Bezield of niet?

Wij leven in een wereld waarin we meer en meer versmelten met de dingen om ons heen. En daarom wordt de vraag naar methodes om de ziel van objecten te bepalen, steeds groter. Waarom? Misschien om onze onafhankelijkheid te bewaken als mens, of misschien om empathie te tonen voor de spullen die we ontwerpen, produceren en gebruiken. Ontwerper en onderzoeker Judith Dörrenbächer beschrijft in haar boek, “Beseelte Dinge-Design aus Perspektive der Animismus”, een zoektocht naar manieren om de ziel van een object te definiëren, zodat we de grensvervaging tussen mens en ding beter kunnen herkennen. Bert van der Zee sprak met Judith Dörrenbächer over de rol die is weggelegd voor ontwerpers als het gaat om grensbewaking.

Vanwaar die interesse voor techno-animisme?
Vandaag de dag nemen objecten veel beslissingen voor ons. Ze zijn verbonden met andere objecten, ze leren, ze voelen – ze hebben eigenschappen die voorheen alleen mensen hadden. Aan de andere kant verliezen objecten weerstand doordat tastbare grenzen simpelweg oplossen. Het is niet meer zo duidelijk waar een object begint en onze barrière eindigt of andersom. Objecten passen zich aan ons gedrag aan, ze leren om aan onze wensen of aan de wensen van de bedrijven die ze ontwerpen, te voldoen. Bovendien beïnvloeden ze ons gedrag zonder dat we het doorhebben. Daar komt nog eens bij dat deze objecten onderling nauw verbonden zijn. Ze zijn onderdeel van iets groters, een soort ‘internet van dingen’. Ze vormen als het ware een nieuw ecosysteem. Iets leeft in die objecten, iets dat ze quasi-levend maakt.

Wat heeft animisme hiermee te maken?
We vinden in deze technologische ontwikkeling kenmerken terug waarvan wij, moderne mensen, altijd dachten dat alleen inheemse volkeren dat doen, zoals het praten tegen dingen. Maar tegenwoordig praat iedereen tegen dingen en zwaait iedereen naar dingen om een interactie met ze aan te gaan. Dit is gedrag waarvan moderne mensen zich ooit distantieerden door te zeggen: wij zijn rationeel, wij zijn volwassen, we geloven niet dat dingen een ziel hebben. Dus aan de ene kant vinden we onszelf heel modern, een high-tech maatschappij. Aan de andere kant gedragen we ons pre-modern. Dat contrast boeit me. De toekomst en het verleden versmelten. Tegelijkertijd besef ik dat het best wel lastig is voor mensen om eigenwaarde te ontwikkelen, omdat de grens tussen mens en technologie vervaagt. Wat ooit een tastbare tegenhanger was, is nu een ongrijpbaar object. Dit fenomeen doet me denken aan iets dat in animisme theorieën, ‘magisch denken’ genoemd wordt. Animisme, magie en betovering zijn met elkaar verweven.

Kunt u een voorbeeld geven van magisch denken?
Daarvoor verwijs ik graag naar de psycholoog Jean Piaget. In zijn beschrijving van de vroege ontwikkeling van het kind, stelt hij dat jonge kinderen niet in staat zijn om een onderscheid te maken tussen zichzelf en de buitenwereld. Wanneer kinderen hun ogen dicht doen denken ze dat de wereld verdwijnt. Of ze denken dat de maan hun volgt wanneer ze rondlopen. Jonge kinderen denken dat hun eigen gedachten en hun gedrag de buitenwereld beïnvloeden. Ze zijn zich in beperkte mate bewust van de scheidslijn tussen zichzelf en de wereld om zich heen. Jean Piaget noemde dit ‘magisch denken’. Hedendaagse technologie bekrachtigt dit verschijnsel op een nieuwe manier. Met slimme contactlenzen kun je in de toekomst de buitenwereld besturen door bijvoorbeeld een paar keer te knipperen met je ogen. En wanneer dit soort brein-computer interactie alledaagser wordt, zullen je boodschappen misschien wel aan huis afgeleverd worden, alleen maar door eraan te denken. Dit soort technologie werkt magisch denken in de hand. Maar hoe bewaken we onze eigenwaarde in een omgeving waarin technologie zich moeiteloos aan onze wensen aanpast? Misschien hebben we een nieuwe vorm van verzet nodig, weerstand. We moeten gaan nadenken over methodes waarmee we de grenzen tussen onszelf en de buitenwereld, tussen onszelf en de technologie die ons omgeeft, kunnen bewaken.

Grensbewaking met behulp van weerstand?
Ja, weerstand ontstaat bijvoorbeeld in een systeem dat opzettelijk met fouten ontworpen is. Wanneer gebruikelijke processen verstoord worden, zal een object zich meer als een tegenhanger uiten. Hetzelfde geldt voor een transparanter systeem dat laat zien wat er daadwerkelijk gebeurt tussen de gebruiker en het systeem. Transparantie laat zien dat de interactie niet magisch is. Vooropgezette fouten en transparantie vormen een weerstand die afstand creëert tussen gebruiker en technologie. Deze afstand is kennelijk nodig om kritisch en zelfbewust te blijven.

Dus weerstand kan integraal in een product ontworpen worden?
Weerstand kun je ook ervaren in experimenten met fysieke interactie tussen mens en object. Dit soort experimenten richt zich bijvoorbeeld op het imiteren van een object om er bewust empathie voor te krijgen. Hierdoor identificeer je een object als iets dat los staat van jou, want je kunt alleen empathie hebben voor iets dat anders is dan jijzelf. Het zou mooi zijn om deze bevindingen te verleggen naar de technologische wereld. Misschien helpt het ons om meer empathie te voelen voor de technologie om ons heen, en helpt het ons tegelijkertijd om gepaste afstand te bewaren.

Wat rest ons? Hoe ziet u dit voor u?
Wel, we hebben te doen met twee perspectieven: het technologisch optimistische en het technologisch pessimistische perspectief. Het pessimistische perspectief zegt: ‘we raken onze controle kwijt omdat objecten de macht krijgen over ons, we zijn geen subjecten meer, maar de objecten worden subjecten, help! De wereld op zijn kop, nu zijn wij passieve objecten!’ Het optimistische vertrekpunt gaat er vanuit dat technologie ons helpt om betere mensen te worden doordat we iets aan onszelf toevoegen. Ik ben niet geïnteresseerd in één van beide perspectieven [sic]. Ik vind dat we grenzen nodig hebben tussen mens en technologie om zelfbewustzijn in stand te houden. Maar in plaats van vasthouden aan het oude onderscheid tussen autonoom subject en het passieve object, denk ik dat we moeten onderhandelen over deze grenzen, zodat er nieuwe scheidslijnen ontstaan. Ik ben erg geïnteresseerd in experimentele en artistieke methoden die je helpen te onderhandelen tussen jezelf en het andere. Hierdoor blijf je bewust van jezelf en je eigenwaarde.

