Loop of Love? That’s the question.

Rick Treffers is iemand die niet onder één noemer te plaatsen valt. Hij is zanger, componist, producer, maker van muziek- en theatervoorstellingen en initiatiefnemer van de huiskamerconcertenserie Live in the Living. In 2015 bracht hij als Mist, de cd ‘The Loop of Love’ uit. Rick nam het album op in het Spaanse Valencia, waar hij sinds een paar jaar regelmatig verblijft. Op een zonnig terras vlakbij het Westerpark in zijn oude vertrouwde Amsterdam sprak hij afgelopen zomer met Nicole Broekema over zijn muziek, zijn inspiratie en zijn dromen.

Het is even stil geweest rondom Mist, maar je bent nu weer terug met een nieuwe cd, ‘The Loop of Love’. Je bent de cd nu aan het promoten. Je was bij de radio zag ik?
‘Ja, ’s nachts bij de EO, vier nummers live spelen. En bij Omroep Friesland. Daar ben ik altijd welkom. Verder een aantal huiskamerconcerten in Nederland en dan naar Duitsland en Amerika. Als je een jaar lang in een studio gezeten hebt wordt het toch wel een beetje eenzaam. Niet zo zeer qua vrienden, maar meer omdat je dan de hele tijd bezig bent met die cd. Je hebt geen idee wat het verder gaat opleveren. Dan komt de cd uit en gebeuren er heel veel dingen. Je komt weer naar buiten. En dat is ook wel een opluchting.’

Ook spannend, qua recensies?
‘Ja, heel spannend. Ik probeer recensies altijd met een korrel zout te nemen. Maar je hoopt altijd dat het hele positieve recensies zijn. En tot nu toe gaat het aardig.’

Treed je nog steeds op met Mist?
‘Met één van de bandleden, Ivar Vermeulen, heb ik altijd samengespeeld. Een andere goede vriend van me, Jeroen Luttikhuis, speelde ook bij Mist. Maar in 2009 zijn we met de band gestopt. Ik had allerlei andere projecten en zij hebben drukke banen en kinderen, dus er was weinig tijd meer voor de band. Toen ben ik naar Spanje gegaan. In 2013 had ik plotseling allemaal Engelstalige nummers. Toen heb ik ze gemaild: “Kijk, een paar nieuwe nummers, wat vinden jullie ervan?” “Nou tof, te gek….nieuwe plaat maken?”, was het antwoord. Ze hebben me heel erg gestimuleerd en op afstand meegewerkt aan de cd. Ivar is ook naar Valencia gekomen en een weekend lang hebben we allerlei dingetjes opgenomen en beluisterd. En hier in Amsterdam hebben we ook iets gedaan, bij Jeroen in zijn thuisstudio. Ik heb daarnaast een aantal Spaanse muzikanten gevraagd mee te spelen. Het is een project waar meerdere mensen aan mee hebben gewerkt, maar meer dan ooit mijn plaat. Ik heb de productie en arrangementen grotendeels zelf gedaan en veel zelf ingespeeld. Het is in dat opzicht eigenlijk meer een soloproject. In Spanje treed ik nu op met een volledig nieuwe band, om het nieuwe album te promoten.’

Je hanteert verschillende muziekstijlen en zingt in diverse talen. Bepaalt de muziekstijl of je wel of niet met een band werkt?
‘De cd’s van Mist klinken als een band, maar ik kan het repertoire ook solo spelen of in kleine akoestische bezetting. En ook als band dus. De twee Nederlandstalige cd’s die ik in 2007 en 2010 maakte heb ik in mijn eentje opgenomen en vormgegeven, met medewerking van diverse muzikanten. Het was geen band, maar live heb ik wel een band geformeerd toen. De liedjes op de tweede cd Prettige Vooruitzichten gingen over het verlangen om weg te gaan uit Nederland naar een warmhartiger land. Het is natuurlijk autobiografisch want ik ben het uiteindelijk ook gaan doen. Live heb ik het album omgevormd tot een documentaire op toneel. Ik speelde in mijn eentje de instrumenten maar het klonk wel een beetje als een band want mijn geluidsman Frans Roovers bediende de rest van de apparaten. Het was een muziektheatervoorstelling over Rock Truffels, een fictief personage, een soort rockster, die vooral bekend is ver buiten Nederland. In die voorstelling waren er acteurs en bekende Nederlanders als Leo Blokhuis en Paul de Munnik die op televisieschermen hun persoonlijke ervaringen met Rock vertelden. Het was een toneelstuk in combinatie met beeld en mijn liedjes. Maar na deze productie dacht ik: “Oké, ik kan nu doorgaan met Nederlandstalig en dan speel ik over tien jaar misschien voor 80 man in een theatertje ergens in Nederland. Heb ik daar wel zin in?”. Want met Mist had ik al een internationale carrière. En dat wilde ik niet opofferen’.

Je had toen al een internationale carrière?
‘Ja. Met Mist speelden we in Zuid-Amerika, in veel Europese landen en vooral in Spanje. En ik wilde toch weer terug, de grens over. Ik had al heel lang het verlangen om terug te gaan naar Spanje waar ik al een jaartje had gewoond toen ik 23 was. Toen ben ik vier jaar geleden opnieuw gegaan. Op avontuur.’

En heb je ook iets in het Spaans gedaan?
‘Ik heb een project gedaan toen ik in Spanje aankwam. Dat heet ‘El Turista Optimista’ met liedjes in het Spaans.
Het zijn liedjes die de Spaanse cultuur met liefde op de hak nemen. Ik heb videoclips waarin ik zing; “O, het is allemaal geweldig hier maar waarom halen ze het vuilnis pas om drie uur ’s nachts op?”. Liedjes over culturele gewoontes die ze in Spanje heel logisch vinden maar voor Nederlanders een beetje vreemd zijn. Daar zing ik over, met een glimlach, maar ook met een soort ironie.’

In het Spaans zijn jouw liedjes een knipoog naar hun cultuur. Maar in de Nederlandse nummers zitten venijnige teksten. Is het de taal die daarin meespeelt?
‘Mijn Engelstalige liedjes gaan vaak over de liefde en over relaties. Op één of andere manier komen die bij mij altijd eruit in het Engels. De Engelstalige liedjes maak ik thuis op mijn gitaar of keyboard, terwijl ik klanken met mijn stem maak. Vanuit die klanken ontstaan woorden en vanuit die woorden maak ik dan weer de tekst. Toen wilde ik een liedje schrijven in het Spaans, dat wilde ik een keer proberen. Wat eruit kwam was een liedje over de Nederlanders in Spanje. De liedjes van El Turista Optimista sloegen aan bij het Spaanse publiek. Ze zijn gemaakt vanuit mijn visie op Spanje. De teksten zijn daarbij misschien wel belangrijker dan de muziek en ontstaan meer vanuit het inhoudelijke idee dan vanuit de klank van de woorden.’

En in het Nederlands?
‘Dat zit er een beetje tussenin. Ik heb Nederlandstalige liedjes die over de liefde gaan en die zijn eigenlijk net zo tot stand gekomen als mijn Engelstalige teksten, alleen het Nederlands heeft hardere klanken door al die medeklinkers. Daardoor klinkt het af en toe minder zacht, minder lief. Die eerste Nederlandstalige plaat is qua thematiek en inhoud best wel heftig. Ik maak er ook nogal wat woordspelingen in en dat kan tricky zijn. In het Engels zou ik het niet durven, want het is niet mijn moedertaal. De Nederlandse liedjes van de eerste twee platen zitten een beetje tussen serieus en grappig in.’

