Wat is het toch met Mini?

In mijn kennissenkring heb ik twee Mini-rijdsters. Al kan ik niet helemaal uitleggen waarom, beide dames vind ik inderdaad echte Mini’s. Ondanks enorme verschillen qua karakter, werkkring, sociaal leven en persoonlijke interesses. Het heeft iets te maken met een klein, eigenwijs autootje waar stiekem een heleboel power in verstopt zit. Surprise! Een Mini rijden is een statement. Maar waarom kiezen die dames voor Mini? De ene kan het alleen maar gevoelsmatig uitdrukken: “Tja, het is het gewoon. Waarom, geen idee. Maar het moet een Mini zijn.” En als ik haar dan weer weg zie scheuren in dat ding, denk ik, ja, ik kan me jou ook niet in een andere auto voorstellen. Kiezen vrouwen eerder een kleiner autootje? Ik denk het wel. Bij mannen speelt toch al gauw uiterlijk vertoon een rol, vrouwen zijn praktischer: waar heb ik hem voor nodig? Kan ik hem overal parkeren? Vrouwen hoeven ook niet per se de strijd aan met andere autobezitters. Alhoewel: daag ze niet uit.

Lang, lang geleden had mijn moeder een klein, opvallend, want knalrood Fiatje. Niet zichtbaar was dat het bakkie best wel wat vermogen onder de kap had. Enfin, wij reden met zijn tweetjes naar opa en oma. De snelweg ging als een zonnetje, maar toen…. Bij een lange afrit zat er een dikke bak vervelend in haar kofferbakje en die overschreed haar irritatiegrens. Daar moet je echt heel veel voor doen, maar als je hem bereikt… Zoek dekking. Voor het eerste stoplicht kwam hij opdringerig naast ons staan gieren met zijn gaspedaal. Mijn moeder bleef strak vooruit kijken, zette haar kaken op elkaar, stak haar kin vooruit en neus in de lucht en zei: “Houd je vast.” Ze trok die bak van hem er volledig uit tot het tweede rode stoplicht. Zelfde scenario, alleen vlak dáárna werden de twee banen één baan, met een bocht erin. Tricky. We hadden echter één voordeel: mama kende die weg met haar ogen dicht. Ze vertrok nog steeds geen spier, maar zei triomfantelijk: “Nog eens”. En trok hem er een tweede keer finaal uit, zodat hij tot aan het dorp verplicht achter ons moest blijven. Uiteraard bleven wij netjes onder de maximum snelheid tot onze afslag. Toen zei ze, nog steeds met effen gezicht: “Nu ga ik iets doen wat jij niet mag”, en gaf de man stralend dé vinger. Terwijl hij bloedlink vol gas uit beeld scheurde, bescheurden wij het van het lachen.
Achteraf bezien: het autootje paste verdomd goed bij haar karakter. Dus speelt gevoel toch echt een grote rol bij je autokeuze? Een soort instinctieve relatie met je auto? Lijkt er wel op. Maar is een Mini een typisch vrouwenautootje, zij het met een ‘edge’? Om die vraag te beantwoorden, moet ik even terug, naar Mini vriendin 2. Zij had haar scheurijzertje geleased. De accountant in haar stak echter de praktische kop op toen haar leasecontract verliep. Overnemen van de oude Mini was buitenproportioneel duur. Een nieuwe leasebak was nog duurder. Er stond echter een showmodel bij de dealer… en die was wel te doen. Je voelt hem al aankomen. Er is een maar. De mannen van de garage hadden zich helemaal uitgeleefd op het showmodel. Met de nieuwste gadgets, speakers waarmee je je trommelvlies kan opblazen, spoiler, velgen, vette uitlaat en een uiterst fallisch antennetje vlak boven de spoiler als klapstuk. Het was een heuse man cave. In Mini formaat, dat wel. Ze vond het wel grappig eigenlijk. Zij in zo’n patserbakkie. Maar sinds ze in haar man-caveje rijdt valt ze van de ene verbijstering in de andere. Mannen met competitiedrift proberen haar van de weg te rijden. Vrouwen worden óf net zo agressief in de hoop aandacht te trekken, of ze dansen heupwiegend voor haar bumper in de verwachting dat er een rijke voetballer in zit. Als ze dan de vrouw achter het stuur ontdekken is de ontgoocheling compleet, van pruilen tot woede. Dat had ze met haar oude Mini nooit. Dus wat bewijst dit? Die verlengstukjes maken het verschil. In Mini Zonder ben je gewoon een eigenwijze Mini-vrouw en dat roept weliswaar een beeld op, maar smeekt niet om verdere actie. In een Mini Met moet je wel een vent met een hoop poen zijn om dat allemaal te kunnen betalen. En ook een vent met lef/karakter, anders zou je nooit een Mini kiezen, dan neem je een voor de hand liggender statussymbool. Die combi karakter en geld triggert de vrouw die prompt begint te baltsen. Het feit dat vrouwen dat aantrekkelijk vinden triggert weer de mannen die een onbedwingbare behoefte krijgen om zich te bewijzen. De moraal van het verhaal: denk goed na als je een nieuw auto gaat kopen. Gebruik niet alleen je emotionele betrokkenheid bij je automerk, of je verstand, maar luister heel goed naar het gevoel dat een auto oproept bij anderen. Anders zou er zomaar eens een verkeerd beeld kunnen ontstaan over wie jij bent. Nog maar 3 jaar en 8 maanden mannen bevechten en vrouwen van je afslaan te gaan, lieve vriendin. Sterkte.

AAG
AAG-klein

Gezellig toch?

