De eindredacteur- Josine Boven

Sinds jaar en dag doet Josine Boven de eindredactie voor de artikelen van POM Magazine. In haar vrije tijd kijkt en fotografeert ze graag vogels. Met deze liefhebberij is Josine een beetje een vreemde eend in de redactie waar cultuur, kunst en stadse trends de boventoon voeren. Des te meer wordt zij door de redactie gewaardeerd. Want, zoals een vogelaar vogels bestudeert, zo neemt Josine onze artikelen onder handen: met respect voor de ziel die de auteur het artikel heeft geschonken. Song Bloemendaal werkt sinds kort voor de POM Magazine redactie. Zij nam met beide handen het aanbod aan om in het kader van de 10 jarige verjaardag van POM Magazine, een interview met Josine te doen. Een mooie gelegenheid om erachter te komen wat er de afgelopen jaren zich allemaal bij POM Magazine heeft afgespeeld.

door Song Bloemendaal

Josine je bent al negen jaar de eindredacteur van POM Magazine. Hoe ben je bij POM Magazine terechtgekomen?
Ik ben vrijwel vanaf het begin erbij. Een vriendin van mij was één van de eerste redacteuren van POM Magazine, zij interviewde en schreef columns. Zij vertelde mij op een gegeven moment dat ze op zoek waren naar een eindredacteur. Toen ben ik met Regina, de hoofdredacteur, in contact gekomen en dat klikte. Sindsdien doe ik redactiewerk voor POM Magazine. Ik weet nog goed het moment waarop Regina uitlegde waar POM Magazine voor stond: in de artikelen en interviews gaat onderwerp vóór opinie en nieuwsgierigheid wint het van kritiek. Ik kon dat toen niet zo goed plaatsen. Ik heb als ZZP-er de laatste jaren veel gewerkt in een omgeving, waar opinie juist erg belangrijk is. Daar was ik aan gewend en moest dat allemaal loslaten bij de artikelen van POM Magazine.

Hoe was dat in het begin voor jou om die switch te maken ?
Het voordeel was dat ik niet hoefde te schrijven. Ik las wat andere schreven en keek in eerste instantie of de zinnen klopten en of er spelfouten in stonden. Ik deed het basale eindredactie werk zeg maar. Gaandeweg ben ik meer gaan letten op de stijl. Dat is wel een groei geweest. Als ik daadwerkelijk was gaan schrijven zou ik dat lastiger hebben gevonden dan wat ik nu uiteindelijk doe, het redigeren van de artikelen.

Als je terugkijkt naar de eerste artikelen die je geredigeerd hebt en die vergelijkt met de artikelen die je nu binnenkrijgt, zie je dan verschil?
Als ik naar mezelf kijk, heb ik in de loop der jaren veel meer behoefte gekregen aan dingen waar geen mening aan hoeft te hangen. Ik denk dat POM Magazine wat dat betreft in een behoefte voorziet waar steeds meer mensen open voor staan. Er wordt al zoveel geschreven over de geopolitieke situatie waarvan we allemaal iets moeten vinden. Het is goed dat er een blad is dat geen mening heeft over sociaal maatschappelijke- en politieke ontwikkelingen en daarin eigenwijs is. Ik ben daarin meegegroeid. Regina is met haar idee van POM Magazine echt een voorloper geweest met een blad waar nu steeds meer behoefte aan is.

Is de focus van de artikelen in de loop der jaren veranderd?
De thema’s zijn gelijk gebleven maar de focus in de artikelen is meer naar de derde persoon verschoven. In het begin waren er meer verhalen vanuit de ik-vorm. Het zijn voor mijn gevoel nu meer verhalen over mensen. De columns zijn altijd van goede kwaliteit geweest. De interviews hebben een kwalitatieve groei doorgemaakt. Het lukt steeds weer om bij mensen interessante verhalen los te maken, mensen waarvan ik nog nooit gehoord had.

Is er een artikel dat bij jou is blijven hangen?
Het artikel over een Neon Reclame Museum in Warsaw is me echt bijgebleven. Ik had nooit gedacht dat je neon reclame kunt verzamelen om er vervolgens een themamuseum van te maken. Verder vind ik de columns van Zwaantje van Klaveren erg leuk. Misschien komt dat ook omdat Zwaantje net als ik, houdt van vogels kijken. Zij heeft eens een column geschreven waarin ze beweerde een middelste bonte specht gezien te hebben in een park in Rotterdam. Terwijl ik dat stuk redigeerde dacht ik, “Een middelste bonte specht in Rotterdam? Dat moet volgens mij de grote bonte specht zijn geweest.” Ik heb zelfs bij een bevriende vogelaar gecheckt en die dacht ook dat het bijna onmogelijk is om een middelste bonte specht in Rotterdam te zien. Toen heb ik in een opmerking aangegeven dat hier maar even grote bonte specht van gemaakt moet worden, want dat is wat geloofwaardiger. De columns die columnist  AAG in het begin voor POM Magazine schreef zijn me ook bij gebleven. Vooral de column Wat is het toch met Mini? Het is een hilarisch verhaal over mini rijders. Ik kreeg tijdens het redigeren gewoon de slappe lach.

Wat vind je naast de artikelen en columns, nog meer mooi aan POM Magazine?
Dat het er na 10 jaar nog steeds is, met een stabiele lezers groep die nog steeds groeit. POM Magazine heeft zich toch maar mooi staande weten te houden. Dat is een groot compliment voor iedereen die er aan meewerkt. Ik ben de afgelopen dagen het archief in gedoken. Wat opvalt is dat de columns en artikelen tijdloos zijn, ze zijn nog steeds leuk. Die tijdloosheid is de kracht van het tijdschrift denk ik.

