De man achter de afdruk

Maak kennis met de man die zijn werk beschrijft als experimenten die een afdruk achter laten. Wim Warrink groeide op in Drenthe, in een dorpje vlakbij Emmen. “Een jeugd vol met jongensdingen”, zo vertelt hij. Met vrienden uit het dorp ging hij in zijn vrije tijd hutten bouwen, crossbanen aanleggen en oorlogje spelen in het bos. “Dat soort dingen deden we allemaal”, legt hij uit.

Zijn vrienden doen nu compleet andere dingen. De één is slager, de ander werkt in de bouw en weer een andere vriend is in hart en nieren, boer. Zijn vrienden begrijpen vaak niet wat hij aan het doen is, maar zij zorgen er wel voor dat hij projecten aan durft, omdat hij weet dat hij er niet alleen voor staat. “Als ik hun hulp nodig heb, helpen ze mij met advies, mentale steun of met fysieke arbeid”, vertelt hij. Ook in Groningen en Friesland heb ik fijne mensen om me heen die me het vertrouwen geven grote projecten aan te gaan.

Portretschraper, 2013

Na een opleiding elektrotechniek in Emmen ging Wim in 2006 verder met een opleiding industrieel productontwerp in Leeuwarden. Hij vond in 2011 uiteindelijk zijn plek bij de kunstacademie Minerva in Groningen waar hij in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs won. Een bezoek aan een tentoonstelling van het Gentse museum voor hedendaagse kunst, SMAK, was voor Wim een eyeopener. Daar zag hij in een statige museumzaal blokken hout hangen, gebundeld in een touw aan een muur, en zag hij overal stukken biels op de grond liggen. “Ik keek daarnaar en dacht, jeetje wat gaaf eigenlijk, is dit ook kunst?”, vertelt Wim, “en op het moment dat ik dát besefte, was ik om – ik wist niet dat zoiets mocht. Ik had tot dan toe nog een hele klassieke opvatting van kunst.”

En zo begon het allemaal. Enkele jaren later maakte Wim installaties waarin mechanische- en menselijk kracht samenkomen. In zijn werk, Blikkenleger (2014), worden grote verfblikken leeggeschoten. Een projectiel wordt daarbij op de achterkant van het verfblik afgevuurd waardoor de verf uit het blik schiet.

Blikkenleger, 2014

In het werk de portretschraper (2013) probeert Wim een metaalplaat met het profiel aanzicht van Galileo door een homp klei te duwen. Het portret, de verfafdrukken, de metaalplaat, de machineconstructie, de leeg geknalde verfblikken- het zijn allemaal onderdelen die zijn kunstobjecten tot een evenwichtig geheel maken. Voor zijn nieuwste project maakte Wim lichtobjecten waarbij de hoofdrol niet weggelegd is voor mechanische kracht, maar voor compositie en verbondenheid tussen de diverse onderdelen. Hoe deze lichtobjecten tot stand zijn gekomen kun je lezen in het artikel Spiritualiteit? Welnee!. Tot 31 maart zijn zeven lichtobjecten van Wim te zien in de expositie Technisch Licht, in het Groninger Forum aan de Oude Boteringestraat in Groningen.

Tekst: Wim Warrink
Fotografie: Mente Warrink (Portret), Joyce Ter Weele (Blikkenleger), Tijmen van Dijk (Portretschraper)

Wasted cowboy

“Waar ik aan denk bij het woord Urban Cowboy? Ehm, ik denk vooral aan misplaatste cowboys die een beetje verward om zich heen kijken en zich afvragen hoe ze vanuit het Wilde Westen ineens in een vinexwijk terecht zijn gekomen………en ik moet denken aan van die oudere mannen met cowboyhoeden en sjekkies in de mondhoek, in de categorie vieze oom maar ook in de categorie neo-hippie; van die cowboyhoeden die op alles, van metalfestivals tot comic-cons en cosplayfeesten, rondlopen. Zou ik de term al moeten kennen?” (Inge Aanstoot)

Illustratie: Grafische Kamer

stop op contact

ik had deze dag contact met de caissière
zo een die je pas al voor
de boodschappen scant
en op de toonbank legt
met een blik in haar ogen

en met een vriend
aan de lijn die niet kon komen wegens
stroomstoring en over stroom gesproken
met het koffiezetapparaat

en met de deur die nog open stond

en wat afsluiten betreft
in elke weg lag een geluid
of een bericht

ik had contact met mijn smoezen
zodat ik mezelf voor de gek kon houden
ze lagen languit in mijn geheugen
op me te wachten in een strandstoel
aan een zee van gedachtes

steeds voor elke vloed
word ik geëbd

zo zal het gaan
er wordt op me gewacht
en met mij gaat het altijd druk

Gedicht: Philip Rozema
Illustratie: Viola Gesmundo

Het Bos- een playlist.

Zet een paar bomen bij elkaar en er ontstaat een systeem, een levend mechanisme, een wezen dat ademt, grinnikt, glimlacht en nukkig is met donkere grillen en grollen. Kortom: het bos. Marije de Boer laat je het temperament van het bos begrijpen met haar playlist.