Hoe ben je in de muziek gerold? Gedoken, gekozen of niet?
‘Mijn vader was amateurmuzikant. Hij speelde piano en accordeon. Ik zong in de klas op de lagere school. We hadden een leuke lerares die ons allerlei liedjes leerde zingen. Dat vond ik heel leuk. Als puber raakte ik samen met mijn neef geïnteresseerd in hardrock en heavy metal. Voordat ik het wist was ik zanger in een hardrockband, met vrienden uit Haarlem. Ondertussen maakte ik de HEAO af. In de muziek ben ik totaal autodidact. Ik heb toelatingsexamen gedaan voor het conservatorium – als zanger – maar werd niet aangenomen. Eén van de leden van de toelatingscommissie was Edwin Rutten. Ik liet een liedje van mezelf horen op de Spaanse gitaar van mijn zus. Hij zei: “Je bent niet aangenomen, dat is jammer, maar dat eigen lied wat je deed, dat was goed. Dus misschien kan ik je een tip geven. Je moet verder gaan, maar meer als componist dan als zanger”. Dat heb ik ter harte genomen. Ik ben vervolgens in Madrid begin jaren negentig begonnen met het schrijven van heel veel liedjes en bracht in 1995 mijn eerste plaat uit met mijn eerste eigen band, Girlfriend Misery. Daarna heetten we Miss Universe en in 2002 veranderden we de naam in Mist. Na de cd ‘We Should Have Been Stars’, in datzelfde jaar, dacht ik echt van “Ja… dit is het, hier sta ik zó achter”. Ik was toen 35 jaar oud. Toen pas had ik het gevoel dat ik serieus als componist èn zanger door wilde gaan. Wat dat betreft ben ik wel een beetje een laatbloeier, geloof ik.’

Vind je het belangrijk dat je mensen raakt met jouw muziek?
‘Ja, ik maak die muziek niet alleen voor mijzelf. Anders zou ik niet optreden. Ik maak het vanuit mijzelf en het is voor mij belangrijk dat het ook aankomt bij de mensen. Ik put uit mijn ervaringen en liefdes. Dat zijn dingen die eigenlijk universeel zijn en die veel mensen herkennen. Ik heb toevallig het talent om zowel met muziek als met taal iets te vertellen. Het is een enorme kick om dat te kunnen doen.’

Jouw cyclus van schrijven, loopt die continu door?
‘Nee. Vroeger wel. Toen schreef ik altijd. Maar toen zocht ik ook richting. Nu is bijna alles wat ik schrijf blijvend. Het is heel leuk om het oude werk terug te horen. Ik vertelde toen eigenlijk te veel en wilde heel veel uitleggen, ook in de teksten. Soms moet je juist niet alles uitleggen, dan komt er meer ruimte voor interpretatie. Dat is gewoon een kwestie van ervaring en van veel doen. Je zit in een bepaalde context, je leeft in een bepaald soort leven en van daaruit heb je bijna alles al. Je talent en inspiratie is dan een klein, maar zeer belangrijk deel. De rest is context.’

Context is de basis voor jouw creatieproces?
‘Context is misschien wel belangrijker dan inspiratie. David Byrne van de ‘Talking Heads’ schrijft daarover in zijn boek ‘How Music Works’. Geweldig boek! Zo herkenbaar wat hij allemaal in zijn boek schrijft. Hij is ook muzikant maar hij is heel erg wetenschappelijk bezig geweest met al zijn ervaringen. Hij heeft ook veel landen bezocht en gekeken hoe muziek daar gemaakt en beleefd wordt. Superinteressant. Hij schrijft op een hele toegankelijke manier. Niet droog. Als een soort dagboek over wat hij meegemaakt heeft als muzikant. Fantastisch.’

Je hebt alles zelf georganiseerd en geregeld. Er zit een zakelijkheid en organisatietalent in jou.
‘Ik kan organiseren en ben ondernemend als het op promotie van mijn muziek aankomt. Maar soms hangt succes ook af van ‘being at the right place at the right time’. Vaak zijn er binnen industrieën en systemen mensen en partijen die van invloed zijn. Als je die niet mee hebt, dan kun je doorbreken wel vergeten. Tenzij je via YouTube zelf een hit scoort of zo. Maar ik ben realistisch en praktisch ingesteld en doe het met de dingen die ik heb. Een lange adem, onder andere.’

Je zegt dat je heel ondernemend bent en dat het belangrijk is dat je met jouw muziek mensen raakt. Ben je op zoek naar een bepaalde doelgroep? Ben je daarmee bezig bij het schrijven van muziek ?
‘Het maken van muziek en het op de markt brengen van muziek zijn voor mij twee strikt gescheiden dingen. Wanneer ik muziek maak denk ik niet: “OK, als ik nou dit soort muziek maak en als ik hier een dingetje bij doe dan vindt het publiek het mooier”. Absoluut niet, want dan zou ik mezelf tekort doen. Dan ga je ‘toegepaste muziek’ maken. En ik denk dat de beste muziek, de meest persoonlijke en de meest authentieke muziek is. Soms als ik met Ivar aan het luisteren ben naar een nieuw nummer, dan zeggen we wel eens “Misschien kunnen we het een beetje arrangeren zoals die-en-die band”. Dat wel. Natuurlijk word ik beïnvloed door de huidige tijd. Er is zoveel muziek gemaakt en er zijn zoveel ritmes en geluiden die al een keer gemaakt of gebruikt zijn, die dingen gebruik je dan gewoon ook. Maar wat je er verder mee doet dat is jouw interpretatie.’

Heb je nog een grote droom of passie?
‘Muziek en taal zijn mijn twee passies. Zolang ik die op een creatieve manier kan gebruiken in mijn leven, en daarmee mensen kan bereiken, ben ik tevreden. Verder wil ik heel veel andere nummers maken, en muziek voor beeld en theater maken, dat soort dingen. Ik zou ook graag nog meer willen reizen met mijn muziek. Of zonder muziek, om bijvoorbeeld rapportages te maken. Leven als muzikant is een risicovol bestaan maar ik zal altijd dingen blijven produceren en bezig zijn met dingen die ik leuk vind. Ik zal in dat opzicht nooit in een gat vallen. Ik wil qua werk mijn eigen baas zijn, dat ben ik altijd geweest en die vrijheid vind ik aangenaam.’

Interview: Nicole Broekema
Foto: Jasmijn Schrofer

Koken volgens KISS

Vanaf deze maand start POM Magazine met de nieuw serie Het Gerecht. In deze reeks vertelt een restauranteigenaar over zijn of haar favoriete gerecht. Soms is dat een gerecht op de kaart dat verbonden is met het ontstaan van het restaurant, soms is het een gerecht met een sterke jeugdherinnering en soms is het een gerecht dat de filosofie van het restaurant in één hap samenvat. In de primeur van deze serie sprak Anne van der Heiden met Remco Bras Verschoor, eigenaar van de vegetarisch/biologische lunchroom Baklust in Den Haag. In een interview met Anne vertelt Remco over een bijzondere risotto en legt hij uit wat rockmuziek met zijn gerecht te maken heeft.