Waarom is het belangrijk dat mensen zich definiëren ten opzichte van objecten?
Het is belangrijk om autonoom te blijven denken en je terug te kunnen trekken uit je omgeving. Je kunt je alleen verantwoordelijk voelen wanneer je duidelijk voelt wie je bent en voelt dat je de mogelijkheid hebt om dingen te beïnvloeden. Dat maakt ons anders dan onze technologie. Wij maken ethische beslissingen, onze smartphone niet. Ik vind het interessant om te zien hoe we onze eigenwaarde en ons menselijke bewustzijn kunnen behouden, terwijl alles om ons heen zo quasi-menselijk is. Hoe bewaken we onze scheidslijnen? Hoe ontwerpen we nieuwe grenzen? We moeten toewerken naar een nieuw begrip van het mens-zijn, en naar een nieuw begrip van het object, want beide zijn aan het veranderen.

Tekst en interview: Bert van der Zee

Brussel: een stad met vele gezichten

Ik ben één keer in Brussel geweest. Nou ja gestrand, is een beter woord. Ik wilde het vliegtuig nemen vanuit Brussel Airport, maar door het heftige winterweer miste ik mijn vliegtuig. Toen moest ik noodgedwongen in Brussel overnachten en ben door de straten van Brussel gaan wandelen om de sfeer van de stad te proeven. Ik snap het meteen wanneer mensen zeggen dat Brussel heel rauw is. Toen ik daar door die brede straten wandelde voelde ik me op één of andere manier niet helemaal op mijn gemak, een beetje gekkig. Ik begreep niet waar dat nou aan lag. Maar na mijn interview met de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga, ben ik de stad beter gaan begrijpen. Jip woont sinds 3 jaar in Brussel, waar zij een filmopleiding volgt aan de Brusselse kunstacademie, Sint Lucas. In dit artikel legt ze uit hoe het nou zit met die rauwe kant van deze fascinerende Europese metropool.

door Klaartje Til

Jip, wat voor stad is Brussel voor jou?
Brussel is een bijéén geraapt zooitje. Het heeft 19 gemeenten en zo’n 180 nationaliteiten. Dat maakt Brussel de meest gemixte stad die ik ken. Ik voel me daar erg prettig bij. Het boeit en inspireert mij.

Wat bedoel je met gemixte stad?
Zoals iedere stad heeft Brussel zijn cirkels met mensen. Ik merk dat die cirkels in elkaar overlopen. Mensen kennen andere mensen uit andere cirkels. Iedereen staat open voor andere kringen. Verder zie ik dat in Brussel verschillende culturen niet gescheiden worden gehouden in aparte buurten. Er zijn zoveel verschillende nationaliteiten in Brussel dat ze wel met elkaar moeten samenleven. Je kunt het niet opsplitsen omdat het een stad is die van zichzelf al zo opgesplitst is. En België is ook al zo opgesplitst. Misschien voelen de mensen zich daarom eerder thuis in Brussel omdat het niet echt een stad is van één nationaliteit. Ook al is de stad opgesplitst, het werkt wel heel erg goed als geheel.

Wat bedoel je met opgesplitst?
Brussel is niet echt een eenheid, qua taal, qua verschillende gemeenten, qua splitsing tussen Vlaams en Waals. Er wordt Frans en Nederlands gesproken, naast de diverse talen die mensen vanuit hun eigen cultuur spreken. Die Frans- en Nederlands taligheid van België splitst de mensen natuurlijk maar de echte Brusselaars voelen zich geen Vlaming of Waal. Ze komen uit Brussel en dat gaat gepaard met een bepaalde trots. Zoals ik al zei is er niet echt verdeling van de wijken. Ook niet qua welgesteldheid. Arm en rijk woont door elkaar heen. En als ik één straat verder had gewoond dan had ik me moeten inschrijven in een andere gemeente. Ik woon nog net in Brussel zelf, maar iets verderop heb je Schaerbeek, Ixelles en Saint-Gilles. Dat zijn buitenwijken die aparte gemeenten zijn die bij groot Brussel horen en allemaal hun eigen centrum hebben. Die gemeenten hebben andere regels en tradities.

Die Frans-Nederlands tweetaligheid in België lag nooit zo lekker. Is dat in Brussel ook zo?
Met name een oudere generatie Walen verwacht dat iedereen in België Frans spreekt. De jongeren zijn vaak meertalig. De Vlamingen die ik ken in Brussel spreken vaak Frans. Maar mensen afkomstig uit Brussel zelf spreken allemaal Frans èn Nederlands. Zij mengen zich in zowel de Waalse kringen als de Vlaamse kringen van Brussel. Want in Brussel is een deel van de mensen Vlaams en een deel Waals. Daarnaast heb je de expats, die wonen op hun eigen Brusselse eilandje.

Bestaat er ook zo iets als een Brussels taal?
Jazeker, meerdere zelfs. Er is zoiets als Brussels Frans en dat is heel anders dan het Frans dat in Frankrijk gesproken wordt. Dan heb je nog de Brusselse straattaal, die heeft iets heel cools met veel Frans en veel swag. Het wordt veel gesproken door jongeren. Verder is er een heel ouderwets soort Brussels dat alleen door de Brusselaren wordt gesproken, maar nauwelijks meer te horen is in de stad. Het is echt een taal van vroeger en het heeft iets volks.

Als je door Brussel loopt wat straalt de stad met zijn gebouwen en publieke ruimtes uit?
Het eerste wat in me opkomt is: verlepte rijkdom. Er zijn veel mooie gebouwen, maar die zijn zo slecht onderhouden. Je ziet veel grijs en op een grijze dag is de stad extra grijs. Maar ook hierin is Brussel een stad vol variatie. Je merkt de mengelmoes ook qua gebouwen. In Brussel staan verschillende bouwstijlen pal naast elkaar. Er zijn veel prachtige Art Nouveau gebouwen te bewonderen in het centrum van Brussel. De kunstacademie St Lucas zit in een oud kasteel en in Molenbeek staat veel nieuwbouw. Wat ook opvalt als je door Brussel loopt, zijn de grote muurschilderingen van controversiële, seksueel getinte taferelen.

Je noemde ze al, de mensen die uit Brussel zelf komen, de Brusseleers. Wat typeert een Brusseleer?
Bier drinken en lekker naar cafeetjes gaan tot diep in de nacht. Alle cafés sluiten op een bepaald uur. Voor het oog lijken sommige cafés gesloten omdat bijvoorbeeld de gordijnen dicht zijn. Maar achter de dichte halve gordijntjes zijn ze gewoon open tot in de kleine uurtjes. Je moet lang op het raam kloppen en je hand omhoog steken boven die halve gordijntjes. Dan komen ze de deur opendoen en kun je naar binnen. Daar vind je de Brusseleer nog om 7 uur in de ochtend, rokend, kletsend en drinkend.

En vind je er ook cafés vol met muurschilders?
Ik denk dat de kunstenaarsscene wel groot is, maar je merkt niet dat die aanwezig is. Er is een techno scene in Brussel maar die is underground. Sowieso is Brussel niet een stad waar de clubs het podium vormen voor dik feesten. De tofste feesten zijn vaak eenmalig georganiseerd of eens per jaar. Wat in Brussel heel groot is, is de hip-hop scene. Die rappen Brussels. De hip-hop jongeren zijn heel modieus: cool, urban hip-hop achtig met veel nineties invloeden en weinig onderscheid in stijl tussen jongens en meisjes. Ook dat hoort echt bij Brussel. Jong zijn en lekker op straat rondhangen, pintjes halen bij de nachtwinkel, geluidsboxjes op de achtergrond met hip-hop, Frans-Nederlands praten, tot heel laat in nacht wanneer iedereen dan altijd dronken is.