Heb je wel eens artikelen binnengekregen die niet echt bij POM Magazine passen?
Nee, want Regina is daar heel strikt in, zij waakt daarvoor. Maar ik heb wel eens artikelen gehad met veel te veel ingewikkelde woorden. Ik probeer nooit een zin te herschrijven. Ik vind het belangrijk dat de teksten zoveel mogelijk blijven zoals ze zijn aangeleverd. Maar als ík al een zin niet begrijp dan zullen meer mensen die niet begrijpen. Dan plaats ik een opmerking in de tekst dat het te ingewikkeld is en soms met suggesties voor verbeteringen. En als ik toch een verandering aanbreng in een tekst dan mag je die eigenlijk niet doorhebben. Je moet als auteur het gevoel blijven houden dat het jouw artikel is.

Waarin zou POM Magazine de komende 10 jaar nog verder kunnen doorgroeien?
Ik denk dat ze gewoon moeten doorgaan op de ingeslagen weg. Mijn boodschap voor iedereen die voor POM Magazine werkt of dat in de toekomst gaat doen is “hou die dwarse blik”. Juist nu is er veel behoefte aan relativering in een wereld vol mooie ontwikkelingen in de kunst, cultuur, film, muziek, architectuur en mode. Ik vind het enorm leuk wat ik doe bij POM Magazine en hoop het nog lang te blijven doen. Ik kijk uit naar het 10 jarig feestje straks.

Wat is het toch met bonnetjes?

Ik ben een fan van de films van Wes Anderson. Als redacteur van een tijdschrift is zijn film The French Dispatch des te leuker. In het intro-shot stelt een stem de redactie voor van het tijdschrift The French Dispatch. De stem legt uit hoe de hoofdredacteur te werk gaat- met een zwak voor de schrijvende redactieleden en genadeloos voor illustratoren. Nou wil ik niet zeggen dat onze POM hoofdredacteur hard en meedogenloos is naar allen die ooit een illustratie voor POM Magazine hebben gemaakt. Ik geloof van niet. Maar…. ik weet wel dat de illustratie van één van hen nooit is gepubliceerd om een soortgelijke reden als in de film gespeeld wordt (de kalkoenscene).

door Polly Parker

Onze hoofdredacteur had ooit een illustratie nodig voor een filosofisch artikel waarin de vraag centraal staat of levenloze objecten een ziel kunnen hebben. Iemand werd gevraagd een tekening voor het artikel te maken met als voorwaarde dat er geen dieren, mensen of planten op mochten staan, alleen maar objecten, dooie dingen dus. Nou je raadt het al. In de inbox ontvingen we een tekening propvol met bloemen en planten. Tja, onze hoofdredacteur was not amused en we moesten heel snel naar iets anders zoeken om bij het artikel te plaatsen (het werd een foto vol rotzooi aan spullen).

En hoe zit het dan met een zwak voor de schrijvende- en interviewende redactie? Nou…er zijn twee anekdotes die me bijgebleven zijn omdat in beide, bonnetjes de hoofdrol spelen. In het Plaza restaurant op Utrecht Centraal was een paar jaar geleden een redactieoverleg met Claire en Klaartje. Na afloop moesten zij allebei naar  de wc. Toen ze weer terug waren in het restaurant, overhandigden ze met gevoel voor drama en iets wat op een klein dansje leek, de bonnetjes waarop de prijs stond van het wc bezoek. We hebben een regel dat alle bonnetjes ingeleverd dienen te worden bij onze hoofdredacteur en zelfs betaald plassen tijdens een redactieoverleg  wordt vergoed. Hoewel ik eerlijk gezegd niet zeker weet of ze uitbetaald zijn. Vaak zit er iets tegoedbon-achtigs bij zo’n bonnetje en wie weet zit onze hoofdredacteur nu ergens gratis op een wc bril om dat tegoed alsnog zeg maar te verzilveren. Sorry, ik dwaal af.

Tijd voor de tweede anekdote. Ons culinaire redactielid, Boanna, werd op pad gestuurd om uit te zoeken waar je in Nederland de lekkerste etenswaar uit de muur kan trekken. Daarvoor diende ook zij keurig de bonnetjes in bij onze hoofdredacteur. Voor één van de bonnetjes stuurde Boanna zelfs een betaalherinnering via WhatsApp en uiteraard zorgde onze hoofdredacteur ervoor dat het openstaande factuurtje terstond betaald werd. Later drong tot haar door het bedrag dat ze had laten overmaken: 28 euro voor wat snacks uit de muur ergens in Amsterdam! Ze zocht het bonnetje op, het stond er echt, 28 euro inclusief btw. Tweemaal wat vega dingen en een kroket. Nou is tweemaal helemaal goed want Boanna mag nooit alleen proeverijen doen. Ze moet andere mensen meenemen zodat verschillende gerechten tegelijkertijd geproefd worden, wat haar artikel alleen maar ten goede komt. Maar dit keer stond er iets vreemds op de bon namelijk, 2 maal What the Fuck. Het stond er echt. Elk 10 euro per stuk, twee maal, in totaal 20 euro.
Nou….Boanna ontving een appje met de vraag hoe de What the Fucks smaakten want dat had onze hoofdredacteur niet kunnen lezen in haar artikel.

