaan om fotografie te studeren aan FAMU (red.- Faculteit Film en TV aan de Academie voor Podiumkunsten). Dus min of meer direct van Rusland naar Tsjechië. Op FAMU heb ik een scriptie geschreven over subjectieve documentairefotografie van o.a. Daidō Moriyama, Anders Petersen en Antoine D’Agata. Met zijn foto’s is Anders Petersen een soort spirituele vader voor mij. De manier waarop hij leeft met fotografie raakt mij zeer. Achter zijn beelden voel ik gewoon iemand leven. Anders Petersen en Antoine D’Agata doen veel straatfotografie en hun foto’s tonen ontmoetingen met mensen. Als je naar hun werk kijkt, krijg je een idee hoe de kamer rook waarin deze mensen zich bevonden toen de foto werd gemaakt.

Train, Servië, 2004

NACHTTREIN
Toen ik in Praag aan FAMU studeerde, maakte ik veel trips naar Hongarije, Slovenië, Slowakije, Polen en Moldavië. Er waren nachttreinen, er was licht en ik ontmoette andere jonge fotografen tijdens deze trips. Ik fotografeerde heel veel en ontwikkelde de foto’s in mijn badkamer. FAMU was niet zo blij dat ik zoveel lessen mistte. Ik ben van school afgegaan en woonde eerst een jaar in Berlijn, voordat ik naar Parijs ging. Ik deed fotografieklussen in Parijs en woonde in Berlijn waar ik de foto’s ontwikkelde in een donkere kamer. Ik zat veel in de nachttreinen, heen en weer tussen Parijs en Berlijn. Ik voelde me alleen thuis in een nachtrein omdat ik net was vertrokken en nog niet was aangekomen. Ik woonde als het ware in nachttreinen. Dat duurde zo een tijdje totdat ik een art residency deed bij Atelier De Visu, in Marseille. Zij publiceerden mijn boek, Le Quartier, vol met dagboekaantekeningen en mijn foto’s die de aantekeningen illustreren. Ik was in Marseille druk bezig mijn eigen stijl te ontwikkelen als fotograaf. Ik probeerde uit te vinden wie ik nou was, heel Europa afreizend en overal en nergens wonend. Dat zie je in het werk dat ik toen maakte, overal stukjes en beetjes. Veel foto’s van bars en het nachtleven van Marseille.

Rue de Clignancourt, Parijs, 2003

GALERIE VU’ PARIJS
Ik heb een mail gestuurd naar Galerie VU’ met de vraag of ik voor hen mocht werken en stuurde ze de foto’s die ik in Oost-Europa had gemaakt. Ze namen me aan en ik dacht dat mijn hele leven zou veranderen. Niet dus. Totdat ik Christian Caujolle ontmoette. Christian was de artistiek leider van Galerie VU’. Hij organiseerde een fantastische expositie met foto’s van Antoine D’Agata. Ik heb die expositie keer op keer bezocht. Antoine D’Agata’s foto’s maakten een diepe indruk op mij, ook door de manier waarop de foto’s getoond werden. De expositie was aan de Boulevard Henri IV. De foto’s hingen in een oude kelder met roodgeverfde muren en dat rood contrasteerde met de zwart wit foto’s. De foto’s hadden verschillende formaten. Dat paste goed bij de sfeer die daar hing, zo’n slapeloze sfeer vol gruwel. Het was allemaal heel goed gedaan. In die tijd ontmoette ik veel grote fotografen. Ze liepen allemaal een beetje met hun ziel onder de arm, maar op één of andere manier waren ze voor mij een beetje familie. Ik kreeg wat opdrachten binnen via fotoredacteuren die ik kende, maar het was allemaal niet makkelijk. Geleidelijk aan bekoelde mijn relatie met Parijs. Het werd steeds lastiger om daar een donkere kamer te vinden. De één na de andere donkere kamer werd gesloten totdat er gewoon geen donkere kamers meer waren. Ik ben terugverhuisd naar Berlijn waar ik een grote, ruime donkere kamer vond.

Vinyl, Parijs, 2006

DE DONKERE KAMER
In de donkere kamer verdwijnt de tijd. Dat wat ik zag en voelde toen ik de foto maakte, verdwijnt. Dat vind ik heel belangrijk. Ik kan niet objectief zijn als ik nog een emotionele band heb met de beelden die ik toen fotografeerde. Ik leg een tijdsmoment vast op een foto en hoe dat eruitziet weet ik pas als ik de foto afdruk. De beelden kunnen dan zo afwijken van wat er daadwerkelijk gebeurde toen ik de foto schoot. Ik vind dat heel boeiend. Het verhaal komt pas achteraf, tijdens het editen. Ik druk altijd zelf de foto’s af. Ik vind het heerlijk om dat zelf te doen, de korreligheid bepalen, de dikte van het papier uitzoeken en het snijden van het papier. Dat máákt het beeld. Mijn afdrukken zijn vaak klein van formaat. Ik ga maximaal tot 50X64 cm. Ik wil tot de essentie komen tijdens het hele proces en geen energie verspillen aan groot formaat afdrukken. Ze kosten veel tijd en geld. De donkere kamer is een tijdsmachine waar ik stukjes uit een ander leven naar boven breng. Ik kan in de ochtend, als het licht is, naar de donkere kamer gaan en er pas midden in de nacht uitkomen in een totaal andere stemming. Het voelt alsof je weer terugkomt in de realiteit, alsof je wakker wordt en alles eventjes glashelder ziet. Dat is magisch. Prachtig.

ARCHIEVEN
Het is lang geleden dat ik mijn archieven ben ingedoken. Ze maken me altijd zo melancholisch. Het is een confrontatie met mezelf, want er is zoveel van mezelf in elke foto. Maar ik vind het boeiend dat deze tijdsmomenten opgeborgen zijn in een archief en daar ook blijven. In een archief kun je heen en weer in de tijd gaan. Het lijkt op een bioscoopfilm. De Franse filmmaker Stephane Breton heeft een film gemaakt met de titel, Chère Humaine. Chère betekent “duur” in het Frans, maar kan ook “vlees” betekenen. Hij zocht contact met een aantal fotografen, ook met mij, en hij heeft een film samengesteld met onze foto’s.

ILE D’ENFANCE
Ik woon nu op het Franse plattenland. Daar is mijn dochter geboren. Met haar geboorte kwam Finland weer bij me terug. Jeugdherinneringen en herinneringen aan de cultuur waarin ik ben opgegroeid. Mijn werk is toen radicaal omgeslagen. Ik verruilde de Hasselblad voor een kinderwagen, kocht een kleine betaalbare Fuji 6×7 rangefinder camera en heb een donkere kamer naast ons huis gebouwd. Ik reisde vaak naar Finland om scenes uit mijn kindertijd te fotograferen met de nieuwe camera. Dat werd de serie Ile d’Enfance, “Het eiland van de kindertijd”. De Fuji camera is veel langzamer dan de Hasselblad en de beelden werden meer geënsceneerd. Ik verbrand wel eens bladeren in de achtertuin en mijn dochter wikkelt zich dan in de jas van haar vader en kijkt naar de brandende bladeren. Ik heb dit later allemaal nagebootst in een scene die gebaseerd is op iets wat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld. Ik geloof dat ik altijd wel beelden heb geënsceneerd, zelfs toen ik nog straatfotografie deed. Ik herinner me een meisje dat me ineens opviel in Malmö, midden in de nacht. Ze was op een straatfeest en droeg een prachtige witte jurk en een ketting van aaneengeregen popcorn. “Ik ben een popcorn”, vertelde ze me. Ze vroeg me waarom ik een foto van haar wilde maken. Ik heb maar gelachen en haar gevraagd om aan de andere kant van de straat te gaan staan. Ik haalde haar uit de context. Ik ensceneerde beelden toen ook al, alleen doe ik nu meer research voordat ik een scene ensceneer en foto’s maak.