Allereerst: wat is Baklust?
Baklust is… rebels. Het is geen franchise van een grote keten, niet alle tafels zijn hetzelfde, het is niet strak. Juist die imperfecties dragen bij aan het huiskamergevoel, net als de manier waarop we met onze klanten omgaan. De kaart is klein maar doordacht: vrijwel alles is in een handomdraai aan te passen voor veganisten of mensen die glutenvrij eten. Ik heb veel in het buitenland gewerkt en kan zo kwaad worden van die Nederlandse houding ten opzichte van horeca. In Frankrijk is ‘garçon’ een respectabele baan, hier is het meer een bijbaantje waarvoor je alleen maar een cursusje melk opschuimen hoeft te volgen. Horeca is een echt vak en dat zie je bij ons terug. Geen anonimiteit en onverschilligheid: onze klanten praten met elkaar, ook als ze elkaar niet kennen.

Waarom vegetarisch?
Baklust was al vegetarisch, ik ook. Daarom wilde ik het juist overnemen. Ik ben echt geen evangelist die iedereen wil bekeren, vleeseters zijn hier van harte welkom, maar ik wil hen wel wat leren. Al moet ik 10 keer per dag uitleggen wat seitan is! Ik wil mensen verrassen met de rijkdom van de vegetarische keuken. Niet op de vleesbakkers manier met salade geitenkaas en broodje mozzarella. We hebben wel geitenkaas en mozzarella in het menu verwerkt, omdat die ingrediënten herkenbaar zijn voor de vleeseters en instap-vegetariërs die hier ook komen. Die kiezen vaak eerst veilig. Maar als dat bevalt…. durven ze de keer daarna misschien wel onbekender terrein aan.
En dan heb ik het niet over dat trendy visuele gedoe met schuimpje van dit en cappuccino van dat op je bord: leuk hoor, maar het gaat toch om de smaak! Meer dan 3 smaken per gerecht is trouwens zinloos, die proef je toch niet. Ik kook volgens mijn favoriete band aller tijden, KISS. Oftewel: Keep It Simple Stupid.

Wat is jouw ultieme gerecht en waarom?
De quinoa salade. Allereerst omdat het helemaal volgens mijn KISS principe is, zoet, zuur en zout zijn perfect in balans. Het heeft alles wat een salade moet hebben. En het gerecht is echt gegroeid, het heeft een verhaal.
Ik kijk veel BBC: voor het programma ‘Kew on a Plate’ heeft chef Raymond Blanc een heel jaar lang een moestuin gehad in Kew gardens. Met de oogst uit de tuin heeft hij volgens het seizoen gekookt. Het bijbehorende kookboek is mijn absolute favoriet. Eén van de gerechten daarin is een risotto met gerst en worteltjes. Geweldig lekker, maar niet praktisch voor bij ons in de lunchroom: het duurt veel te lang om te maken. Maar ik wilde het zo graag op de kaart, dat ik ermee ben gaan spelen. Allereerst heb ik in plaats van de gerst, quinoa gebruikt. Saillant detail is dat ik eigenlijk niet van quinoa hield, ik vond het een beetje zeepachtig. Maar door de quinoa in het kookvocht van de wortels te koken, krijgt de quinoa een heerlijk zoetje. De dressing voor de Caesar salade die al op kaart stond bleek hier perfect bij te passen. Tot slot kwamen de polenta croutons er nog bij voor de zout-ervaring. Daar ben ik de hier zo populaire Israëlische chef Ottolenghi dankbaar voor, dat hij eindelijk Nederland aan de polenta heeft gekregen. Supervoedsel wat mij betreft: simpel, lekker en verrassend.
Het eindresultaat staat niet voor niets bij het rijtje salades op ons menu. Onderaan, want de laatste onthoud je het beste en iedereen moet hem gewoon proberen. Met brood en boter erbij hè, zoals het hoort bij een maaltijdsalade. Salade zonder brood is zo Hollands.

Interview en tekst: Anne van der Heiden
Foto: Jasmijn Schrofer

Brussel: interessanter om in te wonen dan om te bezoeken

Toen Vera Nitsche zo’n 5 jaar geleden verhuisde van Parijs naar Brussel, werd ze verrast door de onverwachte kanten van deze Europese hoofdstad. Samen met haar Braziliaanse echtgenoot, haar zoontje van 8 en dochtertje van 2, woont de in Duitsland geboren Vera in Etterbeek, een Brusselse buitenwijk vlakbij de kantoren van de Europese Unie. Voor haar werk aan de Université Sorbonne Nouvelle pendelt ze een paar keer per week tussen Brussel en Parijs. In dit artikel vertelt Vera wat volgens haar, Brussel zo bijzonder maakt.

Brussel, een stad met subtiele charme
Hiervoor woonde ik in Parijs. Vergeleken met Parijs is Brussel nou niet bepaald een stad waarin je voortdurend in verwondering rondwandelt. De charme van Brussel is discreet, de mensen zijn meer relaxt. Het was makkelijk om mensen te ontmoeten en vriendschappen te sluiten. Men is niet zo opgeslokt in een stressritme. De mensen in Brussel vind ik open-minded. Misschien is het vanwege de kantoren van de Europese Unie, maar heel veel mensen met verschillende culturele achtergronden komen naar Brussel om te wonen en te werken. Velen hebben geen vrienden of familie in Brussel en dat maakt, denk ik, dat men meer openstaat voor elkaar en sneller contact met elkaar maakt.

Brussel is een mix
Brussel is op allerlei vlakken een heterogene stad. Buurten onderscheiden zich niet. Straten wel. Er is verschil van straat tot straat. Je slaat een andere straat in en je begeeft je in een andere wereld: mensen zijn anders gekleed, de winkels zijn anders, het zijn hele andere mensen. Qua architectuur is er in Brussel veel variatie. Natuurlijk is er overal Art Nouveau te vinden maar gemixt met meer klassieke- en hedendaagse architectuur. Toeristen bezoeken meestal het stadscentrum: de Grote Markt, Manneke Pis. Zoals in veel Europese steden vind je overal in Brussel het gewicht van haar geschiedenis. Maar ik denk dat Brussel interessanter is om in te wonen dan te bezoeken. In Ixelles of Saint-Gilles wonen veel jonge mensen en er is een bruisend nachtleven. Wij wonen in Etterbeek, vlakbij de kantoren van de Europese Unie. Het is een buitenwijk waar veel gezinnen wonen. Er is onderling veel sociaal contact. Maar het is ook een buurt met veel cafés en restaurants, het is er lekker levendig. Niet te vergelijken met de Parijse banlieus waar bewoners alleen maar heen gaan om te slapen. Ze werken, eten en drinken overdag in het centrum van Parijs en gaan s’ avonds naar hun woning in de banlieu, alleen maar om te slapen.

Een kalme wereldstad
Ik vind Brussel een rustige stad en tegelijkertijd is het een metropool waar een hoop te doen is. In de parken in het centrum, zoals Parc Léopold en Parc du Cinquantenaire, zie je mensen sporten, eten en relaxen. Maar er zijn ook boerenmarkten midden in het centrum van Brussel, zoals op Place Flagey en Place Jourdan. De hedendaags art scene is goed vertegenwoordigd in de programmering van theaters en bioscopen. Het Théâtre National omarmt een nieuwe generatie toneelmakers uit binnen- en buitenland. Het cultuuraanbod is niet zo groot als in Berlijn of Londen, waar het vaak moeilijk kiezen is. In Brussel is er bijvoorbeeld één belangrijk festival voor een bepaalde kunstvorm, in plaats van vijf festivals die, zoals in sommige steden, ook nog eens allemaal op het zelfde moment plaatsvinden.
De Belgen in Brussel vind ik erg vriendelijk en aardig. Wij hebben meer Frans sprekende vrienden omdat wij geen Nederlands spreken. Maar mijn man heeft veel Vlaamse collega’s. Wat me trouwens opviel toen ik hier net woonde, was dat er veel Italianen in Brussel wonen en overal hoorde ik Spaans en Portugees. Door de Europese instituties en de sfeer van Europese broederschap is Brussel anders dan andere Europese steden. Brussel geeft een glimp van wat Europa zou kunnen zijn. Een positief beeld van samenleven, tolerantie en openheid. Niet van een realistisch Europa natuurlijk, maar een utopisch Europa.