Noem me sentimenteel, verwijt me kinderachtigheid, maar wanneer ik denk aan het bos dan zie ik kabouters die onder hun paddenstoelen vandaan komen om het bos te ontdekken. In het nummer- Sun My Sweet Sun – van Red Axes merk je de voorzichtigheid van de kabouters, geen mens mag ze immers ooit betrappen op hun bestaan. Vandaar het zenuwachtige gepingel. Maar kabouters zijn altijd vrolijk, en dat is zeker te merken aan de melodie. Oordeel zelf. Sun My Sweet Sun – Red Axes

’s Nachts is het bos angstaanjagend, maar zodra de zon opkomt ziet het bos er anders uit. Langzaamaan schijnen er zonnestralen door de bomen en begint de temperatuur te stijgen. Ouders maken met hun kinderen een zondagochtendwandeling. De kinderen beginnen vrolijk door het bos te rennen, met de ouders erachteraan. Luister maar in Madness van Weval.

Als er iets is wat het bos schenkt, dan is het wel rust. Het bos dat zo zichzelf is, een mens die zich er een weg doorheen baant en de geur van dennennaalden geven net als het nummer Mirror Lake van Angus MacRae, rust en energie.

Totdat de wolken langzaam de zon verdringen en iedereen zich haast om weg te komen uit het bos. Het rustige getik op de achtergrond, in het nummer Together van The XX, is de langzaam opkomende regen die af en toe weer gaat liggen. Maar de donkere wolken blijven, de storm bouwt zich rustig op en na drie en een halve minuut is de storm in volle gang. Niemands wil daar nog tussen de bomen staan.

De sfeer in het bos is erg afhankelijk van het weer. Het bos wordt ontzettend vrolijk en kleurrijk van zonlicht. In de zomer hangen felgroene bladeren aan de bomen, in de herfst is de grond bedekt met roodgekleurde bladeren. Alles geeft aan te leven of te hebben geleefd en ervoor te gaan. Net als het nummer Sunstring van Max Liese.

Tekst en muziekkeuze: Marije de Boer

De Zwaan

In Duitsland stapte ik ooit eens in een taxi. Het eerste wat de chauffeur mij vroeg was of ik uit Nederland kwam. Ik ben nogal fier op mijn mondje-buiten-de-deur, dus geschrokken vroeg ik of mijn Duits zo slecht was dat hij mij meteen als Hollander herkende. Nee, nee, suste hij. Hij had jaren in Nederland gewoond, in Rotterdam én Amsterdam. Hij pikte een Nederlands accent dus wat sneller op. Op mijn vraag welke van de twee genoemde steden hij het leukst vond, daar ik was als Rotterdammer wel benieuwd naar, antwoordde hij dat hij het zo jammer vond dat er in Rotterdam geen centrum, geen echte Altstadt was. Nog voor ik een grapje over het bombardement kon maken, begon hij zich al te verontschuldigen: het Duitse schuldgevoel zat ook in zijn generatie nog diep. Op mijn beurt sussend zei ik dat excuses niet nodig waren. Hij was er destijds niet bij geweest en bovendien had hij gelijk: er ís niet maar één centrum van Rotterdam.

door Zwaantje van Klaveren
Rotterdam is beroemd om een aantal dingen. Het gebrek aan een eenduidig centrum is er één van. Het toekennen van een bijnaam aan bijna ieder plein, gebouw en openbaar kunstwerk, een ander. Winkelen doe je in Rotterdam in de Koopgoot, wat nu eenmaal lekkerder klinkt dan haar echte naam: ‘de Beurstraverse’. Menig Rotterdammer zal geen idee hebben wat je daarmee bedoelt. Jarenlang had ik een bijbaantje in een drogisterij in de Koopgoot. Daar beantwoordde ik ook vele vragen van toeristen: “Weet u misschien hoe wij van de Beurstraverse naar de Koopgoot kunnen lopen?” Tja….
Als ik dan vervolgens ook uit moest leggen waar je na een dagje toerisme goed uit eten kon gaan, resulteerde dat meestal in een soort Jackson Pollock-achtige regen van kruisjes, pijltjes en cirkeltjes op de stadsplattegrond.

Ga je wandelend vanaf Centraal Station en hou je van kunst? Loop dan langs de sculpturen van Paul McCarthy en Naum Gabo. Of op z’n Rotterdams: ‘Dan loop ‘ie toch vanaf Station Kapsalon langs Kabouter Buttplug en Het Ding?’ Liever met de metro? Stap uit bij Beurs: winkelen doe je immers ook aan weerskanten van de Goot, op de Lijnbaan of Hoogstraat. Maar denk niet dat je nu in het hart van Rotterdam bent: we noemen Zadkine’s monument ‘De verwoeste stad’ niet voor niets Stad zonder hart. Maar een tochtje langs de beroemde Rotterdamse architectuur is wel aan te raden. Voor de Hef, de vroegere Koningshavenbrug, ga je oostwaarts. Dan kom je gelijk langs het Potlood (oftewel Blaaktoren) en de Fluitketel (station Blaak); prachtig van lelijkheid en iconen van de Binnenrotte, een groot marktplein. Ja, de markt, of liever: de mart. Als je ergens een gezellig hapje wil eten moet je de Hoerenloper over naar de Kaap: de brug naar de voormalige rosse buurt in de oude zeemansbuurt Katendrecht. Maar goed, je dagjer Rotterdam: vanuit de Koopgoot is ook het Museumpark aan te lopen. Bovendien kun je voor veel kunstinitiatieven naar Charlois, maar dan moet je wel ‘de tunnel onderdoor’, want dat ligt óp Zuid. Charlois spreek je trouwens uit als Sjaarloos, Charleroi ligt elders. Een échte Rotterdammer pleurt er nog een j tussen: Sjaarjloos. Voor de beroemde Rotterdamse havens moet je al helemaal een eind op pad: per Spido (waterbus) zie je waarschijnlijk het meest.

