Utrecht- hotelvakantie in eigen stad

Wanneer wordt een hotelovernachting nou zo’n mooie beleving dat het verblijf zelf een ware vakantie is? POM Magazine redactieleden gingen op zoek naar het antwoord met de volgende opdracht: vind een hotel in je eigen stad, boek een kamer voor één nacht, check zo vroeg mogelijk in en zo laat mogelijk uit. Verlaat in de tussentijds het hotel niet en kijk hoelang het duurt voordat je je gaat vervelen. In deze serie namen we in drie Nederlandse metropolen, een hotel onder de loep. Anke Verbeek vertelt in het tweede artikel van deze serie over haar hotelbeleving. Anke woont in Utrecht en samen met haar partner was ze te gast in Hotel BUNK Utrecht.

SLAPEN IN EEN KERK
Hotel BUNK Utrecht zit in een oude kerk midden in het centrum, maar de sfeer in BUNK is allesbehalve kerks. De stemming is luchtig en expressief. Overal in het gebouw vinden we op muren en deuren ludieke oneliners. Verder hangt BUNK vol popart kunstwerken met bijbehorende tekstbordjes waardoor het voelt alsof je een tentoonstelling bezoekt. BUNK zet de klassieke elementen van de kerk naar eigen hand. Het licht valt door de glas-in-lood ramen op de bonte inrichting en het kerkorgel hangt als pronkstuk in de eetzaal. De BUNK-ervaring is überhaupt erg instagrammable en lijkt de droom voor influencers en social media fanaten. De medewerkers zijn supervriendelijk en komen meteen naar je toe om je te helpen tijdens het inchecken en het bestellen in de bar en het restaurant. Er wordt rekening gehouden met Gen-Z gasten, je kunt bijvoorbeeld digitaal inchecken via een zelf-incheckbalie.

BUNK BIEDT SPEELSHEID EN HUMOR
De gasten worden aangemoedigd om een #BUNKetlist te maken, met dingen die je altijd al in een hotel hebt willen doen, zoals kamernummer bingo of een kussen-schreeuw sessie. Verder organiseert BUNK tentoonstellingen, lezingen, poëzieavonden, cabaret, lichtinstallaties, livemuziek, filmvertoningen en soms een expositie van een artist-in-residence. Mijn partner en ik kwamen speciaal voor een Jazz concert van de band Bob Roos, die optrad in het restaurant tijdens het diner. Het motto van het BUNK Restaurant is trouwens, “Voor ons menu vliegen we de hele wereld over”. Dat was niet gelogen, op het menu staan oneindig veel opties aan vlees-, vis-, en vegetarische gerechten uit diverse wereldkeukens. Elk gerecht heeft een eigen twist, met net een ander ingrediënt of andere manier van opdienen, maar alles blijft lekker toegankelijk. Alle gerechten hebben een vega of vegan versie. Speelsheid en grapjes vonden we ook op de menukaart zoals het gerecht: SEND LOVE TO KITCHEN -unlimited $ 0.00. Het koffie kopje is net zo ludiek. Wanneer je het kopje leeggedronken hebt, kun je op de bodem “hi pretty” lezen. De gasten wordt een tafel toegewezen: een chique versie van een lange picknicktafel waar we mochten plaatsnemen naast andere hotelgasten. Het is een concept waar ik fan van ben. Het geeft een huiselijke sfeer helemaal als de hotelkat zomaar gezellig bij je komt zitten. Alle tafels zaten vol. Door de inrichting, de kleuren, de kaarsjes en de Jazz act was de sfeer heel warm.

WAS ER EEN FATSOENLIJKE BAR?
Jazeker, met allerlei wijnen, bieren en cocktails. De bar kwam ‘s avonds tijdens het diner en concert helemaal tot leven. Op de derde verdieping is een mooie loungeplek op een balkon dat uitkijkt op het grandioze orgel. Hangend over de reling konden we bijna het hele hotel zien met zijn bezoekers en gasten. Wat ons opviel is dat het publiek zo’n beetje om de paar uur verandert. Toen we ‘s middags incheckten voerden Utrechtse flexwerkers de boventoon. Een paar uur later maakten ze plaats voor Europese reizigers. Aan onze linkerkant dineerden bijvoorbeeld twee Spaanse vriendinnen en rechts van ons een Engels gezelschap. De sfeer is levendig, casual-chique en gelukkig vol ontspanning en plezier, afgezien van het business etentje verderop in het restaurant.

HOE LANG DUURDE HET VOORDAT JULLIE JE GINGEN VERVELEN?
We checkten om drie uur ‘s middags in en hadden om acht uur het diner met Jazz concert gepland. In de tussentijd konden we het hotel ontdekken, drankjes drinken en een beetje loungen, maar dat was net niet genoeg om de tijd te vullen. Het hotel wordt in de middag vooral gebruikt door flexwerkers, waardoor je niet zo snel in een relaxte mood komt. We voelden ons bijna schuldig dat we niet aan het werk waren. Ik vond het jammer dat je niet naar een spa kon gaan, sporten of buiten terrassen. De kunsttentoonstelling hadden we snel bekeken en ons Jazz concert was meer voor de sfeer hoewel BUNK ook grote popconcerten organiseert, waarbij het restaurant verandert in een concertzaal. Het personeel vroeg aan ons wat we nog gingen bezoeken in Utrecht. BUNK lijkt meer gefocust op gasten die activiteiten plannen buiten het hotel. We hebben genoten van het kerkhotel met entertainment, zalig eten en een goede bar, maar er was net niet genoeg beleving voor een dagvakantie in eigen stad.

POM Magazine Instagram

Amsterdam- hotelvakantie in eigen stad

Wat is eigenlijk een hotel? Het is een gebouw waar je kunt overnachten. Het heeft meestal een restaurant, roomservice, receptionisten, een bar en een ontbijtkamer. Maar, wanneer wordt een hotelovernachting nou zo’n mooie beleving dat het verblijf zelf een ware vakantie is? POM Magazine redactieleden gingen op zoek naar het antwoord met de volgende opdracht: vind een hotel in je eigen stad, boek een kamer voor één nacht, check zo vroeg mogelijk in en zo laat mogelijk uit. Verlaat in de tussentijds het hotel niet en kijk hoelang het duurt voordat je je gaat vervelen. In deze serie namen we in drie Nederlandse metropolen, een hotel onder de loep. In het eerste artikel van deze serie vertelt Polly Parker over haar hotelbeleving in Amsterdam.

HOTEL JAKARTA AMSTERDAM
Achter het Amsterdamse Centraal Station, midden op het IJ ligt het Java Eiland. Het is een plek met een maritieme geschiedenis want tot de jaren ’70 voerden oceaanstomers hier af en aan. Daarna werd het een haven voor kunstenaars, hippies en krakers. Nu schittert Hotel Jakarta op dit bijzondere eiland, een gebouw van glas en staal in de vorm van een taartpunt. Door de vorm heeft het vanbinnen veel weg van een schip. Op elke etage komen de kamers uit op een galerij die uitkijkt op een binnentuin vol tropische planten en palmbomen die reiken tot de tweede etage. Alle galerijen eindigen in de “punt van de taart” waar je lekker kunt zitten in comfortabele fauteuils met uitzicht op het IJ en de binnentuin.

LOPEN IN DE TROPEN
Ik had een arrangement geboekt met de mooie naam “Lopen naar de tropen” inclusief één overnachting, een uitgebreid ontbijt, Indische rijsttafel in Café Jakarta en parkeren in de garage onder het hotelpand. Ik kwam met de auto en was blij dat er veel ruimte is vlak voor de hotelingang om even te parkeren, zodat ik kon inchecken en een parkeerkaart bij de receptie kon ophalen. Nadat ik mijn bagage naar de kamer had gebracht, ben ik op onderzoek uitgegaan in het hotel. Het was een warme meidag en wat opviel was dat er nergens in de gemeenschappelijke ruimtes airconditioning aanstond. Hotel Jakarta heeft een enorm glazen dak met panelen die tegen elkaar opengezet stonden waardoor er een aangename milde bries in het hele gebouw stroomde.

HOTEL JAKARTA HEEFT EEN IN-HOUSE BAKKERIJ
Op de begane grond vond ik Bakkerij Westers waar hotelgasten, maar ook buurtbewoners brood en gebakjes kunnen kopen. De bakkerij heeft in het hotel een lunchroom waar je koffie, thee, taart en sandwiches kunt bestellen. Ik nam thee en een gebakje dat er prachtig uitzag. Ik mocht zelf de thee samenstellen. In een hoek stonden enorme flessen en waar je theeblaadjes “kon tappen” in een stoffen theezakje. De thee was van uitstekende kwaliteit en er was voldoende keuze. Alles werd geserveerd in modern Delftsblauw servies. Na mijn theepauze wandelde ik door de ellipsvormige binnentuin dat een soort mini oerwoud is met tropische planten. Alle hotelkamers kijken uit op de binnentuin waardoor het lijkt alsof je op een luxe schip bent. Alleen kijk je niet uit op een zwembad maar op een oerwoud.

WELLNESS CENTER EN ZWEMBAD
Maar Hotel Jakarta heeft zeker een zwembad. Het ligt op de eerste etage en het heeft een glazen binnenmuur. De zwemmers kunnen door die muur het tropisch oerwoud zien en aan de andere kant het IJ. Overal staan ligstoelen die allemaal uitkijken op het water waar de schepen voorbijvaren. Het is een smal zwembad maar lang genoeg om baantjes te trekken. Het Wellness Center is ook op de eerste etage met toegang tot het zwembad, de sauna en de beautysalon. Ik had een rug behandeling geboekt van anderhalf uur. Het Wellness Center heeft hetzelfde interieur als de rest van het hotel, maar het is er wel een beetje klein. De behandelruimte vond ik wel weer ruim en de behandeling was uitstekend.