B: <oh, is dat dan ook vergoed? >

Hfd Red: <klopt. is betaald, hoe smaakte het?>

B: <we hadden niet gedacht dat het vergoed zou worden.>

Hfd Red: <maar wat is het?>

B: <een bordspel, we zagen dat daar liggen in dat tankstation, zo vlak naast de muur met eten en toen hebben we het allebei gekocht. we kenden het nog niet.>

Tja en net als in de film The French Dispatch, kan de hoofdredacteur van POM Magazine maar moeilijk de redactie iets weigeren.

Hfd Red: <oke prima, veel speelplezier.>

The Best Of Speels

Hallo POM Magazine lezer, Polly Parker hier. Figuurlijk gezegd in de pen geklommen om voor de tiende verjaardag van POM Magazine een column te schrijven. Ik hoor de lezer denken, “Jeetje Polly wat een snibbige toon en vanwaar toch? En trouwens dit is toch Speels Polly, geen Column Polly?” Nou… zoals de lezer weet hou ik me voor POM Magazine voornamelijk bezig met de cultuuragenda. Daarom zit ik regelmatig op een hoekstoel voor een theater- of concertpodium, of sta ik in menig galerie en museum voor een foto of schilderij. Dit allemaal om te zien en te horen of het allemaal het vermelden in de POM Speels cultuuragenda waard is. Gelukkig houdt onze hoofdredacteur me op de hoogte van de stand van zaken van de andere rubrieken. Zo vertelde ze me over de artikelen die in het kader van het tienjarig jubileum in oktober en november gepubliceerd gaan worden. In allerlei leuke interviews wordt dan teruggeblikt met mensen die in de afgelopen jaren al eerder geïnterviewd zijn door ons. Zelfs onze eindredacteur Josine is geïnterviewd door de nieuwe aanwinst in de redactie, Song Bloemendaal. “Leuk toch?!”, riep onze hoofdredacteur enthousiast. Waarop ik vroeg of het haar geen goed idee leek om zelf eens geïnterviewd te worden. Tenslotte was zij de afgelopen tien jaar hoofdredacteur van POM Magazine. Het antwoord was een heel verhaal over op de achtergrond blijven in haar rol en op de voorgrond treden van de redactieleden en tot slot de vraag of ik iets kon schrijven over anekdotes die ze wel eens met me heeft gedeeld tijdens de borrel. Na een moment van sprakeloosheid, gevolgd door boosheid, direct uitmondend in bravoure, besloot ik ter plekke om de uitdaging aan te gaan op voorwaarde dat ik The Best Of Speels mocht schrijven. Geheel subjectief. En zie hier lezer: u wordt getrakteerd op het beste van de rubriek Speels van de afgelopen tien jaar.

Mamma Medea van Theatergroep Suburbia
De Griekse tragedie Medea kennen we allemaal vanwege de ontknoping: moeder doodt kinderen. Vreselijk. Maar hoe komt Medea tot die daad? Dat was de hamvraag waarop Theatergroep Suburbia in 2022 antwoord probeerde te geven in een toneelversie van Tom Lanoye. Mamma Medea is een liefdesverhaal maar ook een verhaal over uitsluiting en verraad. Charlie Chan Dagelet speelde Medea en Stefan Rokebrand haar grote liefde, Jason. Waarom dit op The Best Of Speels moet staan? Charlie Chan Dagelet speelt een vrouw die haar kinderen vermoordt en Stefan Rokebrand een man die het allemaal op zijn beloop laat en dit drama niet heeft weten te voorkomen. Desondanks krijg je geen hekel aan dit paar en voel je na afloop van de voorstelling alleen maar mededogen. Dat vind ik knap.

Helpdesk van Wunderbaum
De Rotterdamse acteursgroep Wunderbaum heeft van hun voorstelling Helpdesk, een podcast versie gemaakt. Voor haar rol in de voorstelling kreeg actrice Wine Dierickxen in 2016 de Theo d’Or. Nu kun je één uur lang luisteren naar haar vertolking van Caren’s Helpdesk. Voor haar diverse bellers moet Caren telkens andere specialisaties beheersen. Terwijl ze voortdurend nieuwe identiteiten aanneemt, komt ze steeds verder te staan van haar oorspronkelijke zelf. Gaandeweg rijgen de gesprekken zich aaneen tot een bizarre trip. Nog steeds te beluisteren en nog steeds een mega aanrader.
Naar podcast

Aus dem Tagebuch einer erschöpften Unternehmerin
De Duitse journalist en auteur Frank Lorentz plaatste in 2021 zijn verhalenbundel op Instagram. Elke dag kon je op Instagram de belevenissen lezen van een zakenvrouw. Een soort Bridget Jones, maar dan Duits, volwassener en tienduizend keer leuker. Ik vond het de verrassing van 2021. Weliswaar geschreven in het Duits, maar leest desondanks lekker weg.
Naar Instagram boek

WIND van Toneelgroep Jan Vos
Voor dit stuk ben ik in de zomer van 2023 naar Drenthe gereden, naar Eelde, voor een voorstelling in een tent op een weiland vol koeien. Het was een fantastische voorstelling met topacteurs en leuk publiek (inclusief de koeien die buiten met geloei reageerden op de teksten van de acteurs en ons geklap). Waar ging het stuk over? Toneelgroep Jan Vos schuwt actuele maatschappelijke thema’s niet. Hun project WIND is een komedie over de energietransitie. Het zit vol ongelukkige politieke keuzes met grote gevolgen voor de bewoners van een klein dorp waar eerst turf werd gestoken en daarna gas omhoog werd gepompt. Als de inwoners te horen krijgen dat op hun grondgebied een windmolenpark komt, lopen de emoties hoog op.