De Rotterdamse bijnamen beginnen steeds bekender te worden. Sinds Rotterdam bovenaan wat internationale top-vijf-reislijstjes prijkt, vind je op internet steeds meer artikelen die uitleggen dat je de Hofpleinfontein ook de Flipspuit kunt noemen en dat het Timmerhuis, met haar kantoren, woningen en museum, in de volksmond de Glasbak genoemd wordt. En omdat Rotterdam bruist -en er dagelijks een paar extra blikken toeristen opengetrokken worden- groeien de verschillende stadskernen langzaam naar elkaar toe. Zo komen er ook steeds meer bijnamen. Voor de Markthal werd ooit een bijnamenwedstrijd uitgeschreven, maar wat het geworden is weet niemand in mijn stad. De Markthal is gewoon de Markthal: Rotterdammers krijgen hun bijnamen niet graag in de maag gesplitst. Vlakbij de Markthal ligt aan de Wijnhaven een enorme bruine woontoren met daarnaast twee kleinere, gelijkgekleurde bijgebouwen. In de volksmond ging dit gebouw uiteindelijk de Pleeborstel heten.
Maar de állerberoemdste Rotterdamse bijnaam, de Zwaan, wordt enkel door niet-Rotterdammers gebruikt. Een Rotterdammer noemt de Erasmusbrug hooguit ‘die witte brug’, als ‘ie aan een toerist uitlegt dat hij niet de rode Willemsbrug moet hebben.
Vorige week hoorde ik twee Nederlandse toeristen aan een voorbijganger vragen waar ze de Zwaan konden vinden. De man hield in, dacht even na, schudde zijn hoofd en antwoordde: “Je ken ‘ut altijd in de Diergaarde probere…..”

Spiritualiteit? Welnee!

Beeldend kunstenaar Wim Warrink definieert zijn werk vooral in termen van beeldende experimenten die een afdruk achter laten. In de breedste zin van het woord: lichtinstallaties, machines die brute kracht vertonen en een fijn gevormde kievitseihouder in de vorm van een kievit. Bert van der Zee reisde voor POM Magazine naar Winsum, enkele kilometers ten westen van de stad Groningen om deze beeldend kunstenaar te ontmoeten voor een gesprek over zijn werk. Bert en Wim gingen er eens goed voor zitten in de oude veehouderij van de anti-leegstandboerderij waar Wim en zijn vriendin wonen. Daar verzamelt Warrink (Assen, 1983) materialen, etaleert hij terloops affe of onaffe creaties en beschikt hij over alle ruimte om gereedschap te stallen dat robuust werk kan leveren. Of de tractor en de hooiwagen ook zijn eigendom zijn, is onduidelijk. Het lijkt in ieder geval op de droomwerkplek voor de doorgewinterde kunstenaar.

Je bent kunstenaar geworden. Hoe ben je daartoe gekomen?
Ik wist helemaal niet dat je kunstenaar kon worden, ik had daar helemaal geen besef van. Ik kom uit een dorpje vlakbij Emmen. Daar ging ik naar de LTS en ik koos elektrotechniek omdat daar werk in zou zijn. Ik heb 1 jaar gewerkt als elektromonteur, maar ging toch verder kijken en kwam uit in de creatieve hoek. Ik deed een opleiding productontwerp in Leeuwarden. Daarna werd ik toegelaten aan de Hogeschool voor de Kunst Utrecht, HKU. Voor die opleiding ging ik naar het SMAK in Gent, een museum voor hedendaagse kunst, en daar zag ik werk van kunstenaars van de beweging Arte Povera en van kunstenaar Bernd Lohaus. In zo’n zaal hingen blokken hout, gebundeld in een touw aan de muur, of er lagen stukken biels in die zaal. Toen ik dat zag voelde ik een soort liefde voor het materiaal. Ik was in één keer om en wist ik het zeker: ‘als dit mag dan kan ik het ook! Ik ga het in elk geval proberen!’

Je hebt uiteindelijk de kunstacademie gedaan in Groningen.
Klopt. Nadat ik gestopt was aan de HKU besloot ik zomaar een keer op bezoek te gaan voor een rondleiding bij de kunstacademie Minerva in Groningen. Architect Piet Blom ontwierp het gebouw van de academie met allemaal kleine hokjes en kleine gangetjes. Het was zo lekker chaotisch. Als ik door het gebouw liep, was het net alsof ik door mijn hoofd liep. Ik dacht: dit is precies de plek waar ik moet zijn. Deze academie staat hier helemaal voor mij. En dat voelde ik de hele tijd zo sterk, dat ik dacht: als ik straks afgestudeerd ben, dan wordt het gebouw gesloopt. Alsof dat zo moest zijn.

Je won in 2015 de Klaas Dijkstra Academieprijs waaraan een geldsom verbonden was.
Zo’n prijs is een erkenning en een signaal dat je op de goede weg bent. Ik ben gewoon lekker bezig. De dingen die je maakt, dat is nog geen kunst, het is een soort rijpingsproces. Ik geef vorm aan dingen die in mijn hoofd zitten. Die breng ik in de wereld en op de plek waar ze het beste tot hun recht komen- dat is nu de kunst.