Voor dit artikel werd Vera Nitsche geïnterviewd door Joline Lodewijks.

Foto: Saint-Gilles van Francisco Anzola

AFTER: het geslaagde feestje dat je niet hebt gepland

Jasmijn Schrofer (1992) is een talentvolle documentairemaker. In 2015 rondde zij de Filmacademie af. Haar afstudeerfilm Tarikat is inmiddels zevenmaal bekroond op verschillende internationale filmfestivals. Haar laatste documentaire AFTER gaat over feesten ná het feest, de afterparty’s. In AFTER worden jongeren gefilmd in hun zoektocht naar zingeving en intimiteit. Waarom is de afterparty zo belangrijk voor zoveel jongeren? Philip Rozema ging voor POM Magazine hierover met Jasmijn in gesprek.

door Philip Rozema

Jasmijn, hoe kun je jouw documentaires het best omschrijven?
Ik zie mezelf als een filmmaker die vrij spirituele films maakt. Het gaat mij erom een bepaalde ervaring over te brengen bij de kijker. Ik vind dat belangrijker dan het vertellen van een verhaal. Ik heb wel eens gehoord dat mensen mijn films een beetje op propaganda vinden lijken. Omdat ik de kijker meeneem in een enigszins verheerlijkte sfeer. En iemand die drugs maar stom vindt, heeft misschien moeite met de vorm en sfeer van de film. Maar mijn films zijn juist niet als propaganda bedoeld. Ik vertaal een bepaalde sfeer die ik waarneem. Het is aan de kijker om te oordelen. Film heeft voor mij een hypnotiserende werking. De bewegingen in mijn films zie ik als een danselement. En muziek is voor mij een auditief verrijkend onderdeel.

Een hypnotiserende werking is niet waar ik het eerst aan denk bij documentaires. Ben je een outsider op documentairegebied?
Ik denk niet dat ik een outsider ben. Ik zie mezelf ook niet als heel erg anders. Op documentairegebied wordt heel veel geëxperimenteerd. Ik zie experimentele documentaires vaak terug op filmfestivals en soms op TV. Eén van de eerste lessen op de filmacademie was van een docent die riep: Er is geen grotere leugenaar dan de documentairemaker. Dat is voor mij echt een verrijkende uitspraak geweest. In de opleiding kreeg ik door, hoe zeer je als documentairemaker mensen manipuleert. Je kunt door montage mensen sympathiek of juist onsympathiek laten overkomen. Ik denk dat mensen dat wel zouden moeten weten.

Hoe ga jij om met die macht?
Mijn laatste film, AFTER, gaat over feesten waarbij jongeren soms dagenlang bij iemand thuis zijn, op zoek naar zingeving en intimiteit. Met mezelf en met de personages heb ik de afspraak gemaakt dat ik het niet sensationeel zou maken. Zo heb ik geen jongeren in beeld gebracht die drugs gebruikten, ook al wordt dat op afters wel gedaan. Ik denk dat zulke beelden de kijker afschrikken en wegdrijven van wat ik daar ervaar.

Hoe kwam je bij dit onderwerp?
Ik wilde beter begrijpen waarom er bij twintigers zo’n behoefte is aan uitgaan. Is het om jezelf beter te leren kennen of is het escapisme? En als het escapisme is, waar vluchten ze dan voor? Vluchten ze voor een volwassen leven of hoort het gewoon bij het leuke studentenleven? Ik hoorde over afters en wist eerst niet zo goed wat die waren. Ik dacht eerst dat het een gimmick of grap was. Iedereen roept: ’Waar is de after?’ Maar dat bleek echt een ding te zijn waar elk weekend wel honderd jongeren in Amsterdam aan meedoen. Op een after blijven ze soms wel vier dagen wakker.

Wat voor antwoorden heb je gekregen?
Wat me zo fascineert is dat de prestatiemaatschappij een behoefte aan de roes heeft gecreëerd. Jongvolwassenen beseffen dat ze uiteindelijk wel moeten meedraaien in de tredmolen van gezin, werk en hypotheek. Een after waar jongeren nachtenlang wakker blijven en bij iemand feestvieren, is denk ik een manier om je daartegen af te zetten. Ook al zijn ze zich er niet compleet van bewust dat ze zich afzetten. Niet op zo’n zichtbare of constructieve manier zoals destijds bij de hippies, de provo’s of de punkers. Maar het is wel degelijk een tegenbeweging.

Op wat voor manier voorziet een after in die behoefte aan de roes?
In deze tijd met onwijs veel online contact wordt er heel veel intimiteit en verbintenis gevonden op afters. Ook omdat het uitgaansleven zo gecommercialiseerd is. Het uitgaansleven is niet echt een plek van de jongeren zelf. Die plek wordt hun voorgeschoteld. Ze betalen ervoor en mogen het gebruiken en vervolgens moeten ze weer weg. Maar de behoefte aan een eigen plek en een eigen sfeer blijft. Ik denk dat de after het heft-in-eigen-handen-nemen is. Het is een plek waar alles mag, waar je echt vrij kunt zijn en je je kunt uiten. Het is het delen van je vrijheid. Een after is een heel geslaagd feestje dat je niet hebt gepland.

Ben je wel eens mensen tegengekomen die al een gezin of hypotheek hebben?
Ja, dat is heel interessant. Ik ben een stelletje dat kinderen heeft tegengekomen. Zij hadden hun ouders verteld dat ze voor een romantisch weekend naar Parijs zouden gaan. Die ouders pasten op hun kinderen terwijl zij aan het raven waren in Amsterdam.

Waarom zouden ze dat doen?
Als je ouders vinden dat drugs een no-go is, dan lieg je er misschien over. Ik denk dat een film als die van mij kan bijdragen aan het besef dat die generatiekloof er minder hoeft te zijn. Dat drugsgebruik en lang doorfeesten in de maatschappij minder een taboe wordt. Al is dat niet het eerste doel dat ik met deze documentaire wil bereiken.

De twintigers die in je film te zien zijn komen op een intieme manier in beeld, waarbij ze persoonlijke gesprekken voeren. Hoe heb je deze mensen ontmoet?
Ze hebben kennis met mij gemaakt als een meisje dat hier een documentaire over wilde maken. Toen hebben ze me uitgenodigd om naar een after te gaan en gaven toestemming om te filmen. Ik ben in een aantal ogenschijnlijke grimmige afters terechtgekomen die toch een lieve en onschuldige sfeer hadden. Drugs was geen taboe. Zij durfden daar open over te praten, ook voor de camera. Dat maakte dat ik ze van zo dichtbij kon filmen.

In AFTER zie je soms alleen bepaalde lichaamsdelen, zoals een bewegende hand. En ook je andere documentaires hebben veel met dans van doen. Hoe komt dat zo?
Ik vind dans een hele mooie taal om voor film te gebruiken omdat het suggestief is. Je legt de woorden niet in de mond bij de kijker. En toch kun je iets uitdrukken. Bepaalde bewegingen en gevoelens kun je met een camera heel goed versterken. Dans liegt niet. Mensen kunnen liegen met woorden of blikken, maar bewegingen liegen niet. Met montage kun je mooie ritmes en een verbinding creëren tussen mensen. Als mensen elkaar mimen dan is dat een teken van verbintenis. Maar in een montage kan je dat ook bewerkstelligen. Daarom let ik in de montage erg op bewegingen.