Heeft Brussel ook zijn eigen held, zoals Amsterdammers bijvoorbeeld hun André Hazes hebben?
Ja, Jacques Brel. Er staat een standbeeld van hem in de buurt van Manneke Pis. Zijn muziek voelt zoals Brussel voelt: stoffig, Frans, Bourgondisch, vol romantiek en grauw. Een mix van dat alles. Somber, verdrietig en romantisch.

Ik vind Brussel rauw overkomen, waar ligt dat aan denk je?
Het voelt rauw omdat het een samenhang is van verschillende culturen en talen. Er is wanorde en weinig structuur maar dat maakt het ook open-minded. Het feit dat alles samensmelt en tegelijkertijd heel erg verdeeld is. In dat contrast zit, denk ik, het rauwe.

Foto: CHAP 14 van Dourone voor Le Mur Brussels

Geur!

Een geur kan je in de maling nemen: je ruikt iets, maar komt er niet op wat het is. Zulke problemen hebben we zelden met onze ogen. Moet je je voorstellen dat iemand je een vergiet laat zien, en dat je dan zegt: “Oh, zo’n eh… is het een hoedje? Nee, een steelpan? Het komt wel uit de keuken, volgens mij… Puntje van m’n tong!” De neus werkt anders, geur is een wonderlijk iets.

door Zwaantje van Klaveren

Een geur kan een berg aan herinneringen opwekken: het zogenaamde ‘madeleinemoment’ van de Franse schrijver Marcel Proust. Ik had zelf zo’n ervaring jaren geleden, in een oude boerderij langs de snelweg tussen Rotterdam en Delft, tijdens een zoektocht naar meer werkruimte. De eerste keer dat ik er binnenkwam en de plavuizen rook, stond ik ineens in het voormalige woonhuis van mijn oom en tante. Ik kon me hun hele woning voor de geest halen: de hoekbank en de haard, de kapstok in de hal, van de schommel in de tuin tot de keramieken knoflookpot op het aanrecht. Logeerpartijtjes bij mijn nicht, discolampen knutselen op de zolderkamer van mijn neef, alles stond me binnen een seconde helder voor de geest. En dat allemaal dankzij de geur van een vloer! Een kwartiertje later betraden we overigens een kamer dat waarschijnlijk jarenlang een hondenkraamkamer was geweest, ondanks het hoogpolig tapijt. Heel andere herinneringen drongen zich op: mijn eerste kater, een benedenwindse fietstocht langs een slachthuis…

Er zijn geuren die je associeert met iets waar het in wezen niets mee te maken heeft. Bij het Rotterdamse metrostation Maashaven ruikt het altijd naar versgebakken roomboterspritsen, al ruik je technisch gezien waarschijnlijk het bakken van ontbijtgranen in de naastgelegen fabriek. En soms kun je je wel half herinneren hoe iets ruikt, wetende dat je het meteen zult herkennen áls je het ruikt, maar toch niet precies meer weten hoe die geur was tot ‘ie zich aandient. De geur van pubers, bijvoorbeeld.
Je denkt meteen aan een combinatie van vieze sokken, klotsende oksels, vergeten deodorant doch een overdaad aan aftershave. Als iemand zegt dat het ergens naar de kleedkamer van een gymzaal op een middelbare school rook, heb je er meteen een idee bij. Pukkels en feromonen. En toch weet je pas echt weer wat de geur van een bende pubers is als zo’n roedel riekende tieners ineens langs je loopt.
Ik was onlangs in het Stedelijk Museum Schiedam. Terwijl ik de verhalen, voorwerpen en kunstwerken in me opnam was de geur ineens daar. En, hoe toepasselijk, bij de tentoonstelling ‘Familie’- ik dacht even dat er een performance begon. Een hele klas geurende hormoonbommen stormde door de museumzalen. Na de gymles in de kleedkamer met je eerste sport-bh lopen klooien, stiekem sigaretten roken in je tussenuur, naar de buurtsuper voor chips en andere vette broodvervangers, eeuwige vriendschap en liefdesverdriet. Nog voor ik ze zag dacht ik het al: oh ja, zó ruikt de puberteit.

De volgende ochtend zwom ik mijn wekelijkse baantjes in het zwembad om de hoek. Ik denk dat het de geurencombinatie moet zijn geweest van opdrogend haar, zwembadwater en verwarmde sportruimte, maar wellicht zit het ‘m in iets anders. Hoe dan ook: na het zwemmen, tijdens het aankleden, ruikt het altijd naar roze koeken. In welk zwembad dan ook. Ik ben niet de enige die dat vindt: mijn zusje associeert de geur van ik-ben-net-wezen-zwemmen óók met roze koeken. Na de zwemles mochten we altijd iets uit de automaat kiezen, u raadt al waar de voorkeur meestal naar uitging.
Ik sloeg een handdoek om mijn schouders en pakte mijn tas uit mijn kluisje. Terwijl ik het borgmuntje opborg werd ik ineens omringd door een groep drijfnatte basisschoolkinderen. Ze dribbelden achter een meester op blauwe plastic overschoentjes aan. Ik kon geen kant op. Aan de overkant van de gang stond een mevrouw in badpak. Droog nog, zij wilde van de kleedhokjes veilig oversteken naar de kluisjes. Hoe groot zijn die schoolklassen tegenwoordig?
Terwijl de kinderen giebelend langsglibberden, wist ik mezelf ertussen te wringen en belandde naast de mevrouw. “Ik wacht nog even,” zei ze lachend, “tot het overstekend wild voorbij is”. Ik vroeg me af hoeveel jaar het zou duren voordat deze kinderen ineens naar ontwikkelende zweetklieren zouden ruiken. Ruiken zwemmende pubers eigenlijk wel naar roze koeken? De snoepautomaat bij de uitgang had geen roze koeken, wel spritsen. Mmm, smells like Maashaven!

Volgens Camilla Lonis is het sleutelwoord voor Los Angeles cultuur. Autocultuur, tatoeagecultuur, straatcultuur, muziekcultuur, geïmporteerde cultuur- die palmbomen maakten oorspronkelijk geen deel uit van het straatbeeld van Los Angeles. Camilla legt Klaartje Til uit wat Los Angeles zo bijzonder maakt.

door Klaartje Til

Bij Los Angeles zie ik voor me: glitter, glamour, Hollywood, showbizz en overal celebrities. Is dat ook echt zo?
Als je hier woont is het vrijwel onmogelijk om niet via-via in aanraking te komen met een beroemd persoon. De glitzy glamour Hollywood Hills lifestyle is zeker Los Angeles. Los Angeles heeft heel veel buurten en die verschillen allemaal van elkaar. Samen vormen ze Los Angeles. Echo Park en Silver Lake bijvoorbeeld zijn buurten waar je mensen op straat ziet lopen die volledig gekleed zijn in jaren 70 outfit. Dat is hun dagelijkse outfit. Rij je een stuk verder, dan kom je in een wijk vol Mexicaanse cultuur, daar eet men voornamelijk taco’s en overal zie je graffitikunst.