Wat heb je gedaan met het prijzengeld?
In het begin dacht ik: van het geld van de Academieprijs ga ik een werkplaats aanschaffen. Maar dat is niet gebeurd. Ik heb een half jaar lang rustiger aan gedaan om alle indrukken van mijn academietijd een plekje te geven. Op zo’n academie zit je in een soort snelkookpan, dat is vier jaar lang constant bezig zijn, de hele tijd nieuwe dingen bedenken. Absurd hoeveel informatie je binnen krijgt. Toen ik me realiseerde dat het me nog helemaal niet gelukt was om al die informatie te verwerken, heb ik besloten om een half jaar lang minder werk te maken. Dat heeft me echt geholpen. Als je maar door blijft gaan, dat houd je niet vol. Er wordt zoveel van je gevraagd, dat geld had ik niet beter kunnen besteden.

Vertel eens over je kunstwerken, wat zijn het voor objecten?
De machines die ik maak zijn zwaar en groot en daarom probeer ik ze wel demontabel te maken. Onder één van die verfmachines die ik heb gemaakt hangen twee blokken beton, elk 200 kilo. Maar die blokken staan weer los van de constructie. En uit die constructie steekt weer een slagarm, waar ik een andere arm tegen aan laat slaan. Ik ga er altijd van uit dat het door één deur moet kunnen. Dus het kan allemaal uit elkaar. Het grootste onderdeel, de kern, is ongeveer 2 meter hoog.

De kunst van het opzetten en uit elkaar halen. Je maakt ook lichtkunstwerk, werkt dat principe daar ook?
De uitdaging in de lichtobjecten die ik maak is anders. Ik probeer hierin elementen en materialen te combineren. Ik vind vormen, gewoon op de sloop, of als ik ergens ben. Op de sloop vind ik veel elementen die daar voor rot ijzer liggen en dan probeer ik die elementen te combineren met andere vormen, bijvoorbeeld met een jampotje. In één van die lichtobjecten heb ik een cilinder met een zuiger van de motor ingezet, en die zuiger heeft dan precies dezelfde maat als dat potje. En dat is natuurlijk op voorhand nooit zo bedacht, maar als dat dan precies op elkaar past, dan denk ik: ja dit is voorbestemd, dit moet zo bij elkaar zijn. En dan moet ik zorgen dat het bij elkaar blijft. Dan maak of zoek ik er iets anders bij, dat daar weer mooi bij past. Dan pas maak ik zelf een passend onderdeel zodat het allemaal ook echt bij elkaar blijft. En als die elementjes dan zo in elkaar passen dan zit er meteen een soort vanzelfsprekendheid in. In mijn werk benadruk ik vaak onbewust dat voorbestemde. Ik heb het niet altijd in de gaten.

Voorbestemd, dat klinkt spiritueel.
Misschien is spiritualiteit niet het goede woord. Ik heb wel het idee dat er terugkerende vormen zijn in het heelal. Die zijn er ook want we werken gewoon met een stuk of wat grondstoffen, daar is het hele heelal uit opgebouwd, dan zullen er misschien nog een paar zijn die wij nog niet kennen. Maar dat álles voorbestemd is? Waaruit kun je dat opmaken?
Volgens mij zit de wereld niet zo in elkaar. En dat is misschien wat ik zoek in dat project waar ik mee bezig ben, met die lichtobjecten. Daarmee geef ik aan dat sommige dingen heel mooi in elkaar passen en elkaar heel mooi aanvullen. Maar het is niet voorbestemd dat ze bij elkaar komen. Als het voorbestemd is, dan zou ik niet nodig zijn en gebeurt het gewoon. Voor mensen komt het altijd terug bij onszelf, zo redeneren wij, volgens mij. En in alles wat wij denken staan wijzelf centraal, als mens of mensheid. Dat is bij die lichtobjecten ook zo, wij mensen hebben dat potje en die cilinder gemaakt, die zijn los van elkaar ontstaan. Dat is niet voorbestemd.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jelle de Groot

Tijd in geometrische vormen

“Filosofie gaat meer over het stellen van vragen dan over het vinden van antwoorden, dus ik hoop dat ik antwoorden heb!” Dat waren de eerste woorden van filosoof André Schütte, nadat Anne van der Heiden hem vroeg of zij hem met vragen over tijd mocht bestoken. Hij bleek echter meer dan genoeg te vertellen te hebben.

Laten we beginnen met de perceptie van het begrip tijd. Wat kan je daarover vertellen?
“In het algemeen kunnen we onderscheid maken tussen twee verschillende manieren om tijd te ervaren: cyclisch en lineair. Een cyclische perceptie gaat uit van de permanente herhaling van gebeurtenissen, zoals we bijvoorbeeld kunnen zien in de natuur: dag en nacht, het wisselen van seizoenen. Deze perceptie van tijd vinden we vooral terug in pre-modernistische en Aziatische culturen. De lineaire perceptie is met name dominant in de moderne Westerse cultuur: men beschouwt tijd als een pijl die begint in het verleden, zich momenteel in het heden bevindt en ergens in de toekomst eindigt. Sommige lineaire theorieën gaan ervan uit dat deze pijl een begin en/of een eind heeft, zoals bijvoorbeeld de big bang theorie, of eschatologie (het geloof in het eind der tijden, red.). Maar er zijn ook theorieën die menen dat tijd oneindig is en daarom geen absoluut begin of eind heeft.”