Tijdens mijn studie volgde ik het vak politieke theorieën. Klinkt gortdroog, ik weet het. Maar de Ierse prof had absoluut zijn roeping als stand-up comedian gemist, wat zijn colleges tot een waar feest maakte. Volgens hem waren er twee Nederlandse woorden in de politicologie waar geen vertaling voor mogelijk is en die overal ter wereld gebezigd werden: apartheid en verzuiling.

Een ander Nederlands woord heeft inmiddels ook internationale bekendheid verworven: gezellig. Onvertaalbaar. Probeer maar eens: gemütlich of cosy dekken de lading gewoon niet helemaal. Daarbij mis je dat Oer-Hollandse sausje waarmee het overgoten is, de kneuterigheid. Het bij de kachel met een kop chocolademelk en een op de achtergrond pruttelende pan erwtensoep je bevroren schaatstenen ontdooien-gevoel, zeg maar. Kerst is de ultieme tijd voor gezelligheid, vindt men. Of je het wilt of niet. Zo loop ik al sinds 5 december met een setje oordoppen rond tijdens het shoppen. Een goede Christmas Carol, à la. Maar tegenwoordig wordt iedere artiest gepusht om dè kersthit te produceren en die staat dan met alle andere last Christmassen non-stop op non-stop repeat bij Sky Radio. In iedere winkel. Want kerstsfeer. Gezellig. Alsjeblieft zeg.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de huisaankleding met kerstkransen en -stukjes, of de verbijstering die je ten deel valt als je niet aan een kerstboom doet. Waarom zou ik? Hij staat drie weken verschrikkelijk in de weg naalden te ruien en extra stofzuigbeurten te veroorzaken terwijl ik minimaal de helft van de tijd niet thuis ben. En alles is ineens alleen maar verkrijgbaar in rood, wit of zilver. Of eeuwig groen. Waar staat die kleurwet genoteerd? Vorige week heb ik stad en land afgespeurd naar paars/roze lelies die wel bij mijn interieur passen, maar niks, nakkes, nada. Ze zijn er hooguit in de graftakkenvariant. En dat is zelfs mij te gortig om een beetje geur in huis te halen die niet verplicht naar dennen ruikt.

Dan nog de kadootjes stress waarvoor extra koopavonden worden ingesteld, waar we massaal gezellig voor de stad in gaan. Wacht eens… hadden we niet een paar weken voor Kerst al een kadootjes dingetje? Traditie? Iets met maan door de bomen, een stoomboot en schoorstenen? Is dit niet weer het zoveelste uit een Anglo-Saksisch gebied overgewaaid commercieel feest-iets (zie Halloween en Valentijnsdag)? Vorige week was het trouwens foute kersttruiendag op alle kantoren. Doet in eerste instantie – heel gezellig – denken aan mijn lieve oma die vanaf september de blaren op haar vingers zat te breien om alle kleinkinderen onder de boom een gloednieuwe trui te kunnen geven. De mijne was Noors. Heel mooi met sterren en in mijn kleuren: aubergine en roze. Maar op Kersttruiendag moet ie lelijk zijn. Rendieren die kerstballen braken, sneeuwpoppen met kerstmuts en een buitenboord bungelend oranje wormvormig aanhangsel waar je vooral niet bij na wilt denken, alles mag. Waarom zouden we in vredesnaam deze Britse gewoonte om collectief voor schut te lopen adopteren? Ook daar is iets op bedacht: je doet het voor het goede doel erachter. Voel je hem? Die zachte dwang?

En dan heb ik het nog niet gehad over het eten. Eén kersttafel is al gedekt: verplicht gourmetten, want dat vinden we hier in Nederland nou eenmaal gezellig. Hoe je die andere dag dan nog gezellig een vijfgangendiner op tafel moet zien te krijgen? Want ook dat hoort zo. Minstens één culinair verantwoorde uitspatting. De supermarkt app lijkt soelaas te bieden: kies je menu, tap ‘zet alles op mijn lijst’ en volg de kookinstructies op je tablet. Ook jij kan een chef zijn. Jahaa, dat dacht je. Er zijn in jouw regio honderden mensen die dat ook bedacht hebben. En die dus allemaal voor dat ene exclusieve ingrediëntje gaan. En daar is niet op ingekocht, dus grijp je mis in die overvolle supermarkt één dag voor Kerst. Eeeeh! Geen herkansing, morgen is ie dicht! En aangezien we te moe zijn om zelf na te denken over een alternatief, en allang niet meer kunnen koken zonder hulp van de stap-voor-stapvideo, breekt dan echt de paniek uit. Om maar niet te spreken over de logistieke uitdaging van wat, wanneer, met wie moet worden gegeten. Drie of vier (groot-) ouderstellen is tegenwoordig doodnormaal.

Ik zeg: doe niet mee aan dit opgelegde gekkenhuis. Zet in plaats daarvan je apparaten uit, spreek een voicemail in dat je gezellig Kerst aan het vieren bent en zet een out-of-office reply op al je mailadressen met dezelfde boodschap. Begraaf je in bed, met dat boek waar je nooit aan toe komt en kook die grote pan erwtensoep. Sta op wanneer je wilt, mijd de theaters, bioscopen en concertzalen waar iedereen verplicht kerstfilms en voorstellingen zit te kijken -als de pest. Maak in plaats daarvan een thermosfles met warme chocolademelk om je gezelschap te houden tijdens een wandeling in de natuur waar je anders nooit tijd voor hebt. Want we moeten al zoveel, zijn constant overwerkt en overvoerd. Moeten we nou ook nog verplicht gezellig zijn en door een additionele stresshel gaan om dat te bewerkstelligen? Voor je het weet krijgt het eenzelfde negatieve bijsmaak als die andere twee onvertaalbare woorden van mijn Ierse prof. Laten we het vooral gezellig houden.