RECHT van Veenfabriek
In 2023 was het tweede deel RECHT te zien van de drieluik De Klap. In dit drieluik schetste het toneelgezelschap Veenfabriek, hoe professionals zich verhouden tot een ontwrichtende gebeurtenis, de zogenaamde Klap. Het eerste deel, KRANT heb ik in 2022 gezien. Het jaar daarop de voorstelling RECHT waarin het publiek samen met twee juristen in een Haagse nachtclub belandt. Beide juristen werken voor het Internationaal Strafhof en Gerechtshof. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bestaat 75 jaar en zij moeten een speech daarvoor schrijven. Met de whisky op tafel en afgeleid door het entertainment van de nacht proberen deze twee uit alle macht het goede te doen. Acteur Phi Nguyen werd voor zijn rol als één van de juristen, genomineerd voor de Louis D’ Or. En terecht!

De Blankenberge Tapes
Dit is een hoorspel in podcastvorm waarin twee jonge rechercheurs en de broer van één van de slachtoffers (subliem gespeeld door de Vlaamse acteur Johan Heldenbergh) vertellen over de zoektocht naar de daders van twee moordzaken. Het is gewoon een spannende detective, maar de crux zit hem in de acteurs die de personages geloofwaardig neerzetten. Mensen van nu, met een alledaags leven anno nu. Alleen sommige worden vermoord.
Naar podcast

Cryptogram

Al jaren lezen mijn vriend en ik de krant online. Alleen op zaterdag ontvangen we de papieren weekendeditie in de bus. Daar hebben we allerlei redenen voor. Tijdens een lange treinreis leest het wel lekker en soms wil je ook op een terrasje wat te doen hebben als het gesprek aan tafel je niet zo aanstaat. Ach, en met klussen! Met klussen is het altijd handig om een oude krant achter de hand te hebben. Ja, we verzinnen een hoop excuusjes, maar er is maar één echte reden waarom we ieder weekend een puber tegen minimum jeugdloon door weer en wind naar onze brievenbus laten fietsen. Op zaterdag staat het cryptogram in de krant.

door Zwaantje van Klaveren

Mijn vriend en ik sliepen al af en toe met elkaar voordat we gingen daten. En eigenlijk zijn we gaan daten omdat ik erachter was gekomen dat hij een Sinterklaassurprise voor mijn beste vriendin moest maken, maar hij geen idee had hoe hij zijn uitgebreide knutselplan werkelijkheid kon laten worden. In mijn kleine studioappartementje liet ik hem zien hoe je met stroken oude krant, een teil behangplak en hier en daar een kartonnetje, satéprikker of paperclip ongeveer de hele wereld bij elkaar kan knutselen. Terwijl lijmlagen en verfklodders droogden liet hij mij zien hoe je een Sinterklaasgedicht kunt schrijven van literaire kwaliteit, ondanks dat je enige hulpmiddelen de facebookpagina van je slachtoffer en de website van Mick’s Rijmwoordenboek zijn. In de aanloop naar pakjesavond, die overigens gevierd zou worden in het stamcafé waar we elkaar ontmoet hebben, gebruikten we onze getrokken lootjes en escalerende creaties steeds frequenter als excuus om met elkaar af te spreken. Na een tijdje viel er steeds minder te knutselen, en de gedichten dreigden zulke complexe rijmvormen te krijgen dat je ze niet meer kon lezen. Wat dán te doen? De puzzelbijlage lag ongeschonden tussen de repen die vroeger het opiniekatern hadden gevormd. Het cryptogram keek ons uitdagend aan. “Zullen we een poging wagen?” vroeg mijn toen-nog-niet-verkering. Ik had altijd het idee dat die puzzel schier onmogelijk was om op te lossen, al keek je er een jaar naar. Maar waarom ook niet? Anders blijf je maar steeds levensgrote shetlandpony’s papier-machéën.

We realiseerden ons al vlot twee dingen. Eén: cryptogrammakers spreken een taal die je niet in een weekje leert. Twee: volgende week vind je de oplossingen naast het nieuwe cryptogram. Iedere zaterdag spraken we af, en iedere week werden we een beetje beter. Nog geen week na 5 december, was de verkering officieel aan. Pas weken later lukte het ons om zonder hulp een crypto te voltooien. Inmiddels lezen we alle katernen dus digitaal, maar de puzzelpagina reist nog steeds met ons mee. Als we een papieren editie missen vanwege vakantie, dan teken ik de puzzel in ons reisdagboekje uit en schrijf ik de omschrijvingen over. De krant heeft trouwens prima de mogelijkheid om de puzzel digitaal in te vullen, maar dat is toch niet hetzelfde. Met mijn schoonouders, oma, de helft van de stamgasten in ons café en de uitbater ervan, hebben we inmiddels een onofficiële competitie gaande. Hebben jullie hem al af? Bijna niets is zo frustrerend als bij de laatste opgave blijven hangen, er maar één of twee niet weten, terwijl je bijna próéft wat het zijn moet. Het enige wat erger is dan een net-niet-opgeloste puzzel is een cryptogram dat je in één ruk invult. Is deze door de stagiair gemaakt? Wát een teleurstelling! Tot slot is de meest recente les die we leerden over het cryptogram deze. Elke puzzelmaker spreekt een eigen taal. Toen mijn moeder onlangs een crypto uit háár krant voor ons bewaard had, hebben we die na 75 minuten worstelen weer blanco bij haar ingeleverd. Het was alsof we een Sinterklaasgedicht in het Italiaans moesten schrijven. Mick’s Rijmwoordenboek kon ons niet helpen.