De documentaire AFTER is op zondag 9 december om 23:35 te zien bij 3LAB op NPO3.

Nice to meet you: Chinese City Chengdu

Begin 2018 reisde Jasmijn Schrofer door China en kwam terecht in de Zuid Chinese miljoenen stad, Chengdu. Voor POM Magazine beschreef zij haar bijzondere ervaringen in het artikel- Nice to meet you: Chinese City Chengdu.

Een kapsel zegt iets over jezelf. Het geeft een indruk van wie je wilt zijn, wie je nu bent en soms wie je was. Bij het stratenplan van de Chinese miljoenen metropool Chengdu in de Zuidelijke provincie Sichuan, is het niet anders. Het wegennet van Chengdu valt op door de symmetrie en regelmaat van ringwegen en autobanen. Een strak geknipt logistiek werkje dat lijkt te zeggen: we willen de producten die we in onze fabrieken maken zo snel mogelijk uit onze stad hebben.
Tegelijkertijd omarmen al die ringwegen de kantoren en expats van een groot aantal Westerse en Aziatische multinationals. Wat me opviel in Chengdu, is dat niet alleen expats Engels spreken. Veel van de Chinese inwoners staan me te woord in goed verstaanbaar Engels en gaan graag een gesprek aan met een wildvreemde. Bij mijn zoektocht naar het Sichuan Museum vroeg ik de weg aan een vrouw van een jaar of veertig die stond te wachten op de bus. Zij kon mij in vloeiend Engels uitleggen welke route ik het beste kon nemen. Ik moest net als zij de bus nemen en reed dus een stukje met haar mee. Ik verbaasde me over haar vloeiende Engels. Ze legde uit dat ze als jonge vrouw veel in het buitenland had gereisd en begon te vertellen over haar reizen. Nadat ze een pauze liet vallen zei ze: “weet je, ik wil je uitnodigen om met mij en mijn familie het Moon Festival te komen vieren, dan praten we verder. Ik moet er namelijk de volgende halte al uit.” Via Wechat wisselden we elkaars contactgegevens uit. Ze heette Weiwei en gaf me een adres in de Fangcao district. Toen ik die avond in de buurt van het adres was hoorde ik een stem mijn naam roepen. Het was Weiwei. Ze zocht me, bang dat ik het niet vinden kon en ik liep met haar mee naar haar appartement.
De inrichting was praktisch en bestond meer uit boeken dan uit meubilair. Onder het genot van een kop thee, praatte ik met de 17 jarige dochter Sandy. Haar Engels was ook uitmuntend. Ze wilde net als vele jonge Chinezen, in Amerika gaan studeren. Ik vroeg of ik haar kamer mocht zien en daar vond ik een briefje op haar bureau geplakt. Er stond op: Work harder Sandy! Ze vertelde me dat haar dagbesteding bestond uit 10 uur school. Toen haar vader van werk thuis kwam gingen we aan tafel. Het toetje bestond uit de traditionele Mooncakes, een zoute custard in kruimelig deeg met gedroogde stukjes mango erin. Ter afsluiting van ons diner legden we een Mooncake bij het kleine huisaltaar, als offer voor boeddha. Van oorsprong werd tijdens het Moon Festival dank betuigd aan de goden voor de oogst. Nu is het voornamelijk een gelegenheid om samen te zijn met vrienden en familie om te genieten van een avondmaaltijd.

Middle class ambitie en oosterse traditie op een paar vierkante meter? Was dat exemplarisch voor Chengdu, vroeg ik me af. Een moderne wereldstad met wolkenkrabbers die tradities in ere houdt? Het is in ieder geval een stad die, ondanks zijn 10 miljoen inwoners, intiem en ontspannen is gebleven. Mensen nemen de tijd voor elkaar, ze leven in het moment en genieten. Veel Chinezen komen naar Chengdu puur en alleen om te eten. Veel gerechten bevatten de Sichuan peper, beroemd vanwege het verdovend effect en de anijsachtige smaak. Terrassen met lage tafels en krukken domineren het straatbeeld. En wat opvalt: nie-mand-eet-er-alleen! Dat komt denk ik ook door de hotpots: kokende bouillon met drijvende pepers in een pan die midden op tafel staat en waaruit iedereen het eten met stokjes prikt en daarna dipt in een eigen gemaakte marinade. Op een avond stond ik voor een willekeurig restaurant naar binnen te kijken toen een vrouw mij met gebaren uitnodigde om bij haar aan te schuiven. Ze haalde me over met de woorden dat ik niet in mijn eentje ‘van de cultuur kon proeven’. Ze hielp me een marinade te maken en legde mij met behulp van een handige app in het Engels uit wat alles was. We prikten en hapten tot we vol zaten. Ze stond erop dat ze mij trakteerde. Dit trakteren is me nog veel vaker overkomen. Het komt erop neer dat de gastheer of gastvrouw de eer heeft om te betalen. En omdat ik te gast was in hun land verloor ik deze strijd vaak.

Vlak voor ik mijn reis begon, nam ik via Facebook contact op met een Nederlandse jongen, Anne. Het bleek dat we een aantal gemeenschappelijke vrienden hadden, maar ik had hem nog nooit gezien. Nog geen twee weken later stond ik in Chengdu op de hoek van een drukke straat op hem te wachten. Anne nam me mee naar een eettentje waar hij vertelde over zijn ervaringen in Chengdu. Na het eten sprongen we op één van de fietsen uit het mobiele verhuursysteem, die Anne via een app van het slot liet springen. Even later stonden onze fietsen geparkeerd voor een verlaten winkelcentrum. De woonbuurt zag er nieuw en duur uit maar was hier en daar toch slecht onderhouden. We gingen naar de 22ste verdieping van het gebouw waar een aantal rooftop bars waren, gelegen aan een hofje met woonhuizen. We liepen door naar het achterste barretje vol met hippe jeugd. Toen sloeg er een bekende walm in mijn gezicht: wietlucht. In Chengdu ergens op de 22ste verdieping werd tot mijn verbazing volop geblowd. Toen de hippe jeugd hoorde dat ik uit Amsterdam kwam riepen ze:
Welcome in Chengsterdam. Ik vroeg naar de oorsprong van het woord, maar geen van allen was ooit in Amsterdam geweest. Chengdu is altijd een centrum geweest waar dichters, kunstenaars, filosofen en wetenschappers bijeenkwamen. In theehuizen, parken en nu, in de 21ste eeuw, misschien wel op de 22ste verdieping van een verlaten winkelcentrum. Chengdu is progressief, maar ik denk niet omdat de stad zichzelf steeds opnieuw uitvindt. Het is een stad die misschien wel door de eeuwen heen zichzelf is gebleven, geïnteresseerd in elkaar en in de mensen van buiten. In Chengdu leeft je in het nu en in de toekomst terwijl de stad misschien al eeuwenlang zichzelf blijft.

Illustratie: Auke Triesschijn

Steef Crombach- a Dutch woman in Austin

Drie jaar geleden ging de Nederlandse beeldend kunstenaar Steef Crombach naar Austin, vlak nadat zij in 2014 de Stroom aanmoedigingsprijs had gewonnen. Ze besloot die te gebruiken om op onderzoek te gaan in Texas naar het typische Amerika.