AAG
AAG-klein

Modegrill?

Afgelopen weekend rook ik ineens een brandlucht. Gealarmeerd begon ik mijn huis door te snuffelen, tot ik halverwege de keuken een kruising tussen déjà vue en Aha-erlebnis kreeg. Het zal toch niet weer….

Het was vorig jaar, een bloedhete zomerse dag. Ik deed de voordeur open en stapte een huis binnen dat blauw stond van de walmende rook. Als een razende rende ik naar de keuken, checkte de kookplaat, waterkoker, de wasmachine, alle mogelijke apparaten, stekkers… Niets. Ik stormde het balkon op, tegelijk met mijn buurvrouw die haar nachtdienst probeerde weg te slapen maar wakker was geworden van de rooklucht. We hoorden het eerder dan dat we het door de zwarte rookpluimen konden zien: biertjes die open werden getrokken, mannenstemmen, dreunende muziek op de achtergrond. We hingen over de balkonrand en zagen onze kersverse onderbuurman met zijn maatjes vrolijk lappen vlees op een walmende barbecue gooien. Het sissende vet had de enorme rookwolken tot gevolg waar wij zo van geschrokken waren.

Allereerst: ik ben niet tegen barbecue. Iedereen moet vooral lekker zelf weten wat ie eet. Toegegeven, ik zal zelf niet gauw een barbecue organiseren, maar ik doe gezellig mee, als er voor mij maar iets zonder dierlijke eiwitten te happen is. In dit geval werd ik nog witheter dan die grillplaat. In de maanden daarvoor hadden we namelijk al met de halve flat diverse aanvaringen met deze meneer gehad. We zijn best tolerant, hoor. Feestje prima, maar om 00.30 uur je muziek zo hard hebben staan dat jouw zes buren denken dat de muziek in hun eigen huis aan staat, nee. Tikken op muren en verwarmingsbuizen (de milde vorm van sociale correctie hier) hielp niet. Blijkbaar geen natuurtalent op sociaal gebied, dus uiteindelijk kwam rond half 2 de politie eraan te pas.
Hij reageerde verbijsterd: hij was alleen maar een beetje aan het chillen met vrienden, dat moest toch kunnen! Ohoh. Een paar dagen later was het weer bingo toen we om 04.30 uur met drie man sterk op zijn bel geleund hebben, tot hij met zijn verdoofde party-oortjes besefte dat hij weer iedereen zijn bed uit had gedreund. Als tegenreactie deden wij buren alles wat we normaal gesproken uit consideratie met buren uitstellen tot een fatsoenlijk tijdstip, zoals vanaf 6 uur ’s-ochtends wasmachines laten denderen en op hakken lopen. Tijdens een extreem vroege stofzuigsessie kwam hij met brakke kop op mijn bel leunen. Toen ik vriendelijk zei: “ja, vervelend he, als je buren geen rekening met jou houden,” leek het kwartje te vallen.
Nou niet dus, zo ontdekten buurvrouw en ik op onze balkonnetjes. We hebben hem over de balkonrand hangend gevraagd of hij nou werkelijk niet kon bedenken dat hij minstens 5 huizen vol stank en rook zette. “Nou en?”, was de reactie. Oooh-keee. Zelf uitdoen zat er kennelijk niet in. Dan dus maar een handje helpen. Dus heb ik met buuv samen een paar grote emmers water naar beneden gekieperd. Nog meer stank, maar de genoegdoening woog er ruimschoots tegenop. Prettige bijkomstigheid was, dat de buren van nog een verdieping hoger ondertussen de brandweer hadden gebeld, omdat ze dachten dat het gebouw aan het affikken was. Hij was door beide acties zo nijdig dat ik me serieus afvroeg of er klappen zouden gaan vallen. Dat viel mee. Het duurde, dankzij de slechte ventilatiemogelijkheden, vier dagen voor de geur van braadworsten en speklappen uit mijn huis verdwenen was, maar Goddank kwam er geen herhalingsoefening meer die zomer.

Dit jaar is barbecue echter hotter dan hot. Het is mij een raadsel hoe dit ineens zo’n modegrill heeft kunnen worden. Overal wordt immers gepropageerd MINDER vlees te eten. Beter voor je gezondheid, het milieu en het wereld voedselprobleem. Is het een tegenbeweging? Een lobby van de vleesindustrie? Een noodkreet van mensen voor wie “geef ons heden ons dagelijks vlees” het devies is? Wat mij in ieder geval opvalt, is dat het als een echt mannending gepresenteerd wordt. Maar misschien is het dat altijd al geweest: ik ken mannen genoeg die met geen stok de keuken in te meppen zijn, maar territoriaal worden zodra er een barbecue in het spel is. Het heeft iets oers, denk ik. Combi van fikkie stoken en de grotere behoefte aan proteïne vanwege meer spiermassa misschien?

In ieder geval vliegen de stoere grillmasters je overal om de oren. En daar schijnt een baard bij te horen. Geen idee waarom. Hele supermarktbladen zijn gewijd aan de zomerse kunst van het vlees grillen. Een Belgisch biermerk geeft gratis firestarters mee bij een kratje, ter aanvulling op hun reclame waarin BBB ineens een hele andere betekenis krijgt dan in de sportschool: Bier+Baard+Barbecue. Gisteren kreeg ik een mailtje van Thuisafgehaald dat ze hun meest actieve mensen graag willen uitnodigen voor, jawel, een barbecue. Met een masterclass Fatty maken door een heuse grillmaster. Schijnt een Amerikaans BBQ klassieker te zijn. Een grillmasters’ plaatje was bijgevoegd: wederom een baardige man. Extra grappig: er staat met KOEIENLETTERS in hun database dat ik vega(n) kook en mijn actieve status is daaraan gerelateerd. Ik heb maar een mailtje teruggestuurd dat ik dat feestje even oversla.

