Nieuw Circus

Al generaties lang spreekt het circus tot de verbeelding. In de loop van de tijd heeft het circus een groei doorgemaakt en anno 2016 is er een hoop aan de hand binnen de circuswereld. Sommige circustenten worden voorgoed opgerold, terwijl overal nieuwe vormen van circus opduiken. Een nieuw soort circus dat de traditionele principes van acrobatiek en woon/werkgemeenschap combineert met een moderne kijk op dynamiek, vrijheid en eenheid. Bert van der Zee sprak met Rosa Boon en Hanneke Meijers van TENT circustheater producties uit Amsterdam, over het nieuwe circus. Hij schoof aan tijdens de repetitie van hun nieuwe voorstelling ‘Romeo & Julia’.

Op het podium van het Amsterdams Bostheater staan vijf afgedankte vliegtuigslurven die normaliter als passagiersbruggen dienen. De slurven staan stevig gemonteerd in een enorme open compositie. Gedraaide hoeken, de lucht in stekend en voorzien van klimgaten, grepen, klauterroosters en stevige verankeringen – een robuust geheel. Je zou er zo in willen klimmen. Het is het decor voor ‘Romeo & Julia’, een productie die voortkomt uit een drieledig samenwerkingsverband tussen TENT, het Amsterdamse Bostheater en het muziektheaterensemble de Veenfabriek uit Leiden.

Circus regieassistent Hanneke Meijers en zakelijk leider Rosa Boon van TENT kijken trots naar het decor. “Schiphol is sponsor van het Amsterdams Bostheater. Via hen hebben we de slurven gekregen en daar is weer inspiratie voor het stuk ontstaan”.IMG_klimpaal Die interactie past bij wat TENT is: nieuw circus van vier enthousiaste circusliefhebbers die samen met verschillende artiesten en technici producties maken.
“In Frankrijk en Canada heeft het circus zich al 20 jaar verder doorontwikkeld ten opzichte van Nederland”, vertelt Rosa Boon. “Bij circus denken mensen hier nog steeds aan Bassie & Adriaan en Circus Renz. Het nieuwe circus is vaak in een theater; er is meestal geen tent meer. Onze voorstellingen hebben een dramaturgische lijn en zijn niet meer opgebouwd uit losse acts. We willen met het publiek een verhaal delen dat verder gaat dan alleen de technische excellentie. Dat kan heel klein zijn in het communiceren van een kleine emotie. Of juist groot zoals bij ‘Romeo & Julia’.”

Eind 2014 kwam TENT samen met het Amsterdamse Bostheater op uitnodiging van regisseur Ingejan Ligthart Schenk van het Amsterdamse Bostheater. De eerste proeven met het Amsterdamse Bostheater waren vooral gericht op het vinden van overlap tussen teksttheater en circus. Elkaars kracht ontdekken en versterken, en van daaruit werken aan één geheel.
Hanneke heeft een jaar lang met Ingejan Ligthart Schenk aan de voorbereiding gewerkt: samen materiaal verzamelen en ideeën uitwisselen om het beeldende en het vertellende bij elkaar te krijgen. IMG_kickVanaf begin 2016 sloot de Veenfabriek aan. De Veenfabriek componeerde de muziek en het geluid en speelt live tijdens de voorstelling. “Voor deze voorstelling zijn we in totaal met vijftien podiumkunstenaars: vijf circusartiesten, zes tekstacteurs en vier muzikanten”, vertelt Hanneke. “Toen we begonnen aan dit project hadden zij nog nooit eerder samengewerkt. Zij moesten de raakvlakken vinden in elkaars vakgebied. Het is dus echt aan elkaar wennen om de techniek onder de knie te krijgen van het gooien en vangen van mensen. Omdat we allemaal uit verschillende disciplines komen, circus, theater en muziek, is de kruisbestuiving interessant. Zo hebben twee muzikanten van de Veenfabriek en twee circusartiesten van TENT ook een rol met tekst gekregen.”

Het vinden van de juiste mix van gevaar, techniek en veiligheid – en dan ook nog een verhaal vertellen. Voor TENT maakt dat het circus nieuw. Het bouwt voort op de klassieke vorm, maar gaat daarin verder. Hierin is Hanneke’s rol als circus regieassistent essentieel.IMG_schaduwvanger
“Het is natuurlijk ook teksttheater. En zeker bij een verhaal zoals ‘Romeo & Julia’ waarin de tekst zo leidend is”, vertelt Hanneke. “Juist door stukken tekst weg te laten kan het verhaal verteld worden op een beeldende manier. Kun je het overbrengen zonder het verzuchtende ‘oh Romeo’. Hierdoor ontstaat circus dat je raakt op een dieper niveau dan alleen maar ‘ooh’{doet schrikbeweging}. Maar ontstaan er ook reacties als ‘oh wat een mooi beeld’ of ‘ik voel wat ze hiermee proberen te zeggen’.”