Fin de saison, 2018

PAARDEN
Als kind hing ik veel rond bij paarden. Hier, in Frankrijk, heb ik drie paarden. Zij hebben mijn leven compleet veranderd. Ze hebben een energie die je op meters afstand kunt merken. Je kunt hun energie voelen. Het is een manier van communiceren dat dieper gaat en volledig authentiek is. Ik fotografeer niet meer zoveel als vroeger. Ik heb nog steeds mijn donkere kamer en ik geef hier fotoworkshops. Een paar jaar geleden gaf ik een workshop voor criminele jongens uit Parijs. Ze waren erg onrustig en stilstaan rondom een tafel was lastig voor ze. De paarden trokken deze jongens aan als een magneet. Ze kalmeerden de jongens. Paarden vellen geen oordeel, ze praten niet en ze zijn indrukwekkend groot. De jongens vroegen of ze de paarden mochten fotograferen. Dat was het begin van therapeutische fotoworkshops.

DE VOLGENDE HALTE?
Bewegen is leven, zelfs als het niet direct te maken heeft met fotografie. Er is voor alles een tijd. Het gaat om datgene wat we met het medium willen vertellen. Ik geloof dat ik weer in de nachttrein zit. Ik zie wel waar het me brengt en hoe dat voelt.

Zorgzaam gebouw

Het Nederlandse architectenbureau Mecanoo is internationaal bekend vanwege projecten als het nieuwe station in Delft, de bibliotheek in Birmingham en de campus van de technische universiteit in Manchester. Tot voor kort stonden zorggebouwen niet in Mecanoo’s rijtje met succesvolle projecten. Daar kwam verandering in toen Mecanoo de opdracht kreeg om het nieuwe Zaans Medisch Centrum te ontwerpen. Voor architect Ryan van Kanten een uitgelezen kans om zich als een atypische ziekenhuisarchitect bij Mecanoo op de kaart te zetten. En dat deed hij, met succes. Klaartje Til ging voor POM Magazine naar het kantoor van Mecanoo in Delft om Ryan van Kanten te interviewen, de architect voor wie het de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Ik ga meteen met de deur in huis vallen. Kan een gebouw verzorgend zijn?
Ja, dat denk ik wel, maar dan moet je het gebouw als één geheel zien en niet als een laag die je erop plakt of achteraf toevoegt. Dat is waar wij bij Mecanoo proberen sterk in te zijn. Meteen vanaf het begin van het ontwerpproces zoeken we naar methoden om mensen in het gebouw een beter gevoel te geven. Bij ons project Zaans Medisch Centrum in Zaandam, heeft dat heel goed gewerkt. Het ziekenhuis wilde positiviteit uitstralen en wilde niet een klassieke soort ziekenhuis zijn. Zij hebben ook niet gekozen voor een typische ziekenhuisarchitect, waarvan er een aantal zijn in Nederland en waarvan de ontwerpen allemaal een beetje op elkaar lijken. Het ziekenhuis in Zaandam wilde iets anders. Mecanoo had nog niet eerder een ziekenhuis ontworpen en toch kwamen ze bij ons uit. Juist omdat ze iets anders wilden.

Wat maakt het Zaans Medisch Centrum dan zo anders dan andere ziekenhuizen?
Wat wij heel erg in ons hoofd hadden, was dat dit gebouw niet een ziekenhuisuitstraling mocht krijgen. Je moet niet het gevoel hebben dat je een ziekenhuis binnenkomt. Bij het ontwerpen van een ziekenhuis moet je rekening houden met een aantal zaken, zoals dat het makkelijk schoon te maken is en veiligheid staat voorop. Dat is bij ons ontwerp voor het Zaans Medisch Centrum natuurlijk niet anders geweest, want dat zijn vereisten. Maar in ons ontwerp ligt dat er allemaal niet zo dik bovenop. We hebben het gebouw meer ontworpen als een publiek gebouw dat de bezoekers bij wijze van spreken eerder het gevoel geeft in een foyer van een theater te staan, dan in een ziekenhuis.

Wat maakt een ziekenhuisgebouw dan verzorgend?
In ons ontwerp voor het Zaans Medisch Centrum hebben we geprobeerd om stressmomenten te voorkomen. Mensen gaan met tegenzin naar het ziekenhuis. Maar het moet, omdat ze ziek zijn of zorg nodig hebben. Vlak voordat mensen het ziekenhuis binnenwandelen hebben ze al een bepaald stressniveau. Mensen hebben ook een piek in stressniveau als ze in een wachtruimte zitten, net voordat ze door een dokter binnen geroepen worden. Een architect kan dingen bedenken die positief afleiden waardoor die stresspiek weer naar beneden afgebogen wordt. Voor het Zaans Medisch Centrum hebben we ervoor gekozen om met grafiek te werken. In samenwerking met het Haagse ontwerpbureau Silo is een grafisch ontwerp gemaakt dat tekeningen op de wanden laat zien. Enerzijds om de weg te wijzen, anderzijds om een gevoel van verwondering toe te voegen aan het gebouw. De bezoeker komt een publieke hal binnen van drie verdiepingen hoog en ervaart verwondering bij binnenkomst door een enorm grote tekening van een menselijk lichaam, verwijzend naar de medische wetenschap. Maar als je er goed naar kijkt zie je allerlei kenmerken van de Zaanstreek, zoals traditionele Zaanse huisjes en elementen uit de scheepsbouw. Dat is een grappige manier van afleiding. De eerste indruk is van: “Hé, kijk, wat is dit voor iets bijzonders?” en niet alleen maar: “Oh, daar is de bel, daar is de wachtruimte, daar moet ik zijn zo en zo laat”.

Denk jij als architect in dat soort thema’s?
Ik denk heel erg in termen van oriëntatie en daglicht. Mensen moeten meteen snappen waar ze zijn en waar ze heen moeten. Ze moeten de structuur van het gebouw direct kunnen overzien. Ik vind dat heel belangrijk. Ik vind dat je als architect ervoor moet zorgen dat je bij binnenkomst van een gebouw: rechts en links daglicht ziet, meteen ziet waar een lift is en je direct weet hoe het gebouw in elkaar zit. Daglicht is een must. Ik heb als vuistregel: maak nooit een wachtruimte waar geen daglicht is. Je biologie is erop geënt dat je moet voelen wat voor weer het is buiten, of het een regenachtige dag is of mooi weer. Dat moet je ook gewoon binnen kunnen ervaren. Dat helpt in de geruststelling en de verzachting van het stressgevoel. Daglicht helpt ook in de oriëntatie. Soms ontkomen we er niet aan om een gang inpandig te maken. Dan zorgen we ervoor dat aan het einde van die gang een doorkijk is naar buiten, zodat mensen altijd naar het daglicht toe lopen. En daar waar dat niet lukte hebben wij ervoor gezorgd dat er aan het einde van de gang een oriëntatiepunt met veel kunstlicht is. Zodat er in ieder geval een kijkpunt is naar de bestemming waar iemand naartoe loopt.

Hoe verdiep je jezelf als architect in dit soort aspecten wanneer je een gebouw gaat maken zoals het Zaans Medisch Centrum?
Door veel te praten met de gebruikers die gaan werken in het nieuwe ziekenhuis: de verpleging, de artsen, de maatschappelijk werkers, de vrijwilligers. Zij zijn allemaal ervaringsdeskundigen en hebben heel veel ervaringsinformatie. Tijdens het ontwerpproces hebben we twee jaar heel intensief gepraat met verschillende gebruikersgroepen. Juist bij zorgprojecten is het belangrijk te luisteren naar de gebruikers.