Unforgettable Fashion Item

Heb je ooit ergens een fashion item wèl gezien maar niet gekocht en waarvan je tot op de dag van vandaag spijt hebt dat je dat toen niet hebt gekocht? Anke Verbeek hield interviews met een aantal personen die zeer verschillend zijn, maar de liefde voor mode gemeen hebben. Hier is het tweede artikel uit de serie Unforgettable Fashion Item waarin Roos vertelt over het fashion item dat ze maar niet kan vergeten.

door Anke Verbeek

Roos, wat is jouw relatie met mode?
Samen met mijn man ben ik in 1974 begonnen met een modezaak in Den Haag. Mijn man was binnenhuisarchitect. Hij wist heel veel van kleur en had gevoel voor stijl, wat natuurlijk erg belangrijk is in het modevak. We gingen in die tijd iedere zes weken naar Parijs om daar spullen in te kopen, die we in Nederland in de winkel verkochten. We gingen voor leuke merken die de mooiste dingen hadden.

Bracht het modevak je naar allerlei plekken waar je anders nooit zou komen?
O ja, ik ben bijvoorbeeld een keer bij een geweldige modeshow geweest van Jean Paul Gautier, we waren daarvoor uitgenodigd. De show was in een tent in de Jardin des Tuileries bij het Louvre. Verder heb ik gekke feesten meegemaakt in Parijs o.a. op een boot op de Seine. En we gingen soms naar de discotheek Les Bains Douches, die in een voormalig Parijs badhuis zat. Of we aten in een restaurant waar ze bizarre eetstoelen hadden, zelfs een tandartsstoel. Ik herinner me een beurs waar modellen een rondje aan het boksen waren, als promotiestunt van het merk. Dat blijft je allemaal bij, dat vergeet je gewoon niet meer.

Is er een fashion item dat je maar niet kunt vergeten?
Ja, een rood broekpak van het Franse merk Rodier. Het was gemaakt van rode jersey stof. De broek had extreem uitlopende pijpen en deze werd gecombineerd met een heuplang mouwloos gilet van dezelfde rode stof. Er zat een paisley shirt bij in een kleurenmix van rood, oker en blauw. Ik heb het gekocht in 1967 in een boetiek in Amsterdam. Het was de boetiek van Sofie van Kleef, zij was destijds een bekende mannequin en stond in de winkel. Ik had toen een vriendje en wij gingen met z’n tweeën met de trein naar Amsterdam. We zijn twee keer in die boetiek geweest. Tijdens het eerste bezoek heb ik dat broekpak gepast en ik was heel kritisch. Mijn vriendje werd daar helemaal tureluurs van. Ik zei dat ik er toch nog even over moest nadenken. Het broekpak was voor die tijd heel duur. Nou ja goed, we gingen er een tweede keer naartoe en toen heb ik het broekpak aangeschaft. Verder heb ik heb nog een bijpassend paar schoenen gekocht met van die plateauzolen.

Wat maakte het broekpak zo speciaal dat je dacht, ja dit is het?
Rodier was in die tijd een bekend merk met prachtige kleding. Het was de eerste keer dat ik iets van een merk kocht en zo’n uitgave deed. Maar ik vond het broekpak zo mooi, een mooie rode kleur, echt vuurrood.

Heb je dat broekpak nog?
Nee, helaas niet, ik heb het weggedaan. Weet je wat het was met dat pak? Het was van jersey dus als je ging zitten en je had de broekspijpen niet goed omhoog getrokken, dan kreeg je er knieën in. Dus ik bleef altijd staan als ik dat pak aan had. Ik had het ervoor over om te blijven staan, zelfs op die plateauzolen.

Heb je nu dan misschien een vuurrood pak dat daarop lijkt?
Nee, ik heb niets wat lijkt op dat rode broekpak uit de jaren 60. Ik ben iemand die het heel leuk vindt om met de mode mee te gaan en die daar ook gevoelig voor is.

Is er een fashion item waarvan je nog steeds spijt hebt dat je het niet hebt gekocht?
Ja, een ring met een prachtige aquamarijn. Ik was samen met mijn zus op terugreis na een bezoek aan mijn dochter die voor een hotel werkte op de Malediven. Op de luchthaven Malé zag ik in een winkel die ring. Zo mooi, zo prachtig. Ik was helemaal weg van die ring. Maar ik durfde die ring gewoon niet te kopen. Ik heb geen verstand van edelstenen en ik had niemand bij me die kon zeggen of het een echte edelsteen was of niet. Dus ik heb het niet gekocht. Daar heb ik nog steeds spijt van als haren op mijn hoofd.

Waarom heb je er zo’n spijt van dat je die ring niet hebt gekocht?
Ik vond hem gewoonweg ontzettend mooi, zo’n witgouden ring met een prachtige blauwe rechthoekige edelsteen. Het is heel speciaal om zoiets prachtigs te dragen, vooral als het een herinnering is. Ik hou gewoon van mooie spullen en ik denk dat dat nooit overgaat. Of het nu kleding is, juwelen of schilderijen, als iets goed is dan zie je dat ook op de één of andere manier. Je krijgt oog voor dat soort dingen.