CAFE JAKARTA
Na mijn bezoek aan de beautysalon ging ik even naar mijn kamer om me om te kleden voor het diner in Café Jakarta, een groot restaurant met een enorme bar en een open keuken. De Indische rijsttafel was smakelijk, maar erg mainstream. Als liefhebber van Indisch eten mochten van mij de kruidenmixen in de rijsttafelgerechtjes meer eigen signatuur hebben. Maar ik begreep dat de chef de smaken zo toegankelijk mogelijk moet houden, toen ik zag hoe een Duitse dame aan de tafel naast mij, een weifelende blik wierp op haar bord met Rendang Daging en de ober vroeg wat het eigenlijk voor gerecht was dat ze had besteld. Gelukkig staan er ook Westerse gerechten als zalm, oesters en entrecote op het menu. De lokale gasten waren smaakvol geklede eindtwintigers en dertigers die met hun date chique wilden dineren, want de entourage van Café Jakarta is chique. Verder veel jonge Oost-Europese gasten die er mooi en stijlvol uitzagen. De groepjes Duitse en Engelse toeristen (Busreis? Cruise?) een paar tafeltjes verderop daarentegen zagen er in hun gekreukte kleding uit alsof ze aan het kamperen waren. Tip beste mensen: hoe meer je je best doet om er verzorgd uit te zien, des te hartelijker worden de obers. Grenzend aan het restaurant ligt aan het water een breed buitenterras waar je na het diner kunt genieten van je koffie of aperitief. Maar ik heb geen koffie op het terras genomen want ik ging op zoek naar de Skybar.

SKYBAR MALABAR
In de “punt van de taart” op de achtste verdieping zit Skybar Malabar. Ook hier veel hout en glas. Je kunt de lichtjes van de gebouwen aan de overkant van het water zien met in de verte het oude Amsterdam, terwijl aan de andere kant de lichtjes van Amsterdam Noord schitteren. Voornamelijk gesoigneerde veertig plussers kwamen hier nog even wat drinken. Ik denk dat op vrijdagavond en in het weekend meer jonge mensen komen. Maar er heerste die maandagavond een leuke vibe. Malabar serveerde veel cocktails met combinaties aan ingrediënten die ik nooit eerder op een drankkaart heb gezien (saté cocktail?). Ik heb net op internet even de drankkaart gecheckt en gelukkig staan er nu wel cocktails op die me lekker lijken. Maar tijdens mijn verblijf trokken het mij niet aan. In plaats daarvan heb een glas champagne genomen, aan champagne kun je geen buil vallen.

HOUTSNIJWERK!
Mijn hotelkamer had houten wanden en een houten plafond. Verder was er een open badkamer, een aparte wc en een garderoberuimte. De slaapkamer kon afgesloten worden van dit alles met een schuifpaneel waarin een groot houtsnijwerk van een Indonesische danser te zien was. Ook de nachtkastjes hadden houtsnijwerk in de schuiflades. In de hele kamer voerde de kleur beige de boventoon, van vitrages en overgordijnen tot de bekleding van de zitbank. Verder was de kamer goed geëquipeerd. Er was een strijkijzer, een föhn, een espresso apparaat, een waterkoker, een kluis, badjassen, slippers en twee plastic halve liter flessen met water. De waterflessen met Delftsblauw decoratie mocht je als souvenir meenemen, ik gebruik ze nog steeds. Mijn kamer had een balkon dat volledig met glas was afgeschermd want het waait non-stop op het Java Eiland.

HEB IK ME VERVEELD TIJDENS MIJN VERBLIJF?
Ik checkte in op een maandag om 16:00 en de volgende dag checkte uit om 12:00. Hotel Jakarta is een lounge hotel, overal kun je chillen. De kracht van dit hotel zit ‘m in de architectuur van het gebouw dat optimaal gebruikmaakt van het uitzicht. Of je nu wandelt door de binnentuin, ligt op een massagetafel of ergens zit in een fauteuil, op een saunabank of in een ligstoel- overal kun je genieten van een adembenemend uitzicht. Zelfs tijdens het baantjes trekken in het zwembad. De hotelmedewerkers zijn behulpzaam en door de inrichting, het eten en de binnentuin waan je je in Indonesië, even weg uit je eigen stad. Heb ik me verveeld? Geen seconde.

 

POM Magazine Instagram

Metal voor beginners- een playlist

Ben je niet zo bekend met metal en heb je geen behoefte aan een heel weekend metal festival om uit te vinden wat je leuk vindt? Hieronder is een lijst met 10 bekende metal nummers die POM Magazine’s Nicole Broekema dwars door de diverse genres en tijdperken heen gekozen heeft. Smaken verschillen natuurlijk. Het zal je niet verbazen dat Nicole aardig wat heeft moeten schrappen om tot een top-10 te komen. Deze nummers worden steevast door het merendeel van het publiek meegebruld. Want ja, ook op metal festivals gaan de handjes de lucht in. Een lijstje dus om het festival gevoel nog even vast te houden. Show them metalhorns!

1. Ace of Spades – Motörhead
Om te beginnen, het lekker luisterbare en redelijk bekende Ace of Spades van Motörhead. Door het overlijden van rocklegende Lemmy Kilmister in 2015, helaas niet meer live te aanschouwen. Gelukkig heeft hij met z’n bandmaten heerlijke, pure rock achtergelaten, waaronder deze klassieker.

2. Raining Blood – Slayer
Gelijk door naar een heel andere sound, naar Slayer, de goden van de trash metal. Natuurlijk komen voor dit lijstje meerdere nummers van deze band in aanmerking. Ik heb gekozen voor Raining Blood, vanwege de herkenbare riffs en omdat die andere al in de Top 2000 staat.

3. Black no. 1 – Type-o-Negative
De donkere, soms melancholieke, soms humorvolle muziek van Type-O-Negative wordt breed gewaardeerd in de metal wereld. Hebben zij met het nummer “My Girlfriend’s Girlfriend” de nodige hitlijsten behaald, op de metal weide is het Black No. 1 dat de meeste snaren raakt. Loving you!

4. Run to the Hill – Iron Maiden
In een metal lijst kan Iron Maiden natuurlijk niet ontbreken. Maar welk nummer? Fear of the dark, veelal afsluiter van de show? Het wat algemeen bekendere Number of the Beast met het prachtige gesproken intro? Of misschien The Trooper of toch Aces High omdat dat van die heerlijke songs zijn? Nee, het wordt Run to the Hill, omdat dat toch de beste “meezinger” van allemaal is!

5. Davidian – Machine Head
De drumroffel, de gitaariffs, de oerschreeuw, de tekst; we kunnen het allemaal meedoen. Hoor duizenden stemmen meeschreeuwen: Let freedom ring….!! Luister en je weet waarom het geen verdere toelichting nodig heeft.

6. Chop Suey! – System of a Down
Afwisselend snel en chaotisch, en dan weer rustig en engelachtig, het bekendste nummer van System of a Down, Chop Suey! hoort absoluut in dit lijstje met meezingers. Diep respect voor iedereen die dit nummer ook daadwerkelijk helemaal kan meezingen.

7. Bro Hymn – Pennywise
Typisch voorbeeld van een nummer dat velen kennen; zo’n deuntje dat iedereen meehumt, soms zonder te weten welke band of nummer het is. Strijdlied van tientallen sportclubs wereldwijd. Het energieke refrein “Whooo-oh-oh-oh …” werkt erg aanstekelijk en verraadt niet direct de lading van de tekst: het verlies van dierbare vrienden. Een welgeslaagd eerbetoon.

8. War Pigs – Black Sabbath
In het woud van vele, vaak snoeiharde, metal genres dacht je misschien niet direct aan Black Sabbath. Toch zeker in de lijst opgenomen omdat deze band gezien wordt als de eerste metal band. Waarschijnlijk ken je het nummer “Paranoid”, de enige top-10 hit van deze band. In dit lijstje hoort War Pigs, omdat het heerlijk is om mee te doen met de lange uithalen.

9. Snap your fingers, snap your neck – Prong
Ondanks (of wellicht dankzij) hun cultstatus worden een aantal nummers van Prong nog altijd hoog gewaardeerd. Naast (persoonlijke) favoriet “Who’s fist is this anyway”, is Snap your fingers, snap your neck, het nummer waarbij de meeste handjes de lucht in gaan. Met knippende vingers, inderdaad.

10. Master of Puppets – Metallica

In vele lijsten op 1 als beste metal nummer ooit, ontbreekt dit nummer natuurlijk ook hier niet. Omdat echt bijna iedereen dit meezingt of neuriet, omdat het… nou ja, inderdaad, omdat het gewoon het beste nummer is. 😉
Master…
Master…
Master…

Tekst en muziekkeuze: Nicole Broekema

ANIMA

Anna Witte en Josefien van Kooten zijn het regisseursduo die de Rotterdamse haven onder de loep hebben genomen voor hun documentaire ANIMA. Ze kennen elkaar sinds hun jaren aan de kunstacademie en werken regelmatig aan gezamenlijke projecten, o.a. aan de documentaire ANIMA. POM Magazine’s Klaartje Til vroeg het duo wat het Rotterdamse havengebied zo bijzonder maakt.

door Klaartje Til

Wat is jullie connectie met de Rotterdamse haven?
Josefien
Als je vanuit Brabant naar Rotterdam rijdt kom je langs het havengebied. Je ziet het van een afstand. Anna woonde destijds in een gebouw vlakbij de Erasmusbrug, direct aan het water. Als ik daar was zag ik de hele tijd gigantische schepen voorbijkomen. De haven heeft een aantrekkingskracht. Er hangt de magie van een mechanische wereld.