Een kenmerkende scène hiervoor is de processie van Julia. Deze begint wanneer de schijndode Julia vanuit een 7 meter hoge vliegtuigslurf door een twee-man hoge acrobatenpiramide, naar beneden wordt getild via een andere slurf waar een rooster op is gemonteerd. Tegelijkertijd staan zowel het verhaal als de act elkaar ten dienst. “In de processiescène gaat het om de dood, om afscheid nemen van iemand. IMG_paalzwiep Het tempo ligt laag. Dan kies je niet voor salto’s doen of elkaar overgooien. Je zet niet zomaar ergens een jongleur neer. Je gaat heel erg op zoek naar wat voor acrobatiek past hierbij, welk tempo”, vertelt Hanneke.
Daarin is deze scène typisch voor het nieuwe circus. Oefenen, trainen, veel tijd samen doorbrengen en coachen op veiligheid en vertrouwen. Gevaar en vertrouwen gaan hand in hand. “De actrice die Julia speelt is geen acrobate. Zij moet erop kunnen vertrouwen dat het okay is dat zij opeens op een piramide van twee mensen hoog, dood in iemands armen moet liggen. Dat is doodeng in het begin”, aldus Hanneke. “Heel vaak is het ook nog eens zo dat als iemand fysiek iets fout doet, de ander daar last van heeft”.

Moderne circusopleidingen leiden breder op, zodat artiesten in meer disciplines inzetbaar zijn. Circus is niet meer iets dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. Hanneke verwelkomt dat. “Door de circusopleiding kan tegenwoordig iedereen het circusvak leren. Er is daardoor professionaliteit en vakgerichtheid. Het samenwerken met artiesten wordt prettiger. Er is zelfredzaamheid en ondertussen ook een gevoel voor de gemeenschap die het vroegere circus kenmerkt”. IMG_thegroupVolgens Rosa voorziet TENT tegelijkertijd in een behoefte. “In de tijd dat we bij circus Elleboog werkten kwamen er twee circusopleidingen bij in Nederland en er kwamen twee festivals voor nieuw circus”.
Rosa programmeerde toen vanuit Circus Elleboog voornamelijk voorstellingen uit het buitenland, waar het nieuwe circus verder ontwikkeld is. In Nederland was op dat moment nog geen gezelschap dat zich bezig hield met nieuw circus. “Ik dacht: waar moeten die studenten dan heen als ze straks afgestudeerd zijn? We willen die mensen in Nederland een basis kunnen bieden. Van daaruit is TENT ook opgericht: om werk te creëren en omdat we heel erg geloven in de kunstvorm an sich. We willen deze mooie nieuwe kunstvorm introduceren bij het Nederlandse publiek.”

Nieuw circus vraagt ook om nieuw publiek. “Heel veel van het nieuwe publiek bestaat al. Dat gaat naar moderne dans en theater en dat publiek vindt dit nieuwe circus ook interessant”, vertelt Rosa. “Aan de andere kant is er publiek dat heel erg van klucht en teksttheater houdt en dat op deze manier in aanraking komt met circus. Publiek dat zegt: Jeetje, is dit ook circus? Dit vind ik wél leuk! In de afgelopen zes jaar hebben we met TENT bijna 65.000 mensen bereikt, daar zijn we trots op. We zoeken bewust dit soort samenwerkingen op om op die manier breder publiek te bereiken. De omvang maakt niet uit. Laatst speelden we voor 40 mensen, in het Bostheater passen er 1.300.”

Het traditionele circus koestert het principe van zelfvoorzienendheid. Rosa gelooft hier in, maar omarmt ook flexibiliteit.
“We kijken per productie hoe we deze gaan financieren. We proberen daarin zo zelfstandig mogelijk te zijn. In het begin was er nog een houding van ‘dat gaan we zelf doen zonder subsidies’. IMG_amfiNu werken we met productiesubsidies van diverse private- en publieke fondsen. Het is lastig om daarmee de overheadkosten te dekken. Om ons verder te kunnen professionaliseren op zowel artistiek vlak als op het gebied van bedrijfsvoering gaan we in oktober een tweejarige subsidie aanvragen bij de gemeente Amsterdam. We willen graag de nieuwe kunstvorm, die ons circus is, realiseren. Met de vier partners van TENT (Hanneke Meijers, Cahit Metin, Minka Parkkinen en Rosa Boon, [red.]) kunnen we eigenlijk best al veel zelf en artiesten en technici halen we er extern bij. Schiphol sponsort het Amsterdamse Bostheater en bestaat bovendien 100 jaar. Het leek ze leuk om iets voor ons te kunnen betekenen. De vliegtuigslurven werden aangeboden. We werken ook graag met hoe de dingen zich zo aandienen. Dat past bij ons. Deze decoropstelling is voor deze zomer hier in het Bostheater. We denken nog na over een reisbare versie voor het nazomerseizoen.”