Bottomline: BBQen is hét werkwoord van deze zomer. De buurman onder mij leek uit de hype in ieder geval voldoende moed te hebben geput om de barbeknoei toch weer op het balkon te gaan stoken: Iedereen doet het immers? Ik had de emmer alweer klaarstaan, maar blijkbaar had onze opvoeding toch resultaat gehad. Op mijn vriendelijke opmerking of hij misschien vergeten was dat we hier niet aan buren uitroken doen en dat er voor de onbedwingbare BBQ neigingen in het park speciale plaatsen zijn ingericht, volgde een mompelend sorry en werd het fikkie geblust.
Maar heel, heel even flikkerde er iets in zijn ogen. Dat koeien heilig kunnen zijn wist ik al, maar dat dit buiten India ook opging voor de levende (nah ja, ooit eens) variant niet. Het roosteren van vlees als een soort van fundamenteel recht: kom daar niet tussen.
Waarom? Volgens het Belgische biermerk moet je een man zijn om dat te weten. Heren, anyone?!

AAG

AAG

Vlucht Arizona

“Vindt u dat zelf nu ook niet erg provocerend?” Ik schrik op uit mijn geduldig-wachten-stand en kijk de medewerkster van de security controle op Schiphol enigszins verward aan. Onverstoorbaar knikt ze naar m’n borst. Het duurt twee lange seconden voordat ik doorheb wat ze bedoelt. Haar opmerking blijkt zo absurd, dat ik mijn begrip voor de gedachtegang van een ander persoon weer eens overtroffen heb. Ze heeft problemen met mijn halsketting waar een klein pistooltje als bedel aanhangt. “Er zit ook een bloemetje aan”. Ik probeer de boel nog luchtig te houden. Haar houding wordt er niet losser van. Mijn geliefde pistooltje om m’n nek heeft niets met geweld te maken. Het is mijn kleine persoonlijke ode aan de cowboy en diens onvermijdelijke accessoire.

Mijn liefde voor de cowboy begon al heel vroeg. In mijn kindertijd waren er twee populaire western series op tv. Bonanza en Rawhide. Je moest een favoriet hebben. Bonanza vond ik een beetje voor sukkels. Ik hoorde bij de Rawhide fans. Ondanks mijn jonge leeftijd zag ik het al, daar zaten de stoerste en knapste mannen bij. Zij bleven niet thuis bij hun liefhebbende vader op de eigen ranch, maar maakten met hun koeien een enorme reis door het ruige landschap van Amerika. Onder hen ook debutant, Clint Eastwood. Met de films ‘For a few dollars more’, ‘A fistfull of dollars’ en natuurlijk ‘The good, the bad and the ugly’, zou hij uitgroeien tot de personificatie van De Cowboy. Na deze tv-series kwam ik op een leeftijd, dat ik zelfstandig naar de bioscoop mocht. Geen western heb ik niet gezien.

Fascinerend is, dat het in de cowboy films uit de hoogtijdagen in de eind 60-er en begin 70-er jaren, steeds minder om de daadwerkelijke koeiendrijver ging. De cowboy als hardwerkende man sprak wat minder tot de verbeelding dan de outlaw die hij zou worden. Hij veranderde van een beschermer van de kudde in een rondtrekkende premiejager. Of in het beste geval een met geweld gepaard gaande probleemoplosser; de moderne Robin Hood. Hij werd ruiger, maar zeker niet minder populair. Ondanks de vaak criminele manier van leven wist hij zich toch geliefd te maken. Hij schoot dan wel regelmatig mensen neer, maar dan toch vooral heel slechte mensen. En als hij bij het overvallen van een bank uit pure noodzaak de onschuldige bankbediende had moeten neerhalen, dan zorgde hij er anoniem wel voor dat het de achtergebleven weduwe met haar kinderen aan niets zou ontbreken. Niet helemaal goed, maar zeker ook niet helemaal slecht. Daarbij was hij intelligent, had weinig woorden, maar des te meer daadkracht en was hij vooral fysiek woest aantrekkelijk. Elke man wilde hem zijn en elke vrouw bij hem.

Met de komst van de meer maatschappij kritische western ontstond een loyaliteitsprobleem. De geschiedenis van de Indianen kreeg een realistische, trieste rol binnen de western. Een vredelievender, meer met de natuur in harmonie levend volk is niet denkbaar. Sommige westerns gaven nog de ruimte om te kiezen voor wie je was, ook de Indianen konden de bad guys zijn. Maar na het zien van Soldier Blue (1970) was dat voorgoed voorbij. Deze film verhaalt over de slag bij Sand Creek, waarbij een ongewapende Cheyenne nederzetting bijna volledig werd uitgeroeid door het Amerikaanse leger. Om zijn vreedzame bedoelingen te laten zien begroette Wolf, de chief van deze groep, het aanstormende leger met een Amerikaanse vlag in de hand. Het leger beantwoordt dit met eerst het uitmoorden van alle ongewapende mannen, om daarna de vrouwen te verkrachten en die vervolgens samen met de kinderen alsnog om te brengen. De film laat geen ruimte voor romantiek. Het bloed spat van het scherm. En daar zit je dan met je adoratie voor de cowboy.