Wat merk je nog meer van de Mexicaanse invloeden in Los Angeles?
LA ligt dicht bij de Mexicaanse grens, je kunt zo naar Mexico, een prachtig land. Maar de grens met Mexico is ook een plek waar mensen opgepakt worden en worden vastgezet, omdat ze geprobeerd hebben illegaal Amerika binnen te komen. Omdat het dicht bij de grens ligt, heeft LA programma’s lopen waardoor mensen die hier illegaal zijn alsnog hier kunnen leven. Ze hebben geen papieren, geen social security number, maar kunnen dan wel een beroep doen op de gezondheidszorg. Zij kunnen bijvoorbeeld ook nog steeds hun rijbewijs halen.

Waar komt die solidariteit vandaan, denk je?
Een groot deel van de bevolking in LA heeft een Mexicaanse achtergrond. Je laat een stad slecht functioneren, als je niet een beetje meegevend bent.

Wat is de reputatie van Los Angeles binnen en buiten California?
Een stad waar iedereen in yoga kleding rondloopt, waar iedereen sterallures heeft, super arrogant is en waar verder 0,0 cultuur is. Mensen die hier op vakantie zijn bezoeken de bekende bezienswaardigheden. Ze gaan naar Hollywood Boulevard om de Walk of Fame te zien. Daar zijn ook heel veel zwervers. Ze zien het grote contrast tussen arm en rijk en dat is confronterend. Ze bezoeken Beverly Hills en zien daar de overdreven luxe en Rodeo Drive met zijn intense merkvertegenwoordiging. Maar dat zijn niet de dingen die LA maken.

En wat maakt LA dan? Hoe kan ik daarachter komen als ik ooit een bezoek breng aan Los Angeles?
Dan moet je heel Sunset Boulevard afgaan. Dat is een enorm lange straat die dwars door verschillende buurten loopt. Je start bij het strand, richting Hollywood. Je rijdt langs de Hollywood Walk of Fame en komt vervolgens in Los Feliz, een wat kalmer buurtje. Daarna kom je in de hipster buurten Silverlake en Echo Park en rij je door naar Down Town LA. Je pakt zo alle buurten mee. Ik rij soms die straat af puur voor de lol, want het is prachtig. Ik denk dat het ook belangrijk is om kennis te maken met East LA, dat is het oudste gedeelte van Los Angeles vol Mexicaanse cultuur. South LA is ook heel anders. Het is meer uitgestrekt, totaal niet toeristisch en boordevol cultuur. En natuurlijk is het strand belangrijk in Los Angeles. Ik hou heel erg van Malibu, waar je ook goed kunt hiken.

Hebben heel veel rappers het niet over het strand van Malibu?
Weet je, als je hier eenmaal woont kom je erachter dat over elk deel van LA gerapt wordt (lacht).

Waarom is juist rap zo groot in LA?
Veel beroemde rappers zijn hier opgegroeid. Misschien heeft het ook te maken met de gangcultuur in LA. Dat zijn niet een paar groepjes mensen die voor de lol gezellig ergens rondhangen. Zij opereren op hun eigen manier en daar zijn bepaalde regels voor. Het is een andere manier van opgroeien, het is wat groffer. Ik denk dat je dan ook meer creativiteit, vrijheid en de noodzaak voelt om jezelf te uiten. In LA gebeurt dat vaak met rap en graffiti.

Is Los Angeles een culinaire stad?
De eetcultuur is erg goed, maar je moet wel weten waar je moet zijn. Er zijn oneindig veel fantastische Mexicaanse restaurants. Verder zijn foodtrucks een belangrijk deel van de eetcultuur. Vaak zijn er food- en cocktailtrucks in straten waar ook al veel restaurants zijn. Je loopt dan op straat en haalt hier een food-fill, daar een taco en verderop een cocktail bij één van de trucks. Het is allemaal heel losjes. Er zijn ook uitersten want LA heeft heel veel super chique restaurants. Zij serveren daar kleinere porties en zijn prachtig aangekleed.

Hoe noem je een typische LA-er?
Een Angelino en een Angelina. Je moet ballen hebben om er eentje te zijn. Of je nou LA native bent, of je komt hier wonen, je moet je hard maken voor iets. Dat is natuurlijk in elke grote stad zo. Maar deze stad is meer uitgestrekt, je moet het zelf naar je zin maken. Als jij niet stevig in je schoenen staat, vind je je draai niet in LA. Ook al ben je hier geboren en getogen, dan nog moet je vechten voor waar je in gelooft. Angelino’s en Angelina’s hebben veel meegemaakt, zij schrikken nergens van terug. De sfeer die in LA hangt is echt elektrisch, er is hier zoveel te doen en er gebeurt hier zoveel.

Het klinkt als elektrisch, gepassioneerd en gemotiveerd.
Als je wat wilt bereiken in LA moet je keihard werken. Er is veel competitie. Uit alle delen van Amerika en de rest van de wereld komen mensen naar LA. Het is een mengelmoes van mensen die allemaal graag wat van zichzelf willen maken. Je moet carrière georiënteerd zijn en dan nog komen sommige mensen van een koude kermis thuis.

Waaraan merk je dat iemand uit LA komt?
Aan het respect voor de cultuur die hier al bestaat. Het gaat puur om de manier waarop men hier met elkaar omgaat. Ik zie vaak bij mensen die hier net zijn dat ze anders spreken tegen zwervers en daklozen. Ze hebben ook minder respect voor het feit dat mensen hier bewapend kunnen zijn. Angelino’s en Angelina’s erkennen dat er een cultuur is waarin respect afdwingen belangrijk is. Dat uit zich in heel genuanceerd gedrag, dat je uit respect aan elkaar toont.

Camilla Lonis-designer in LA

De Nederlandse Camilla Lonis werkt en woont in Los Angeles. Ze werkt in LA voor graffitikunstenaar Shepard Fairey, ontwerpt voor het modemerk OBEY Clothing en is designer director bij Studio Number One. Camilla sprak met Klaartje Til over haar leven in Los Angeles en legt haar uit waarom ze zoveel van Los Angeles houdt.

door Klaartje Til

Camilla, hoe ben je in Los Angeles verzeild geraakt?
Na mijn studie, grafisch ontwerp, aan de kunstacademie Willem de Kooning, heb ik een aantal jaren als freelance ontwerper gewerkt in Nederland. Op een gegeven moment kreeg ik steeds vaker opdrachten vanuit het buitenland en vooral van bureaus in New York, San Francisco en Los Angeles. Ik ben toen maar eens naar die steden op vakantie gegaan. Ik ging ervan uit dat ik LA niet zo spannend zou vinden. Maar toen ik er eenmaal was, ben ik heel snel van mening veranderd.

Waarom dacht je dat Los Angeles niet zo spannend zou zijn?
San Francisco leek mij interessanter. Daar is een hippiecultuur, de mensen zijn losser, er is mooie natuur, dat soort dingen. Het beeld dat ik bij LA had was dat van een platte stad met veel palmbomen, super warm weer en vol mensen met kapsones. Maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Het klopt dat LA een autostad is. Het is lastig om ergens te komen zonder auto of rijbewijs. Zodra ik door LA reed veranderde mijn beeld van de stad. Het is niet één stad maar zo’n dertig stadjes die samen Los Angeles vormen. Dat was echt een verrassing.

Wat gaf jou het duwtje om in Los Angeles te blijven?
Ik ben naar LA verhuisd voor de kunst en mijn beroep als designer. Binnen enkele maanden kwam ik bij toeval terecht bij Shepard Fairey. Hij is een succesvolle Amerikaanse straatkunstenaar. Hij heeft me aangenomen als design directeur voor zijn kunstgalerie Subliminal.