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer

Patat poëten

Wat hebben patat en poëzie met elkaar te maken? De enige link die je misschien zal leggen, is dat het allitereert. Maar in de stad Groningen lukte het toch om deze twee werelden met elkaar in contact te brengen: tijdens het Patat Poëten festival afgelopen januari. Marije de Boer bezocht voor POM Magazine dit bijzondere festival en geeft een impressie.

Samen met andere onwetende Groningers liep ik donderdagmiddag, niets vermoedend, een patatzaak binnen. Iedereen was aan het wachten op de frieten. Niets ongewoons toch? Maar plotseling stond iemand op met een papier in de hand en las een kort gedicht voor. Eerst werd een gedicht over een tv voorgelezen en daarna een gedicht over niets minder dan: patat. De ruimte werd voor de verandering niet alleen gevuld met een sterke lucht van zoute patat, mayonaise en gebakken uitjes; woorden gaven ook geur en kleur. Dit smaakte naar meer, niet alleen mijn smachten naar patat werd vergroot, ook mijn nieuwsgierigheid naar deze gedichten en hun dichters. Het was te vergelijken met een avondvierdaagse. Ik liep van de ene plek naar de andere, waar patatliefhebbers overvallen werden met gedichten. Iedere patatzaak had zijn eigen charme; een marktkraampje op de Grote Markt verving een deel van de koude lucht met warme patatwalmen terwijl een andere patatzaak meer leek op een moderne hipstertent. Zo kreeg ieder gedicht op elke plek een andere dimensie. De gedichten die werden voorgelezen in een typische snackbar, waar frikadellen tentoongesteld worden in vitrines met groene franjes eromheen, kregen de volle aandacht van zowel onverwacht als verwacht publiek. Vijf verschillende dichters lazen hun gedichten voor. Op de achtergrond liet de frietboer de frieten sissend in het vet zakken. Etende patatbezoekers keken verbaasd op, ze wisten zich niet helemaal een houding te geven.

Bij de patat marktkraam op de Grote Markt was het staand luisteren in de koude lucht en dat gaf een andere draai aan de gedichten. Of bezoekers aandacht hadden voor het gedicht hing volledig af, met wat voor doel ze naar de patatkraam waren gekomen. De gedichtenliefhebbers probeerden zich te focussen op de woorden, maar de mengeling van koude wind met de zoute patatlucht stal een deel van de woorden en daarmee de aandacht. Voor Groningers en toeristen die alleen voor de patat waren gekomen, ging het net even anders. Wederom werd er verbaasd opgekeken naar de dichter die zijn woorden uitsprak. Maar nu trok juist het gedicht de aandacht, en niet de patat. Afwachtend, maar geïnteresseerd werd er vanuit de ooghoeken van nieuwsgierige patatliefhebbers toegekeken naar wat er gaande was. En dat was nou precies de bedoeling van dit festivalletje: de aandacht trekken van patatliefhebbers, van mensen die normaal gesproken niet vaak in contact komen met poëzie. Poëzie staat vaak te ver van het bed. Het Patat Poëten festival wilde daarin verandering brengen. In plaats van het publiek naar poëzie toe te trekken, werd de poëzie naar het publiek gebracht. Naar een pop-up podium waar iedereen welkom is om een klein hapje poëzie te proeven. Met een beetje mayo graag.

Tekst: Marije de Boer
Foto: Henx Fotografie

Wat is het toch met mannen en rotjes?

Er zijn van die typische echte mannendingen, waar alleen de bezitters van een Y-chromosoom lol aan lijken te beleven. Eén van de dingen die mij al van jongs af aan bezig houdt is het fenomeen rotjes. Ze maken herrie, stinken en verder doen ze niets. Behalve je verwondingen bezorgen als je niet uitkijkt. Geen van allen positieve eigenschappen lijkt mij. Dus wat hebben mannen toch daarmee?

Mijn broertje en zijn kompanen waren er al op de rijpe leeftijd van 7 jaar mee bezig. Met zakken vol rotjes in groepjes de buurt onveilig maken, een spoor van knallen achter zich latend. Ze gingen in afvoerputten, in containers, in de sloot, in de brievenbus, werden ingegraven met blikjes er bovenop, aan elkaar getapet; hun vindingrijkheid in de zoektocht naar de ultieme knal leek oneindig.
Ik hoor nog het extatische: “zoooooo heeeeee!” van de jochies als er weer zo’n bom een putdeksel deed klapperen of een conservenblikje opblies. En dan het wedstrijdje wie hem het langst in zijn hand durfde te houden. Met een aangemeten nonchalance werd zo’n ding dan op het laatste moment achteloos neergegooid. Vervolgens een dappere poging om geen spier te verrekken terwijl ze op hun gemakje wegsjokten als dat ding afging.
Ik snapte er toen al geen jota van. Ik werd absoluut niet extatisch van die knallen. Sterker nog, ik werd schijtensbang rond oud en nieuw, omdat je nooit wist of zo’n groepje net een rotje voor je voorband zou gooien wanneer jij langsfietste. Want oh, wat was dat leuk, zo’n live gillende keukenmeid. Ik werd er alleen maar pissig van.