Speelt kleur een belangrijke rol in het ontwerp van een zorggebouw?
Bij het kiezen van kleuren voor bijvoorbeeld de afwerkingen van vloeren, wanden en plafonds, moet je rekening houden met een goede balans in prikkels. Het moet niet te saai zijn. Dus niet alleen maar wit. Maar te heftig is ook niet goed. Wanneer je ontwerpt voor een verzorgingstehuis voor ouderen zijn er valkuilen waarvoor je moet waken.

Wat voor valkuilen?
Voor een grote vloer met een afwerking in rubber of marmoleum is het beter om een egale vloerafwerking te maken en niet een afwerking waar ineens ergens een donker vlak opduikt. Mensen die slecht zien en mensen die moeilijk prikkels kunnen interpreteren, zouden kunnen denken dat ze in dat gat kunnen vallen. Bijvoorbeeld, mensen met dementie zijn daar heel gevoelig voor. Met felle primaire kleuren kun je ook de fout ingaan. Mensen met dementie weten niet hoe ze met zulke kleuren om moeten gaan.

Dus met felle primaire kleuren moet je oppassen?
Klopt. Bij verpleeghuizen zie je vaak pastelachtige kleuren; die zijn zachter en voor de mensen beter te begrijpen. Verder is het maken van contrast in het ontwerp belangrijk. Een witte deur, met een wit kozijn eromheen, in een witte muur, is lastig voor mensen met dementie. Zij snappen dan vaak moeilijk dat dat een deur is. Dan kun je beter het kozijn in een donkere kleur maken zodat ze weten dat ze daar doorheen moeten.

Jullie zijn nu ook bezig met het verpleeghuis Oranje Nassau ’s Oord in Wageningen. Hoe maak je van een verpleeghuis een verzorgend gebouw?
Voor dit verpleeghuis was het benaderen van het thuisgevoel een belangrijk thema. Als je uit huis moet omdat je gedwongen naar een verpleeghuis gaat, is dat een grote stap. Wat wij met ons ontwerp wilden bereiken, is dat je een verpleeghuis maakt waar je je thuis voelt. Dus jij komt daar niet als een patiënt een instituut binnen, maar we draaien het om. Je hebt daar je woning of je woongroep en dat is je huis. Mensen hebben hun eigen voordeur met een eigen huisnummer, en het verplegend personeel komt daar te gast. Je hebt heel veel eigen regie. Je mag zelf bepalen hoe je kamer eruit ziet, je mag je meubels meenemen. Als een opdrachtgever alleen maar zoveel mogelijk kamers in zoveel vierkante meter wilt hebben, omdat dat goedkoper is, dan kom je er niet. Het is belangrijk dat je nadenkt hoe je op de langere termijn een gebouw maakt dat voor de bewoners prettig is. Voor een verpleeghuis is ook de mening van de kinderen van die bewoners erg belangrijk. Zij laten tenslotte hun ouders achter bij het verpleeghuis.

Speelt locatie een rol bij het verzorgend maken van een gebouw? Zaans Medisch Centrum ligt langs een drukke snelweg.
Het Zaans Medisch Centrum ligt aan het einde van de A7 van Purmerend richting Zaandam. We zaten vast aan die locatie, het is hun grond, dus dat veranderen we niet zomaar. De oorspronkelijke vraag van de opdrachtgever was: maak een ziekenhuis waarbij het ziekenhuis precies aan de andere kant moest staan dan waar wij hem nu hebben geplaatst. En er moest parkeergelegenheid komen aan de voorkant van het ziekenhuis, richting de stad. Toen hebben wij in de competitie meteen al gezegd: “Wij kiezen ervoor om het om te draaien. Het ziekenhuis keert zich naar de stad toe, zodat je vanuit de stad en niet vanuit de snelweg, meteen het ziekenhuis inkomt. Zo presenteert het gebouw zich naar Zaandam en wendt het zich als het ware af van die snelweg.

Was het voor jullie belangrijk om het ziekenhuis weg te keren van het geluid?
Jazeker. Ons gebouw heeft ook een duidelijke knik. Het heeft een eenvoudige vorm, eigenlijk een lang gestrekte binnenstraat met daaromheen de bouwvolumes, waardoor het een alzijdig gebouw is- het heeft geen voorkant en geen achterkant. Door die knik te maken richting de stad, creëer je als het ware een welkomstgevoel, een gebaar van hier moet je zijn. Het is simpel in structuur, maar het werkt wel.

En de rest van de omgeving?
Het bestaande ziekenhuis wordt op dit moment gesloopt, op die plek komt een woonwijk. Zo verander je het ziekenhuis van een instituut aan de rand van de stad, naar een gebouw dat verweven is in een woonwijk, verweven in de maatschappij als het ware. Het ultieme voor een ziekenhuis is niet meer gezien te worden als een institutioneel gebouw, een fort waar je eerst door een poort moet om er te komen. Nee, het ziekenhuis is gewoon onderdeel van de maatschappij.

Wat zijn de trends die eraan komen als het gaat om het verzorgend gebouw?
Ik denk dat het institutionele karakter van ziekenhuizen zal verdwijnen. Het grote ziekenhuis waar je eerst met een auto naar een parkeerplaats rijdt en daarna het gebouw in gaat, dat zal denk ik in de toekomst steeds minder worden. Zorg zal zich steeds meer verweven in het normale straatbeeld en zorggebouwen zullen zich ontwikkelen tot een soort winkel waar je binnenstapt. Er zal natuurlijk altijd een kerngebouw zijn met operatiekamers en intensive care. Dit soort ruimtes kun je niet inpassen in een winkel. Maar om deze kernruimtes heen heb je ook een schil met verpleegkamers en een polikliniek. Waarom zou je van dat alles zo’n groot instituut maken? Voor het verzorgende karakter van het gebouw moet je er alles aan doen om het vooral laagdrempeliger te maken zodat een ziekenhuis binnenkomen minder stressvol wordt. Het zit ‘m niet zo zeer in de individuele kleuren en materialen maar in de totale uitstraling van het gebouw. Als je nu naar een verpleeghuis kijkt uit bijvoorbeeld de jaren zestig, dan zie je meteen dat het een verpleeghuis is. Ik denk dat dat niet goed is. Je moet niet het gevoel hebben dat je in een verpleeghuis woont, maar in een woongebouw waar toevallig zorg aanwezig is die je nodig hebt.

Fotografie: Mecanoo/Thijs Wolzak

Camilla Lonis-designer in LA

De Nederlandse Camilla Lonis werkt en woont in Los Angeles. Ze werkt in LA voor graffitikunstenaar Shepard Fairey, ontwerpt voor het modemerk OBEY Clothing en is designer director bij Studio Number One. Camilla sprak met Klaartje Til over haar leven in Los Angeles en legt haar uit waarom ze zoveel van Los Angeles houdt.

door Klaartje Til

Camilla, hoe ben je in Los Angeles verzeild geraakt?
Na mijn studie, grafisch ontwerp, aan de kunstacademie Willem de Kooning, heb ik een aantal jaren als freelance ontwerper gewerkt in Nederland. Op een gegeven moment kreeg ik steeds vaker opdrachten vanuit het buitenland en vooral van bureaus in New York, San Francisco en Los Angeles. Ik ben toen maar eens naar die steden op vakantie gegaan. Ik ging ervan uit dat ik LA niet zo spannend zou vinden. Maar toen ik er eenmaal was, ben ik heel snel van mening veranderd.