Max C. de Waard

Volgens beeldend kunstenaar en architect Max C. de Waard betekent kunstenaar zijn dat je je iets eigen maakt, met verf of met woorden. Zelfs een architect maakt zich iets eigen namelijk gebouwen, Max noemt dat technisch kunstenaarschap. In een interview met POM Magazine’s Giulia Weijerman maken we kennis met deze kunstenaar die boeken schrijft, schildert, muziek speelt én maakt.

door Giulia Weijerman

Max, ik heb een openingsvraag voor je: nooit meer schilderen of nooit meer schrijven?
Op dit moment zou ik ervoor kiezen om dan nooit meer te schrijven. Toen ik nog bouwkunde studeerde vond ik schrijven een manier om diepe emoties te uiten. Gaandeweg kwam ik erachter dat ik veel plezier uit het leven haal door lekker staand te schilderen naast zittend schrijven, want ook schrijven is voor mij nog steeds een manier om emoties te uiten. Als je schildert ben je echt aan de slag, dat vind ik leuk. In de kunst en in de literatuur is het belangrijk een boodschap over te brengen. Als je iets visueel overbrengt met beeldende kunst dan raakt het je of niet. Ik vind het een meer intrinsieke manier van een boodschap overbrengen. Een boek vergt nadenkwerk en eigen verbeelding. Dat vergt een schilderij natuurlijk ook, maar op een schilderij wordt letterlijk het visuele beeld van de kunstenaar neergezet.

Je hebt bouwkunde gestudeerd aan de TU Delft. Komt architectuur in je kunstwerken terug?
In mijn werk kun je zien dat ik veel met perspectief bezig ben. Ik ben afgestuurd op publieke gebouwen, dus half stedenbouwkunde en half architectuur. Ik wilde gebouwen creëren, een plek waar het is fijn is voor mensen om te zijn.

Vind je dat ook voor je kunstwerken belangrijk, dat het een fijn gevoel geeft?
Ja, ik denk het wel. Daarom ben ik ook gaan schilderen in kleur. Daarvóór gebruikte ik eigenlijk alleen maar houtskool en inkt. Een zwart-wit kunstwerk kan soms overweldigend zijn. Kleuren kunnen het voor de kijker prettiger maken. Soms willen mensen een kunstwerk van mij in hun gang of huiskamer. Dat is werk dat ik in opdracht doe. Ik verdien daarmee geld zodat ik met vrij werk mijn visies kan neerzetten. Voor een werk in opdracht moet je nadenken over wat mensen graag willen en hoe een werk een kamer of een gang prettig kan maken. Het schilderij moet de ruimte verbeteren waarbij het nog steeds eigen blijft aan mezelf.

Ben jij streng voor jezelf als kunstenaar?
Ik ben misschien het aller strengste voor mijzelf. Ik vind dat ik bijvoorbeeld nog niet goed genoeg ben om abstracte kunst te maken. Dat is echt een stap te ver voor mij op dit moment. Gelukkig vertrouw ik op mijn initiële gelijk bij een werk, ondanks twijfels of een werk af is bijvoorbeeld. Een werk is nooit af en de kunst is om de knoop door te hakken. Op een gegeven moment moet je gewoon zeggen, dit is het.

Hou je tijdens het creatieproces vast aan het oorspronkelijke idee of verandert dat gaandeweg?
Ik hou me heel erg vast aan de initiële gedachte. Ik kan niet zonder bedoeling aan een werk beginnen. De meeste kunstwerken heb ik gemaakt naar aanleiding van een verhaal, dat is de basis. Dat kan een door mij geschreven verhaal zijn of een verhaal in mijn hoofd.

Je hebt me eens verteld dat de verhalen voor je boeken en je kunstwerken naar je toekomen in dromen. Hoe gaat dat dan?
Ik slaap redelijk slecht omdat ik heel actief droom. Wanneer ik s ’nachts even wakker word kan ik pas slapen als ik de droom heb opgeschreven. Ik schrijf het op omdat het eruit moet. Je dromen zijn een verwerking van je dag of de verwerking van iets anders. Het heeft altijd een betekenis, het komt altijd ergens vandaan.

Uit je daarmee dan in je werk, een kwetsbaar stukje van jezelf?
Dat vind ik sowieso met kunst en literatuur. Het is een expressie van jezelf. Dat maakt je heel kwetsbaar. Als iemand nu aan mijn vraagt wat ik doe, antwoord ik dat ik kunstenaar ben. Het heeft een tijdje geduurd eer ik durfde te zeggen dat ik kunstenaar ben. Dat doe ik pas sinds kort. Sinds een maand of twee heb ik zoiets van, ik ben ook gewoon kunstenaar. Hoe pretentieus het ook klinkt.

Als je jezelf nu vergelijkt met de periode toen je eerste boek uitkwam, is er dan veel veranderd voor jou?
Mijn eerste boek, Pater Patriae, is geschreven in het Engels, dat is mijn eerste taal omdat ik in Engeland op kostschool heb gezeten. Veel mensen hebben zich met pijn en moeite door Pater Patriae heen gelezen. Dat komt het overbrengen van een boodschap niet ten goede, want als je het te moeilijk maakt, dan leest niemand het. Nu, met mijn tweede boek, heb ik de tekst vereenvoudigd zodat mensen het fijn vinden om te lezen. Ik kan wel laten zien wat ik technisch allemaal kan qua schrijven, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom het gevoel over te brengen bij mensen. Dat gaat niet als een lezer niet weet wat het derde woord van een zin betekent, en niet verder komen dan pagina 5. Dan is er geen sprake meer van gevoel bij de lezer, want die moet iets in het woordenboek opzoeken. Sorry, ik wil niet dat mensen mijn boeken lezen met een woordenboek naast zich. Dat heb ik van mijn eerste boek geleerd. Dit is niet pronken, maar toegeven aan mijn tekortkoming om een verhaal duidelijk te maken. Ik wil het daarom herschrijven, want ik geloof nog steeds heel erg in het verhaal. Het is belangrijk genoeg om te herschrijven.