Shepard Fairey is een grote naam in de wereld van de hedendaagse kunst. Hoe was dat om door hem aangenomen te worden, om voor hem te werken?
Het was bizar. Enkele jaren daarvoor zat ik nog op de kunstacademie waar ik over hem las in kunstboeken. Ik keek enorm tegen hem op en een paar jaar later zat ik bij hem aan tafel in Los Angeles. Binnen de kortste keren werkte ik voor hem. Shepard is creatief directeur van Obey Giant en Subliminal, en ik werk direct onder hem. Dat is een vreemde gewaarwording. Ik word nu vaak in zijn kamer geroepen om helpen te kiezen tussen het ene of het andere ontwerp, voor een werk waarmee hij bezig is. Hij kijkt en luistert altijd heel goed naar wat er om hem heen gebeurt. Hij staat open voor andere meningen en zijn kunst heeft een positieve invloed. Dat inspireert mij heel erg.

Je bent ook designer voor het merk OBEY Clothing. Wat is die typische LA look?
Dat is heel afhankelijk van de buurt. In Echo Park kleden mensen zich super casual: een hele goede vintage spijkerbroek, maar wel een oude spijkerbroek, met een clean T-shirt, gewoon blanco met een los grafisch elementje erop. Verder niet te hard je best doen. Dat is niet cool. Maar je kunt je eigenlijk niet kleden als “een LA persoon” want over welk van de vele culturen heb je het dan?

En tot welke cultuur behoor jij?
In het dagelijks leven werk ik in Echo Park, ben ik kunstenaar en luister ik naar punk en metal muziek. Straatkunst beïnvloedt mijn werk en ik ben wat alternatiever. Maar ik ga ook uit in Beverly Hills en dan draag ik chiquere kleding. Als ik naar een feestje ga in West Hollywood kleed ik me stoerder. Dat vind ik juist leuk aan deze stad, dat er zoveel verschillende culturen zijn.

Je werkt in de wereld van design. Is design belangrijk in Los Angeles?
Design en kunst is belangrijk voor de stad. Er is veel te zien en te doen in LA. Veel musea zijn gratis. Er is een jeugdige kunstcultuur. De graffitikunst is belangrijk en erg zichtbaar, het is een belangrijke uitingsvorm. Als je kijkt naar het werk van Shepard Fairey dan zie je dat hij talloze murals heeft gemaakt. Die zijn vaak uitgegroeid tot een hele beweging. Bij Studio Number One doe ik veel grafisch design voor lokale initiatieven. Dat betekent dat ik vaak in LA mijn posters, banners en murals zie. Op een gegeven moment ben jijzelf de maker van de cultuur in LA. Dat is een verantwoordelijkheid die je draagt. Dat moet je met respect doen voor de mensen die hier vandaan komen, de LA natives.

Wat is de grootste aanpassing die je hebt moeten doen toen je in LA kwam wonen?
Ik moest wennen aan de manier waarop mensen hier autorijden. Ze rijden als gekken en dan heb je ook nog eens die achtbaans snelwegen in de stad. Maar als je van de stad houdt, wil je in elke buurt zijn en dan moet je veel autorijden. De stad is een grit en via het wegennet kan ik overal snel zijn. Het maakt niet uit hoe ver een locatie ligt. De snelwegen zijn zo gebouwd dat je er gewoon opeens bent. Los Angeles is een hele toegankelijke stad, zolang je een auto hebt. En zolang je buiten de spits rijdt (lacht).

Games die een verhaal te vertellen hebben

Ondanks de ongekende groei van het medium, associëren veel mensen online gaming vooral met hersenloos geweld of eenvoudige kinderspelletjes. Zonde! Er zijn namelijk meer dan genoeg ondergewaardeerde, creatieve en narratief interessante parels tussen de shooters, racers en sportgames te vinden. Claire Meulemeesters ging voor POM Magazine op zoek naar games die een verhaal te vertellen hebben. Met als resultaat een top-10 lijst. Voor de gamemaagden een openbaring, voor de kenners een nostalgische reis.

door Claire Meulemeesters

Kort en mysterieus- What remains of Edith Finch?
In What remains of Edith Finch, een game van producent Giant Sparrow, keer je als Edith Finch terug naar het ouderlijk huis waar je bent opgegroeid. Hier probeer je uit te vinden hoe het komt dat je het laatste levende familielid bent. De kriebels die het huis teweegbrengen, de gevarieerde manier van spelen en de fascinerende verhalen van alle familieleden, maken deze korte game een parel die bijblijft.

Lekker huilen op z’n Twin Peaks- Life is Strange
In Life is Strange van Dontnod Entertainment speel je de jonge kunststudente Max Caulfield, die terug in de tijd kan reizen. Life is Strange is een game waarin ook moeilijkere thema’s worden aangesneden. Wat zou je doen als je de kans krijgt om keuzes uit het verleden opnieuw te maken? Want alle keuzes hebben consequenties.

Sprookjes detective- The Wolf Among Us
Het grimmige The Wolf Among Us van producent Telltale Games, is gebaseerd op de Amerikaanse stripboekenreeks Fables. De karakters uit traditionele sprookjes wonen in een geheime community in het New York van de jaren ’80. Als speler ben je Bigby Wolf (jawel, de grote boze wolf), een afstandelijke detective die de moord op één van de sprookjesfiguren moet oplossen. Net zoals bij Life is Strange, bepalen jouw keuzes het verloop van het verhaal.

De favoriet van Claire Meulemeesters- The Walking Dead Game
Vergeet alles wat je voelt bij de gelijknamige filmserie, want het verhaal van The Walking Dead Game van Telltale Games, is van een compleet ander niveau. Het is de game die mij liet realiseren dat een goed geschreven game emotioneel gezien net zoveel impact kan hebben als een film. Zelfs wanneer je geen liefhebber bent van het horror- of zombiegenre, kan ik niet anders dan deze game aanraden. Het verhaal speelt zich af vlak na een grote zombie-uitbraak. Jij bent Lee Everett, een geschiedenisleraar die zich ontfermt over de achtjarige Clementine. Het zijn niet de zombies die het grootste gevaar vormen. Belangrijker nog dan de zombies is om goed te bedenken: wie zijn je vrienden en wie zijn je vijanden?

Zombie en horror- The Last of Us & The Last of Us pt. I en II
The Last of Us is zonder twijfel de grootste en gewelddadigste titel uit deze lijst, maar moet absoluut benoemd worden. Producent Naughty Dog is namelijk een meester in het creëren van realistische personages. In deel I van deze game speel je Joel, een gebroken man die de jonge Ellie naar de andere kant van het land moet zien te brengen tijdens de zombie Apocalyps. Deel II exploreert met enorm veel diepgang de gevoelens van een ouder geworden, getraumatiseerde Ellie. Ook omdat zij worstelt met haar geaardheid, een primeur binnen de blockbuster titels.

Kort, simpel en spannend- Gone Home
Producent Full Bright heeft het concept van Gone Home simpel gehouden. Na het maken van een lange reis, keer je terug naar huis. Op de voordeur hangt een briefje waarop staat dat je zusje is vertrokken. Je bent alleen in een donker huis en weet net zo weinig over het vertrek van je zus en de rest van je familie, als het hoofdkarakter. En dan wordt Gone Home een interactieve ervaring waarin je de kamers van het huis doorzoekt om op die manier het lot van je familie te ontrafelen.