Anna
De haven is visueel en indrukwekkend. Het is een exotische wereld die vlakbij is en tegelijkertijd heel ontoegankelijk. Dat geeft aantrekkingskracht en als documentairemaker wil je naar plekken waar je doorgaans niet kan komen.

Wat was het moment dat jullie geïntrigeerd raakten in de Rotterdamse haven?
Anna
Dat was op het Maasvlaktestrand. Het is een mooie plek, je ziet er regelmatig zeehonden en bruinvissen. Op één van die momenten dat ik daar was liep er opeens een groep Aziatische mannen over de duinen naar het strand. Ze hadden allemaal dezelfde witte pakken aan. Een paar mannen trokken die pakken uit en gingen in hun onderbroek het water in. Enkelen gingen gewoon met kleren en al het water in. Dat beeld raakte me. Ik begreep pas later dat het zeelui waren die waarschijnlijk na een lange tijd op een schip te zijn geweest, door iemand met een busje naar het strand zijn gebracht. Ik kreeg een inkijk in iemands leven, wat het voor iemand betekent om even vrijheid en misschien wel verbondenheid met de natuur te ervaren. Ik ben dat beter gaan begrijpen toen wij al in de haven kwamen voor onze film. Op die schepen en in de haven is heel veel geluid. Vergeleken met de schepen en machines ben je heel klein. Dat is ook waar we de film over wilden laten gaan. Toen ik het verhaal van die mannen op het strand aan Josefien vertelde begonnen we ons af te vragen: Wat is dit? En wat is dit voor ons?

Josefien
Ik was geïntrigeerd door het beeld van de mannen die zo’n intense vrijheid ervaarden, waarschijnlijk doordat ze een hele tijd omringd waren geweest door machinerie. Op een gegeven moment besloten we de film te maken over de haven, met de wetenschap dat het niet makkelijk zou zijn om daarbinnen te komen, en dat was ook zo.

Jullie geven aan dat het heel moeilijk is om het havengebied binnen te komen. Kunnen jullie daar iets over vertellen?
Anna en Josefien
We zochten mensen die binnen het havengebied werken, want dat wilden we onderzoeken. Uiteindelijk hebben we een sjorder (red- iemand die containers met klemmen, spanners en zware stangen op het schip vastzet) gevonden die zelf ook fotografeert en openstaat om mensen te helpen. Zelfs met zijn hulp was het lastig. We zijn vasthoudend geweest en uiteindelijk hebben we bij APM Containerterminal toestemming gekregen om te filmen. Het heeft meer dan een jaar geduurd eer we daar één keer, één dag mochten komen om te filmen. We hebben het ook bij andere terminals geprobeerd, maar tevergeefs. Maar het is ons wel gelukt om op een paar schepen te komen, via Seafarers Mission, The Bridge uit Oostvoorne.

Wat is de Seafarers Mission?
Anna en Josefien
Het is een organisatie van vrijwilligers die langs schepen gaan om de zeevarenden telefoonkaarten te brengen, of om ze op te halen en naar het dorp te brengen waar ze boodschappen kunnen doen en een borreltje drinken. The Bridge werkt samen met havenpastoors- en havenpredikanten. Eén van die pastoors zie je ook in de film. Soms overlijdt iemand op een schip en dan wordt een havenpastoor gevraagd aan boord te komen om een mis te houden voor de overledene. Dat vonden we een mooi, menselijk gebaar. Er is in die wereld zo weinig ruimte voor menselijkheid, maar dat wordt dus wel toegelaten. Terwijl er eigenlijk heel weinig wordt toegelaten. Soms mogen mensen niet eens van het schip af. Wij gingen vaak mee met de Seafarers Mission, als vrijwilligers. Zo kwamen we aan boord en konden we even met de kapitein praten om te vragen of we mochten filmen.

Hoe ging dat allemaal bij APM?
Anna en Josefien
We hebben meerdere gesprekken met ze gehad over wat we wilden filmen en hoe dat dan eruit zou gaan zien. Toen we daar waren, werden we begeleid en niet een beetje ook. Er was constant iemand bij ons om te kijken of het veilig gebeurde en of datgene wat we filmden wel ok was. Maar de mensen die daar werken en die we tegenkwamen vonden het leuk om te vertellen over wat ze doen. Want zij vinden, net als wij, de haven te gek. Ze zijn heel trots.

Welke crews hebben jullie allemaal voor de film gevolgd?
Anna en Josefien
In de haven hebben we eigenlijk met twee verschillende werelden te maken gehad. Enerzijds heb je de havenarbeiders, de havenbedrijven en de scheepswerven enerzijds. Anderzijds de bemanning aan boord, die vaak heel internationaal is. We hebben een keertje gefilmd op een schip met Indiase bemanning. Verder hebben we een aantal keren gefilmd op schepen met Filipijnse bemanning.

Ontstaan er ook mini-maatschappijen in zo’n wereld als de Rotterdamse haven?
Anna en Josefien
Een maatschappij of een mini-maatschappij impliceert iets menselijks. In de haven gaat het om gigantische systemen die zo efficiënt mogelijk moeten doordraaien. Dat is het hoofddoel en alles en iedereen is daar ondergeschikt aan. Werk is vooral werk, zeker op de schepen. Het gaat er niet om of je dit werk heel graag wilt doen en wat het jou brengt. Nee, het is gewoon werk.

Is er wat gedaan aan de aankleding of de omgeving om het wat menselijker te maken?
Anna
Ja, de containerterminals waren meestal netjes, de machines moeten namelijk goed kunnen draaien. Andere terminals lossen graan of erts en die zijn vaak erg vies. Maar op één van de schepen hing in de kantine ergens een kalendertje, zo midden tussen allerlei dingen die alleen maar met werk te maken hebben. Op een ander schip was ergens een gitaar. Dan zie je even tekenen van menselijkheid.

Jullie beginnen de film met de zin: wij maken dingen, maar de dingen maken ook ons. Wat bedoelen jullie daarmee?
Anna en Josefien
De haven is een wereld die door mensen is gemaakt, maar tegelijkertijd vormt die wereld wat mensen doen en wie ze zijn. Het gaat om de spanning tussen datgene waarover jij controle zou moeten hebben, maar datgene heeft ook veel controle over jou. We hopen dat de kijker na afloop van de film zich afvraagt: hoe zit dat in de wereld om mij heen.

Wat betekent de titel van de film, ANIMA?
Anna en Josefien
Het heeft meerdere betekenissen o.a. adem en ziel. Het heeft ook te maken met animisme, een natuurreligie die gelooft dat alles een ziel heeft. De titel wordt door heel veel mensen verschillend ontvangen. Spaanstaligen en Italiaanstaligen vinden de titel logisch. Ze gaan er meteen vanuit dat het met bezieling te maken heeft. Maar een titel als “De ziel van de haven” klinkt zo gesloten. Alsof we weten wat die ziel precies is.

Vinden jullie dat de haven een ziel heeft?
Josefien
Lastige vraag, want ik weet niet eens of er wel een ziel bestaat. Maar elke omgeving roept iets anders op, een ander gevoel, een ander soort emotie. Wat dat betreft is er wel een ziel denk ik.

Anna
De haven zelf is geen ziel maar ik denk dat wij een ziel toekennen aan alles en dus ook de haven.

Josefien
Er is een scene in de film die zich afspeelt in de machinekamer. Zijn die machines bezield? Ik denk van niet. Of zijn de mensen in de machinekamer bezield? Ik denk dat het eerder gaat over de combinatie van mens en machine, dat je daar hopelijk een beetje over gaat nadenken.

Anima is te zien via NPO 2DOC Kort


Fotografie: Jeroen Neus

Kunstbunker Berlijn

Toen de Pools-Duitse media ondernemer Christian Boros in 2003 de Reichsbahn bunker in de Reinhardtstraße in Berlin Mitte kocht was het verre van geschikt voor kunsttentoonstellingen. Het had tot die tijd ook al diverse functies vervuld. De bunker stamt uit 1942 en maakte onderdeel uit van het bouwplan dat Berlijn moest omturnen tot de wereldhoofdstad Germania. Na de val van Berlijn in 1945 werd het gebouw gebruikt door de Sovjets als gevangenis voor Duitse krijgsgevangenen om vervolgens te dienen als opslagruimte voor zuidvruchten. Hieraan heeft het de bijnaam ‘Bananen Bunker’ te danken. Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw vervult de bunker diverse functies waaronder technopodium, toneelpodium en nu dus tentoonstellingsruimte.

Het kunstverzamelaarsechtpaar Christian en Karen Boros was zich bewust van het feit dat het vijf verdiepingen hoge blok beton met 120 kamertjes niks weg had van een traditioneel museumgebouw. Zij deden daar hun voordeel mee. Ze lieten de 120 kamertjes ombouwen tot 80 ruimtes die elk variëren in hoogte en omvang en er kwam een zesde etage op het dak. Zij transformeerden die tot penthouse waar het gezin Boros sindsdien woont. Verwacht geen ruime lichte museumruimte, maar dat was ook niet de bedoeling van het echtpaar. De collectie van Karen en Christian is divers, zowel in formaat als in uitvoering. Verschillende werken in één ruimte zou het effect van een individueel werk teniet doen. De losse ruimtes bieden de mogelijkheid om elk werk een eigen omgeving te bieden waarin het tot zijn recht komt.