Je schrijft, je schildert, je speelt en maakt muziek. Zijn er nog kunstvormen die je graag zou willen beoefenen of leren?
Volgende week komen twee hoogzwangere vriendinnen bij mij op bezoek en dan ga ik ze beeldhouwen in marmer. Ik heb al eerder gewerkt met speksteen en met graniet. Maar als ik de eer krijg om deze vrouwen te mogen beeldhouwen, dan ga ik dat in marmer doen. Dit wordt het eerste marmer-project.

Met welk werk ben verder nog bezig, of ga je binnenkort mee beginnen?
Ik heb plannen voor een groot doek van ongeveer 150×150 cm. Het wordt een drieluik. Het eerste deel maak ik voor de vader van een goede vriend van mij. Een ander deel gaat over een club in Parijs waar ik ooit was. Dat was de vreemdste avond van mijn leven, een soort koortsdroom tegen een paarse achtergrond. En wellicht dat het derde luik gewijd zal zijn aan een naakt dat ik binnenkort ga schilderen.

De laatste vraag om af te sluiten: wat is jouw meest recente hyperfixatie?
Mijn hyper focus op dit moment is houtskool en inkt, terug naar mijn tekenroots. Houtskool schetsen is voor mij altijd met de brede kant schetsen, zonder gebruik van een potlood. En dan de fijne lijnen van inkt erover heen, met een kroontjespen van mijn opa.

Zou je zo’n werk dan toch abstract kunnen noemen?
Nee, nog steeds niet. Ik ben nog niet klaar voor abstract werk, misschien later, over een paar jaar.

Het werk van Max C. de Waard is te zien op Instagram en in zijn atelier in Amsterdam.

Culinair Chef- Sijbren Bartlema

Sijbren Bartlema is chef-kok van Café/Restaurant Flora, een nieuwe parel in de restaurantkroon van Den Haag, gelegen aan De Constant Rebecquestraat op de zesde verdieping van de voormalige telefooncentrale. Een prima locatie voor Flora, want Sijbren werkt het liefst in restaurants op plekken die niet echt een standaard horecalocatie zijn. In een gesprek met POM Magazine’s Giulia Weijerman vertelt hij over de filosofie in de Flora keuken en welke smaak hijzelf maar niet vergeten kan.

door Giulia Weijerman

Sijbren, je ben chef-kok en samen met je broer Sjoerd eigenaar van restaurant Flora in Den Haag. Waarom is Flora een bijzondere plek voor jou?
Ik woon op zo’n 200 meter afstand van het gebouw waarin Flora is gevestigd. Het is een prachtig, gigantisch pand met een enorm groot, karakteristiek groen uitgeslagen koperen dak. De zon staat altijd op het balkon vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de stad. Er hangt een mystieke sfeer om het pand. We zitten samen met Flora filmtheater op de zesde verdieping, een waanzinnig leuke combinatie. Het zorgt voor een leuk gemixt publiek in ons restaurant.

Heb jij ook een bepaalde filosofie die je volgt in de keuken?
We proberen van de vis, de koe of het varken die op de kaart staan zoveel mogelijk te gebruiken. Er staan groente op de menukaart die mensen niet meer kennen of niet snel zelf zouden klaarmaken. Zo komen onze gasten weer in aanraking met die groente. We proberen zoveel mogelijk met biologische producenten te werken en rekening te houden met de seizoenen. Aan de andere kant moeten we het allemaal niet te groot maken. Het eten moet ook gewoon lekker zijn en je gaat met één restaurant niet de wereld verbeteren. Maar je kunt mensen wel inspireren. Iedereen moet elke dag eten en ik denk dat wij als koks daarom invloed hebben over hoe mensen over eten nadenken

Heb je een voorbeeld van een gerecht op de Flora menukaart dat mensen spannend vinden en niet zo snel zouden kiezen?
Er staat bij ons Vitello Tongnato op de kaart, runder-tong langzaam gegaard met een mayonaise van spekbokking (gerookte haring). Vroeger was spekbokking  veel bij de visboer te vinden, maar het is nu moeilijk te verkrijgen. Veel mensen vinden het spannend om runder-tong te eten. Maar ja, als er dan toch een koe wordt geslacht laten we daar dan zoveel mogelijk van gebruiken, dus ook de tong. Het is een stuk vlees dat super lekker is en mooi klaargemaakt kan worden.

Wat is de inspiratiebron voor jullie gerechten?
Zelf regelmatig uit eten gaan is een hele fijne manier van inspiratie opdoen. Kookboeken zijn voor mij ook nog steeds een bron van inspiratie, maar ook social media. Op Instagram komen dingen voorbij van andere restaurants die super interessant zijn. Leveranciers kunnen me ook op een idee brengen met een prachtig, bijzonder seizoensproduct. Dan gaan we bedenken wat we ermee gaan doen en maken we er een heerlijk gerecht van.

Stop je ook persoonlijke ervaringen met eten in de recepten die je op de kaart zet bij Flora?
Eten kan je terugbrengen naar een bepaald gevoel op een moment in het verleden. Ik heb dat bij paprika’s die op de barbecue gepoft zijn. Ze hebben een specifieke geur en smaak en brengen me terug naar vakanties in Zuid-Europa. Met gegrilde vis heb ik dat ook.