Verkenning van mentale gezondheid- Hellblade: Senua’s Sacrifice
Een game die schizofrenie op een artistieke manier neerzet. Hellblade: Senua’s Sacrifice van Ninja Theory, is gemaakt samen met neurowetenschappers en mensen die daadwerkelijk aan psychoses en schizofrenie lijden. In deze actiegame onderneem je als Keltische krijger een moeilijke missie naar de hel om de ziel van je geliefde terug te halen. Door het spel heen moet je dealen met stemmen in je hoofd, die erger worden naarmate je in extreme situaties belandt.

Voor als je héél ver out-of-the-box durft te gaan- The Stanley Parable
Het luchtigere maar briljante, The Stanley Parable, is moeilijk te omschrijven zonder al te veel weg te geven. In deze game van producent Davey Wreden speel je Stanley, een loonslaaf die niets anders doet dan orders opvolgen en op knopjes drukken. Op een dag beseft hij dat iedereen in het kantoorgebouw verdwenen is. Dit is waar jij begint. Deze exploratiegame daagt je uit om een verhaal te volgen, maar deze tegelijkertijd tegen te werken. The Stanley Parable is uniek in zijn soort en een absolute must-play.

Spookachtig alleen op de wereld- Everybody’s gone to the rapture
In Everybody’s gone to the rapture ben jij de laatst overgebleven persoon in het idyllische Engelse plattelands dorpje, Yaughton. In deze game, van producent The Chinese Room, loop je door het prachtig vormgegeven dorp en probeert de verdwijning van alle andere inwoners op te lossen. Dit doe je door de omgeving grondig te onderzoeken en te luisteren naar geheugenfragmenten van verdwenen personen. Een spel waarbij jouw keuzes en ontdekkingen het verloop van het avontuur bepalen.

Bloedstollend en voor de snelle beslissers- Heavy Rain
Heavy Rain is een psychologische thriller tjokvol wendingen en mogelijkheden. Heavy Rain van producent Quantic Dream, gaat over een vierdaagse zoektocht naar de Origami Killer, een moordenaar die op ieder plaats van het delict een origamifiguur achterlaat. We volgen het hoofdverhaal door de ogen van vier verschillende personages, elk met hun eigen drijfveren om de moordenaar in de kraag te grijpen. In Heavy Rain is het zaak om snel te denken en nog sneller te handelen. Net als in het echte leven, hebben we soms maar een splitseconde de tijd om een beslissing te nemen.

Cryptogram

Al jaren lezen mijn vriend en ik de krant online. Alleen op zaterdag ontvangen we de papieren weekendeditie in de bus. Daar hebben we allerlei redenen voor. Tijdens een lange treinreis leest het wel lekker en soms wil je ook op een terrasje wat te doen hebben als het gesprek aan tafel je niet zo aanstaat. Ach, en met klussen! Met klussen is het altijd handig om een oude krant achter de hand te hebben. Ja, we verzinnen een hoop excuusjes, maar er is maar één echte reden waarom we ieder weekend een puber tegen minimum jeugdloon door weer en wind naar onze brievenbus laten fietsen. Op zaterdag staat het cryptogram in de krant.

door Zwaantje van Klaveren

Mijn vriend en ik sliepen al af en toe met elkaar voordat we gingen daten. En eigenlijk zijn we gaan daten omdat ik erachter was gekomen dat hij een Sinterklaassurprise voor mijn beste vriendin moest maken, maar hij geen idee had hoe hij zijn uitgebreide knutselplan werkelijkheid kon laten worden. In mijn kleine studioappartementje liet ik hem zien hoe je met stroken oude krant, een teil behangplak en hier en daar een kartonnetje, satéprikker of paperclip ongeveer de hele wereld bij elkaar kan knutselen. Terwijl lijmlagen en verfklodders droogden liet hij mij zien hoe je een Sinterklaasgedicht kunt schrijven van literaire kwaliteit, ondanks dat je enige hulpmiddelen de facebookpagina van je slachtoffer en de website van Mick’s Rijmwoordenboek zijn. In de aanloop naar pakjesavond, die overigens gevierd zou worden in het stamcafé waar we elkaar ontmoet hebben, gebruikten we onze getrokken lootjes en escalerende creaties steeds frequenter als excuus om met elkaar af te spreken. Na een tijdje viel er steeds minder te knutselen, en de gedichten dreigden zulke complexe rijmvormen te krijgen dat je ze niet meer kon lezen. Wat dán te doen? De puzzelbijlage lag ongeschonden tussen de repen die vroeger het opiniekatern hadden gevormd. Het cryptogram keek ons uitdagend aan. “Zullen we een poging wagen?” vroeg mijn toen-nog-niet-verkering. Ik had altijd het idee dat die puzzel schier onmogelijk was om op te lossen, al keek je er een jaar naar. Maar waarom ook niet? Anders blijf je maar steeds levensgrote shetlandpony’s papier-machéën.

We realiseerden ons al vlot twee dingen. Eén: cryptogrammakers spreken een taal die je niet in een weekje leert. Twee: volgende week vind je de oplossingen naast het nieuwe cryptogram. Iedere zaterdag spraken we af, en iedere week werden we een beetje beter. Nog geen week na 5 december, was de verkering officieel aan. Pas weken later lukte het ons om zonder hulp een crypto te voltooien. Inmiddels lezen we alle katernen dus digitaal, maar de puzzelpagina reist nog steeds met ons mee. Als we een papieren editie missen vanwege vakantie, dan teken ik de puzzel in ons reisdagboekje uit en schrijf ik de omschrijvingen over. De krant heeft trouwens prima de mogelijkheid om de puzzel digitaal in te vullen, maar dat is toch niet hetzelfde. Met mijn schoonouders, oma, de helft van de stamgasten in ons café en de uitbater ervan, hebben we inmiddels een onofficiële competitie gaande. Hebben jullie hem al af? Bijna niets is zo frustrerend als bij de laatste opgave blijven hangen, er maar één of twee niet weten, terwijl je bijna próéft wat het zijn moet. Het enige wat erger is dan een net-niet-opgeloste puzzel is een cryptogram dat je in één ruk invult. Is deze door de stagiair gemaakt? Wát een teleurstelling! Tot slot is de meest recente les die we leerden over het cryptogram deze. Elke puzzelmaker spreekt een eigen taal. Toen mijn moeder onlangs een crypto uit háár krant voor ons bewaard had, hebben we die na 75 minuten worstelen weer blanco bij haar ingeleverd. Het was alsof we een Sinterklaasgedicht in het Italiaans moesten schrijven. Mick’s Rijmwoordenboek kon ons niet helpen.

Metal voor beginners- een playlist

Ben je niet zo bekend met metal en heb je geen behoefte aan een heel weekend metal festival om uit te vinden wat je leuk vindt? Hieronder is een lijst met 10 bekende metal nummers die POM Magazine’s Nicole Broekema dwars door de diverse genres en tijdperken heen gekozen heeft. Smaken verschillen natuurlijk. Het zal je niet verbazen dat Nicole aardig wat heeft moeten schrappen om tot een top-10 te komen. Deze nummers worden steevast door het merendeel van het publiek meegebruld. Want ja, ook op metal festivals gaan de handjes de lucht in. Een lijstje dus om het festival gevoel nog even vast te houden. Show them metalhorns!