De Boros collectie bestaat uit werken van kunstenaars die geboren zijn in Berlijn of afkomstig uit andere delen van de wereld maar wonen en werken in Berlijn. Het merendeel van de werken stamt uit de jaren negentig van de vorige eeuw tot en met nu. De collectie bevat natuurlijk veel werken van Duitse kunstenaars, zoals foto’s van Wolfgang Tillmans en Thomas Ruff en schilderijen van Thomas Scheibitz, Florian Meisenberg en Thomas Zipp. Maar ook werken van buitenlandse kunstenaars. De mechanische boominstallaties van de Chinese Ai Weiwei zijn opgenomen in de collectie en zijn te zien in de huidige tentoonstelling, evenals werken van de Deense Olafur Eliasson. De Zweedse Klara Lidén en de Poolse Alicja Kwade tonen in de huidige tentoonstelling alledaagse voorwerpen die zodanig vervormd en opgesteld zijn dat ze communiceren met de ruimte waarin ze te zien zijn.

Sinds 2008 staan de zware metalen deuren open voor het publiek om een tentoonstelling te bezoeken. Het gebouw verhult niets, de sporen uit het verleden zijn als littekens her en der in de muren gekerfd. Verrassend genoeg komt dit de collectie ten goede omdat het veel conceptuele kunstwerken bevat waar het idee achter een werk een belangrijke rol speelt. De getoonde conceptuele kunstwerken zijn van deze tijd en communiceren de ontwikkelingen die de afgelopen drie decennia in de Westerse wereld hebben plaatsgevonden. De functionele omgeving van de bunker wordt gebruikt om de ideeën achter deze werken te versterken. Je hebt ook het idee dat je op bezoek bent in een woonhuis waarin toevallig veel kunst is. Het trappenhuis dat de bezoeker voert naar de vijf etages waar de kunstwerken opgesteld staan, is ook het trappenhuis dat het gezin Boros brengt naar hun woonhuis op de zesde etage. Wanneer jij de trap naar boven neemt om bijvoorbeeld de koperen bel van Thomas Zipp te bekijken zou je Christian of Karen Boros tegen kunnen komen op weg naar buiten om vervolgens gauw wat boodschapjes te doen in de buurtsupermarkt. Op hun beurt horen Christian en Karen in hun huiskamer weer het geroezemoes van de bezoekers en de geluiden van de kunstwerken. Want veel werken maken geluiden. Het zijn installaties die kraken en piepen, of elektronische tonen uitstoten.

Een bezoek aan een tentoonstelling in de kunstbunker is een bijzondere gebeurtenis. Je bent niet een bezoeker, maar een gast. Eén van de twaalf gasten om precies te zijn, want vanwege brandveiligheidsregels mogen er maximaal twaalf mensen tegelijkertijd in de tentoonstellingsruimtes aanwezig zijn. Als je de kunstbunker wilt bezoeken moet je jezelf opgeven via de website voor een anderhalf uur durende rondleiding. Voordat de tour begint stelt iedereen zich aan elkaar voor en vertelt een beetje over zichzelf. Bezoekers zijn gemotiveerd en kritisch en de gids is nieuwsgierig naar de inzichten van de deelnemers bij het zien van een kunstwerk. Ondanks de kleine ruimtes en de beperkte capaciteit om een groot aantal bezoekers te ontvangen blijkt de bunker onwaarschijnlijk geschikt als kunstmuseum. De functionaliteit van het gebouw versterkt de getoonde werken. De persoonlijke rondleiding waarin dialoog een centrale rol speelt, maakt een tentoonstellingsbezoek een bijzondere gebeurtenis.
www.sammlung-boros.de

Foto en tekst: Polly Parker

Licht of donker?- een mijmering over duisternis

Afgelopen zomer zag ik voor het eerst in mijn leven een vuurvliegje tijdens een pikdonkere nacht. Terwijl ik door een park liep zag ik een lichtpuntje dat precies op dezelfde plek bleef knipperen. Ik wist nog niet wat het was en duwde de struiken voorzichtig opzij om het beter te kunnen bekijken. Ik zag een vuurvliegje spartelen in een spinnenweb. Het flikkerende licht versterkte het effect van de worsteling. Ik pakte het vliegje voorzichtig uit het web, plukte de plakkerige draden van een vleugel en zette het neer om bij te komen. Toen ik omkeek kon ik me moeilijk oriënteren. Ik was ver de duisternis in gedwaald. Ik baande me met moeite een weg door het donker tot ik eindelijk het licht van het hotel weer zag. Ik realiseerde mij de afhankelijkheid en kracht van het licht: als het vliegje geen licht had gegeven had ik het nooit gered.

door Jasmijn Schrofer

Later die avond staarde ik vanuit mijn hotelbed naar een straatlantaarn. Het licht scheen fel in mijn gezicht. Ik trok de gordijnen dicht om mij tegen het licht te weren om sneller te kunnen slapen. Maar mijn hoofd begon te razen. Ik dacht: zo hebben mensen niet altijd geleefd. Duisternis was honderden duizenden jaren onderdeel van het dagelijkse bestaan. Nu leven we in een wereld waarin we baden in kunstlicht. Het licht houdt onze 24-uurs-economie draaiende. Het laat mensen werken, terwijl het eigenlijk donker is. Licht is een machtsmiddel. Het is verslavend. Vanaf dat moment ben ik me maandenlang gaan verdiepen in de betekenis en de geschiedenis van licht en duisternis. Ik leerde dat vuur het eerste middel is waarmee de mens controle over de natuur kreeg. We waren niet langer afhankelijk van zonlicht. We gingen de duisternis bedwingen en kregen de macht om onze omgeving te temmen. Grote stukken grond werden gewonnen door verbranding van de wildernis om plaats te maken voor de mens. Er is al lang geen menselijk samenleven meer mogelijk of zelfs denkbaar zonder vuur. We staan er meestal niet bij stil dat bijna alle elektriciteit geproduceerd is door het stoken van vuur. Er is bijna niets dat tot een staat van voltooiing gebracht is zonder vuur.

Toen ik satellietfoto’s van de aarde bij nacht bestudeerde begreep ik waar de meeste beschaving zich op aarde heeft geconcentreerd. Licht duidt op welvaart. Duisternis is vaak een teken van isolatie, armoede en een economische achterstand. Afrika is het continent waar de meest absolute duisternis te vinden is. Veel mensen zijn hier nog steeds afhankelijk van vuur als lichtbron omdat elektrificering een trage ontwikkeling heeft doorgemaakt. Tijdens een lange reis door China zag ik precies het tegenovergestelde in, Chongqing, een Blade Runner achtige megastad waar alles tot diep in de nacht doordrenkt is van licht en waar gebouwen eruit zien als gigantische tv-schermen. In deze jonge metropool wonen nu al meer dan 30 miljoen mensen. In China heeft de afgelopen twintig jaar hyper-urbanisatie plaatsgevonden en het land telt nu zeventien megasteden zoals Chongqing.

Kunstmatig licht heeft enerzijds ongekende technologische vooruitgang teweeggebracht, maar het kan anderzijds ook de energiebalans aantasten bij trekvogels, insecten en amfibieën. Vogels die in de nacht trekken verliezen het zicht op de sterrenhemel. Ze raken gedesoriënteerd door de aantrekking van kunstlicht en blijven soms massaal rondjes vliegen om wolkenkrabbers of boortorens in de zee, totdat ze door uitputting dood neervallen.

Je staat er vaak niet bij stil dat duisternis het slaap- en waakritme van allerlei organismen dicteert, inclusief dat van de mens. Schemering doet ons lichaam melatonine aanmaken waardoor we slaap krijgen. Licht verstoort de aanmaak van dit hormoon. De ironie is dat we laat naar bed gaan en in bed blijven liggen terwijl het al lang licht is. We hebben gordijnen om daglicht en kunstlicht buiten te houden en gebruiken wekkers om op tijd op te staan. We zijn als dagdieren geneigd productief te blijven zolang er licht is, maar om te kunnen overleven is een goede en regelmatige nachtrust essentieel. Sinds wij in ons huishouden elektriciteit en lampen zijn gaan gebruiken zijn we gemiddeld anderhalf uur per nacht minder gaan slapen. Symboliseert dit hoe de mens zich heeft vervreemd van de natuur?
Licht staat symbool voor al het goede, terwijl duisternis altijd het kwade heeft gesymboliseerd. Het bezitten van licht heeft de samenleving productiever en welvarender gemaakt, maar ook kwetsbaarder en afhankelijker. Het belang van de duisternis is misschien in de vergetelheid geraakt terwijl duisternis toch, net als licht, onderdeel is van de natuur. Ik denk dat duisternis niet alleen symbool moet staan voor het kwade. Het staat ook symbool voor evenwicht, Yin en Yang. De universele functie van duisternis is, net als slaap en rust, essentieel voor de instandhouding van het leven zelf.

Fotografie: NASA

Architect-Ryan van Kanten

Toen Ryan van Kanten zo’n 15 jaar geleden begon aan zijn loopbaan als architect had hij nou niet de ambitie om een ziekenhuisarchitect te worden. Maar in de loop der jaren schonken zorgprojecten hem heel veel werkplezier. “Bij het ontwerpen van een zorggebouw gaat het om de beleving van mensen die niet graag naar bijvoorbeeld een ziekenhuis gaan”, zo vertelt hij in een interview met POM Magazine. “Het gaat om de invloed die wij architecten kunnen uitoefenen om het een prettiger ervaring te laten zijn. Die uitdaging geeft een extra lading aan je ontwerp.” Met een decennium aan werkervaring in zorgprojecten op zak, klopte Van Kanten (foto) 5 jaar geleden aan bij het Nederlandse architectenbureau, Mecanoo. “Bij Mecanoo waren ze net begonnen aan het nieuwe Zaans Medisch Centrum in Zaandam en ik wilde daar heel graag aan meewerken. Zij konden mij goed gebruiken omdat Mecanoo nog niet veel ervaring had in het bouwen van ziekenhuizen. Nou dat kwam eigenlijk mooi uit”, vertelt hij lachend.