Laten we onszelf, allebei geboren en getogen in een Westerse Europese cultuur, even als voorbeeld nemen en er gemakshalve vanuit gaan dat de mensheid de lineaire perceptie van tijd aanhangt. Wat houdt die lineaire perceptie in?
“Een lineaire perceptie van tijd hebben, houdt in dat we meestal de mensheid als het onderwerp van tijd of historie beschouwen. Met andere woorden: wij hebben de mogelijkheid om de loop van gebeurtenissen te beïnvloeden. Bovendien beschouwen we tijd als een schaars goed.”

We hebben te weinig tijd, dus we moeten er het maximale uithalen. Carpe diem!
“Precies, en het beste ervan maken impliceert onder andere nieuwe ideeën bedenken en nieuwe dingen uitvinden. Al is het alleen maar omdat we er nooit zeker van kunnen zijn dat ons huidige leefklimaat daadwerkelijk de meest optimale omstandigheden biedt. Om die nieuwe dingen te kunnen scheppen en bedenken, moeten we kritisch kijken naar de maatschappij, instituties en onze manier van leven. Je zou zelfs kunnen zeggen dat – in sommige gevallen – bekritiseren en creëren twee kanten van dezelfde medaille zijn. Dat het motto van de moderne wereld is: we moeten verbeteren omdat we zo weinig tijd hebben.”

Maar hoe zijn we op dit punt beland, bij deze perceptie van tijd?
“Laten we beginnen bij Comenius (theoloog, filosoof, pedagoog en politicus: 1592-1670, red.). Zijn antwoord op het lineaire gedeelte van het christendom, het geloof in het einde der tijden, was: “We kunnen niet wachten! We moeten de jeugd de principes leren van alles dat er maar mogelijk te weten en te kennen valt! NU! We moeten scholen bouwen, boeken uitgeven, zo snel mogelijk alles leren. De socioloog Hartmut Rosa (1965 – ) reageert heel anders, hij gaat er vanuit dat onze Westerse moderne maatschappij gekenmerkt wordt door sociale acceleratie: alles versnelt door kapitalistische en technologische vooruitgang. Hij beschrijft het proces van het krimpen van het heden: de periode waarin de op onze ervaring gebaseerde verwachtingen van de toekomst werkelijkheid worden, wordt steeds korter. Als je dit fenomeen combineert met de steeds snellere technologische vooruitgang en het toenemende leeftempo dat daarmee gepaard gaat, dan lijkt de tijd alleen maar nog sneller te gaan. Je moet voortdurend iets doen om kapitaal te verwerven. Onze relatie met anderen én de wereld waarin we leven, wordt er des te problematischer door.”

Comenius en Rosa hebben allebei een lineaire perceptie van tijd. Hoe kan het dat Comenius zich richt op een positief aspect, het leven verbeteren door te leren, terwijl Rosa een veel negatievere kijk op het leven heeft: technologie en de snelheid van de maatschappij zorgen voor problemen?
“Dit zijn inderdaad twee vrijwel identieke observaties van tijd met compleet andere uitkomsten. De historische context is hier cruciaal; het is nooit genoeg om alleen maar iemands tekst te lezen, je moet ook kennis hebben van de tijd waarin het geschreven is en de bijbehorende cultuur om het te kunnen begrijpen. Dus laten we zelf eens een stelling poneren: de tijd waarin we leven, bepaalt ons perspectief, hoe we tijd beleven. Heidegger (1889-1976), één van de grondleggers van het existentialisme, geloofde dat onze essentie niet in ons denkvermogen ligt, maar in het Dasein, het letterlijk in de wereld staan. De enige manier waarop we er niet meer kunnen zijn is door te sterven; dus om het maximale uit je leven te kunnen halen, moet je je eigen dood voor ogen houden.”

Het einde der tijden versus het eind van het leven?
“Ja, maar waar Comenius positief en zelfs vol vreugde tegenover het leven staat, gaat Heidegger’s Dasein juist over Angst. Kijk nu eens naar de tijd waarin ze leefden. Comenius had nog een archimedisch punt: hij was er zeker van dat de schepping goed was. Zijn drang om de wereld te hervormen had slechts één doel: het herstellen van de oorspronkelijk orde waarin God de wereld had gemaakt. Heidegger leefde in een samenleving die veel meer geseculariseerd was en hij had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt op het moment dat hij zijn ideeën over Dasein optekende. De angst van de soldaten, angst om de sterven, oorlog, depressie; zijn focus op de dood kan bijna geen toeval meer zijn.”

Laten we even naar het heden kijken. Eén van de populairste ‘levensfilosofieën’ van dit moment is mindfulness, het focussen op leven in het hier en nu. Hoe past dat in ons tijdsbeeld?
“Op dit moment gaat ons leven steeds sneller en sneller. Te snel, waardoor we verlangen naar een langzamer tempo, naar vertraging. We willen de tijd hebben om weer van het leven te genieten in plaats van ons permanent opgejaagd te voelen.”

Tijdens een retraite in een Benedictijns klooster maakte ik kennis met hun regel, die hen leert om te leven in het nu en alles met aandacht te doen. Klinkt mij erg bekend in de oren… Is Mindfulness wel zo nieuw?
“Het grootste deel van de meditatietechnieken die Mindfulness gebruikt komen uit een oudere circulaire cultuur, het Boeddhisme. En de Regula Benedicti, die de monniken Stabilitas leert, de kunst van volledig geconcentreerd te blijven bij alles wat ze doen, is inderdaad al geschreven in de 6e eeuw. Misschien zijn de elementen niet nieuw, maar de combinatie wel; die is uitgevonden om aan onze huidige behoeften te beantwoorden.”