Steef Crombach (Maastricht, 1992) stelt alledaagse thema’s en banale objecten centraal in haar werk. Amerika, het land van de ultra consumptie, sluit daarop naadloos aan. Ze kwam terecht in Austin, een stad waar mensen veel interesse hebben in kunst en graag een kunstwerk in hun huis hebben van de kunstenaar die ze net persoonlijk hebben gesproken.

Steef heeft een verftechniek uitgevonden waarmee ze dubbelzijdige doeken maakt. Hierdoor kunnen de schilderijen gebruikt worden als space dividers en kunnen ze als installaties gepresenteerd worden. De scheidslijn tussen fine art en crafts, en de vast omlijnde ideeën hierover zijn voor haar een inspiratiebron voor het materiaalgebruik.

In haar werken onderzoekt Steef Crombach de patronen en objecten die onze dagelijkse omgeving vormgeven en die misschien wel deel zullen zijn van ons collectief geheugen, wanneer we later op deze tijd terugkijken. Klaartje Til sprak met Steef over de stad Austin, een liberale oase in het conservatieve Texas. In het artikel, Austin- een vreemde eend in de Texaanse bijt? kun je lezen waarom deze stad zo bijzonder is.

www.steefc.com

Austin- een vreemde eend in de Texaanse bijt?

Toen POM Magazine mij vroeg om een interview te doen voor een artikel over Austin, met de in Austin woonachtige Nederlandse beeldend kunstenaar Steef Crombach was ik een beetje verbaasd. De ziel en sfeer achterhalen van een stad in Texas? Een Amerikaanse staat waaraan het beeld van cowboys, red-necks en behoudenheid kleeft? Daarbij, ik wist helemaal niets van Austin. Maar daar is verandering in gekomen. Steef Crombach (Maastricht, 1992) woont en werkt in Austin en she lives the Austin life! In dit artikel legt ze uit wat Austin volgens haar zo bijzonder maakt.

door Klaartje Til

Steef, je komt al een paar jaar naar Austin. Kun je mij iets vertellen over deze stad?
Austin is de hoofdstad van Texas. Dat is eigenlijk vreemd, want Houston is een veel grotere stad. Austin is ook helemaal niet conservatief, wat vaak het geval is bij steden waar een bestuurlijk apparaat gevestigd is. Austin is juist heel liberaal en opvallend anders dan de rest van Texas. Er wordt wel eens gezegd dat ieder mens in zijn eigen bubbel leeft. Dat je alleen mensen ontmoet die dezelfde lifestyle en opvattingen hebben als jij. In Austin is die bubbel en de grens van die bubbel voelbaar en zichtbaar. Zodra je maar 40 minuten uit Austin rijdt kom je bij kleine dorpen waar je het traditionele Texas tegenkomt. En dat is echt wel het tegenovergestelde van wat je in Austin ziet.

Waarom is Austin anders dan de rest van Texas?
Het is een intellectuele stad en een echte tech stad vanwege de University of Texas Austin met meer dan 50.000 studenten. Er zijn dus heel veel jonge mensen. Verder komen er het hele jaar door mensen naar Austin vanwege de muziek. Dat zijn mensen uit liberale steden als New York en San Francisco, die hier allemaal naartoe reizen. Het motto van Austin is: Keep Austin Weird. Nu is dat niet meer zo heel relevant, maar vroeger was dat anders. De hippies kwamen in de jaren 60/70 speciaal naar Austin. Vanaf die periode is ook de muziek naar Austin gekomen. De meeste ouders van de mensen die ik hier ken en die hier wonen, zijn nog steeds hippie. Dat krijgen hun kinderen natuurlijk allemaal mee. Organische producten kopen is hier doodnormaal. Het eerste filiaal van de organische supermarktketen, Whole Foods Market, startte in Austin. En die is er nog steeds.

Ik wist niet dat Austin zo’n muziekstad is.
Er wordt van bars, restaurants en hotels verwacht dat ze constant live muziek hebben. Als muzikant kun je heel makkelijk rondkomen van je optredens. Er komen daarom veel muzikanten naar Austin waardoor het muzikale aanbod groeit en daarvoor komen mensen weer naar Austin. Het is een cirkel die zichzelf in stand houdt. Verder zijn er veel jaarlijks terugkerende muziekevenementen zoals South-by-South-West en Austin City Limits. En om de twee weken is er het gratis festival, Blues On The Green, waar iedere keer zo’n 8000 mensen op afkomen. Dit soort gratis festivals heb je hier eigenlijk bijna wekelijks.

Austin ligt aan de rivier de Colorado. Wat merk je daarvan in de stad?
De natuur hoort bij de stad Austin. In de stad zijn veel mooie natuurlijke bronnen met ijskoud water en zeldzame salamanders. Barton Spring Pool is zo’n bron annex zwembad dat uiteindelijk doorstroomt in de Colorado rivier. Men kan er de hele dag in de zon rondhangen en topless zonnebaden, wat heel on-Amerikaans is. In Amerika zijn mensen over het algemeen erg preuts. Maar je mag er niet eten en alleen maar water drinken. Naast Barton Springs liggen de Barking Springs, omdat je daar je hond mag meenemen. Je ziet de segmenten van de samenleving naast elkaar liggen met een klein metalen hekje ertussen. Enerzijds het natuurlijke zwembad met water drinkende bezoekers en anderzijds een afwatering waar honden mogen rondlopen en mensen alcohol drinken en harde muziek draaien. Vanuit die waterbronnen kun je gemakkelijk door het stadscentrum roeien of kajakken op de Colorado rivier. Je vaart dan uiteindelijk onder de Congress Bridge, ook wel de vleermuizenbrug genoemd omdat er zoveel vleermuizen huizen. Zoveel zelfs, dat de lucht zwart kleurt wanneer ze s ’avonds uitvliegen.

Vertel eens over de buurten en wijken in Austin? Hoe verschillen die van elkaar?
Het State Capitol gebouw was tot voor kort het hoogste gebouw in Austin, omdat niks in de stad hoger mocht zijn dan het Capitol gebouw. Maar die regel is 10 jaar geleden opgeheven. Alle wolkenkrabbers van de skyline van Austin zijn dus 10 jaar of jonger. Over het algemeen is er veel laagbouw in Austin. Je hebt vaak het idee dat je in een bungalowpark bent.
Het uitgaansleven in de historische kern is in East 6th street, een straat met barretjes met balkons waar je op mag staan. Vlakbij East 6th street is Rainey street. Het verhaal gaat dat een vrouw daar ooit in haar woonhuis een bar is begonnen. Dat liep zo goed dat de hele buurt besloot hetzelfde te doen. Dus in Rainey street staan woonhuizen die nu bars zijn. In de binnenstad van Austin vind je ook moderne appartementsgebouwen met een zwembad op de binnenplaats. Verder zijn er heel veel hotels. Die hebben meestal een zwembad op de bovenste verdieping. Vaak mogen niet-hotelgasten daar ook zwemmen.