In een ziekenhuis ontworpen door Ryan van Kanten verdwaal je niet. Zijn gebouwen zijn duidelijk, herkenbaar en makkelijk te begrijpen. “Ik begin altijd met een herkenbare structuur in het gebouw door middel van daglicht en uitzicht”, zo vertelt hij. “Mensen moeten meteen begrijpen waar ze naartoe gaan. We hebben het hier over een zorggebouw zoals een ziekenhuis of verpleeghuis. Dat moet je bij alle keuzes die je als architect maakt in gedachte houden. Een verpleeghuis bijvoorbeeld moet voelen als een thuis. Ik wil dat thuisgevoel benaderen. Een gebouw moet niet een gezicht zijn waarachter het allemaal gebeurd, maar in alle vezels van het gebouw moet het voor een gebruiker kloppen: je prettig voelen, prettig werken of prettig wonen. Daar heb je als architect best wel invloed op”. Hoeveel invloed kun je lezen in het artikel Zorgzaam gebouw, waarin Ryan van Kanten in een interview met Klaartje Til uitlegt waarom het voor hem de normaalste zaak van de wereld is dat een gebouw verzorgend moet zijn.

Tekening en foto: Mecanoo

Kunst, geen scheikunde

Een interview met Inge Aanstoot ontaardt al snel in een maalstroom van associaties die je in een fractie van een seconde mijlenver van de gestelde vraag voeren. Gedachten kronkelen oneindig voort en voor je het weet ben je – met oneindig veel plezier – drie uur verder en zijn je vragen eigenlijk nog niet eens aan bod gekomen, laat staan beantwoord. Wie de schilderijen van Inge kent, zal dit niet verbazen. Al sinds haar afstuderen in 2009 worden haar doeken omschreven als ongebreidelde associaties waarvan zij geleidelijk steeds meer de dirigent geworden is. Samen met Thierry Reniers blikt Inge terug op haar ontwikkeling als beeldend kunstenaar en vertelt ze over haar uitdagingen voor de komende zes jaar.

Hoe heb je de periode sinds je afstuderen ervaren?

Inge Aanstoot-The Young Artist (2014)
Inge Aanstoot-The Young Artist (2014)

‘Op de academie had ik nog niets geleerd over wat er als kunstenaar op je afkomt. Dat is ook best fijn. Voor de eerste solo bij Vonkel had ik gewoon al werk klaar staan. Er werd nog helemaal niet aan me getrokken. Dat veranderde toen ik steeds vaker de vraag kreeg of ik voor die-en-die beurs werk beschikbaar had. Gelukkig vaar ik wel bij deadlines en kan ik soms best een nachtje doortrekken, maar als je ook drie dagen in de week bij De Tuinen werkt blijft er weinig ruimte in je hoofd over om inhoudelijk stappen te kunnen zetten. Elke beginnend kunstenaar loopt hier natuurlijk tegenaan, maar het is fijn dat ik me nu helemaal op de kunst kan richten. Frustraties over het proces kunnen overigens ook leiden tot heel goede resultaten. ‘The Young Artist’ is bijvoorbeeld zo’n frustratie-explosie en gaat over de worsteling die je als kunstenaar doormaakt. Hierdoor is het een heel atypisch werk geworden, ook wel een sleuteldoek eigenlijk.

Kun je iets vertellen over je zogenaamde sleuteldoeken?
‘Lang was ‘Fever Pitch’ het sleuteldoek, hoewel dat op een heel andere manier tot stand gekomen is. Na een periode waarin ik juist veel tijd had om maar wat aan te klooien, werd ik gevraagd om een werk te maken voor een expositie bij TENT en dat gaf een positieve ‘boost’. Terugkijkend zie ik dat sleuteldoeken steeds ontstaan als er iets wezenlijks in mijn leven verandert. ‘Caught In the Act’ ontstond bijvoorbeeld toen ik me veel meer in kunstenaarsinitiatieven en atelierpanden ging mengen en er ‘getouwtrek’ over mijn werk ontstond tussen Galerie Jaap Sleper en Vonkel. Het schilderij gaat deels over mijn eigen positiebepaling. In de afgelopen zes jaar heb ik vooral geleerd om tegen autoriteiten als museumdirecteuren en galeriehouders te durven zeggen wat ik vind en hoe ik het graag wil hebben. Wat daarbij helpt, is dat ik inmiddels zelf ook beter weet waar ik het over heb.’

Inge Aanstoot-Caught in the act (2012)
Inge Aanstoot-Caught in the act (2012)

Hoe is je persoonlijke ontwikkeling verder in je werk terug te zien?
‘Verhalenvertellers’ (2010), ‘Land’s End’ (2009) of ‘Pomegranates’ (2009) staan bol van de associaties en ik kan van elk element zeggen wat het betekent of waarom het staat waar het staat. ‘Gamma Delta’ (2015) en ‘Sabi’ (2015) zijn voor mijn doen daarentegen heel lege schilderijen en ik mag die nu ook maken van mezelf. Ik hoef niet meer alles wat ik zie of denk in één schilderij te stoppen. Tegelijkertijd hoeft voor mij niet langer alles in een schilderij over hetzelfde thema te gaan. Ik ben me er ook meer van bewust dat wat ik op een doek smijt, hoe dan ook gezien wordt als een statement. Als ik een vogel met een steigerpijp in zijn kont schilder, wordt dat per definitie als symboliek gezien, alleen maar omdat ik het heb geschilderd. Ik voel niet meer zo de verplichting om alles te moeten verklaren. Het is kunst, geen scheikunde. Bovendien is het een beetje zoals wanneer je op een feestje net het einde van een verhaal niet hoort. Dat verhaal blijft voor altijd spannend. Op eenzelfde manier wil ik dat mijn doeken een spannende relatie met mijn gedachten aangaan. Ik wil niet louter de illustrator van mijn ideeën zijn. Daarom ben ik ook geen puur politiek geëngageerd kunstenaar. Ik heb heus wel meningen over politiek, maar ik vind het niet zo interessant om die één op één in een schilderij te verwerken. Schilderkunst is daar voor mij gewoon niet het medium voor.’

Waar is beeldende kunst in jouw optiek dan wel een geschikt medium voor?
‘Met beeldende kunst kun je veel meer doen dan alleen een mening geven of een stelling innemen. Je zaait iets, zet mensen ertoe aan zelf hun gedachten op te maken. Ik wil graag open vragen stellen, zodat de toeschouwer zelf tot antwoorden of tot nieuwe vragen kan komen. Als ik in het Rijksmuseum voor het huwelijksportret van Frans Hals zou staan en Frans Hals zou daar zelf zijn om een toelichting te geven, dan zou ik hem niet vragen wie hij nou precies heeft geportretteerd. Het gaat mij erom dat hij me aan het denken zet op manieren die veel verder gaan dan de pure afbeelding. Ik wil het juist over deze ‘metadingen’ hebben.’

Kun je stellen dat je vrijer bent geworden in de manier waarop je een schilderij maakt?
‘Over sommige dingen ben ik meer gaan nadenken, over andere minder. Over het precieze hoe en waarom ik elementen in een doek stop een stuk minder bijvoorbeeld. Soms is het gewoon ook te veelomvattend. In ‘On Rites’ ligt bijvoorbeeld een dode zeehondenpuppy met wormen die uit zijn kop komen. Dit is een beeld dat regelrecht uit een documentaire van David Attenborough komt. Ik kijk elke avond voor het slapen gaan naar zijn documentaires, omdat ik het interessant vind om te zien wat de natuur aan fascinerends voortbrengt. Daarnaast is zo’n zeehondenkop in combinatie met krioelende wormen en zeesterren ook nog eens een heel esthetisch beeld. Maar in een groter plaatje vind ik het stuitend dat mensen liever gaan winkelen dan dat ze zich verdiepen in de natuur, dat ze hun kinderen meenemen naar de dierentuin, maar niet de bordjes lezen en ook nog eens amper naar de beesten kijken. Het schilderij gaat over al die dingen. In mijn inhoudelijke keuzes ben ik dus wel vrijer geworden. Toch ben ik me ook meer bewust van de reacties op wat ik doe. Bij mijn eerste werken vroeg iedereen bijvoorbeeld waarom ik met zoveel druipers schilderde. Dat deed ik niet bewust, het was inherent aan de vele lagen verdunde acryl die ik gebruikte. Voor mij waren die niet zo aanwezig, maar mensen moeten het natuurlijk niet alleen over die druipers gaan hebben. Hetzelfde met al die witte mensen die op lijken schenen te lijken. Als één persoon die associatie heeft, trek ik me daar weinig van aan. Als teveel mensen die hebben, vind ik dat wel een reden om me af te vragen waarom ik mensen zo in beeld breng. Het moet immers ook geen trucje worden. Zoals een vriend van me weleens gekscherend zei: ‘Het werk van Inge, dat is een zooitje planten, dode beesten en een wijf met een vinger in haar kut.’ Ik laat inderdaad bewust bepaalde elementen in mijn werk terugkomen, maar wil wel dat elk nieuw werk iets toevoegt en dat ik daarin zelf stappen zet. Daarom oefen ik ook heel veel op kleine schilderijtjes, die bijna allemaal mislukken. Waarom kan ik dat nu niet, terwijl ik doeken van twee bij drie meter zonder enige moeite voor elkaar krijg? Dat zijn uitdagingen die ik mezelf stel.’