Iets heel anders: synchroniciteit. Een relatief ‘jonge’ filosofische term (1930, Carl Jung) die ook met tijd te maken heeft. Hoe en waar moeten we dat plaatsen?
“We leven niet alleen in een tijd van sociale en technologische acceleratie, maar ook in een tijdperk van synchroniciteit. Aan de ene kant is dat paradoxaal, anderzijds is synchroniciteit een logisch gevolg van versnelling. Wij weten exact hoe laat het is, waar dan ook ter wereld. We weten dat anderen zich daarvan bewust zijn en dat die anderen ook weten dat wij dat weten. We leven daardoor als het ware synchroon. Nog niet eens zo heel lang geleden was een reis nog een hele onderneming en wisten we dat we daar pas later zouden zijn. Tegenwoordig bestaat ‘laat’ of ‘te laat’ niet meer. Nieuws synchroniseert de wereld: zodra we opstaan hebben we toegang tot alles wat er over de hele wereld is gebeurd terwijl wij sliepen. We leven in een tijd van globalisering, van versnelling; we verwachten dat dingen morgen al volledig veranderd kunnen zijn.”

We hebben net een aantal filosofische theorieën en ideeën uit zowel het heden als het verleden besproken. Heeft het überhaupt zin om filosofen uit het verleden te bestuderen met als doel daarvan te leren? Of moeten we het verleden het verleden laten, omdat we aan een soort collectief geheugenverlies lijden en we ideeën pas weer heruitvinden op het moment dat we ze nodig hebben?
“Ik denk dat het meer een combinatie van allebei is. Met het verstrijken van de tijd verandert onze cultuur, onze maatschappij, en een oude theorie is daar mogelijk niet meer geheel op van toepassing. Mogelijk moeten we onze perceptie bijstellen, de theorie opnieuw uitvinden, hervormen, maar zonder het verleden zijn wij niets. Het is een ontzettend modernistisch idee dat alles wat nieuw is per definitie goed is, en je kan nu eenmaal niets nieuws uitvinden zonder drastisch met het oude te breken. Dat kan heel goed zijn, zelfs bevrijdend werken. Maar het verleden kan ons ook helpen, ons dragen, zoals bijvoorbeeld mooie herinneringen of tradities kunnen bewerkstelligen. Dit zou kunnen impliceren dat we zouden moeten proberen om die acceleratie met een zekere vorm van vertraging te combineren. Er zijn al genoeg mensen die op die manier werken en daar kunnen wij van leren: Dj’s, hedendaagse ontwerpers en al die ‘groene’ mensen die proberen onze manier van leven duurzamer te maken. Al deze mensen zijn dol op recyclen, oude materialen gebruiken om iets nieuws te maken. Een prima voorbeeld van hoe je tegelijkertijd vooruit kan kijken en terugkijken als je het mij vraagt!”

Jij bent gespecialiseerd in de filosofische theorieën van Peter Sloterdijk. Heeft hij iets met het concept tijd?
“Sloterdijk heeft zeker interessante ideeën daarover. Hij heeft een boek geschreven met de titel “Je moet je leven veranderen” (“Du muβt dein Leben ändern”). Daarin stelt hij dat de mens het enige wezen is dat oefent. Alles wat we doen is in feite een herhaling, maar we kunnen deze herhaling een doel geven; we geven er richting aan, maken een plan en streven naar perfectie. Als we vanuit dat perspectief naar de tijd die het ons kost om iets te leren kijken, dan zien we een combinatie van een circulaire en een lineaire beweging: herhaling, maar met een einddoel. Dan is de manier waarop wij ons als ‘lerende mens’ binnen de tijd bewegen meer een soort spiraal. Die spiraal heeft echter een eind: perfectie. En dit leerproces heeft weer verrassend veel gemeen met contemplatie, mindfull leven. Met als einddoel: een compleet mens te worden.”

Tekst: Anne van der Heiden
Illustratie: Veerle Vreeke, Grafische Kamer

Blue Moon

Stevie Peerenboom is met haar twee zussen eigenaar van restaurantketen Burgerz. Samen staan zij voor het succes van drie hamburgerrestaurants in Den Haag, Scheveningen en Delft. Stevie is de oudste van de zusjes en zij runt aan de Haagse Prinsestraat ook de oudste van de drie restaurants. Voor de rubriek Het Gerecht sprak Jasmijn Schrofer met Stevie over het verhaal achter haar lievelingsgerecht: The Blue Moon.

Het lijkt alsof er in de afgelopen jaren heel veel is gebeurd rondom klassieke gerechten zoals hamburgers. Hoe speel jij in op trends?
“Je ziet steeds meer nieuwe burgertentjes en restaurants die burgers op de kaart zetten. Het is een hip iets zal ik maar zeggen. Ik ga veel uit eten om te kijken wat er om mij heen gebeurd. We blijven bij ons eigen concept maar soms moeten we echt wel een stapje hoger gaan. Want wat de anderen doen, is soms heel erg gaaf.”

Maar zie je niet veel van hetzelfde bij andere tenten?
“Wat ik veel terug zie, is dat anderen meer insteken op het interieur en hoe ze de burgers in elkaar zetten met toppings. Wij zijn heel erg gericht op het vlees en waar ons vlees vandaan komt. We hebben ons eigen boerderijtje, ons vlees is 100% puur, er gaat geen rotzooi in. Ons vlees maakt de hamburger.”