Oké, laten we ons proberen te verplaatsen in de psyche van schooljongetjes.
Kattenkwaad, iets dat een klein beetje verboden is. Van mamma mag het niet, mamma vindt het zelfs helemaal niet leuk, tja, dat maakt het natuurlijk extra aantrekkelijk. Dat zou misschien de aantrekkingskracht van illegaal vuurwerk kunnen verklaren: hoe verbodener des te leuker en spannender. Of is het misschien ook wel machogedrag met iets potentieel gevaarlijks? Per slot van rekening begint die pikorde-selectie al zodra ze kunnen lopen. Kunnen de schatten niet helpen, het is oerinstinct. Dat waaghalzerige gedrag met die dingen is daarmee ook verklaarbaar: degene met het meeste lef (die de brievenbus van de meest sacho buurman opblaast bijvoorbeeld-iedere buurt heeft wel zo’n boeman) is de leider van het spul. Dan territorium afbakenen. Mmm. Kan ook nog meespelen: ‘die van de straat verderop’ moeten zich vooral niet op ons speelterreintje wagen.

Maar wat is dan in Godsnaam het doel van zo’n ding in een hondendrol steken en die lanceren? Want dat deden die smeerlappen ook. Het schijnt nog steeds een hobby te zijn van de huidige generatie rotjochies. Ik kom er niet uit.
Gewoon kwajongens en – vooruit – puberaal gedrag? Maar waarom houdt het dan niet op als ze ouder worden? Er wordt nog steeds door hele legers mannen likkebaardend naar de vuurwerkfolders uitgezien, eindeloos gewikt en gewogen welk vuurwerkpakket dit jaar aangeschaft zal worden. En oh jongen, als dan die klokwijzer richting 12 schuift zijn ze niet meer te houden. Aansteeklonten (vroeger peuken) en lege flessen staan al vanaf de vroege avond in de aanslag, er kan nog net even een Nieuwjaarszoen af en dan weten ze niet hoe snel ze buiten moeten gaan spelen. Kinderen erbij geen bezwaar: een pa-zo leermomentje lijkt de pret alleen maar te verhogen. Jong geleerd…

Als volwassene kan ik een mooie vuurpijl wel waarderen, ook als ie een flinke knal geeft. Maar wat de lol is van een duizend- of miljoenklapper ontgaat mij volledig. Ben je nou een Chinees, dan zou het nog gezien kunnen worden als een cultureel fenomeen: daar is het een traditie om boze geesten weg te jagen met zoveel mogelijk herrie. Maar de laatste periode waarin wij ons nog bewust met boze geesten bezighielden ligt ergens in de vroege Middeleeuwen. Kan me niet voorstellen dat het daar nog vandaan komt.
Ho! Stop! Rewind naar de knaltraditie, want die hebben wij ook. ‘Twents vuurwerk’ in de volksmond, oftewel carbidschieten. En niet alleen bij Oud en Nieuw, ook bij andere feestelijkheden, zoals bruiloften. Ik heb me zelfs laten vertellen dat een stel Achterhoekers het meenam naar Le Mans om daar de camping bleu te verblijden met rondvliegende melkbusdeksels. Je zal er maar staan met je peperdure karretje of oldtimer. Hoe het werkt: Prop een melkbus vol met carbid en een beetje water, en dan is het de sport om het deksel er met een zo hard mogelijke knal af te schieten. Het fenomeen staat zelfs op de lijst van Nederlands erfgoed. Ja, u leest het goed. Maar waarom het een traditie is nergens terug te vinden. Waarschijnlijk een overblijfsel uit de Germaanse tijd waarin we ons nog wél bezig hielden met geesten, maar niemand geeft uitsluitsel.

Terug naar de psyche van grote mannen gekoppeld aan rotjes.
Ik kan natuurlijk de wagenwijd openstaande deur intrappen: dat mannen gewoon nooit geheel volwassen worden, maar dat is een beetje te gemakkelijk en te feministisch generaliserend. Bovendien wil ik het echt snappen. Niet afdoen met zo’n dooddoener. De historie van vuurwerk induiken, biedt ook slechts gedeeltelijk soelaas: sinds de uitvinding van het buskruit is het in vredestijd usance om de kunde met het goedje te demonstreren. Daar vinden onze vuurwerkshows hun oorsprong. Zijn we weer terug bij machtsvertoon dan wel territoriumdrift: waag het niet om ons aan te vallen, want kijk eens hoe goed wij zijn! Of moeten we het loskoppelen van het gedrag van de jochies en het zien als een manifestatie van de homo ludens? Speelgoed voor volwassenen?