Wat zijn verder de opvallendste veranderingen in je werk?
‘De gezichten in mijn werk zijn uiteindelijk realistischer geworden. Mijn werk is in zijn totaliteit ook meer in evenwicht, vind ik, doordat ik duidelijkere keuzes maak. Daarnaast schroom ik minder om beelden te ‘jatten’. Waarom zou ik zelf moeten gaan bedenken hoe een dode zeehond erbij ligt, als een documentaire dat veel beter in beeld kan brengen? Zolang het past binnen wat ik wil overbrengen en binnen mijn manier van werken, vind ik dat ik ook werk van andere kunstenaars in mijn schilderijen mag integreren. In ‘Caught In the Act’ is bijvoorbeeld in de achtergrond mijn versie te zien van ‘Mr and Mrs Clark and Percy’ van David Hockney. Verder heb ik in dit doek een onderkant van een poster van Egon Schiele verwerkt en een half verfrommelde tekening van Leopold Rabus. Mijn werk gaat onder andere over hoe beelden en informatiestromen ons overspoelen en beïnvloeden, waarom zou ik me dan schuldig voelen om die beelden onderdeel te maken van mijn schilderijen? Het gekke is dat deze vrijheden er soms ook toe leiden dat ik juist minder aan mijn doeken toevoeg. De helft van ‘Gamma Delta’ wordt nu gevormd door een mintgroene muur en dat is eigenlijk spannender dan wanneer de achtergrond helemaal zou zijn ingevuld, zoals ik eigenlijk van plan was. Ook technische afwegingen gaan een grotere rol spelen. In ‘Sabi’ heb ik er bijvoorbeeld voor gekozen om de voet van de rechterpersoon onaf te laten en toch valt bijna niemand dat direct op.

Inge Aanstoot-Gamma Delta (2015)
Inge Aanstoot-Gamma Delta (2015)

Waar denk je dat je werk heengaat?
‘Ik merk dat er meer ruimte voor abstractie ontstaat, ook al denk ik niet dat ik ooit alleen maar vlekken en stroken zal gaan schilderen. Daarnaast ligt voor mijn gevoel de weg vrij om met andere formaten te gaan experimenteren of me toe te gaan leggen op andere media, zoals sculpturen of performances. Hoe concreter het idee wordt die je wilt uitdragen, hoe meer mogelijkheden er lijken te zijn om die te verbeelden. Schilderen ligt me natuurlijk en ik zou ook best tot het einde der dagen planten, beesten en wijven kunnen blijven schilderen. En af en toe een man. Maar naarmate mijn concept duidelijker wordt, is het misschien logischer om ook andere media te gebruiken. Ik ben niet echt een type dat een paar houten kratten in een weiland zet en er dan een tekst bij plaatst. Toch zie ik me in de toekomst wel combinaties van schilderijen en ruimtelijk werk maken. Alles wat comfortabel is, kan je immers ook beperken. Als ik merk dat schilderen alleen te comfortabel wordt, zou ik wel willen gaan verbreden.’

Wat is je uitdaging voor de komende zes jaar?
‘Ik hoop zo zelfkritisch te blijven dat ik over zes jaar toch niet die kunstenaar blijk te zijn die lekker makkelijk is blijven schilderen. Een vastomlijnd plan om dat te voorkomen heb ik echter niet. Mijn ervaring is dat het zich wel aandient. Maar als morgen Thom Puckey me belt en zegt ‘Ik ga jou eens leren om een marmeren beeld te maken’, dan zeg ik: ‘kom maar door.’

Je het ervoor gekozen om na de Willem de Kooning Academie geen vervolgopleiding te gaan doen. Overweeg je dat nog?
‘Ik heb na de academie wel geïnformeerd of dat iets voor me zou zijn, maar ze vonden me met 21 toen nog te jong. Op het moment dat ik vorig jaar met mijn bijbaan stopte, heb ik er opnieuw veel over nagedacht. Een masteropleiding levert je immers veel nuttige contacten op en je bent daarnaast ook omringd door gelijkgestemden met wie je lekker kunt bekvechten. Door hoe ik mijn leven en werk heb ingericht, heb ik die mogelijkheid echter nu ook. Het gevaar dat verder op de loer ligt, is dat docenten toch hun ‘legacy’ mee willen geven aan hun pupillen. Logisch, maar ik zie ook vaak een te grote kloof tussen docenten en de nieuwe generatie kunstenaars. Als ik een master zou gaan doen, ben ik ook bang dat ik me gedwongen zou voelen om te snel stappen te zetten. Ik heb nu de vrijheid om dat meer tijd te geven en dat is eigenlijk heel fijn. Op korte termijn ga ik het dus zeker niet doen, maar als ik op een punt zou komen dat ik echt niet meer weet hoe ik verder moet, blijft het een overweging. Hoewel ik dan misschien eerder een goede cursus keramiek zou gaan volgen om nieuwe impulsen te krijgen. Of misschien een masterclass tekenen.’

Tekst:Thierry Reniers
Fotografie: Jasmijn Schrofer

De Grote Rotterdamse Kapsalontest

Dit stuk gaat niet over een kapperszaak, maar over een vette bek, dronkemansvoer, de studenten-schijf-van-vijf. Een gerecht met genoeg verzadigd vet om een voordeelpot vaseline mee te vullen, met bijna genoeg calorieën om een dozijn vleeskoeien op vet te mesten. Bedacht in Rotterdam maar inmiddels bekend in heel Nederland en zelfs daarbuiten. Mag ik de cholestorolverdubbelaar inzetten? Patat, vlees, kaas, sla, saus: allemaal bij elkaar in één handig bakje: De Kapsalon.

De kapsalon werd in 2003 geboren bij shoarmaboer El Aviva in Rotterdam-West. Het moderne sprookje is velen bekend: een lokale kapper bestelt geregeld shoarma met friet in één bak, de shoarmaboer oppert de toevoeging van kaas en de sla gaat erop in plaats van ernaast. De klanten in de kapperszaak vragen waar ze ook zo’n heerlijke bak ellende kunnen halen: “Vraag hiernaast maar om een kapsalon, dan loopt het wel los”, was het antwoord. Een standaard kapsalon bestaat uit een laag patat met daarop shoarma. Dit alles gaat, met een laag kaas erover, onder de grill en wordt opgediend met sambal, knoflooksaus én besprenkeld met wat sla en rauwkost. Voilà, uw kapsalon! Hier zijn de testresultaten.

The Döner Company
Waar beter te beginnen dan op Station Kapsalon, de koosnaam voor het Centraal Station van Rotterdam. The Döner Company is een keten van zo’n 40 kebabzaken die voornamelijk op en rondom stations gevestigd zijn. In hun filiaal op Rotterdam Centraal is het een komen en gaan van mensen. We hebben binnen no-time onze kapsalons op tafel staan, één met kip en één met lam. Ik haal de scoreformulieren die ik speciaal voor de gelegenheid gemaakt heb uit mijn tas, en meteen stuiten we op het eerste probleem: aan welke eisen moet de perfecte kapsalon voldoen? Ik was er blind vanuit gegaan dat mijn kompanen hun kapsalon net zo wilden zien als ik: lekker veel rauwkost met het liefst wat variatie erin, niet al te gek veel saus, liever shoarma dan döner. Niets bleek minder waar. Terwijl mijn ene tafelpartner vertelt dat er echt alleen een bescheiden handje ijsbergsla overheen mag, oreert de ander over hoe fijn het is dat er eens geen shoarma in de kapsalon zit. Terwijl ik de saus wat overdadig vind, schrijft een ander op dat het juist wel wat meer had gemogen.
We zijn het slechts over een paar dingen écht eens: de friet moet goed knapperig zijn, en dus het frituurvet goed vers. En we vinden allemaal dat deze kapsalons van The Döner Company een prima prijs-kwaliteitverhouding hebben. Niet de meest bijzondere bak ooit, maar een prima hap na een lange stapavond en voor een daaropvolgende treinreis huiswaarts. Voor een testpanel met zulke verschillende wensen, is het best aardig dat deze kapsalon toch niet slecht scoort. Een perfecte ijk-kapsalon. Wel komen we meteen aan bij ons tweede probleem: we zitten best vol. Ook na een galeriebezoek en een biertje in ons stamcafé moeten we er nog niet aan denken om nu al nog meer vettigheid naar binnen te harken. We besluiten het hier even bij te laten, het plan de campagne moet even worden herzien.

Tja, die perfecte kapsalon, hoe heurt het nou eigenlijk?
Je kunt uitgaan van het -overigens prima lekkere- origineel bij El Aviva en alle andere soorten vervloeken, maar dat is een beetje zoals koppig volhouden dat alleen bier volgens middeleeuws recept goed smaakt. En hoewel ik ook graag koppig volhoud dat er geen room door een spaghetti carbonara hoort (het is ei, en niets anders!) en ik mijn stamppotten altijd zal maken met een stamper in plaats van een mixer (barbaren!), ben ik over het algemeen van mening dat variëren in de keuken een groot goed is. Die kapsalon was anders ook niet ontdekt. Dus: shoarma of döner, friet boven of onder, alles mag. In elk geval voor nu. Een oproep op Facebook dat ik op zoek was naar de meest bijzondere kapsalon van Rotterdam weerhield mensen er niet van gewoon te vertellen waar volgens hen, de lekkerste te krijgen is. Daarnaast werd mij ook de allerslechtste getipt (ergens achterin een supermarkt in west, wie durft?) en waren er een hoop aanraders buiten Rotterdam (waaronder een krabsalon -jazeker- in Nijmegen). Maar er zaten ook parels bij, en we gingen uit eten.