De western verdween naar de achtergrond om daar minimaal twee decennia te blijven. Genoeg om een klein beetje op adem te komen. Gedurende die jaren was ik er niet dagelijks mee bezig, maar soms trok er een nostalgische zweem door m’n gedachten: “waar is de western, …zijn de cowboys gebleven?” Ze bleken niet voorgoed weg, hielden zich schuil voor weer betere tijden. Inmiddels is de western terug en veel is hetzelfde gebleven. Gelukkig maar, mythes moeten niet al te veel verstoord worden. Maar er zijn ook elementen toegevoegd. De cowboy is niet altijd meer de stoere en zwijgzame adonis en de vrouwen zijn niet meer uitsluitend mooie en begripvolle prostituees. Wonderschoon worden die nieuwe aspecten verenigd in de western True Grit (2010) van de gebroeders Coen. De hoofdpersonages zijn geen knappe revolverhelden maar een verlopen, norse sheriff en een 14-jarig intelligent, vastberaden meisje. En dat gecombineerd met scherpe dialogen. Top!
En zo zijn er meer films waarin de cowboy menselijker, minder een karikatuur is geworden. Een mooie ontwikkeling, maar het verlangen naar die sexy in de verte turende, zelfverzekerde loner zal er altijd blijven.

Ik ben door de security en loop na reprimande, maar met pistool richting incheckbalie. Vlucht UA 1948 zal me brengen naar Arizona. En daar, in het Wilde Westen van mijn verlangen doolt hij, de cowboy, nog rond. Al is het er maar één, ik ga hem vinden.

Tekst: Lydia Verhoef

Fietsseizoen-de aftrap

Vandaag was er eindelijk zon. Ook was het niet langer zo koud dat mijn vingers en kuiten bevroren bij alleen al de gedachte om naar buiten te gaan. Nog belangrijker: het waaide niet meer zo hard dat ik kans liep om met lichtgewicht fiets en al te worden opgetild en voor auto’s neer te worden gesmakt. Ik weet het, de echte bikkels en de profs zijn al veel eerder begonnen. En nu ging mijn bloed ook kriebelen. Heel erg zelfs. Het is FIETSSEIZOEN!

Een goede voorbereiding is het halve werk. Fietskleren genoeg, al mag Joost weten waar ik de mouwen van mijn fietsjackie heb gelaten. Dat kon wachten. Het werd tijd om de fiets letterlijk van stal te halen en in de binnentuin in het zonnetje te zetten. Banden prima. Maar – foei! – ik ontdekte nog herfstmodder op het frame. Ik poetste het liefdevol schoon, en voorzag de ketting van wat fijne biologisch afbreekbare olie. Daarna was het time to get really dirty: mijn remblokken waren nodig aan vervanging toe. Ik ging de berging in om het al eerder aangeschafte verse stel blokjes en mijn gereedschap te pakken en vond bij terugkomst drie mannen die over mijn fiets stonden gebogen.

Stel je bent een man. De zon schijnt en je ziet een vrouw in T-shirt, kort spijkerrokje op hippe laarzen een racefiets poetsen. Toegegeven, dan zou ik ook barsten van nieuwsgierigheid en een pauze nemen. En mijn fiets mag er best wezen. Ik keek als een trotse moeder toe hoe zij – zich volkomen onbewust van mijn terugkeer – wat technische termen over en weer slingerden. Wielertaal beheers ik inmiddels aardig, maar de precieze benamingen van alle onderdelen ken ik niet. Ik weet dat mijn fiets een Giant is en het leeuwendeel van wat eraan hangt Shimano, en dat laatste heb ik alleen maar onthouden dankzij de documentaire ‘Nieuwe helden’ over de Argos-Shimano ploeg. Maar persoonlijke helden heb ik niet. Alhoewel… Dumoulin komt er dichtbij. Al is het alleen maar omdat hij de verslaggever die hardnekkig naar een negatief verhaaltje bleef hengelen het nakijken gaf toen hij voor de zoveelste keer pech had bij de Amstel Gold Race, om vervolgens doodleuk de eerste dagen van de Giro – in Nederland!! – in de roze trui te gaan rondcrossen.

Terug naar mijn Giant-Shimano. De mannen bij mijn fiets moest ik op een gegeven moment wel storen in hun onderonsje. Mijn huismeester met twee rechterhanden keek van mij naar de tot het bot versleten remblokjes en zei: “Heb je wel…” “Inbussleutels?” vroeg ik, “Tuurlijk.” Verbaasd keek hij toe hoe ik mijn reparatiesetje openritste, de juiste sleutel koos en monter de blokjes los begon te schroeven. Hij hield mijn fiets volkomen nodeloos rechtop; ik slikte de opmerking in dat mijn standaard nog wel prima functioneerde maar in. Toen mijn handen en lange nagels zwart werden van het smeer kon hij het niet langer aanzien. “Heb je dit wel eerder gedaan dan?” “Nee… gewoon een kwestie van uitproberen.” Hij schudde zijn hoofd. “Geef hier dan. Doe ik het ff.” Ik bleef koppig zoeken naar de juiste combi van piefjes om de blokjes op de juiste afstand van de band te krijgen. “Als ik middenin de polder zit moet ik het ook zelf doen.” De andere twee heren waren hun schroom verloren nu ik één van hen bleek te kennen. Drie man sterk coacheden ze me door het eerste blokkie heen. “Beetje omhoog!” en “Vast is vast, hè!” behulpzaam in de remmen knijpend en aan het wiel draaiend om te kijken of ie aanliep. De drie blokjes daarna gingen 10 keer zo snel. Eéntje zei wijselijk: “En nu even testen hè. Als het niet goed is, kan je het hier nog stellen, zo, dit losdraaien en dan aantrekken”. Joh. Dat wiel had ik nou toevallig wel al uitgevonden. Een ander ging in zijn dadendrang maar een bijdrage leveren in de vorm van koffie halen, die ik – uiteraard – wel dankbaar accepteerde.