Waarom dacht je dat Los Angeles niet zo spannend zou zijn?
San Francisco leek mij interessanter. Daar is een hippiecultuur, de mensen zijn losser, er is mooie natuur, dat soort dingen. Het beeld dat ik bij LA had was dat van een platte stad met veel palmbomen, super warm weer en vol mensen met kapsones. Maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Het klopt dat LA een autostad is. Het is lastig om ergens te komen zonder auto of rijbewijs. Zodra ik door LA reed veranderde mijn beeld van de stad. Het is niet één stad maar zo’n dertig stadjes die samen Los Angeles vormen. Dat was echt een verrassing.

Wat gaf jou het duwtje om in Los Angeles te blijven?
Ik ben naar LA verhuisd voor de kunst en mijn beroep als designer. Binnen enkele maanden kwam ik bij toeval terecht bij Shepard Fairey. Hij is een succesvolle Amerikaanse straatkunstenaar. Hij heeft me aangenomen als design directeur voor zijn kunstgalerie Subliminal.

Shepard Fairey is een grote naam in de wereld van de hedendaagse kunst. Hoe was dat om door hem aangenomen te worden, om voor hem te werken?
Het was bizar. Enkele jaren daarvoor zat ik nog op de kunstacademie waar ik over hem las in kunstboeken. Ik keek enorm tegen hem op en een paar jaar later zat ik bij hem aan tafel in Los Angeles. Binnen de kortste keren werkte ik voor hem. Shepard is creatief directeur van Obey Giant en Subliminal, en ik werk direct onder hem. Dat is een vreemde gewaarwording. Ik word nu vaak in zijn kamer geroepen om helpen te kiezen tussen het ene of het andere ontwerp, voor een werk waarmee hij bezig is. Hij kijkt en luistert altijd heel goed naar wat er om hem heen gebeurt. Hij staat open voor andere meningen en zijn kunst heeft een positieve invloed. Dat inspireert mij heel erg.

Je bent ook designer voor het merk OBEY Clothing. Wat is die typische LA look?
Dat is heel afhankelijk van de buurt. In Echo Park kleden mensen zich super casual: een hele goede vintage spijkerbroek, maar wel een oude spijkerbroek, met een clean T-shirt, gewoon blanco met een los grafisch elementje erop. Verder niet te hard je best doen. Dat is niet cool. Maar je kunt je eigenlijk niet kleden als “een LA persoon” want over welk van de vele culturen heb je het dan?

En tot welke cultuur behoor jij?
In het dagelijks leven werk ik in Echo Park, ben ik kunstenaar en luister ik naar punk en metal muziek. Straatkunst beïnvloedt mijn werk en ik ben wat alternatiever. Maar ik ga ook uit in Beverly Hills en dan draag ik chiquere kleding. Als ik naar een feestje ga in West Hollywood kleed ik me stoerder. Dat vind ik juist leuk aan deze stad, dat er zoveel verschillende culturen zijn.

Je werkt in de wereld van design. Is design belangrijk in Los Angeles?
Design en kunst is belangrijk voor de stad. Er is veel te zien en te doen in LA. Veel musea zijn gratis. Er is een jeugdige kunstcultuur. De graffitikunst is belangrijk en erg zichtbaar, het is een belangrijke uitingsvorm. Als je kijkt naar het werk van Shepard Fairey dan zie je dat hij talloze murals heeft gemaakt. Die zijn vaak uitgegroeid tot een hele beweging. Bij Studio Number One doe ik veel grafisch design voor lokale initiatieven. Dat betekent dat ik vaak in LA mijn posters, banners en murals zie. Op een gegeven moment ben jijzelf de maker van de cultuur in LA. Dat is een verantwoordelijkheid die je draagt. Dat moet je met respect doen voor de mensen die hier vandaan komen, de LA natives.

Wat is de grootste aanpassing die je hebt moeten doen toen je in LA kwam wonen?
Ik moest wennen aan de manier waarop mensen hier autorijden. Ze rijden als gekken en dan heb je ook nog eens die achtbaans snelwegen in de stad. Maar als je van de stad houdt, wil je in elke buurt zijn en dan moet je veel autorijden. De stad is een grit en via het wegennet kan ik overal snel zijn. Het maakt niet uit hoe ver een locatie ligt. De snelwegen zijn zo gebouwd dat je er gewoon opeens bent. Los Angeles is een hele toegankelijke stad, zolang je een auto hebt. En zolang je buiten de spits rijdt (lacht).

DJ Coco Maria

DJ Coco Maria is geboren en getogen in Mexico, maar ze woont en werkt in Amsterdam. Vanuit de Nederlandse hoofdstad doet ze de uitzendingen van haar radioshow: Breakfast Club Coco. Haar radioshow trekt wereldwijd luisteraars. Anke Verbeek interviewde deze sprankelende DJ en zij sprak met Coco Maria over live radio, festivals en bubbels.

Door Anke Verbeek

Je hebt je eigen radioshow op World Wide FM en je doet DJ gigs op internationale festivals. Welke muziek draai je in de radioshow en op festivals?
Ik draai veel Latin, South American, Soul en Jazz. Soms wijk ik af van dit muzikale pad en draai ik bijvoorbeeld Franse of Japanse muziek. Dan mix ik verschillende muzikale stijlen. Zolang je er maar op kunt dansen en het zomers aanvoelt. Ik vind het geweldig als mensen de muziek die ik draai leuk vinden. De muziek raakt dan niet alleen mij, dat vind ik prachtig. Wanneer ik draai tijdens de show of op een festival, zie ik een denkbeeldige bubbel. Iedereen die geïnteresseerd is in mijn muziek betreedt mijn bubbel om samen de muzikale vibe te voelen en te beleven. Dat vind ik fantastisch.

Er luisteren wereldwijd mensen naar Breakfast Club Coco. Hoe kunnen de luisteraars de vibe van deze wereldwijde bubbel met jou delen?
De show heeft een chat en tijdens de uitzending sturen luisteraars chats naar de show. De show is altijd live en de luisteraars reageren live op wat ik doe in de uitzending. Soms draai ik een verzoeknummer als het beter in de uitzending past dan het nummer dat ik in gedachte had. Breakfast Club Coco is een ochtendprogramma dus ik begin de uitzending met rustige, zonnige muziek en ik eindig altijd met vrolijke, energieke nummers.

Je bent geen doorsnee DJ die hits draait. Je draait vaak muziek waar ik nog nooit van heb gehoord. Waar vind je die muziek?
Zoeken naar muziek hoort bij de job. Vroeger draaide ik alleen vinyl en was vaak in platenzaken te vinden. Ik draaide wat ik daar allemaal vond. Maar tijdens de Covid lock-down waren de platenzaken gesloten en ben ik op internetsites als Bandcamp gaan zoeken. Verder krijg ik promo’s van artiesten en ruil ik muziek met bevriende DJs. Mijn vriend is ook DJ en samen hebben we veel platen. Maar niet idioot veel hoor want als ik platen niet meer leuk vind verkoop ik ze of geef ze weg aan vrienden. Als het op mijn collectie aankomt, gaat kwaliteit voor kwantiteit. Ik vind het een fijn idee dat ik alleen maar platen heb die ik leuk vind.

Wie inspireert jou?
Ik heb vrienden die me inspireren met hun authentieke kijk op muziek. Je kunt je makkelijk verliezen in zaken die niets met muziek te maken hebben zoals imago en veel netwerken. Deze mensen wijzen me erop dat het om de muziek gaat. Iemand als DJ Gilles Peterson vind ik inspirerend. Hij is oprichter van World Wide FM en organisator van festivals. Ik vind het heerlijk om op deze festivals te draaien. Verder ben ik op het moment helemaal weg van DJ Sheila B. Zij heeft een wekelijkse show op WFMU, een radiostation in New Jersey. Sheila is twee jaar geleden gestopt met social media en is begonnen met een nieuwsbrief vol interessante informatie en links. In haar uitzendingen draait ze Indie, Rock en Punk, gemaakt door vrouwen of uitgevoerd door vrouwen. Sheila’s radioshow draait niet om haar maar om de muziek. Daar hou ik van.