Waar staat Burgerz voor?
“Burgerz is funky. En wij kijken meer naar het buitenland dan naar wat er hier in Nederland gebeurt. Mijn zusjes en ik gingen vroeger vaak op vakantie naar Amerika. Dan zagen we daar al die burgertentjes. En dan dachten we: wauw, hoe gaaf is dit, hoe gaan we dat naar Nederland brengen?”

Wat is het grootste complement wat Burgerz ooit heeft gekregen?
“Dat bij ons de burgers beter zijn dan in Amerika. Wij bakken onze burgers met veel passie, veel ziel en heel veel plezier. En dat proef je.”

Staat er een gerecht op jullie kaart waar jij persoonlijk het meest mee hebt?
“The Blue Moon burger is mijn favoriete burger. Ik heb hem zelf ontworpen. Ik ben sowieso gek op kazen maar blauwe kaas vind ik helemaal lekker. Ik hou van heftige smaken. Op de Blue Moon gaat spinazie, spek, rode ui, gekonfijte uiencompote en natuurlijk blauwe kaas. Blauwe kaas met burger leek eerst veel te heftig. Niet iedereen houdt ervan maar er komen toch veel mensen voor deze burger. Vóór de Blue Moon hadden we een andere op de kaart staan met gorgonzola: the Funky Cheese burger. Maar die vond ik eigenlijk te zacht. Toen is de gorgonzola vervangen door een nog pittiger blauwe kaas, de blue stilton.”

Wat is jullie succesvolste burger?
“Dat is The Mother Of All Burgers, één van de grootste burgers die op onze kaart staat. Het is onze signature burger, daar zijn we mee begonnen en daarvoor komt toch wel zo’n 80 % van onze gasten. We hebben hem ook in de dubbel variant, dan krijg je de Godfather. Op de Godfather zit sla, tomaat, augurk, rode ui, tomaten/basilicum salsa, een gebakken eitje, cheddar en spek. Als je de Godfather helemaal opkrijgt samen met je frietje, dan laten we een T-shirt printen met de opprint I did the Godfather. Want het is heel veel en ik vind het knap als je dat helemaal op kunt eten. Mij is het nooit gelukt.”

Het T-shirt is ook een beetje Amerikaans of niet?
“Ja, alles wat je hier ziet, het dinerconcept met van die booths, dat hebben we uit Amerika. En dat geldt ook voor de Godfather, the double-up, het T-shirt, de stickers met I love Burgerz en een online competitie: op de meest gekke plekken burger stickers plakken en online op onze facebook pagina zetten. Met de leukste foto kun je een etentje bij ons winnen.”

Voor altijd een hamburger of elke dag vegetarisch?
“Elke dag een hamburger. Ik hou van lekker vlees, maar ik moet zeggen dat ik weinig vlees eet hoor. Als ik thuis kook is het vaak vegetarisch. Ik heb niet zoveel vlees nodig. Maar als ik in een restaurant ga eten en ik weet dat ze daar mooi vlees hebben en ze komen met iets heel gaafs, dan ga ik daar geen nee tegen zeggen.”

Wat is moeilijker om goed te bereiden: een stuk vlees of een vegetarische maaltijd?
“Vlees bereiden is echt een kunst. Ons vlees is zo mooi, zo vers en zo puur. Wanneer een klant om well-done vraagt dan zeggen we ook altijd: prima, maar weet je het zeker? Alles wat vlees lekker maakt, haal je eruit met well-done.”

Misschien moet het geen well-done heten maar bad-done?
“Ja, ha, ha, bad-done. Dat zie je ook in Amerika: rear, medium, well-done en toffe zinnen als ‘well-done bad, not gone happen’. Soms hebben we klanten die denken dat ze binnen 10 minuten een burger op tafel krijgen. Dan denk ik: jeetje, je krijgt 175 gram, je wil hem well-done, dan ben je zo 20 minuten kwijt. Je zit in een restaurant, het is geen take away. Je krijgt een lekker wijntje en je kunt kiezen uit mooie bieren. We serveren burgers, maar we zijn een restaurant waar je komt om te genieten van een mooi stukje vlees.”

Wat is de gekste burger die ooit op de kaart heeft gestaan, of nog staat?
“We hebben een kaasfondue burger gehad. Gewoon vier verschillende kazen door elkaar laten smelten, zodat het helemaal over de burger druipt. Mega lekker. Die was zeer gewild, daar waren mensen gek op.”

Die staat niet meer op de kaart?
“Nee, vorig jaar november was het de maandspecial. Elke maand proberen we weer een nieuwe special. Maar ik denk dat we die wel weer op de kaart gaan zetten want mensen vragen daar nog steeds naar. Nu met Halloween hebben we een special met candy bacon, dat is spek uit de oven met basterdsuiker. Crispy, zoet en zout en dan met een spicy appel/pompoen salsa. Geloof me, we proberen elke gekke combinatie. Maar op één of andere manier werken ze allemaal.”

Interview: Jasmijn Schrofer
Foto: Jasmijn Schrofer

Murphy!

Als er één wet is die een eigen leven is gaan leiden, dan is het die van Murphy wel. Kan Murphy niets aan doen. Hij bekt gewoon lekker. Inmiddels wordt dit adagium toegepast op alles wat fout gaat op het meest ongunstige moment. En ja, daar maak ik me ook schuldig aan. Hij klopte gisteravond aan terwijl ik op de fiets zat, in het donker, met regen, op een bloedlink punt. Waar ik altijd al bang voor was, gebeurde: er kwam een fietser zonder licht van de spookrijdkant. Ik schrok me de tandjes, belandde in de tramrails door een onwillekeurige ruk aan het stuur en hoppekee, daar ging ik. Hand gekneusd, knie fiks gekneusd en knie ook open. Right. Toen wist ik nog niet dat Murphy 24 uur zou blijven plakken voordat ie er tabak van kreeg.