Het blijft van mijn kant allemaal giswerk. Dus hebben we het mannen uit verschillende leeftijdscategorieën gevraagd: wat maakt rotjes leuk?
Ik stak rotjes af als puber, omdat ik…eh…een puber was en moest rebelleren. Nu niet meer. Volwassen mannen die graag rotjes afsteken willen misschien gewoon niet opgroeien. Anderen willen gehoord worden: ik maak lawaai, dus ik besta.”
“Ze ontploffen, ze hebben kracht en dat doet dingen ontploffen, maken lawaai.”
“Ze laten andere mensen schrikken en het is het anticiperen op het schrikken wat het leuk en spannend maakt. Het liefst moeten rotjes ergens in zodat het lawaai en het effect van ontploffen groter wordt. Ze moeten gebundeld worden, zodat ze nog meer lawaai maken en dingen doen ontploffen.”
“Het is gewoon supergaaf zo’n duizendklapper. Weet niet waarom, het is een soort wow-gevoel.”
“Mijn moeder haatte ze en wilde niet dat ik eraan mee deed. Daarom deed ik het juist wel denk ik.”
“Gewoon cool met je vriendjes samen, het heeft iets stiekems. Ergens ingooien en dan snel wegrennen als de knal komt. De angst dat je betrapt wordt omdat je iets doet dat eigenlijk niet mag.”
“Ook wel dat het een beetje gevaarlijk is. En altijd leuk als meisjes dan schrikken.”
“Het heeft ook iets te maken met indruk op meisjes maken. Althans, jongens denken dat het indruk maakt op meisjes.”

Noot bij de laatste twee: Als ze indruk willen maken op de meisjes slaan de jongetjes echt helemaal de plank mis. Schrikken en gillen is gelijk aan aandacht, denken jullie dat echt, jongens? Ik geef jullie op een briefje dat je er niet veel indruk mee zal maken. Eerder het tegendeel.

Maar ja, die antwoorden. Wat mij betreft is de uitslag op zijn minst onbevredigend te noemen. Verder dan een soort omschrijvingen van een soort manifestaties van een soort onderbuikgevoel komen we niet.

Als de mannen het waarom zelf niet eens kunnen beantwoorden, moeten we misschien maar gewoon concluderen dat er verschillen tussen man en vrouw zijn. En dat we zoiets instinctiefs van de andere sekse helaas nooit helemaal zullen kunnen begrijpen. Zie het indruk maken op meisjes.
I rest my case.

AAG

AAG

La Cité Miroir in Luik

Cité Miroir is een zwembad in ruste in de Luikse binnenstad, dat in 2014 als cultureel centrum weer zijn deuren opende.

De radicale verbouwing heeft de modernistische architectuur uit de jaren 30 van de vorige eeuw gerespecteerd. De functionele opzet van de baden is intact gelaten. De bezoeker kan nu op de bodem van de zwembaden wandelen en genieten van exposities. En op de voormalige zwembadtribune nemen nu toneel- en concertbezoekers plaats. In Luik weten ze wat je met leegstaande zwembaden moet doen.

La Cité Miroir, Place Xavier Neujean, 22, Liège

Moonday, een filmpje

Filmmaker Jasmijn Schrofer liet zich inspireren door het schilderij van Miró getiteld, People at Night, Guided by the Phosphorescent Tracks of Snails.

Haar filmische vertaling werd een papercut animatie waarin Oog, Oor en Mond hun weg vinden naar het gezicht van de maan. Een surrealistisch avontuur.

Cover=Beter playlist

Muziekcovers zijn zelden zo goed als het origineel. Laat staan beter. Polly Parker ging voor POM Magazine op zoek naar covers die in haar ogen het origineel overtreffen. Klik op de titels, luister en oordeel zelf.

Dear Prudence
Een echt John Lennon werkje. Siouxsie and the Banshees doopten Dear Prudence om tot een gothic echo, een zwart punkbad waarin de luisteraar drijvend naar boven kijkt en Lennon high op een wolk ziet zitten.

Hit The Road Jack
Valt het origineel van Ray Charles te overtreffen? De Thaise band, The Cat, komt in de buurt. Ze spelen eigenlijk het origineel nauwgezet na, maar de holle klank van de opname geeft het een gitaar-van-sigarenkistje-met-elastiekjes effect. De versie van Ray Charles is een meezinger bij langzaam rijdend verkeer, die van The Cat dwingt tot luisteren wanneer je stil staat op de ringweg.

Personal Jesus
Het origineel van de Britse band, Depêche Mode valt gewoon niet te overtreffen vond ik. Totdat ik de versie van Johnny Cash hoorde. Net zo staccato als het origineel, maar de gebroken stem van Cash gaat door merg en been. Ook hier geldt, het origineel zing je mee, maar de cover doet je luisteren

Nouvelle Vague
Ik vond het lastig kiezen uit het enorme cover oeuvre van deze Franse band. Ik kies voor Sweet And Tender Hooligan. Het origineel is van The Smiths. Waarom is de versie van Nouvelle Vague zo bijzonder? Vanwege de druppelende kraan en het knetterende gebakken eitje op de achtergrond, etcetera.