Is draaien voor Breakfast Club Coco anders dan draaien op festivals?
De druk om mensen aan het dansen te krijgen, is er niet tijdens de radio-uitzendingen. Er is ruimte om een nummer te introduceren en ik kan in de radioshow meer verschillende muzikale paden bewandelen dan op een festival. Dat maakt het persoonlijker.

Je draait op heel veel festivals. Wat zijn volgens jou dé ingrediënten voor een geslaagde party?
De basiszaken moeten op orde zijn: de belichting, het geluid, de ruimte en het aantal mensen in die ruimte. Als er te weinig mensen zijn op een feest wordt het lastig, maar te veel mensen is ook niet goed. De beste parties zijn de feestjes waar mensen helemaal opgaan in de muziek. Ze dansen en gaan er helemaal voor. Ze zijn vol verwachting van wat er gaat komen. Ik raak ze met mijn muziek, zij antwoorden met dansen, juichen en klappen. Op een geslaagd feestje valt het me altijd op dat mensen zich geleidelijk steeds minder op mij richten. Ik vind het niet leuk om te draaien achter een draaitafel die op een podium staat. Mensen focussen zich op hun eigen ding als ik op gelijke hoogte sta als de menigte. De beste draaitafel staat op Wakana Reunion, dat is een festival in Spanje. Het festival is in een bos en de draaitafel staat op de grond, in een soort driehoek, helemaal omgeven door mensen. De interactie met de mensen is prachtig.

Wat is volgens jou het verschil tussen lokale FM radio en World Wide FM?
De meeste FM-stations gaan niet zo diep. World Wide FM gaat diep met hun muziek en het heeft een fijne community. De DJs zijn serieuze muziekverzamelaars, ze kennen hun vak en ze zijn afkomstig uit de hele wereld. World Wide FM is geen commercieel radiostation dus we zijn vrij om te draaien wat we willen. Muziekfanaten vinden altijd iets nieuws op dit radiostation.

Zijn jouw radio-uitzendingen altijd live? Of is het press & play?
De uitzendingen zijn altijd live. Als ik de show niet kan doen vervangt iemand mij, dus het is altijd live. Maar ik maak wel vooraf een selectie en aantekeningen als ik iets specifieks wil vertellen over een plaat. Ik heb wel eens een uitzending gedaan zonder me voor te bereiden. Wat een chaos. Ik kon de platen niet vinden en was alleen maar bezig met zoeken in plaats van relaxen en go-with-the-flow.

Je vindt het volgens mij fijn als de uitzendingen live zijn. Waarom?
Bij een live uitzending voel ik me echt een gastvrouw. Ik verwelkom de luisteraars, lees hun chats die ik meteen in de uitzending beantwoord. Ik merk aan de chats dat mensen naar de show luisteren omdat het live is. Niet alleen vanwege de muziek, maar ook voor de interactie, de warmte en het gevoel bijeen te komen en deel uit te maken van een gemeenschap. Tijdens de Covid lock-down, werd dat meer dan ooit gewaardeerd. Luisteraars willen graag dat de uitzendingen live zijn, ze willen interactie.

Foto: © Coco Maria

Wetenschapper der technologische bezieling

Dat een designer nadenkt over de vorm en functie van een ontwerp, daar kijkt niemand van op. Dat een filosoof de tijd doodt met nadenken over de ziel, verrast ook niemand. Maar een designer die de bezieling van objecten onderzoekt, dat is toch wel bijzonder. De Duitse ontwerper en wetenschapper Judith Dörrenbächer ging de uitdaging aan. Zij onderzoekt of objecten, dingen en technische systemen een ziel hebben.

“Van origine ben ik ontwerper”, vertelt ze POM Magazine. “Ik heb de meest uiteenlopende dingen gedaan, van grafisch ontwerp tot het vormgeven van tentoonstellingen. Ik heb gestudeerd aan de Köln International School of Design, waar ze het belangrijk vinden dat theorie en praktijk nauw verweven zijn. Tijdens mijn studie raakte ik gefascineerd door de theoretische aspecten van design. Ik besloot me bezig te houden met esthetische technieken waarmee je de realiteit kunt ontleden en samenstellen. Op dit moment ben ik druk bezig te promoveren op het onderwerp ‘technologische bezieling’.”

In 2015 organiseerde Dörrenbächer voor de Hochschule Niederrhein een conferentie in Krefeld, met als onderwerp: de bezieling der dingen. De resultaten en conclusies van deze conferentie publiceerde Dörrenbächer in het boek ‘Beseelte Dinge’. Momenteel werkt Dörrenbächer aan de Universiteit Siegen waar zij onderzoek doet naar de interactie tussen hersens en computer, voor een gehoorapparaat dat bestuurd kan worden door hersengolven. “Door de innovatieve technologie die gebruikt wordt in het gehoorapparaat ontstaat een nieuwe kijk op de relatie tussen passief object en actief subject. Dit past perfect in, wat binnen sommige animistisch theorieën, ‘magisch denken’ wordt genoemd”, legt ze uit. In het artikel Bezield of niet? praat Judith Dörrenbächer met POM Magazine’s Bert van der Zee, en vertelt zij over technologische bezieling, magisch denken en het vervagen van de grens tussen mens en object.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Maxi Uellendahl

Philip Rozema, de dichter

Ieder jaar benoemt de Rijksuniversiteit Groningen een dichtende student tot huisdichter. De zestiende huisdichter is Philip Rozema. In 2015/2016 raakte het publiek bekend met zijn gedichten via zijn bundel te ruime ruimte en via diverse audio- en video opnamen. Rozema (1993) is een dichter die graag optreedt op festivals. In mei 2016 sloot hij zijn huisdichterschap af met zijn eigen theatervoorstelling, Plusminus, een mix van woord, beeld, en soundscapes die hij met zijn stem maakt; een persoonlijk verhaal over de zin en onzin van zoeken naar geluk.

Op de middelbare school wist Rozema al dat hij universiteitsdichter wilde worden. Pas nadat hij zich drie keer had opgegeven, werd hij door de jury gekozen. “Als huisdichter werd ik gevraagd voor allerlei projecten en dan gaat de boel rollen”, vertelt Philip. Hij houdt niet alleen van het schrijfproces, maar ook van het voordragen van zijn gedichten. Nou ja voordragen, het is meer een performance, creatief bezig zijn, zonder gebonden te zijn aan papier. Zo probeert hij het enthousiasme bij zichzelf en het publiek vast te houden. “Ik vind het heerlijk om op te treden. Hoewel ik soms wat rustiger aan moet doen hoor, want als ik te veel moet optreden, sneeuwt het onder,” vertelt hij. “Een optreden geeft vaak een kick. Alle ogen zijn op jou gericht en je hebt zelf alles onder controle. In de poëzie kan ik echt mezelf zijn, het is een uitlaatklep. Op het podium komt het tot zijn recht.”

Als klein kind schijnt hij gezegd te hebben: ik rijm nog eens wat. Een familieanekdote die nu fier op de achterflap van zijn bundel te ruime ruimte prijkt. Zelf weet hij het niet meer, maar wel dat hij taal en taalgrapjes leuk vond. Op de basisschool kwam het los. “In groep zes en zeven had ik een leraar die ons liet dichten”, vertelt hij. “Ik schreef eerst poëzie en ben later pas gaan lezen. Misschien wel beter ook, zo zonder kaders.” De nominatie voor de Gouden Lijst, een landelijke prijs voor kind- en jeugdliteratuur, is voor Rozema een omslagpunt. “Daar is heel veel uit voortgekomen”, legt hij uit. “Ik was 16 jaar oud en heb toen de dichter en schrijver, Hans Hagen, mijn gedichten gemaild. Hij gaf het advies om contact op te nemen met de dichter, Ted van Lieshout. Ik heb toen Ted van Lieshout mijn werk gemaild en hij nomineerde me voor de Gouden Lijst.”