Tijd voor dat testrondje. Nou gaan kort spijkerrokje en wielerhouding niet samen, maar ze keken zo serieus en hoopvol dat ik mijn trots maar inslikte. Ik vroeg wel mijn huismeester de telefoon uit mijn kontzak te vissen omdat die anders onherroepelijk bij de eerste bilbeweging op de keien zou kletsen en klom met smerige handen en al op mijn fietsje. Hierna ging ik de handvaten toch vervangen. Tijdens mijn rondje bleven ze me coachen: “Even doortrappen, beetje snelheid maken! Langzaam inknijpen die remmen!” Toen ik afstapte zei mijn huismeester: “Jij bent geen echt meisje hè.” Hij is een Scheveninger, die hebben wat aparte humor dus ik was niet zeker of het positief was. Ik keek hem eens aan, maar het leek in de verste verte niet op de belediging die ik ooit eens van een vriendin naar mijn hoofd kreeg geslingerd toen we samen op vakantie waren en ik zee alleen maar associeerde met als een gek kajakken terwijl zij de godganse dag wentelteefje lag te spelen: “Weet je zeker dat je wel een meisje bent?!” Nee, geen echt meisje uit de mond van mijn huismeester was bedoeld als licht bewonderende constatering. Volgende stap is een stoer wijf, maar dat heb ik nog niet bewezen. Ik denk dat ik daarvoor eerste de Hollandse bocht zal moeten ronden of de hel van het Noorden zal moeten trotseren. Maar vooralsnog is ‘geen echt meisje’ mijn geuzennaam. Laat dat wielerseizoen maar komen.

AAG
AAG

Virtual Reality, de hype voorbij

Tot voor kort was ik als filmmaker nog niet echt geïnteresseerd in ‘Virtual Reality’ (VR). Ik vond het een hype en de zoveelste gimmick die toch wel weer zou overwaaien. Maar hoe meer ik erover las en er ook zelf daadwerkelijk mee aan de slag ging, des te meer veranderde ik van mening. Ik vind het een fascinerende nieuwe kijkervaring waar je als kijker volledig wordt ondergedompeld in een andere tijd en ruimte.

Maar wat is Virtual Reality eigenlijk? Virtual Reality komt tot ons, via een soort headset met een beeldscherm. Je zet de headset op die verbonden is met een laptop en start een video of applicatie. Al kijkend naar het beeldscherm heb je het gevoel alsof je daadwerkelijk in de wereld van jouw video of applicatie aanwezig bent. Waar passieve media niet altijd in slagen, ga je als kijker in VR helemaal op. Je bent onderdeel van de scene en leeft in de gegeven tijd, plaats en dus in het verhaal. Er staat geen camera tussen jou en de situatie want in VR ben jij de camera, het is jouw perspectief. VR makers kunnen bepalen welke rol jij in het verhaal aanneemt maar in VR gaan de verhalen over jou, de kijker. De impact en betrokkenheid is daarom meeslepend.

De potentie van de VR film om de kijker te verrijken met nieuwe inzichten is vele malen groter vergeleken met andere media. Door de werkelijkheidservaring, oftewel empathie, wordt de connectie tussen de kijker en het verhaal zeer versterkt. Je kunt zo in de meest confronterende situaties terechtkomen. Zo kan de beleving versterkt worden door een virtuele oriëntatie van je lichaam. Een prikkelend voorbeeld van deze toepassing is bijvoorbeeld porno. In de journalistiek kan VR een betere weergave van de waarheid geven dan traditionele film- of fotojournalistiek dankzij een 360 graden weergave. Er zijn ondenkbaar veel terreinen waar de toepassing van VR voordelen zou kunnen opleveren zoals bij het verwerken van trauma’s, het trainen van astronauten en de verkoop van huizen. Ook voor onderzoeksdoeleinden is VR geschikt. Psychologen gebruiken VR om raciale vooroordelen te testen bij mensen met een blanke huidskleur door ze in een virtuele wereld een donkere huidskleur te geven. En afgelopen januari werd op de Vakantiebeurs in Utrecht VR gebruikt om de bezoekers te laten ervaren hoe het is om te paragliden.

Als filmmaker ben ik ondertussen behoorlijk enthousiast geworden over VR. Ik ben vooral benieuwd naar wat VR ons de komende tijd zal brengen. Het ziet er naar uit dat Virtual Reality definitief zijn intreden heeft gedaan. In 2016 zullen er waarschijnlijk meer toepassingen bijkomen en ik verwacht dat het commercieel gebruik zal toenemen. Als filmmaker ben ik in ieder geval erg blij dat in Amsterdam op de Oosterdokskade al de eerste VR bioscoop is gevestigd.

Tekst: Jasmijn Schrofer

Lumière Maastricht

Het is de ster onder de filmhuizen: Lumière Maastricht. Gevestigd in de voormalige elektriciteitscentrale van de Sphinxfabrieken, aan de binnenhaven bij de Maastrichtse Bassinkade. Na een verbouwing van bijna twee jaar is de oude stroomfabriek veranderd in een complex met zes bioscoopzalen en een grand Restaurant Café.

Ondanks de ruime, functionele opzet weet Lumière de intieme sfeer van een filmhuis te behouden. Veel oorspronkelijke materialen zijn verwerkt in het gebouw en overal is het aardewerk aanwezig waar Sphinx zo bekend van is. Industriële functionaliteit en intimiteit vallen ook te bespeuren in het Restaurant Café. Het staat vol met moderne meubels in strakke bekleding van leer, wol en vilt, maar her en der hangen ook kristallen kroonluchters. Overal zie je metaal: het komt terug in lampen, stellages en in meubels. Moderniteit wordt vermengd met lokale symboliek: hoog in de nok van het gebouw hangt een paar vleugels, een speelse verwijzing naar de engel in het wapen van Maastricht.