Vanochtend moest ik vanwege de blessures met de tram naar het werk. Door mijn gehink miste ik aansluiting op aansluiting op aansluiting. Vervolgens besloot mijn computer op het werk alle Microsoft software te gaan updaten. De meest irritante consequentie hiervan was wel dat de caupy peest functie het ineens niet meer deed. Terwijl ik uiteraard net kilo’s data te verwerken had. Dus in plaats van snel muizen, kon ik alles overtypen met één half lamme hand. Tegen 17.45 uur was ik zo bloedsacherijnig door de pijn en al het computer gedoe dat ik besloot mijn biezen te pakken. Tram, dus staan en ik belandde uiteraard precies aan de verkeerde kant van het station. Maar voor één keer leek een vertraagde trein in mijn voordeel te werken. Ik hobbelde het takkeneind naar spoor 14 met mijn zere poot… om daar vervolgens te horen te krijgen dat ie toch niet ging rijden, want er was geen hoofdconducteur. Dus het hele takkeneind weer terug gehobbeld naar spoor 2 door de krioelende spitsmassa heen waarvan minstens 80% denkt dat ze door je heen kunnen lopen, maar hallelujah, de trein verscheen. En ik bemachtigde een zitplaatsje. En hij vertrok op tijd.

Om ergens tussen Heemstede en Leiden ineens in de middle of the polder te gaan noodremmen! Letterlijk: er kegelden tassen en mensen door de coupé dat het een lieve lust was. Toen iedereen zich had hersteld van deze inbreuk op hun mobiele uurtje, vertelde de conducteur dat de trein dit helemaal zelf had gedaan. Bummer. Er was dus geen lolbroek aan de noodrem gaan hangen die wij konden vervloeken, maar de trein zelf dacht dat er een noodgeval was. Achter een zelfdenkend mormel zitten is één ding, erin is een stuk angstaanjagender. Om me heen werd al druk geappt, gebeld en gemessengerd met het wachtende thuisfront, alternatieve kidsophaal-, boodschappendoen- en kookschema’s geregeld, voordat de conducteur überhaupt een uitspraak had kunnen doen hoe lang het kon duren. Maar na een klein kwartiertje klonk er een angstaanjagend gesis en begon de trein langzaam op te trekken. Boodschap: de storing zat in het achterste treindeel, dus dat gedeelte gingen we lozen op het eerstvolgende station: Leiden. En waar zat ik in? Juist. Jippie. Nog meer hobbelen met een zere poot naar het treinstel dat wèl verderging, in het vooruitzicht. Op een overvol perron. Een dame naast mij zag mijn gezicht betrekken en begon een zowaar een meelevend gesprekje. Vlak voor Leiden stond ze op, wenste me succes want zij hoefde niet verder… om vervolgens maaiend met haar armen net overeind te kunnen blijven voor de volgende noodremactie van onze trein. Ze grijnsde. “Met de haven in zicht…”, riep ze, “stranden op een zandbank…”vulde ik aan. Hier en daar werd gegrinnikt. Nog geen 400 meter verder en we hadden wel langs het perron gestaan. Ze ging maar weer zitten. De conducteur meldde dat de trein dacht dat er deuren openstonden en daarom had geremd. Ze grijnsde nog eens. “Verdorie, ik had moeten wachten met opstaan tot we er echt waren”, zei ze. “Yup!” antwoordde ik, “dat was de Goden verzoeken. Want als Murphy langs komt neemt ie meestal zijn hele familie mee.” En ineens begon die hele vermoeide gestreste forensenspitscoupé hardop te lachen. En begon – nog veel opvallender – mee Murphy woordspelingen te maken. Live. Niet via een nieuw opgerichte groepsapp of #zelfnoodremmendetrein.

Op de één of andere manier slaagde de machinist erin het zelfdenkende mormel weer te overrulen en kropen we 10 minuten later Leiden binnen. Vol spanning bekeken we met de neus tegen het raam het naderende perron om uiteindelijk met gejuich te vieren dat onze Eagle geland was. We wensten elkaar wel thuis of succes met de rest van de reis, en stuiterden, socialer dan ooit, deuren openhoudend opgelucht de trein uit. Hield het daar op? Neen. De meligheid cum saamhorigheid sloeg zelfs over op de wachtende massa. Mensen met door de vertraging lege telefoons werden geholpen aan ov-info door mensen met nog wel batterij. Er werden peuken gebietst- en gegeven. De conducteur en machinist van onze trein kregen een thumbs-up waardoor ze nu waarschijnlijk nog van slag zijn: ze waren voorbereid op klappen. En een gast waar ik in het wild met een straal van 100 meter omheen was gelopen hield een plekje voor me vrij in de volgende overvolle trein.
En nu ben ik eindelijk thuis. Gefrustreerd? Gek genoeg niet. Nagrijnzend mijmerend over de onverwachte sociale effecten, geniet ik des te meer van mijn kop opgewarmde soep. Hoe hard Murphy ook zijn best deed om verdeeldheid en sacherijn te zaaien, de wet van Cruijff kwam, zag en overwon uiteindelijk glorieus. Want elk nadeel heb inderdaad zijn voordeel. Amen to that, bro.

AAG
AAG-klein