Toen ik Philip vroeg wat hem inspireert, antwoordde hij: “De taal zelf, denk ik. Een gedicht hoeft niet ingewikkeld te zijn maar het moet heel helder, minimalistisch zijn, iets op een andere manier laten zien”, legt hij uit. “Als ik een gedicht schrijf, probeer ik de kern te pakken. Het gedicht ons wi-fi uit de bundel te ruime ruimte is een maatschappij-ironisch gedicht. In dat gedicht heb ik mijn mening achter gehouden. Het is een observatie”, vertelt Philip. “Een gedicht hoeft niet altijd per se maatschappijkritisch te zijn”, legt hij uit. “Ontsnappen kan ook, en stilstaan. Het morele achterwege laten en geen oordeel vellen, kan mensen stil laten staan.” In, er is een weg, geeft Rozema een hoopgevend beeld. “Als je een weg maakt, is er vaak ook een weg terug”, legt hij uit. “Als je vastloopt, kun je terug. Het gaat altijd ergens heen als je niet stilstaat. Ik zoek niet zozeer naar licht in de zin van makkelijk, maar in de zin van kernachtig. Iets plaatsen, daarop doorassociëren en dan weer terug naar de originele plaatsing.” In zijn gedicht stop op contact legt hij een dag vast waarin je het gevoel hebt dat je het druk hebt, terwijl dat best wel meevalt. Het gevoel dat je nooit alles afkrijgt, altijd wel iets te doen is of op je ligt te wachten, een bericht bijvoorbeeld. Maar social media is voor Rozema niet per se een last. “Het is heel makkelijk om even naar een Facebook post te gaan, op zoek naar de beloning dat iemand iets gepost heeft”, vertelt hij. “Je hebt voortdurend het gevoel van: wat mis ik? Natuurlijk heb je de keuze, maar eigenlijk ook niet. De bewegingen die we bewust of onbewust maken fascineren me.”

Interview: Anne van der Heiden
Fotografie: Joyce ter Weele

Steef Crombach- a Dutch woman in Austin

Drie jaar geleden ging de Nederlandse beeldend kunstenaar Steef Crombach naar Austin, vlak nadat zij in 2014 de Stroom aanmoedigingsprijs had gewonnen. Ze besloot die te gebruiken om op onderzoek te gaan in Texas naar het typische Amerika.

Steef Crombach (Maastricht, 1992) stelt alledaagse thema’s en banale objecten centraal in haar werk. Amerika, het land van de ultra consumptie, sluit daarop naadloos aan. Ze kwam terecht in Austin, een stad waar mensen veel interesse hebben in kunst en graag een kunstwerk in hun huis hebben van de kunstenaar die ze net persoonlijk hebben gesproken.

Steef heeft een verftechniek uitgevonden waarmee ze dubbelzijdige doeken maakt. Hierdoor kunnen de schilderijen gebruikt worden als space dividers en kunnen ze als installaties gepresenteerd worden. De scheidslijn tussen fine art en crafts, en de vast omlijnde ideeën hierover zijn voor haar een inspiratiebron voor het materiaalgebruik.

In haar werken onderzoekt Steef Crombach de patronen en objecten die onze dagelijkse omgeving vormgeven en die misschien wel deel zullen zijn van ons collectief geheugen, wanneer we later op deze tijd terugkijken. Klaartje Til sprak met Steef over de stad Austin, een liberale oase in het conservatieve Texas. In het artikel, Austin- een vreemde eend in de Texaanse bijt? kun je lezen waarom deze stad zo bijzonder is.

www.steefc.com

Dimensie drift van Eva Kreuger

Een foto is voor beeldend kunstenaar Eva Kreuger het startpunt van een onderzoek naar dimensies. Zelfs een fysieke ruimte wordt door Eva stevig aangepakt en platgeslagen tot iets tweedimensionaals, voordat het ergens weer als een ruimtelijk object staat te schitteren. In een interview met Anke Verbeek vertelt Eva over haar werk, inspiratiebronnen en haar bijzondere creatieproces.

door Anke Verbeek

Je studio speelt een belangrijke rol in je werk. Wat is jouw relatie met je studio?
Een paar studio’s geleden huurde ik antikraak een atelier in een flatgebouw dat omringd was met kantoorpanden die op dat moment werden afgebroken. Er gebeurde veel in die omgeving. Aan de overkant van dat pand ging bijna dagelijks een kantoorgebouw plat. Hierdoor zag de omgeving er elke dag weer anders uit. Ik begon te werken met de ruimte zelf en met het 20 verdiepingen hoge kantoorpand dat halfleeg stond. Na dat gekke kantoorpand ben ik steeds weer verhuisd naar andere studio’s, op andere locaties. Daar begon ik ook weer te werken met alles wat elke nieuwe ruimte te bieden had.

Je werkt vanuit een archief. Hoe komt zo’n archief tot stand?
Ik verzamel vooral analoog materiaal dat ik op Marktplaats vind of in kringloopwinkels. Daar koop ik dan een doos met dia’s of analoge printjes waarmee ik aan de slag ga. Ik bewerk en kopieer ze met oude printers en oude kopieermachines. Ik zoek beelden die me aanspreken en daarmee voed ik het archief.

Wanneer spreekt een beeld jou aan?
Ik ga vooral op zoek naar beelden die niet een duidelijk onderwerp hebben zodat er veel ruimte is voor interpretatie. De laatste tijd staan er nooit meer mensen of gebouwen op, dat was in het begin wel zo. Het gaat nu meer om de materialiteit van de foto zelf. Ik zoek steeds vaker afbeeldingen van natuur en van structuren. Die afbeeldingen scan ik in en zoom daarna in op de pixels, op de print en op het grit van de print. De afbeelding zelf begint steeds minder belangrijk te worden en het materiaal van de foto zelf des te meer.

Vind je daarom analoge fotografie interessant, omdat het een andere materialiteit heeft?
Klopt en daarbij is online zoeken lastig. Om te zoeken in online databases moet je altijd een trefwoord invoeren. Ik vind het juist fijn om te zoeken in zo’n doos met zomaar wat spullen van iemand die je niet kent. Er kan echt van alles inzitten, het is elke keer een verrassing. Ik heb nu een grote doos gevonden vol dia’s die in kleine doosjes zitten. Af en toe pak ik gewoon zo’n doosje en dan scan ik een paar afbeeldingen in. Dat proces van verwondering vind ik heel belangrijk: het openmaken van een doosje en daarin beelden ontdekken. Die verwondering heb ik tot nu toe niet ervaren wanneer ik zoek naar een digitaal beeld of wanneer ik zoek in online archieven.

Je bewerkt en kopieert beelden, wat is zo bijzonder aan een kopie?
Een kopie zou in principe een waardeloos beeld moeten zijn, want het is niet het origineel. Maar als je printer een beetje kapot is of je kopieert hetzelfde beeld heel vaak, dan zitten er altijd foutjes in of kleurverschillen waardoor zo’n kopie op zichzelf weer een origineel wordt. Die relatie tussen het origineel en de kopie vind ik fascinerend. Daarbij brengt kopiëren je weer terug naar de materialiteit van fotografie. Door een hele stapel kopieën te maken van hetzelfde beeld krijg je weer een heleboel fysiek materiaal waarmee je kunt gaan werken.