De Burgertrut
De Burgertrut aan het Delftseplein, vlakbij Rotterdam Centraal, staat in Rotterdam bekend als een gezellige plek voor een goede hap: met allerlei verantwoorde en lokale ingrediënten experimenteren zij al jaren de lekkerste burgers in elkaar, ook vegetarisch én veganistisch. Zodra ik hoorde dat zij ook een vegetarische kapsalon op de kaart hebben, moesten we er natuurlijk heen. En toen de bediening vroeg of ik ‘m vega of vegan wilde dacht ik: let’s go all the way. Kom maar door met je veganistische kapsalon! Ik moet eerlijk toegeven dat ik, vanwege het woordje ‘vegan’, toch ergens een hypergezonde, rawfood-quinoa-hipster-variant van de kapsalon had verwacht. Ik werd enorm verrast. Deze kapsalon tikte al mijn vinkjes af, en als je niet had gezegd dat ‘ie volledig plantaardig was had ik het waarschijnlijk nooit geraden. De vegan shoarma is krokant én sappig, de friet knisperend vers en de gemengde rauwkost royaal aanwezig. Het geheel wordt in het traditionele aluminium bakje geserveerd, met huisgemaakte sambal en knoflooksaus in fles en potje ernaast. De vegankaas is verrukkelijk (helemaal niet zoals de oranje aardappellijm die er soms voor door moet gaan!) en met een goeie gesmoltenkaasstructuur. Ik sta er werkelijk van te kijken, het is misschien wel de lekkerste kapsalon die ik überhaupt ooit opheb! Zelfs mijn vriend, die zich toch tot een bio-burger heeft laten verleiden, is er erg van onder de indruk, al heeft zijn perfecte kapsalon andere vinkjes om af te tikken (‘wel veel sla’). Het enige minpunt dat we kunnen bedenken is dat de fluweelzachte, lobbige knoflooksaus nét iets knoflokeriger had gemogen, maar dat durf ik bijna niet op te schrijven. De kapsalon van de Burgertrut kan ik iedereen, van verstokte vleeseter tot militant veganist, aanbevelen. Met haar acht-en-een-halve euro ben je niet eens echt duurder uit dan bij de meeste shoarmazaken, en heb je naast deze lekkere, royale kapsalon ook de ambiance. Je kan hier wat langer tafelen dan in de snackbar. De gezellige inrichting, het vriendelijke personeel en de huisgemaakte limonades op de kaart zijn allemaal pluspunten. Eet hier met je vrienden eens een kapsalon vóór je gaat stappen!

Green Delight
In het verlengde van de vegan kapsalon van de Burgertrut liggen de kapsalons van Green Delight: een tikkie gezonder, maar ook bedoeld om wat langer van te genieten. Hun kapsalons werden mij meermaals aangeraden. Ook zij hebben een veganistische kapsalonvariant op het menu staan, maar mijn medeproever en ik hebben na ons bezoek aan de Burgertrut meer oren naar de Koreaanse (met rundvlees & kimchi) en Indo-versie (met rendang en atjar). We hebben geluk, er is ondanks de grote groep die net dit knusse zaakje aan de Nieuwe Binnenweg inkomt nog een tafeltje vrij. De hele kaart ziet er verleidelijk uit maar we komen toch echt voor de kapsalons. Dat valt niets tegen. De grote, hete ovenschalen die voor ons neer worden gezet ruiken heerlijk, en smaken evenzo! De opbouw is als een klassieke kapsalon, de uitvoering des te origineler. In plaats van patat zitten er grote frieten van zoete aardappel in. Niet zo krokant als een bakje Franse uit de frituur, maar het combineert perfect met het rundvlees, dat mooi uiteenvalt. De zoete aardappel en frisse rauwkost smaken er fantastisch bij. De kaas maakt het geheel behoorlijk machtig, vooral de cheddar op de Koreaanse versie. Als het geen traditioneel ingrediënt van de kapsalon zou zijn zou je ‘m waarschijnlijk niet missen. Maar begrijp me niet verkeerd, het missmaakt niet. Terwijl we aan onze drankjes nippen nemen we de tijd om deze kolossen soldaat te maken. Ondertussen praten we over soulfood, comfortfood en wat een kapsalon een kapsalon maakt. Hoe ver mag je van het origineel afwijken en het nog wel zo noemen? Wat ons betreft blijft Green Delight nog prima binnen de marges. Wie het daar niet mee eens is, heeft er duidelijk nog nooit gegeten. Voor €12,50 krijg je een hoop soul en comfort in je food. Plus: gemaakt en geserveerd door hele leuke mensen, op een heel relaxte plek!

Alfredo’s Taqueria
Wie na het voorgaande al begint te steigeren en eigenlijk de stap van shoarma naar döner al een te grote vond, kan dit kopje maar beter even overslaan. Alfredo’s Taqueria aan de Goudsesingel is gespecialiseerd in Mexicaans streetfood en dito cocktails. Het is niet de eerste plek waar je een kapsalon verwacht. De nachochips worden hier versgebakken en in de nachos kapsalon vinden we deze dan ook in plaats van de gebruikelijke patat. De huisgemaakte guacamole en salsa roja vervangen de sambal en knoflooksaus. De kaas is ruimschoots aanwezig, de kip is kruidig en het geheel is van een mooie laag sla voorzien. Een heerlijk gerecht, al is het meer een gezamelijk voorgerecht dan de éénbaksmaaltijd die ik aan het begin van dit artikel omschreef. Niet in de minste plaats omdat je het niet echt met je bestek kunt eten, maar ook niet helemaal met je handen. Hoewel we hier wel van comfort food kunnen spreken, zijn we hier misschien te ver van de originele kapsalon afgeweken. Een kapsalon is alles-in-één-bak, de boel met je vork naar binnen schuiven, het summum van snel bunkeren. Deze taqueria is een ontzettende aanrader, maar de opzet is hier omgekeerd: lang tafelen, veel kleine gerechtjes bestellen, hapjes van elkaars eten proeven terwijl er aan de bar nog een marguerita voor je wordt gemixt. Dus ga er vooral heen, geniet van de prachtlocatie en de prima cocktails en bestel zo veel als je op kunt (tip: hou ook wat ruimte voor een toetje!) maar voor nu is het hoog tijd om weer eens een échte kapsalon te gaan hakken.

De tips die ik kreeg na mijn oproep op Facebook kon ik goed aanvullen met tips uit de kroeg. Er ontstond een hele lijst kapsalonverkooppunten die, hoewel misschien niet het meest origineel, toch echt stuk voor stuk de beste verkochten. Door een combinatie van tijdgebrek, de angst dat het mijn neus uit zou komen en het feit dat ik maar een beperkt aantal kransslagaders heb, kon ik niet daadwerkelijk in iedere genoemde toko de kapsalon gaan proeven. Ik wil ze u niet onthouden, sommigen werden zo vaak, en vaak zo eloquent, genoemd en geroemd dat ze wel goed móéten zijn. Zo tip ik u de Mimoza, nabij het Oude Luxor, ook voor het ‘broodje grof’. Bent u in Noord, doe dan de Shoarma Bergweg of de Pyramide aan de Schieweg eens aan. Ook de HAS aan de Zwartjanstraat mag in dat rijtje. Op Zuid moet je Bella proberen, met hun houtskoolgrill. De PatatBakkerT in Kralingen heeft een versie met pulled chicken en satésaus die nieuwsgierig maakt. En bij het Stadhoudersplein wordt de kapsalon met zó’n glimlach geserveerd dat de smaak er niet eens toe doet.

Shoarmazaak De Sjeik aan de Van Speykstraat is mijn runner-up. Met een prettige, maar ondefinieerbare sfeer (die me terugwerpt naar de shoarmazaak waar ik als tiener met mijn vrienden kwam na heimelijke jointjes achter het winkelcentrum) én een uiterst smaakvolle kapsalon mogen zij niet in dit artikel ontbreken. In plaats van friet krijg je aardappelschijfjes, die krokanter zijn dan je durfde te dromen (dit in tegenstelling tot de kebabzaak bij mij om de hoek, waar ze de zompige schijfjes nog net niet direct uit de vriezer in het bakje mikken). Maar voor de ultieme kapsalon kozen we het etablissement dat het vaakst werd genoemd.

Jaffa
De Jaffa is misschien wel de bekendste shoarmazaak van Rotterdam. Al sinds 1979 verkopen ze hun waar aan de bezoekers van de Witte de Withstraat, ooit het schoolvoorbeeld van een probleemwijk, nu een sprankelend uitgaansgebied. Speciaal voor de gelegenheid lieten wij ons als testteam flink vollopen: terugkeren naar de échte kapsalon gaat toch het beste met een bodempje bier.
We worden hartelijk begroet en aan tafel geholpen. De kapsalon wordt hier, als je ‘m niet meeneemt, op een bord geserveerd. De friet is mooi knapperig, het vlees sappig en mals, maar niet al te vet van smaak. De kaas is royaal over het geheel gesmolten. Een mooie laag ijsbergsla bedekt het geheel. Flessen sambal en knoflooksaus worden op tafel gezet, om naar wens toe te voegen. We laten het ons smaken. We vragen de kok of het klopt dat hier op een vrijdagavond 800 kapsalons verkocht worden. Nee, inmiddels nog wel wat meer, meent hij. Niet raar dus dat ze hier van wanten weten, al zijn we blij dat we een rustiger avond te pakken hebben. Het mag weinig vernieuwend zijn, maar deze kapsalon is hoe we ‘m graag proeven, vooral na een avondje stappen.