Iets buiten het uitgaanscentrum is een historisch district, Clarksville, met huizen die meestal maar één verdieping hoog zijn, een voorportaal met pilaren hebben en op enorme grasvelden staan. In het oostelijke gedeelte van de stad, East Austin, woonde tot voor kort vooral mensen met minder geld. East Austin wordt nu overspoeld met galeries, musea en andere creatieve initiatieven die de binnenstad ontvluchten vanwege hoge huren. In East Austin staat veel bebouwing uit de jaren 60/70. Het is er best wel vervallen, maar de bewoners doen heel veel aan hun huis met verf. Je ziet huizen in alle mogelijke kleuren, soms zelfs met mozaïek bekleed. De meeste jonge mensen wonen een ring verder verwijderd van de binnenstad, een wijk met allemaal appartementencomplexen. Dat zijn soms enorme gebouwen met een zwembad en een gezamenlijk wasruimte. Om deze complexen heen wordt dan een soort nieuw centrum gecreëerd met een grote supermarkt en winkels. En dan maken ze er een mooi park bij. Een voorbeeld van zo’n centrum is The Domain. Dit soort voorprogrammeerde sociale plekken werkt niet echt in Nederland, maar in Austin wel.

Wat merk je eigenlijk nog van de cowboy cultuur in Austin?
Er zijn cowboys in Austin: mensen te paard die een kleine boerderij hebben in de buurt van het historische centrum. Verder zie je country dancing in sommige bars en saloons. Maar cowboys zijn vaak republikeinen, denk aan guns en het ruwe leven. Dat vind je veel meer buiten Austin. Aan de andere kant, wanneer ben je een cowboy? Ik werk soms voor een brouwerij op het land net buiten Austin, waar ze hun eigen hoppe verbouwen. Als je dan buiten op het veld aan het werk bent, dan zijn lange mouwen, een lange broek, een hoed, handschoenen, zo’n typische cowboy zakdoek voor je neus tegen het stof, en hoge laarzen vanwege de slangen gewoon noodzaak. Dus je ziet er precies uit als een cowboy, terwijl het allemaal functionele kleding is die je beschermt en die je nodig hebt voor je werk.

Hoe noem je iemand die geboren en getogen is in Austin?
Een Austinite en je bent pas een Austinite als je in Austin geboren bent. Omdat zoveel mensen uit andere steden naar Austin verhuisd zijn, zijn er daar niet zo veel meer van. De geboren en getogen Austinites zijn nuchter en rustig. Ze geven al vanaf de eerste ontmoetingen een meer realistische weerspiegeling van hun karakter. Je hebt niet van die beleefdheidsvormen waar je omheen moet draaien. En je hoeft niet te raden wat ze nou bedoelen. Op zich hele vriendelijke mensen, nuchter en een sterke band met de natuur.

Illustratie: Auke Triesschijn

De Biotoop: broedplaats, kraakpand of commune?

Aan de rand van het dorp Haren, ten zuiden van de stad Groningen, ligt De Biotoop- een creatieve broedplaats waar ambachten en disciplines elkaar ontmoeten. Op zondag 27 mei gingen de deuren open tijdens de BiotOPENdag. Ook voor POM Magazine’s Bert van der Zee. Lees in zijn sfeerbeschrijving hoe hij in de ban van De Biotoop raakte.

Tot het begin van de 21ste eeuw moest je als student biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen naar het dorpje Haren fietsen om colleges te volgen in het grote gebouwencomplex naast de Hortus Botanicus. Een typisch voorbeeld van de glas- en betonarchitectuur uit de jaren 60/70 van de vorige eeuw. Tientallen jaren lang werd het uit zeven vleugels bestaande complex gevuld met studenten, maar sinds 2010 zijn de colleges in de hypermoderne Linnaeusborg in het noorden van de stad Groningen. Er kwam 30.000 vierkante meter vrij in het voormalige Biologisch Centrum. Hiervoor mocht een nieuwe bestemming gevonden worden. Simpele ‘anti-kraak’ is uit de mode en het creëren van een broedplaats is een populaire oplossing. Zo werd het Biologische Centrum in 2013, De Biotoop.


Omringd door veel groen ligt het grote complex ietwat verscholen naast de Hortus Botanicus. Eenmaal achter een haag van bomen en struikgewas doemt het gebouw als een enorme gestalte op. Een jaren ‘70 gevoel beklijft vanwege de architectuur. Van binnen ruikt het soms naar het verleden, die vertrouwde muffe statische geur van oude schoolgebouwen. In de ateliers houden veel gebruikers de oorspronkelijke inrichting in stand: lange laboratorium werktafels langs de wanden en ontkoppelde kranen met gele knoppen. De gangen zijn soms nauw, soms ruim. Verbonden door zwevende aquarium gangen loop je van vleugel naar vleugel. Het gebouw is bezaaid met kunst: schilderijen, kindertekeningen, fotocollages, installaties en een gang vol met ouderwetse elektrische orgels- een pretpark voor de zintuigen. In vleugel B is een diepe collegezaal nu als bioscoop in gebruik.

Vele kunstenaars en ambachtslieden vinden in De Biotoop een betaalbare werkruimte en de passies zijn al even divers. In de kelder produceren jonge brouwers appelcider van de appeloogst die bewoners uit de buurt elk jaar naar het complex brengen. In een atelier dat te klein is om ooit een klaslokaal geweest te zijn, worden skateboards met houten inlay geproduceerd, met de hand. Eén verdieping van een vleugel ruikt naar ecologische supermarkt en al snel blijkt waarom: een zeepfabriek met handgemaakte zepen vol huidvriendelijke ingrediënten en etherische oliën maakt reclame via de neus. Sommige kinderen uit Haren en hun ouders kennen de Biotoop van binnen en van buiten door de buitenschoolse opvang die in vleugel B is ingericht. Een geluidsstudio staat voor de gelegenheid leeg maar wanneer ik door het raam kijk zie ik verderop een ruimte die tot de nok gevuld is met analoge synthesizers en vintage opnameapparatuur. Iedereen in de geluidsstudio mag zoveel lawaai maken als men wil, dag en nacht. Dat zegt iets over de tolerante sfeer in de broedplaats, waar respect is voor elkaars disciplines en het creatieve proces alle ruimte krijgt.


Voor de meeste bewoners is het creatieve ei al uitgekomen en door zo dicht bovenop elkaar te leven is er ook ruimte voor kruisbestuiving, zij het voornamelijk praktisch. De groenten en kruiden uit de tuin worden verwerkt in de gerechten van het restaurant en een kunstenaar die een levensgrote houten bakfiets annex flipperkast maakte, laat kinderen van de dagopvang hiermee spelen. Drie van de zeven vleugels worden gebruikt door kunstenaars die naar De Biotoop reizen vanuit elders in de regio. In de overige vier vleugels worden ruimtes verhuurd als woningen. De bewoners uit het nabij gelegen seniorencomplex komen regelmatig binnenwandelen, en er is een vleugel met een restaurant en zalen waar onder andere theatergezelschappen optreden en yogalessen en zakelijke workshops plaatsvinden. Zo biedt De Biotoop ingangen voor allerlei bezoekers en begint het gebouw een integrale functie te krijgen voor de lokale gemeenschap en de regio.


De wortels van deze gemeenschap zijn commercieel en het is aan de bewoners om het wiel van een samenleving in het klein, opnieuw uit te vinden. Ik sprak met één van de beeldend kunstenaars van De Biotoop en zij vertelde dat zij zich thuis voelt in deze dynamiek en dagelijks contact heeft met de bewoners die op haar gang wonen. Maar een collega kunstenaar bekent dat hij meestal de kleine nooduitgang gebruikt om het gebouw binnen te komen en te verlaten. Het is een kwestie van tijd om te zien hoe de broedplaats zich gaat ontwikkelen. Los van de idealen, De Biotoop brengt Haren een bruisende creatieve sector. Het is een enorme beleving om door dit gebouwencomplex te lopen waar geen enkele gang of verdieping hetzelfde is en het verlangen om te creëren bijna van de muren spat.