Fotografie:Philip Driessen

Friet in Amsterdam

Als ik trek heb, niet in de buurt ben van mijn keuken en geen zin heb om in een restaurant te eten, ga ik op zoek naar een gelegenheid waar je eten kunt afhalen, maar waar ook een paar tafeltjes en stoeltjes staan voor mensen die ter plekke de bestelde gerechten willen opeten. Het zijn dit soort plekken in een stad waar een grote diversiteit aan mensen komt eten. Hoe gevarieerder het publiek des te beter het eten meestal is. Mensen kunnen op allerlei manieren van elkaar verschillen, maar iedereen weet wat lekker is en daarover is men het verbluffend vaak eens: een frietje, al dan niet aangevuld met mayonaise of een andere saus. In Amsterdam zijn fotografe Jasmijn Schrofer en ik op zoek gegaan naar friettentjes waar we de lekkere trek en soms gewoon onze honger konden stillen met een patatje.

In Amsterdam heb je dan genoeg keuze. Of je nu op het Muntplein staat of honger krijgt als je op de Reguliersbreestraat, het Rembrandtplein of de Ferdinand Bolstraat loopt: overal vind je snackbars. Uiteindelijk kwamen we terecht bij vijf adresjes, verspreid over de uithoeken van Amsterdam en stuk voor stuk heel eigen. Zoals de Frietsteeg op de kruising Stadionkade/Parnassusweg. Dit Hans en Grietje-huisje kan hooguit vijf wachtenden ontvangen terwijl hun snack gefrituurd wordt in de roodgeverfde keuken waar zelfs de radio rood is. Maar buiten staan er voldoende houten zitblokken waarop je alles rustig kunt opeten. In de keuken liggen de aardappelen ongeschild klaar en de frieten worden ter plekke gesneden. Onze frieten waren knapperig en hadden een flinterdun zoutlaagje. Zelfs koud waren ze lekker.

NatuurlijkSmullen-2We zijn langs veel kotjes gereden op zoek naar een afhaalbar met een paar tafeltjes en stoeltjes, waar Jan en Alleman komt en waar aardige bediening ons helpt kiezen uit een keur aan sauzen. Bij Natuurlijk Smullen aan de Jan van Galenstraat zit je in een soort woonkeuken waar de dame achter de frituur de scepter zwaait en het stoofvlees bereidt volgens eigen recept. Alles smaakt heerlijk huisgemaakt. Als je de frietjes ter plekke opeet, krijg je er een bakje appelmoes bij. En je mag zelf biologische sapjes of fruitdrankjes uit de koelkast pakken.

In Amstelveen vind je aan de Kalfjeslaan de moderne buurtsnackbar Frietfabriek. Ook hier staat afhalen centraal, maar is er genoeg plaats om zittend op een kruk door grote ramen lekker te loeren naar alle voorbijkomende fietsers, voetgangers en auto’s. Op een schoolbord staan het type aardappel en het soort vet dat op dat moment gebruikt wordt in de keuken. Ook hier zagen we de ongeschilde piepers in grote netzakken liggen en werd de friet geschild en gesneden waar we bij stonden. Er staan vijftien sauzen op het menu, maar we hadden geen idee welke namen bij welke smaken hoorden en mochten even voorproeven. Wij kozen voor een triootje van romig, pittig en zuur. Ook hier konden we biologische sapjes of fruitdrankjes zelf uit de koelkast halen.

Par HasardEen bijzondere vogel in de Amsterdamse snackbarvolière is Par Hasard aan de Ceintuurbaan. Deels is het een restaurant en deels een afhaalbar waar de frieten worden gebakken en banken staan om op te zitten terwijl je wacht. Het donkerbruine restaurant is een Franse bistro met een aparte wijnbar. Bijzonder is dat snackbar, wijnbar en restaurant in elkaar overgaan zonder dat de identiteit van Par Hasard onduidelijk is. Als je daar je frietje wilt opeten ga je gewoon in het restaurant aan één van de houten tafels of aan de bar zitten. De friet is goed gebakken, de mayonaise is homemade, de kroketten zijn van Holtkamp en de frikandellen van slagerskwaliteit. De frietzak, het terracotta schaaltje met mayonaise en de frikandel in plastic bakje worden geserveerd op een klein, elegant zilverkleurig dienblaadje.

EiburghEen andere aparte vogel is Eiburgh Snacks aan de Zuiderzeeweg. De keuken staat in iets wat een kruising is tussen een tuinhuisje, een tent en een container. Binnen en buiten staan stoelen en banken van verschillende makelij die allemaal comfortabel zitten. Eiburgh ligt strategisch goed. Toevoerwegen naar de ringweg, tramhaltes, een parkeerplaats en fietspaden liggen er allemaal in de buurt.
Ondanks dat Eiburgh naast een verkeersknooppunt ligt is de omgeving groen. Zittend op een bankje en knabbelend aan een degelijk gemaakt frietje zie je het gras en de veldbloemen in de bermen en de bomen in de omliggende laantjes.

Tekst: Polly Parker
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Fragments in time

Dit schilderij, getiteld ‘Shop’, is uit de laatste serie werken van de Nederlandse beeldend kunstenaar Myra de Vries (Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, 2001). Myra’s schilderijen gaan over de eindeloosheid van de tijd en de onbeduidendheid van de mens daarin. In haar doeken belicht zij de wisselwerking tussen mens en natuur. Vooral het vermogen van de mens om zijn totale omgeving te veranderen en daarmee zelfs het eigen voortbestaan te riskeren, fascineert haar.Myra1 ‘Shop’ brengt op bijna poëtische wijze de mogelijk toekomstige afwezigheid van de mens in beeld. Verleden, heden en toekomst komen samen. Droombeelden versmelten met filmische landschappen en overweldigende natuur contrasteert met de nietigheid van het menselijk bestaan.
Solo-expositie Myra de Vries: Fragments in time.
Van 17 maart t/m 16 april bij Vonkel-actuele beeldende kunst, Den Haag.
www.vonkel.nl

Tekst: Thierry Reniers

Wat is het toch met dresscode?