Jingle Bell
Gecomponeerd in de 19de eeuw door James Piermont en af en toe verguisd vanwege het gewaagde karakter van de coupletten. Misschien is dat wel de reden dat deze kerstklassieker zich zo makkelijk laat inpakken in een ander jasje. Geïnspireerd door de metal voor beginners playlist, ga ik voor de versie van Leo.

Eddy

Eddy ontmoette ik zo’n acht jaar geleden. Met grote regelmaat bekleedde hij de kruk naast mij aan de toog van mijn stamkroeg. Hij hield het altijd langer vol dan ik. Sterker nog, hij is nog steeds recordhouder van de langste nazit ooit in Proeflokaal de Riddert. Om vijf uur ’s middags dronk hij zijn eerste slok, om vier uur de volgende middag taaide hij af. Toen de barman van dienst vermoeid, maar voldaan, naar huis fietste, wuifde Eddy nog even vanaf het volgende terras.

door Zwaantje van Klaveren

Ieder jaar was hij present bij de surprise-avond, steevast op 5 december in genoemd etablissement. Eddy was een groot schrijver, dichter en orator: het perfecte gezelschap op pakjesavond. Dat maakte ook dat Eddy als enige geen surprise hoefde te knutselen. Tegen zijn scherpe pen kon toch geen papier-machéen standbeeld op. Eddy was een vat van kennis en ervaring, met een oog voor schoonheid en een groot gevoel voor humor. Een man met meer verhalen dan je op kan. Een man bij wie menigeen aan de lippen hing. Eddy was een bekend gezicht in Rotterdams café’s, maar niet enkel een leuke stamgast: daar doe je hem ongelooflijk tekort mee. Hij was schrijver, geschiedkundige, curator, adviseur. Opende exposities, nam deel aan publieke debatten. Dichtte, droeg voor. Bij nader inzien: daar doe je hem ook tekort mee. Omschrijf zo’n man maar eens.

Eddy correspondeerde met jong en oud en ook met mij. Bladerend door mijn mailbox vind ik gesprekken over de Scheepsjongens van Bontekoe, gedichten van Kaváfis, meningen over hedendaagse politiek, meningen over niet-hedendaagse politiek, verslagen van zijn reizen door Egypte, door de rest van de wereld. We tipten elkaar musea, muziekstukken en componisten, schrijvers en boeken en bundels. We stuurden elkaar linkjes van youtube-filmpjes waarin naaktslakken en zeepokken zich op de vreemdste manieren trachtten voort te planten. We bezochten elkaars evenementen.

Eddy ging enige tijd terug wat kortademig naar het ziekenhuis. Het was slecht nieuws: longkanker. Prognose: twee maanden. Om Eddy’s bed verzamelden zich familie en vrienden. Een kamer in een hospice werd geregeld. Hoe geliefd Eddy was, werd steeds duidelijker. Er stonden steeds meer stoelen om zijn bed en een rij op de gang. In groepsapps werd afgesproken wie wanneer kon komen. Een verpleegkundige vroeg bijna fluisterend aan ons: ‘Is… is die meneer beroemd?’
‘Wij zeggen zelf liever berucht,’ grapten wij. Onze eigen Nachtburgemeester. Wereldberoemd, bij ons.

Eddy wilde al heel lang een avond organiseren ter ere van zijn grote liefde, hem jaren geleden veel te vroeg ontvallen. Misty, moest nog één keer schitteren. Ook Misty was wereldberoemd in Rotterdam. RTV Rijnmond heeft er nog een mooie documentaire over gemaakt. Allerlei vrienden begonnen het feest te organiseren: het moet nu, nu het nog kan. Een groots plan werd opgezet. Wat was mogelijk, tussen rolstoel en zuurstoftank enerzijds, en de menigte vrienden en familie anderzijds? De posters prijkten al snel op de Rotterdamse wanden: MISTY – mooie herinneringen met Eddy Elsdijk.

De ochtend van het feest brak aan. Het was twee weken na de diagnose. Terwijl ik naar de glasbak liep kreeg ik het bericht dat Eddy de nacht ervoor in zijn slaap was overleden. Verslagenheid heerste in de groepsapp. Dat iemand met zo’n diagnose toch plótseling kon overlijden. Dat het nu gebeurd was. Dat het feest pas die avond zou zijn.

Een oude vriend is overleden.
We gaven het mooiste feest wat we maar konden.
Mooie herinneringen áán Eddy Elsdijk. Verdorie.

Ontbijtparel in Groningen

Voor de POM Magazine serie- Ontbijtspecial– bezocht Marije de Boer, Pernikkel in Groningen. Het bleek een smaaktocht vol uitersten. Marije legt uit waarom.