Gaat het voor jou om wat er op de foto staat? Of gaat het eerder om het experimenteren met kopiëren?
Wanneer ik nieuw beeldmateriaal zoek voor een installatie let ik op structuur en kleur. Maar tijdens exposities zet ik vaak een printer in de expositieruimte. Ik fotografeer dan de installatie die daar geëxposeerd wordt of ik fotografeer de expositieruimte. Daarna ga ik ter plekke met die printer aan de slag en bewerk ik de afbeelding op de foto’s die ik net gemaakt heb. Op dat moment gaat het juist wèl weer om wat erop de foto staat, omdat het specifiek te maken heeft met die locatie.

Je maakt installaties waarin je kopieën van fotoafbeeldingen verwerkt tot een ruimtelijke werk. Waarom maak je installaties?
Ik werk nog steeds veel op mijn laptop en ik miste op een gegeven moment de ruimtelijkheid. Toen ben ik me gaan verdiepen in installaties. Het is fijn als er wat gebeurt in de ruimte en een driedimensionaal object stimuleert je om er omheen te lopen. Het object gaat op die manier een relatie aan met de toeschouwer.

Hoe transformeer jij een platte foto tot een ruimtelijk werk?
Ik begin altijd met het beeld, met de platte foto, daarmee ga ik aan de slag: bewerken, kopiëren, printen, uitknippen of nog een keer inzoomen. Dat levert weer materiaal op waarmee ik iets kan bouwen. Dat fotografeer ik dan weer. Het is een creatieproces dat heen en weer gaat tussen twee- en driedimensionaal werk. Het uiteindelijk resultaat, de laatste vorm, kan tweedimensionaal of driedimensionaal uitpakken. Zelfs een ruimtelijk object blijkt soms beter te werken als afbeelding op een foto. Dan exposeer ik de foto van de installatie, in plaats van de installatie zelf.

Is een werk voor jou dan ooit af?
Niet echt denk ik (lacht). Ik ben nu al sinds 2020 met het studioproject bezig. Dat blijft steeds nieuwe vormen aannemen. Dus ik kan redelijk lang met dezelfde werken doorgaan.

Waarom blijft het studioproject jou zo lang boeien?
Het atelier is er natuurlijk altijd en ik kan elke keer weer een nieuw aspect van de atelierruimte uitlichten. Werken met de ruimte zelf, is een belangrijk onderdeel van het creatieproces. Als ik ergens exposeer, gebruik ik ook de expositieruimte als onderdeel van het werk zelf. Iedere keer als ik de kans krijg om ergens te exposeren, neem ik iets mee van wat ik daar heb gezien of gedaan. De expositieruimte is dus niet de laatste stap in het hele proces, maar vaak ook de eerste stap voor een nieuw werk. Dat gebeurt allemaal op het moment dat ik mijn werk in een (andere) ruimte neerzet.

Welke thema’s vind je belangrijk voor jouw werk?
Het gaat om de relatie tussen de studio en de expositieruimte, de toeschouwer en het werk, het creatieproces en het tentoonstellen, de fotografie en het materiaal. Een ander thema is de samenwerking tijdens het creatieproces. Voor een expositie in Finland hing een tekst in de expositieruimte over stenen. Een aantal mensen die naar de opening kwamen hebben spontaan kleine steentjes meegenomen en in de expositie gelegd. Dat vond ik supertof. Ik ga misschien onderzoeken of je een installatie zo kan vormgeven dat mensen uit zichzelf iets gaan toevoegen aan een werk.

Welke experimenten ga je binnenkort uitvoeren?
Vanaf eind oktober 2023 is er een tentoonstelling in Haarlem, in het gebouw Nieuwe Vide waar ik mijn atelier heb. Daar is een expositieruimte op de begane grond en mijn atelier is op één van de verdiepingen. Het is een perfecte gelegenheid om dingen uit te proberen met de relatie: atelier-expositie. Verder ben ik in een grafisch atelier aan het experimenteren met een risoprinter, wat voor mij een nieuwe manier van werken is. En dan ben ik even niet in mijn atelier, maar in een andere ruimte die wellicht nieuwe mogelijkheden biedt.

Haarverf!

Ik ben zo’n tien jaar terug gestopt met het verven van mijn haar, en ik heb er nooit spijt van gehad. Nou moet je allemaal natuurlijk helemaal zelf weten of je je haar verft of niet. Mijn missie is niet om ieder mens er als een grijze dakduif bij te laten lopen. Ik hoop wel dat wanneer iemand naar de verfkwast grijpt, ze dat doen omdat ze dat zelf mooi vinden, en niet door onzekerheid of druk van buitenaf.

Misschien was bij mij de lol er ook wel af omdat ik alles al eens geprobeerd had. Tussen mijn 15e en 18e heeft mijn haar iedere haarkleur gehad die je kan bedenken. Groen, roze, paars, blauw, geel, rood, zwart, wit… Alles ertussen ook. Zelfs een dag of twee grijs, al gebiedt eerlijkheid te zeggen dat het eigenlijk een mislukte blondeeractie betrof: mijn vaste haarverfadres was gesloten op zondag.

Menig gezin waarbij ik als nieuw aangestelde oppas voor de deur stond schrok zich een hoedje. Ik kwam meestal via mijn moeder aan die adresjes. Tegenwoordig is een tiener met knalroze haar prima gangbaar. Maar toen ik rond 2003 op de stoepen van die nietsvermoedende gezinnen verscheen sloeg de schrik menig ouder om het hart, al had dat mogelijk ook met mijn gothicjurken, skatebroeken en kortgeknipte rockbandshirts te maken. Gelukkig bleek al snel dat mijn alternatieve uiterlijk niet betekende dat ik een slechte babysitter was. Ik had dan uiteindelijk ook veel vaste oppasadresjes, en kon me liters en liters haarverf permitteren. Mijn haarstatement toen was hetzelfde als mijn haarstatement nu: ik kies zelf wel hoe ik eruitzie, en dat heeft niets te maken met wat ik kan. Goed, destijds wilde ik vooral laten zien hoe ‘anders’ ik was, een vrije geest – de zoveelste idealistische puber dus. Nu gaat het mij erom dat de waarde van een mens niet afhangt van leeftijd of in hoeverre je voldoet aan suffe schoonheidsidealen. En toch, ik kan er niets aan doen, vind ik het ergens wel fijn als zo’n kassière (m/v/x) mij om mijn identiteitsbewijs vraagt bij het kopen van een fles wijn. Het is niet erg om oud te zijn, maar ik stel het toch liever nog even uit. Het leven vliegt al voorbij. Ja, ik ben ouder dan 18.

Nee, dan omgekeerd. Het meest extreme dat mij in die zin overkwam gebeurde zo’n 15 jaar geleden, ik zal rond de 20 geweest zijn. Mijn haren waren niet meer zwart, ik was sinds ik in de drogisterij werkte langzaam overgegaan naar kleuren als donkerbruin en mahonierood – tinten die we zelf verkochten mocht je als medewerker ook in je haar. Ik was op weg naar een festival en zat met mijn backpack en tent in een Belgische trein. Ik had een ticket met jongerenkorting, destijds mocht je maar liefst tot je 27e op zo’n kaartje reizen. Toen de conducteur langskwam en ik mijn kaartje overhandigde begon hij te mopperen: “Nou mevrouwtje, dacht u nou écht dat ik dáár in zou trappen?” Toen ik vroeg wat hij bedoelde legde hij uit dat hij niet kon tolereren dat een dame van in de veertig op een jongerenkaart reisde. Terwijl ik mijn paspoort uit mijn zak peuterde om mijn leeftijd en zijn ongelijk te bewijzen probeerde ik te bedenken wat er aan de hand kon zijn: ik had geen kater, was niet net ziek geweest, had bij mijn weten geen rimpels… Ik stond voor een raadsel. De conducteur concludeerde ondertussen dat hij ernaast zat, knipte mijn kaartje en liep zonder blikken of blozen door naar de volgende coupé. Toen ik mijn medereizigers had verteld hoe oud ik was zeiden ze allemaal troostend dat ze niet anders gedacht hadden. Inmiddels ben ik, als ik eraan terugdenk, vooral boos dat zo’n kaartenknipper gelijk van het slechtste uitgaat – dat ik een leugenachtige fraudeur ben, een half-zwartrijder. Maar destijds was ik toch vooral op mijn ziel getrapt dat ik er twee keer zo oud uit scheen te zien als ik was. En toen heb ik dus nog vijf jaar lang lopen tobben met pakjes chocoladebruin, asblond en henna-rood. Ik ben blij dat ik ervan af ben.