Zwaantje van Klaveren

Urban cowboy

Een urban cowboy lijkt een paradoxale verschijning, maar is het niet per se. Een cowboy is als gras dat tussen de tegels doorgroeit; de ruimte in een vierkant systeem is krap, maar hoe klein ook – het laat wildgroei toe. Cowboys treffen elkaar zelden. Als ze elkaar treffen, dan is het kort en to the point. Lonesome, maar nooit alleen. Ik ben naar ze op zoek gegaan in mijn stad.

Als de stad verschilt van het Wilde Westen, dan is het wel door de gigantische dichtheid van mensen. Meer tegels, meer woekering, meer cowboys. En hoezeer cowboys ook in verschijning, doen én laten verschillen, ze zijn gesneden uit hetzelfde hout – en dat ruik je. Het vraagt lef en moed om je authenticiteit te etaleren, maar voor een urban cowboy is het een moeiteloze bezigheid. De stad kent andere wetten, andere behoeften, andere kansen – maar de dialoog die de cowboy daarmee aangaat is onveranderd. Keer op keer die vraag: wat doe ik met mijn vrijheid vandaag? In mijn vriendenkring vond ik enkele urban cowboys. Ik vroeg ze naar hun cowboybestaan, wat voor hen een cowboy is. En hoe typisch ze ook voldoen aan het profiel, in gesprek met mij trappen zij de kaders plat van wat een cowboy is. Daardoor passen ze wat henzelf betreft, nooit echt in het vakje cowboy. Dat er toch al niet was. Precies zoals het een cowboy betaamt. Althans voor sommige dan.

Caspar is sinds dit jaar officieel mijn vriend. Hij is een urban cowboy. Vind ik. Is het zijn kledingstijl? Zijn strak geschoren baardlijn? Omdat hij wildvreemde dames op straat begroet en soms zelfs de volgende morgen van ontbijt voorziet? Nee, het is zijn Honda motor. Of simpelweg omdat een afspraak niet lukt als we via de telefoon proberen af te spreken, en ik hem voortdurend tegenkom wanneer we elkaar vergeten. “Een urban cowboy kent de wetten van de jungle en de wetten van de stad”, zegt hijzelf, “hij weet hoe hij de dingen moet bespelen om te krijgen wat hij wil – Hoe ga je om met een vrouw? Hoe krijg je goed betaald werk? Wat zijn de plekken om naar toe te gaan?” Volgens Caspar kan een yup heel goed een urban cowboy zijn, en ook andersom. En toch is er volgens hem dat wezenlijke verschil. “Zelfverrijking heeft geen prioriteit”, vertelt hij me, een vrije vogel die pakt wat ie nodig heeft. Hij werkt niet voor het systeem, maar laat het systeem voor zich werken.” Toen ik met Casper sprak spookte in mijn hoofd die uitspraak die ik ooit las: Als je de koning wilt vermoorden, dan moet je zijn beste vriend worden. Een urban cowboy rebelleert niet. Hij kent de mazen van de wet, en kruipt er met stijl tussendoor. “Ik vind mezelf in die zin geen urban cowboy”, vertelt Casper, “omdat ik financieel nog niet die onafhankelijkheid in de vingers heb. Een urban cowboy heeft funky koopwaar waarmee hij zijn poen verdient. Waar ze lekker van leven zonder hun hand op te houden. En tegelijkertijd zijn ze niet afhankelijk van hun eigen succes. Vrijheid verliezen, dat is niet aan de orde. Een koophuis, het kan. Zolang het vrijheid geeft en niet neemt.” Terwijl Casper me dit vertelt, schudt hij zand uit zijn oren. Uit Black Rock Desert, waar hij op het Burning Man festival echte cowboys ontmoette.

Wat mij en mijn andere vriend Jasper bijeen brengt, is dat we elkaar overal en nergens tegenkomen. Jasper is een vagebond, een ‘struiner nummer 1’. Naar eigen zeggen een cowboy zonder hoed. Misschien omdat het stedelijk landschap genoeg schaduw biedt? Op zijn benen, nog liever dan op de fiets, beweegt hij door de stad. Altijd in gezelschap van Jan en alleman. “Struinen is het mooiste wat er is”, zegt hij, “voor avontuur hoef je niet ver weg te gaan. Alles is om je heen te vinden”. Zijn ogen zijn altijd op de horizon gericht. Wat hem betreft is een urban cowboy goed herkenbaar. “Ze roken. Dat moet. En ze hebben masculiene eigenschappen. Ze hebben geen paard, maar een fiets of een Vespa. Tegelijkertijd zijn ze qua kledingstijl niet in een hok te stoppen”, aldus Jasper. Volgens hem is het meer een zekere behendigheid die van een urban man een cowboy maakt. Het moderne lasso gooien in de vorm van skateboarden, over een touw lopen of met vuilniszakken gooien. Het blijft wellicht voor altijd een mysterie, maar het is waar. “Een urban cowboy is populair bij de vrouwen. Schroomt niet om met veel vrouwen het bed in te duiken. Maar tegelijkertijd is hij een loner. Hij heeft niet superveel vrienden, maar is feitelijk ook nooit alleen. Behalve dan in zijn eigenzinnigheid”, vertelt Jasper me. “En uiteraard, een urban cowboy doet iets in de muziek”, voegt hij er aan toe. Jasper gooit niet met lasso’s, maar met vinyl. Hij draait platen, samplet ze en maakt er compleet nieuwe hiphopbeats van die hij ook live performt. In kroegen, woonkamers en tunnels.

De derde cowboy is mijn vriendenkring is Joshua. Ik heb hem al jaren niet meer gezien. En toch: als ik iemand het hokje van cowboy in en uit mag drijven, dan is het Joshua. Hij heeft simpelweg de looks. Inspirerend hoe iemand die er zo goed uit ziet louter sympathie toont. Zijn glimlach spreidt een lage tandartsrekening ten toon. Arrogantie is hem onbekend. Joshua kun je overal op de planeet tegen komen. Ik zou zeggen vier seizoenen lang. In de zomermaanden bouwt hij gigantische steigers en installaties op festivals op én af. Eelt op de handen, eelt op de ziel. Hij kent de paradox van onafhankelijkheid in het samenzijn. Hij zei ooit:”Het enige wat je nodig hebt op reis is een fles water, de rest komt vanzelf.” Ik nam contact op via facebook, want hij zat in Tokyo. Het label van cowboy lapte hij direct aan zijn laars. “Ik vind het een negatieve klank hebben, cowboy. Iemand die zich van niemand wat aantrekt en zijn zelfbedachte regels heel uitgesproken naleeft en daarmee tegen de schenen van anderen schopt. Niet dat ik van het keurslijf ben”, voegde hij eraan toe. “Ik zou mezelf liever zien als Urban Ninja. Iemand die in de onwetendheid zijn dingen voor elkaar krijgt. En vaak voor een groter plaatje gaat. Zonder dat iemand het echt in de gaten heeft. Soms linksom, soms rechtsom. Urban cowboy klinkt in mijn oren een beetje dommig en rebels. Veel geschreeuw maar weinig inhoudelijke acties die inspirerend zijn en effectief. Anyway, what’s in word, hè? Allemaal interpretaties van iets dat in werkelijkheid leeg is.”
Ik kan niet wachten tot ik Joshua vergeten ben en weer ergens tegen het lijf loop. Ontsnappend aan hetzelfde vangnet, een oneindige variatie op dat thema van bewegingsvrijheid. Als woorden een lasso zijn dan gooi je soms raak, soms mis. Ter afsluiting mijn versie van een typische urban cowboy. Autobiografisch? Misschien. Behalve op de momenten dat ik mis gooi. Het blijft buiten de vakjes kleuren.

Urban Cowboy?
Iemand die goed gekleed is maar niet bang is vies te worden. Voorbereid op alles dat hij wil beleven.
Hij heeft niet alleen zijn telefoonoplader altijd bij zich, maar ook een powerbank, condooms, aansteker, pen, zakmes, deo, paspoort, oordopjes, tandenstokers, kauwgum, flesje water, cash en pinpas.
Hij heeft een compact maar robuust vervoersmiddel: een fiets, skateboard, een brommer. Hij heeft geen auto of motor omdat hem dat beperken kan.
Hij onderscheidt stijl van imitatie, maar is niet bang is om op te lossen in de massa.
Zijn smaak etaleert hij niet uiterlijk of verbaal maar geeft hij terloops prijs als gevolg van directe behoeftevoorziening.
Hij is iemand die net zo gelukkig is met een zak chips in het park, als met een viergangendiner bij een vijf sterren restaurant.
Zijn culturele achtergrond is verwaarloosbaar maar niet verloren.
Integendeel, hij eert zijn roots maar heeft de sporen daarvan uitgewist en mengt zich moeiteloos in iedere andere cultuur.
Hij is iemand die zijn krachten niet ontleent aan een systematische training maar aan de noodzaak van beweging.
Hij danst, hij is onzichtbaar.
Als je hem ziet, herken je hem direct; je wilt iets van hem wat hij nooit geven zal en toch is hij gul en deelt dat wat nodig is.
Iemand die in een groep gecamoufleerd is, maar voor een publiek bulkt van zelfvertrouwen.
In geen enkele vrouw vindt hij wat hij van zijn moeder niet kreeg.
Hij doet geen vlieg kwaad, maar als er bloed moet vloeien dan zal er bloed vloeien.
Hij laat zich glad scheren zonder een nieuwe afspraak te maken.
En bovenal, hij heeft een zakdoek bij zich want je weet maar nooit waar je op een dag je handen zoal aan vuil maakt.

Tekst: Bert van der Zee
Fotografie: Jasmijn Schrofer