Bij veel stadse ontbijt- en lunchtentjes kom je als hongerige gast vaak terecht in een retro hippe huiskamer. En bij Pernikkel is dat niet anders. Ja, Pernikkel staat vol met Deens retro design. Maar al dat design staat in een zee van huiskamerplanten die vreemd genoeg, een warm welkomsgevoel geven. Alsof je je eigen huis nooit verlaten hebt.
Pernikkel’s ontbijtkeuze is net zo internationaal als zijn gasten, een smaakfeest van uitersten. Elke week ziet de menukaart er weer een tikkeltje anders uit, wat nieuwsgierig maakt om terug te komen. Berliner havermoutpap, mega hartig Engels ontbijt, zoete Amerikaanse pancakes en Aziatische pittige veganistische kokos curry. Ook de Nederlandse ontbijtgerechten blinken uit in uitersten met zoete wentelteefjes en zoute haring. De topper in de categorie hartige smaken is de Mexicaanse Huevos Rancheros, hot tomatensalsa met ei, die zijn evenknie vindt in de bloody mary die je erbij kunt bestellen. Je krijgt het gevoel dat er zelfs aan jouw eigenzinnige ontbijtwens, gedacht is.
De bediening is erg vriendelijk en heeft tijd voor een gesprekje. Bij iedere koffie krijgen we weer iets lekkers geserveerd zoals een vers stukje brownie. En voordat we iets besteld hebben krijgen we alvast een gratis fles water op tafel gezet. Met deze extraatjes zorgt het personeel goed voor zijn gasten. Bij Pernikkel lijkt alles op elkaar aan te sluiten. De menukaart, het personeel en het interieur lijken allemaal hetzelfde uit te stralen: laagdrempeligheid, het “thuis-gevoel” en bijzonder lekkere internationale ontbijtgerechten met een zoete, zoute of pittige twist.

Pernikkel, Aweg 2, Groningen

De stad, de rivier en het zwemmen

Zwemmen in de stadsrivier wordt in de meeste steden sterk afgeraden. De rivieren zijn vaak gevaarlijk vanwege een verraderlijke stroom of druk bootverkeer en het vervuilde water maakt het zwemmen een gevaar voor de gezondheid. Toch zijn er stadsrivieren waarin je met een gerust hart een duik kunt nemen. De wens om schoner rivierwater is er natuurlijk al heel lang en sommige steden hebben de lat zo hoog gelegd dat zwemmen in rivierwater veilig geworden is.

In de haven van Kopenhagen ligt het openluchtbad Harbour Baths waar de bewoners van nabije buurten in schoon rivierwater kunnen zwemmen. Behalve in Kopenhagen, kan er nu ook gezwommen worden in baden in de Parijse Seine, de Berlijnse Spree en binnenkort in de Londense Thames. Eerlijkheid gebied te melden dat het rivierwater is dat deze baden vult, maar alleen nadat het grondig gezuiverd is. Londen en Berlijn streven ernaar de rivierwaterkwaliteit mettertijd op een niveau te krijgen die kunstmatige zuivering van het water niet meer nodig maakt.

Het ontwerp van deze baden is eenvoudig en het toonbeeld van architectuur en design. De Harbour Baths in Kopenhagen zijn gebouwd op houten vlonders die doen denken aan het promenadedek van een schip. In plaats van traditionele duikplanken is een drie dimensionale driehoek gebouwd dat veel weg heeft van een scheepsboeg. Omdat alles in hout is uitgevoerd ademt het bad de sfeer van ambachtelijkheid.
Het ontwerp van Badeschiff Berlin is gebaseerd op de romp van een leeg schip, zoals de naam al impliceert. Net als in Kopenhagen wordt het bad omgeven door houten vlonders. Maar het rivierbad in de Spree gebruikt zijn vlonders voor lounching en dj’s en niet zo zeer voor de natuurbeleving. Genieten van de stadspanorama staat centraal, en in de winter wordt het bad overtrokken met een doorzichtige cirkelvormige kap waardoor zwemmers tot in de late avonduren heen kunnen kijken naar de lichtjes van Berlijn.

Zwemmen in een stadsrivier is natuurlijk niet te vergelijken met het spetteren in koele snelstromende beekjes in bossen en bergen. Maar helemaal gespeend van natuur zijn sommige baden niet. Thames Baths Lido is een initiatief voor een rivierbad in oprichting en wordt gesteund door prominente Londenaars. De ontwerpen liggen er en via crowdfunding wordt geld ingezameld om de realisatie mogelijk te maken. In het ontwerp is uitgekiend landschapsarchitectuur te zien die de zwemmers van Thames Baths Lido laten genieten van riet en waterplanten tegen de achtergrond van de historische skyline van het centrum van Londen. Zwemmen in de natuur is een beleving van vrijheid, rust en verbondenheid met de natuur. Thames Lido geeft een hint van een stukje natuur, maar Badeschiff am Spree en Harbour Baths Kopenhagen laten zien dat zwemmen in een stadsrivier een beleving is van vrijheid en verbondenheid met de rivier en haar stad.

Tekst: Polly Parker

Verlichtende ziel?