Wat is het toch met dresscode? Het voorschrift hoe je je dient te kleden is lang niet altijd zo overduidelijk als op de uitnodiging voor – laten we zeggen – een feestje. Het is een sociaal aspect, een community dingetje. Als je de plank misslaat, dan ‘hoor je er niet bij’. Overdressed zijn op feestjes is net zo erg als underdressed en dat geldt echt niet alleen voor vrouwen. Per slot van rekening slaan de officiële dresscodes als tenue de ville, black tie en white tie, allemaal op herenkleding. De passende dames outfits zijn daarvan af te leiden.

Als de dresscode nou maar beperkt blijft tot feestjes en partijtjes, dan is het allemaal wel te doen, google is your best friend. Maar het heerst overal. Op straat, op kantoor, bij je sociale clubs, bij het uitgaan. Het verschilt per stad, per locatie en per situatie. Vaak is ie er onderhuids, en hoor je het ‘gewoon’ te weten. Hoe dan? Dat kan alleen als je je in die specifieke omgeving beweegt. Anders moet je maar gokken en er het beste van hopen.Het is niet voor niets dat met enige regelmaat de schooluniform discussie weer oplaait: afwijkende kleding staat hoog in de top tien van redenen om gepest te worden. En niets, maar dan ook niets is erger dan buiten de groep vallen. We zijn en blijven kuddedieren, en als we eens goed in de spiegel kijken herkennen we allemaal wel die angst voor een kledingmiskleun. Hoe oud we ook zijn en of we nou van Mars of van Venus komen.
Soms kan het echt niet missen: dat je geen wit draagt op een bruiloft mits het je eigen is: volkomen helder. En in een Feijenoordshirtje op de F-side gaan zitten: GEEN goed idee. Maar laten we eens een regel nemen die overduidelijk lijkt: sportkleding naar werk doe je niet. Zeker niet als vrouw. Als je al op de racefiets of hardlopend naar je werk gaat, waar dan ook, je kleedt je om. Tot je een keer een bijbaantje hebt bij een postsorteercentrum, je door het weer gedwongen bent een winterfietsbroek aan te trekken, je die in de plee wil vervangen en dan te horen krijgt: “Hoezo? Kicken broek toch, gaaf stofje en cool, van die lichtgevende naden.”
De kledingvoorschriften op kantoren dan? Makkelijker, denk je. Formeel, met hooguit het verschil in de kleine details: of huidkleurige panty’s kunnen, felle kleuren, welke das of schoenen done of not done zijn.
Maar… per sector kan het verschillen! In de culturele wereld hoeft kantoor personeel niet per se in pak tenzij ze naar iets belangrijks gaan. Bij een webdesign bedrijf moet je er bij wijze van spreken weer als een sociaal gestoorde bèta-nerd uitzien om erbij te horen. En waarom krijgen we allemaal bij professoren meteen het beeld van tweedjasjes, coltruien en ribbroeken? Juist.
Advocatenkantoren dan? Kat in het bakkie: strak in het pak. Nee hoor. Ik ken een advocaat intellectual property die gympies en spijkerbroek met jasje draagt. Om zijn cyber-cliënten op hun gemak te stellen. Terwijl een verdieping hoger de corporate afdeling zich volledig in krijtstreep, liefst ook nog driedelig, hult. Zelfde kantoor, hemelsbreed 3,5 meter afstand.
Wat het helemaal ingewikkeld maakt is dat je outfitkeuze zelfs binnen dezelfde sociale omgeving subtiel zou moeten verschillen, afhankelijk van de locatie bijvoorbeeld. Arty-farty of in spijkerbroek met gympies naar een klassiek concert gaan kan in het muziekgebouw aan ’t IJ prima, in het Mokumse concertgebouw loop je daarmee het risico de indruk te wekken dat je TOT de culturele wereld behoort. Of dat je op zijn minst zo’n hardcore concertbezoeker bent dat je niet langer de moeite neemt om je aan te passen. Sterker nog, het verschilt binnen datzelfde instituut ook nog eens per concertserie. Voor de Zondagochtend gelden andere codes dan bij het KCO publiek.
Nog zoiets: dresscode en macht. Wist u dat de President van de Verenigde Staten nooit een overjas hoort te dragen? Zo laat ie zien dat ie sterk is. Geen enkele POTUS heeft het ooit aangedurfd om die ongeschreven wet met voeten te treden. Tot Obama. Het meest bizarre is dat het omverschoppen van dit heilige huisje zijn reputatie van sterk leidersfiguur juist bevestigt. Dus heel zelden slaagt iemand er wel in om los te breken, door een combi van heel veel lef, een overdosis aan charisma en een vanzelfsprekend zelfbewustzijn: allen kenmerken van een geboren leidersfiguur. Voor de rest van ons mindere goden blijven de regels van onze soort gewoon bestaan, waardoor we gedwongen zijn de kudde te volgen waar we op dat moment deel van uitmaken. Voor velen een geruststellend gevoel. Niks mis mee. Voor de paar mensen die graag denken uniek en onderscheidend te zijn: ook jij bent wat je draagt. There is no such thing als 100% individualisme. Dresscode is overal.Hoe deprimerend of gekmakend dat ook moge zijn.

AAG
AAG-klein