Dutch Fashion Design- Moofers Clothing

Kwaliteit en vakmanschap staan centraal bij alles wat de Nederlandse modeontwerper Jennifer van Haastert ontwerpt voor haar label Moofers Clothing. Haar ontwerpen zijn eigentijds en altijd met een kleine twist. Op de begane grond van een prachtig 19de eeuws pand aan de Haagse Toussaintkade, kun je haar collectie vinden in Moofers Fashion & Art Salon. Anke Verbeek ging voor POM Magazine rondkijken en maakte kennis met de vriendelijke Jennifer. Het resulteerde in een prachtig gesprek.

door Anke Verbeek

Je bent in 2017 begonnen met jouw label Moofers Clothing. Had je al vanaf het begin voor ogen wat het concept van Moofers moest worden?
Nee, in het begin wilde ik vooral creëren. Mijn gevoel over mode vertaalde zich geleidelijk in een concrete visie. Moofers staat voor duurzaamheid. Onze kleding wil je lang doordragen omdat het ontwerp uniek is, het goed gemaakt is en omdat de materialen zo mooi zijn. Ik vind het leuk dat er bij Moofers tijd en ruimte is om het verhaal achter mijn ontwerpen mee te geven aan klanten.

Welke rol speelt duurzaamheid in de Moofers collectie?
Voordat een collectie uiteindelijk in een winkel hangt, moeten er heel veel stappen gezet worden. Iedere stap ademt vakmanschap. Ik vind het daarom zo gek dat mode vluchtig is. Dat hoeft ook helemaal niet. Je kunt jaren genieten van een mooi ontwerp, zolang het goed gemaakt is van een kwalitatief goede stof. Met elke collectie proberen we nog duurzamer te worden.

Hoe zou je de stijl van Moofers Clothing omschrijven?
Eigentijds met een edge, clean met de nadruk op kwaliteit en oog voor detail. Het is een vrouwelijke, stoere look. De kleding is heel praktisch en je kunt het elke dag dragen. Vooral niet in de kast laten hangen en heel veel dragen. Dat is waarvoor ik het ontwerp.

Hoe maak je jouw collecties?
Ik werk steeds minder met seizoenen in mijn collecties. Ik laat ontwerpen zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. Aan de nieuwe ontwerpen voeg ik een aantal bestaande ontwerpen toe. Dat wordt dan mijn capsule collectie. Op Moofers Instagram staat bijvoorbeeld een foto waarop het model een leren rok draagt, een ontwerp van twee jaar geleden. Op de foto combineer ik die rok met een recent ontwerp knitwear. Mensen die deze rok destijds hebben gekocht breng ik zo op het idee om die weer eens uit de kast te halen. Ik laat zien dat die trui goed past bij die prachtige rok die ze al een tijdje hebben.

Wat is de doelgroep van Moofers?
De doelgroep waarvoor ik ontwerp zit in de leeftijdsgroep vanaf 30 jaar. Maar mijn klanten zijn vrouwen van 17 tot 80 jaar. In het begin had ik veel internationale klanten. Mensen die hier net wonen of hier op vakantie zijn, kijken veel meer om zich heen en ontdekken zo winkels die net geopend zijn. Inmiddels hebben mensen uit Den Haag en de rest van Nederland, Moofers ontdekt.

Betrek je jouw doelgroep in het ontwerpproces?
Ik vind het fijn als mensen de tijd nemen om alles te passen. Dan kan ik goed zien hoe de pasvorm is en welke ontwerpen het beste bij een klant passen. De reacties van klanten inspireren mij weer. Laatst was er een klant die heel graag iets met een krijtstreeppatroon wilde hebben. Dat bracht me meteen op het idee om iets te gaan ontwerpen in krijtstreep. Maar dan wil ik wel de perfecte krijtstreep flanel hebben, want als ik niet de goede stof vind, gaat het niet door.

Wat maakt dat een stof bijvoorbeeld de perfecte krijtstreep is?
Het verhaal achter het product maakt het verschil. Ik heb van een Britse stoffenproducent stofstalen ontvangen en daar straalt het vakmanschap van af. Het zijn stoffen die al decennialang in de UK gemaakt worden. Ik heb een enorme fascinatie voor stoffen, daar begint voor mij vaak de inspiratie.

Moofers is mode, maar ook een salon. Welke rol speelt kunst in Moofers Fashion & Art Salon?
Ik vind het belangrijk dat verschillende disciplines elkaar versterken. Achter een schilderij of sieraad zit een persoon die dat met passie en visie heeft gecreëerd. Net als bij mode komt er heel veel vakmanschap bij kijken. Ik heb een locatie gezocht en gevonden waar ik de ruimte heb om alles bij elkaar te brengen. In deze mooie salon versterken mode en kunst elkaar.

Hoe heb je, zeg maar, al die stemmen laten spreken in één ruimte?
Het pand waarin Moofers zit is een rijksmonument. Dat betekent dat we de kleuren en de versieringen in het huis niet mogen veranderen. Het zijn geen kleuren die zich makkelijk laten combineren. We zijn op zoek gegaan naar gordijnen en meubels die bij die kleuren passen en bij de sfeer van de ruimte. We hebben hier sieraden van Moniek Postma en die zijn groot en uitbundig. De schilderijen van Moos Willemsen zijn rustiger. Die combinatie werkt goed. In mijn kleding zit ook die spanning, het moet zeker niet saai worden.

Wat maakt dat Moofers een salon is in plaats van een winkel?
Natuurlijk is Moofers nog steeds een winkel, maar het woord salon vonden we goed passen bij het pand en wat wij met Moofers willen neerzetten. De salon legt de nadruk op onthaasten en de tijd nemen om dingen in je op te nemen. We hopen je te inspireren met de mode en kunst die we hier presenteren.

 

 

 

Kun je een tipje van de sluier lichten over de volgende collectie?
Voor de aankomende collectie gebruiken we vooral krijtstreep flanel uit Engeland en stoffen geweven in Nederland door Enschede Textielstad. Er komen stoere jassen van recycled denim en high-waist jeans van organic cotton. In krijtstreep komen er colberts die je kunt combineren met een straight leg trouser. Verder krijtstreep baggy shorts die je met hakken kunt dragen, maar ook casual met boots. De knitwear is van biologisch katoen of alpaca. De tanktops en de T-shirts zijn uitstekend te combineren met de high-waist jeans en krijtstreep ontwerpen. In de salon willen we kleine events organiseren voor nog meer beleving. Dan moet je denken aan kleine concerten, collectielanceringen, lezingen en workshops. Dus een kalender vol creatie en vakmanschap. Dat gun ik iedereen. www.moofersclothing.nl

Fotografie: Merel Oenema
Mode fotografie: Annick Meijer