Tijdens het Amsterdam Light Festival van afgelopen winter, stond op het Amsterdamse Mr. Visserplein een bijzonder soort straatverlichting: Translucent. Op het eerste oog een doodnormale lantaarnpaal, maar wel één met een eigen lichtbron. Een licht-in-een-licht dat reageert op alles wat er in de omgeving gebeurt. Translucent is geboren uit het brein en de vindingrijkheid van kunstenaars, wetenschappers en informatica engineers. POM Magazine’s Thierry Reniers sprak met de projectleider en beeldend kunstenaar Verena Hall over de illusie van een ziel.

Translucent is een interactief stuk straatverlichting. Wat zien toeschouwers als ze er langslopen?
Translucent is op het eerste gezicht een lantaarnpaal zoals alle andere. Gewone lantaarnpalen gaan in één keer branden tijdens de schemering. Translucent niet. Zodra het donker wordt, zweeft er een licht van beneden naar boven. Hierdoor lijkt het dat de lamp wordt ontstoken. Een knipoog naar de lampopstekers van vroeger. We wilden dat voorbijgangers een band zouden gaan opbouwen met het licht dat in de lamp leeft.

Hoe hebben jullie dat weten te realiseren?
We hebben bestudeerd wanneer en hoe mensen een band opbouwen met iets of iemand. Het sleutelwoord bleek interactie. Samen met twee andere beeldend kunstenaars en twee technische informaticaspecialisten hebben we zo geprogrammeerd dat, zodra je in de buurt van Translucent komt, het licht naar je toezweeft en als een vuurvliegje met je mee beweegt wanneer je om de paal heen loopt. Translucent reageert op de hoeveelheid aandacht die het krijgt; hoe meer mensen ernaar toekomen, hoe groter het licht wordt. We hebben het licht in Translucent bepaalde menselijke trekjes gegeven. Als de omgeving druk en onrustig is, wordt het licht zelf ook drukker en verstopt het zich even.

Waar kwam de input voor die menselijke trekken vandaan?
We hebben o.a. naar Disney Pixar gekeken en we hebben ‘smilies’ als uitgangspunt genomen omdat die heel rake, gecomprimeerde emoties vertolken.

Hoe reageren mensen op Translucent?
Mensen zijn vooral heel verrast dat een gewone lantaarnpaal ineens tot leven komt. Ik hoop natuurlijk dat mensen straks na het uitgaan nog even Translucent bezoeken en anderen meenemen zodat zij het ook kunnen ontdekken.

Heb je het voortdurend bewegende licht stiekem al een naam gegeven?
Ja, haar bijnaam is Lucy. Met de officiële naam Translucent suggereren we dat er in elke lantaarnpaal een licht woont. Alleen, bij Translucent kun je het licht zien omdat de lantaarnpaal doorschijnend is. Zo is het toch een beetje een sprookje. Ik zou het heel cool vinden als er heel subtiel, meer levende lantaarnpalen in Amsterdam zouden opduiken. Alsof er iets magisch gebeurt in de stad, met steeds meer doorzichtige lantaarns. Misschien wel in verschillende kleuren.

In hoeverre vind jij bezieling van objecten eigenlijk haalbaar?
Ik denk dat het kan, als we het tenminste definiëren als een gevoel van bezieling. Volgens mij houden mensen zichzelf expres voor de gek en vinden ze dat fijn. Je ziet het bijvoorbeeld bij talismans. Mensen weten wel dat er niet echt een ziel in zo’n steentje zit, maar ze krijgen een goed gevoel door te denken dat de steen hen iets bijzonders geeft.

Jullie Lucy gaat dus nooit echt een ziel krijgen?
Nee. Ik ben daarin super nuchter, maar ik vind illusies prachtig. Ik vind het heerlijk om mezelf voor de gek te houden en er helemaal in op te gaan. Ieder jaar doe ik alsof Sinterklaas bestaat en dat vind ik fantastisch, ook al weet ik dat het niet zo is. Dat maakt niet uit, als het werkt, werkt het toch? Ik denk dat we in onze harde, snelle wereld best vaker mogen fantaseren en dromen.

Waarom vind je dat belangrijk?
Sprookjes en magie en fantasieën halen iets in je naar boven dat feiten en harde waarheden niet kunnen. Wat dat precies is, weet ik niet. Toen ik als kind door het sprookjesbos in de Efteling liep – of nog steeds eigenlijk- voelde ik kriebeltjes van spanning alsof er elk moment iets kon gebeuren. Het is moeilijk te omschrijven, maar ik denk dat iedereen dat wel eens ervaren heeft.

Hoe zou de wereld er uitzien als er meer ruimte zou komen voor verwondering?
Ik denk dat de wereld speelser zou worden en dat mensen wat vaker zouden kunnen dromen, ook vaker even stil zouden staan. Ik denk dat je namelijk wel stil moet staan om verwondering toe te kunnen laten. En volgens mij is dat heel gezond. Als kunst daarbij kan helpen, vind ik dat een heel mooie functie.

Fotografie: Janus van den Eijnden