1. Ace of Spades – Motörhead
Om te beginnen, het lekker luisterbare en redelijk bekende Ace of Spades van Motörhead. Door het overlijden van rocklegende Lemmy Kilmister in 2015, helaas niet meer live te aanschouwen. Gelukkig heeft hij met z’n bandmaten heerlijke, pure rock achtergelaten, waaronder deze klassieker.

2. Raining Blood – Slayer
Gelijk door naar een heel andere sound, naar Slayer, de goden van de trash metal. Natuurlijk komen voor dit lijstje meerdere nummers van deze band in aanmerking. Ik heb gekozen voor Raining Blood, vanwege de herkenbare riffs en omdat die andere al in de Top 2000 staat.

3. Black no. 1 – Type-o-Negative
De donkere, soms melancholieke, soms humorvolle muziek van Type-O-Negative wordt breed gewaardeerd in de metal wereld. Hebben zij met het nummer “My Girlfriend’s Girlfriend” de nodige hitlijsten behaald, op de metal weide is het Black No. 1 dat de meeste snaren raakt. Loving you!

4. Run to the Hill – Iron Maiden
In een metal lijst kan Iron Maiden natuurlijk niet ontbreken. Maar welk nummer? Fear of the dark, veelal afsluiter van de show? Het wat algemeen bekendere Number of the Beast met het prachtige gesproken intro? Of misschien The Trooper of toch Aces High omdat dat van die heerlijke songs zijn? Nee, het wordt Run to the Hill, omdat dat toch de beste “meezinger” van allemaal is!

5. Davidian – Machine Head
De drumroffel, de gitaariffs, de oerschreeuw, de tekst; we kunnen het allemaal meedoen. Hoor duizenden stemmen meeschreeuwen: Let freedom ring….!! Luister en je weet waarom het geen verdere toelichting nodig heeft.

6. Chop Suey! – System of a Down
Afwisselend snel en chaotisch, en dan weer rustig en engelachtig, het bekendste nummer van System of a Down, Chop Suey! hoort absoluut in dit lijstje met meezingers. Diep respect voor iedereen die dit nummer ook daadwerkelijk helemaal kan meezingen.

7. Bro Hymn – Pennywise
Typisch voorbeeld van een nummer dat velen kennen; zo’n deuntje dat iedereen meehumt, soms zonder te weten welke band of nummer het is. Strijdlied van tientallen sportclubs wereldwijd. Het energieke refrein “Whooo-oh-oh-oh …” werkt erg aanstekelijk en verraadt niet direct de lading van de tekst: het verlies van dierbare vrienden. Een welgeslaagd eerbetoon.

8. War Pigs – Black Sabbath
In het woud van vele, vaak snoeiharde, metal genres dacht je misschien niet direct aan Black Sabbath. Toch zeker in de lijst opgenomen omdat deze band gezien wordt als de eerste metal band. Waarschijnlijk ken je het nummer “Paranoid”, de enige top-10 hit van deze band. In dit lijstje hoort War Pigs, omdat het heerlijk is om mee te doen met de lange uithalen.

9. Snap your fingers, snap your neck – Prong
Ondanks (of wellicht dankzij) hun cultstatus worden een aantal nummers van Prong nog altijd hoog gewaardeerd. Naast (persoonlijke) favoriet “Who’s fist is this anyway”, is Snap your fingers, snap your neck, het nummer waarbij de meeste handjes de lucht in gaan. Met knippende vingers, inderdaad.

10. Master of Puppets – Metallica

In vele lijsten op 1 als beste metal nummer ooit, ontbreekt dit nummer natuurlijk ook hier niet. Omdat echt bijna iedereen dit meezingt of neuriet, omdat het… nou ja, inderdaad, omdat het gewoon het beste nummer is. 😉
Master…
Master…
Master…

Tekst en muziekkeuze: Nicole Broekema

Kunstbunker Berlijn

Toen de Pools-Duitse media ondernemer Christian Boros in 2003 de Reichsbahn bunker in de Reinhardtstraße in Berlin Mitte kocht was het verre van geschikt voor kunsttentoonstellingen. Het had tot die tijd ook al diverse functies vervuld. De bunker stamt uit 1942 en maakte onderdeel uit van het bouwplan dat Berlijn moest omturnen tot de wereldhoofdstad Germania. Na de val van Berlijn in 1945 werd het gebouw gebruikt door de Sovjets als gevangenis voor Duitse krijgsgevangenen om vervolgens te dienen als opslagruimte voor zuidvruchten. Hieraan heeft het de bijnaam ‘Bananen Bunker’ te danken. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw vervult de bunker diverse functies waaronder technopodium, toneelpodium en nu dus tentoonstellingsruimte.

Het kunstverzamelaarsechtpaar Christian en Karen Boros was zich bewust van het feit dat het vijf verdiepingen hoge blok beton met 120 kamertjes niks weg had van een traditioneel museumgebouw. Zij deden daar hun voordeel mee. Ze lieten de 120 kamertjes ombouwen tot 80 ruimtes die elk variëren in hoogte en omvang en er kwam een zesde etage op het dak. Zij transformeerden die tot penthouse waar het gezin Boros sindsdien woont. Verwacht geen ruime lichte museumruimte, maar dat was ook niet de bedoeling van het echtpaar. De collectie van Karen en Christian is divers, zowel in formaat als in uitvoering. Verschillende werken in één ruimte zou het effect van een individueel werk teniet doen. De losse ruimtes bieden de mogelijkheid om elk werk een eigen omgeving te bieden waarin het tot zijn recht komt.

De Boros collectie bestaat uit werken van kunstenaars die geboren zijn in Berlijn of afkomstig uit andere delen van de wereld maar wonen en werken in Berlijn. Het merendeel van de werken stamt uit de jaren negentig van de vorige eeuw tot en met nu. De collectie bevat natuurlijk veel werken van Duitse kunstenaars, zoals foto’s van Wolfgang Tillmans en Thomas Ruff en schilderijen van Thomas Scheibitz, Florian Meisenberg en Thomas Zipp. Maar ook werken van buitenlandse kunstenaars. De mechanische boominstallaties van de Chinese Ai Weiwei zijn opgenomen in de collectie en zijn te zien in de huidige tentoonstelling, evenals werken van de Deense Olafur Eliasson. De Zweedse Klara Lidén en de Poolse Alicja Kwade tonen in de huidige tentoonstelling alledaagse voorwerpen die zodanig vervormd en opgesteld zijn dat ze communiceren met de ruimte waarin ze te zien zijn.