Fotografie: Joyce Ter Weele

Filmmaker in Brussel: Jip Heijenga

Voor POM Magazine sprak de Nederlandse danser en filmmaker Jip Heijenga (1993) met Klaartje Til over de stad Brussel. Jip ging na haar dansopleiding aan Artez in Arnhem, naar Rotterdam voor een aantal dansprojecten om vervolgens in Brussel te belanden. Ondertussen woont ze al meer dan drie jaar in de Belgische hoofdstad.

Nadat Jip in 2014 haar opleiding aan de dansacademie had afgerond, werkte ze een jaar als danseres. Ze besloot om film te gaan studeren en ging op zoek naar een filmopleiding in steden buiten Nederland. Al snel kwam ze uit bij Brussel, want daar is een Nederlandstalige kunstacademie, LUCA school of arts. Jip’s afstudeerfilm, Love Rat, was afgelopen oktober genomineerd voor de competitie van Belgische studentenfilms op het internationale Film Festival Gent en was begin december te zien zien op het Kort Film Festival in Leuven. “Mijn film, Love Rat, is een in fictie gegoten documentaire over monogamie. Hoe monogamie vroeger was en nu, in deze tijd. Ik merk dat monogamie iets is waar jonge mensen veel mee bezig zijn”, zo vertelde Jip aan POM Magazine interviewer Klaartje Til. Toen Klaartje opmerkte dat, van een bezoek aan Brussel vooral de grauwe kant van de stad haar is bijgebleven, kon Jip dat goed begrijpen. “Ik snap wel dat de eerste indruk van Brussel een beetje duister kan zijn, maar ik hou daar ook wel van. Misschien dat ik me daarom hier heel erg thuis voel”, aldus Jip Heijenga in een interview met Klaartje Til. Jip’s kijk op Brussel is nu te lezen in het artikel Brussel: een stad met vele gezichten.

Fotografie: Jip Heijenga

De Maag van Den Haag

Ergens in de Schilderswijk, ingeklemd tussen Herman Costerstraat en De Heemstraat, ligt een enclave verscholen, omringd door hekken. Het zien daarvan roept een soort grensgevoel op, als ware het een mini-landje binnen een stad.
Vier dagen in de week gaan de grenzen van de enclave open van 9 tot 5. Daar wordt grif gebruik van gemaakt: gemiddeld komen er op zo’n open dag 35.000 mensen op bezoek. Het is de Haagse Mart: de grootste markt van Nederland en één van de grootste van Europa. Maar om nou te zeggen dat hij typisch Haags is, nee. Is er op een willekeurige markt in Amsterdam geen twijfel mogelijk in welke stad je bent, deze markt zou overal kunnen liggen. Hier ligt Suriname naast Turkije, een straatje verderop gaat de medina naadloos over in de toko en staat de Volendamse visboer vis à vis met een tentje vol mediterraan lekkers. Bloemkolen en spruiten liggen gezellig naast de papaya’s en tajers.

Foto:Polly Parker
Foto:Polly Parker

Dat multiculturele heet De Maag – zoals hij in de volksmond ook wel werd genoemd – sinds het allereerste begin: exotisch fruit was er in 1920 al verkrijgbaar. Tot mei 1938 stond De Maag echter op een plek veel dichter bij het centrum: De Prinsegracht. Door het toenemende verkeer moest de markt noodgedwongen verkassen naar de huidige locatie. Anno 2015 heeft de Mart net weer een woelige periode achter de rug, een extreme make-over vol bijbehorend verbouwleed en verhuizingen. Het grootste verschil met vroegâh? Geen ratjetoe meer van ruim 500 kramen, containers en verkoopwagens. Het zijn nu vaste kramen, allemaal in dezelfde stijl gebouwd. De gedegen overkapping zorgt ervoor dat de bezoeker bij regenachtig weer niet langer een onverwachte plens in de nek kan krijgen door de doorbuigende zeiltjes. De veel bredere gangpaden met gootjes in het midden maken ook een verschil. Minder opstoppingen, minder risico op aanvaringen met andermans scootmobiel of boodschappentrolley, en nooit meer door het smeltwater waden in de visrij. En de digitale betaler hoeft niet langer op zoek naar een pinautomaat buiten de muren, al zijn er nog steeds zat kramen waar handje contantje heerst.

Foto:Polly Parker
Foto:Polly Parker

De vaste ‘bewoners’ van de enclave zijn echter niet veranderd en zorgen voor de typische couleur locale die je al snel doet vergeten dat hun kramen nu meer op winkels lijken. Ze komen vaak uit families die al generaties op de Mart staan en lijken uiteindelijk tevreden met hun nieuwe afsluitbare winkeltjes. Uitstallen en opruimen gaat in ieder geval een stuk sneller. Ook al heeft de markt heel wat meer te bieden, het voedsel voert de boventoon.

Foto: Polly Parker
Foto: Polly Parker

Als er al een voertaal is, dan is dat de universele taal van eten. Per slot van rekening moet iedereen dat doen. In geval van acute snack attack gaat er een wereld voor de maag open: van Turkse pizza tot patatje met, van kibbeling tot Vietnamese loempia en van samosa tot broodje bal.

Foto: Polly Parker
Foto: Polly Parker

De bezoekerssamenstelling is net zo kleurrijk als de marktlui en hun koopwaar. Tientallen nationaliteiten uit alle lagen van de bevolking lopen hier door elkaar. Sommigen komen voor de dagelijkse boodschappen, anderen voor gordijnstof, nieuwe kleren, een dagje uit of gewoon voor de vrijdagse vis. Er heerst een sociale gedragscode die bijna dorps aandoet.

Foto: Jasmijn Schrofer
Foto: Jasmijn Schrofer

Mensen die elkaar buiten de markt nooit tegen zullen komen, laat staan dat ze ooit met elkaar zouden praten, staan nu gezamenlijk te dubben welke dadels het lekkerst zijn, of die nu in een green smoothie of in een Midden-Oosters gebakje met honing eindigen. Superfoodadepten en Ottolenghi-fans staan gebroederlijk naast gesluierde vrouwen hun granaatappels uit te zoeken. Geheid kom je als bezoeker producten tegen die je niet kent. Gewoon vragen is het devies.
Heeft de standhouder het te druk dan werpt zich negen van de tien keer een mede-klant op als informatiebron, soms inclusief tips en recepten die je in geen kookboek zal kunnen vinden.

Natuurlijk is het geen Walhalla. Je moet net zo goed op je tas passen als elders en er is best wel eens herrie of irritatie. Kun je er niet tegen dat mensen zich links en rechts naast je wringen bij de drukke kramen dan kun je er beter wegblijven. Maar over het algemeen heerst er een sfeer van tolerantie en respect. Als samen eten inderdaad verbroedert, dan staat samen eten kopen op de Mart op een goede tweede plaats. De Mart nieuwe stijl is weliswaar fysiek aangepast op de verwende consument anno nu, maar de sfeer is nog steeds vertrouwd en biedt voor elk wat wils. Of je nu op culinaire ontdekkingsreis gaat, je dagelijkse hap wil scoren, alleen wil funshoppen of de sfeer opsnuiven, een bezoekje aan dit drie voetbalvelden grote stukje Schilderswijk voelt aan als een tripje naar een andere stad. Waar op de wereld die stad dan ook moge liggen.

Tekst: Anne van der Heiden
Foto: ‘de race van de omaatjes’, Jasmijn Schrofer