Sinds 2008 staan de zware metalen deuren open voor het publiek om een tentoonstelling te bezoeken. Het gebouw verhult niets, de sporen uit het verleden zijn als littekens her en der in de muren gekerfd. Verrassend genoeg komt dit de collectie ten goede omdat het veel conceptuele kunstwerken bevat waar het idee achter een werk een belangrijke rol speelt. De getoonde conceptuele kunstwerken zijn van deze tijd en communiceren de ontwikkelingen die de afgelopen drie decennia in de Westerse wereld hebben plaatsgevonden. De functionele omgeving van de bunker wordt gebruikt om de ideeën achter deze werken te versterken. Je hebt ook het idee dat je op bezoek bent in een woonhuis waarin toevallig veel kunst is. Het trappenhuis dat de bezoeker voert naar de vijf etages waar de kunstwerken opgesteld staan, is ook het trappenhuis dat het gezin Boros brengt naar hun woonhuis op de zesde etage. Wanneer jij de trap naar boven neemt om bijvoorbeeld de koperen bel van Thomas Zipp te bekijken zou je Christian of Karen Boros tegen kunnen komen op weg naar buiten om vervolgens gauw wat boodschapjes te doen in de buurtsupermarkt. Op hun beurt horen Christian en Karen in hun huiskamer weer het geroezemoes van de bezoekers en de geluiden van de kunstwerken. Want veel werken maken geluiden. Het zijn installaties die kraken en piepen, of elektronische tonen uitstoten.

Een bezoek aan een tentoonstelling in de kunstbunker is een bijzondere gebeurtenis. Je bent niet een bezoeker, maar een gast. Eén van de twaalf gasten om precies te zijn, want vanwege brandveiligheidsregels mogen er maximaal twaalf mensen tegelijkertijd in de tentoonstellingsruimtes aanwezig zijn. Als je de kunstbunker wilt bezoeken moet je jezelf opgeven via de website voor een anderhalf uur durende rondleiding. Voordat de tour begint stelt iedereen zich aan elkaar voor en vertelt een beetje over zichzelf. Bezoekers zijn gemotiveerd en kritisch en de gids is nieuwsgierig naar de inzichten van de deelnemers bij het zien van een kunstwerk. Ondanks de kleine ruimtes en de beperkte capaciteit om een groot aantal bezoekers te ontvangen blijkt de bunker onwaarschijnlijk geschikt als kunstmuseum. De functionaliteit van het gebouw versterkt de getoonde werken. De persoonlijke rondleiding waarin dialoog een centrale rol speelt, maakt een tentoonstellingsbezoek een bijzondere gebeurtenis.
www.sammlung-boros.de

Foto en tekst: Polly Parker

Licht of donker?- een mijmering over duisternis

Afgelopen zomer zag ik voor het eerst in mijn leven een vuurvliegje tijdens een pikdonkere nacht. Terwijl ik door een park liep zag ik een lichtpuntje dat precies op dezelfde plek bleef knipperen. Ik wist nog niet wat het was en duwde de struiken voorzichtig opzij om het beter te kunnen bekijken. Ik zag een vuurvliegje spartelen in een spinnenweb. Het flikkerende licht versterkte het effect van de worsteling. Ik pakte het vliegje voorzichtig uit het web, plukte de plakkerige draden van een vleugel en zette het neer om bij te komen. Toen ik omkeek kon ik me moeilijk oriënteren. Ik was ver de duisternis in gedwaald. Ik baande me met moeite een weg door het donker tot ik eindelijk het licht van het hotel weer zag. Ik realiseerde mij de afhankelijkheid en kracht van het licht: als het vliegje geen licht had gegeven had ik het nooit gered.

door Jasmijn Schrofer

Later die avond staarde ik vanuit mijn hotelbed naar een straatlantaarn. Het licht scheen fel in mijn gezicht. Ik trok de gordijnen dicht om mij tegen het licht te weren om sneller te kunnen slapen. Maar mijn hoofd begon te razen. Ik dacht: zo hebben mensen niet altijd geleefd. Duisternis was honderden duizenden jaren onderdeel van het dagelijkse bestaan. Nu leven we in een wereld waarin we baden in kunstlicht. Het licht houdt onze 24-uurs-economie draaiende. Het laat mensen werken, terwijl het eigenlijk donker is. Licht is een machtsmiddel. Het is verslavend. Vanaf dat moment ben ik me maandenlang gaan verdiepen in de betekenis en de geschiedenis van licht en duisternis. Ik leerde dat vuur het eerste middel is waarmee de mens controle over de natuur kreeg. We waren niet langer afhankelijk van zonlicht. We gingen de duisternis bedwingen en kregen de macht om onze omgeving te temmen. Grote stukken grond werden gewonnen door verbranding van de wildernis om plaats te maken voor de mens. Er is al lang geen menselijk samenleven meer mogelijk of zelfs denkbaar zonder vuur. We staan er meestal niet bij stil dat bijna alle elektriciteit geproduceerd is door het stoken van vuur. Er is bijna niets dat tot een staat van voltooiing gebracht is zonder vuur.

Toen ik satellietfoto’s van de aarde bij nacht bestudeerde begreep ik waar de meeste beschaving zich op aarde heeft geconcentreerd. Licht duidt op welvaart. Duisternis is vaak een teken van isolatie, armoede en een economische achterstand. Afrika is het continent waar de meest absolute duisternis te vinden is. Veel mensen zijn hier nog steeds afhankelijk van vuur als lichtbron omdat elektrificering een trage ontwikkeling heeft doorgemaakt. Tijdens een lange reis door China zag ik precies het tegenovergestelde in, Chongqing, een Blade Runner achtige megastad waar alles tot diep in de nacht doordrenkt is van licht en waar gebouwen eruit zien als gigantische tv-schermen. In deze jonge metropool wonen nu al meer dan 30 miljoen mensen. In China heeft de afgelopen twintig jaar hyper-urbanisatie plaatsgevonden en het land telt nu zeventien megasteden zoals Chongqing.

Kunstmatig licht heeft enerzijds ongekende technologische vooruitgang teweeggebracht, maar het kan anderzijds ook de energiebalans aantasten bij trekvogels, insecten en amfibieën. Vogels die in de nacht trekken verliezen het zicht op de sterrenhemel. Ze raken gedesoriënteerd door de aantrekking van kunstlicht en blijven soms massaal rondjes vliegen om wolkenkrabbers of boortorens in de zee, totdat ze door uitputting dood neervallen.

Je staat er vaak niet bij stil dat duisternis het slaap- en waakritme van allerlei organismen dicteert, inclusief dat van de mens. Schemering doet ons lichaam melatonine aanmaken waardoor we slaap krijgen. Licht verstoort de aanmaak van dit hormoon. De ironie is dat we laat naar bed gaan en in bed blijven liggen terwijl het al lang licht is. We hebben gordijnen om daglicht en kunstlicht buiten te houden en gebruiken wekkers om op tijd op te staan. We zijn als dagdieren geneigd productief te blijven zolang er licht is, maar om te kunnen overleven is een goede en regelmatige nachtrust essentieel. Sinds wij in ons huishouden elektriciteit en lampen zijn gaan gebruiken zijn we gemiddeld anderhalf uur per nacht minder gaan slapen. Symboliseert dit hoe de mens zich heeft vervreemd van de natuur?
Licht staat symbool voor al het goede, terwijl duisternis altijd het kwade heeft gesymboliseerd. Het bezitten van licht heeft de samenleving productiever en welvarender gemaakt, maar ook kwetsbaarder en afhankelijker. Het belang van de duisternis is misschien in de vergetelheid geraakt terwijl duisternis toch, net als licht, onderdeel is van de natuur. Ik denk dat duisternis niet alleen symbool moet staan voor het kwade. Het staat ook symbool voor evenwicht, Yin en Yang. De universele functie van duisternis is, net als slaap en rust, essentieel voor de instandhouding van het leven zelf.

Fotografie: NASA