Waar zit dat ‘m in denk je, dat een gerecht je terugbrengt naar een moment in het verleden?
Dat zit ‘m in de geur, de smaak of de opmaak. Althans zo werkt het voor mij. Ik sta de hele dag in de keuken omringd door geuren. Dan komen mijn associaties naar boven en brengen me terug naar het moment en de sfeer toen ik ergens een bepaald gerecht proefde. Ik probeer dat in een gerecht terug te laten komen, maar of dat altijd zo overkomt bij de gasten weet ik niet.

Wat zijn de toekomstplannen voor Flora?
Flora gebruikt maar een klein gedeelte van het pand en we zitten hier op tijdelijke basis. In eerste instantie voor twee jaar, maar we hopen dat we langer kunnen blijven. Uiteindelijk gaat dit pand verder ontwikkeld worden. Ik hoop dat we dan samen met het filmtheater kunnen verhuizen naar een andere mooie locatie, want we willen graag op termijn blijven samenwerken. Maar voorlopig zitten we hier nog eventjes goed.

Ik heb nog één vraag, een afsluiter. Stel dat je nu zou mogen reizen naar één plek om een bepaald gerecht te proeven: iets wat je nog nooit hebt geproefd, of iets wat je eerder hebt gegeten. Wat zou dat gerecht dan zijn en waar zou je dan heengaan om het te proeven?
Er zit een restaurant in Baskenland waar ze alles op open vuur bereiden, het heet Asador Etxebarri. Ik ben heel benieuwd naar hoe ze daar koken. Ze doen alles op de gril, zelfs oesters en kaviaar. Het lijkt me waanzinnig om daar een keer langs te gaan.

Vogels Kijken

Als kunstenaar heb je al snel een bepaalde reputatie hoog -of misschien laag- te houden. Zéker als je graag een biertje gaat drinken in je stamkroeg. En je weet: één bier is geen bier, dus een borrel wordt soms toch een feestje en een feestje loopt best eens uit de klauwen. En kunstenaars, zo zegt men, die zijn een beetje gek.

Ik ben wat dat soort dingen betreft een mens van extremen; go big or go home. Dat betekent naast groots feesten ook flink werken en naast die noeste arbeid ook knalhard relaxen. Tja, wat is er nou extremer dan een zooitje goeie tegenstellingen? Maandenlang 12 uur per dag aan een project werken, weekends incluis? Kan ik. Aansluitend een nachtje doorhalen voor een deadline? Prima, drie nachten als het moet. Natuurlijk niet voor het geld, maar voor de kunsten. Maar na zo’n deadlineseizoen kan ik ook schaamteloos lanterfanten. Wékenlang afwisselen tussen sauna, dierentuin en luie stoel. Dan een avondje kroeg en dat alles weer in de herhaling. Heerlijk! Mijn ruige kunstenaarsimago moest dan ook een lullige, oubollige tegenhanger hebben. Mijn vriend haakt gelukkig graag aan. Steeds vaker maakt een kroegentocht plaats voor een kilometerslange ochtendwandeling door bos of duin. Of met een kop koffie in de hand op een stoel voor een raam zitten. Wat doen we dan? Vogels spotten.

Ik zeg geen vogels kijken, dat klinkt te professioneel. Niet dat we geen mees van mus kunnen onderscheiden, maar een roofvogel die groter is dan een valkje heet bij ons al snel een buizerd. We leren er desondanks ieder jaar weer een paar soorten bij. Hoe meer we ervan weten, hoe leuker het wordt. Hoe het begonnen is, weten we niet precies, maar we zijn inmiddels lid van de Vogelbescherming en zitten jaarlijks te turven tijdens de Nationale Tuinvogeltelling. We monteerden onlangs een vogelvoederbakje aan ons raam. Bij iedere kool- of pimpelmees die er landt kijken we tevreden op. Het dikste exemplaar noemen we liefkozend de spekmees, alsof het om een soort vliegende slavink gaat. Als er een roodborstje op ons bakkie landt, gaat er nog net geen gejuich op: een róódborstje! Bij het zien of horen van een nijlgans, onderweg naar één van onze wandellocaties, fluisteren mijn vriend en ik elkaar steevast toe dat dat een gunstig voorteken is. Of het een mooie wandeling of een borrel na afloop belooft, laten we in het midden, maar gunstig is het.

Vorige week liep ik door het park naar de supermarkt en zag ik in de verte een buizerd vliegen – ja ja, ik weet het, misschien was het een havik. Dolenthousiast versnelde ik mijn pas. Ik wist zelfs een wiebelig filmpje te maken van hoe het beest de Groene Kruisweg overvloog. Filmpje op de app, vriendlief ook weer in zijn nopjes. Terwijl ik langs een bushalte stiefelde dacht ik dat dit wel het hoogtepunt van de dag moest zijn geweest. Op dat moment hoorde ik een roffel, vertraagde mijn pas, keek omhoog. Wéér een roffel, het moest een specht zijn! Uiteindelijk stond ik stil, één been in een plantsoen, boodschappentas in de ene hand terwijl ik met de andere hand boven mijn ogen de takken één voor één afspeurde, een enthousiaste grijns op mijn gezicht. Zo liep ik steeds dieper door de bosjes. Daar! Een grote bonte specht, kijk toch! Ik kon een schaterlach niet onderdrukken.
Ik keek op toen de bus aan kwam rijden. Zes paar ogen keek snel een andere kant op. Een kind vroeg iets aan een volwassene, die op zijn beurt tegen zijn voorhoofd tikte. Dat ik nog naar boven wees en ‘Een specht!’ riep terwijl ik uit het plantsoen klom maakte het geloof ik alleen maar erger. De bus draaide de Groene Kruisweg op en reed, achter de korsakovkliniek langs, uit het zicht.

Ach, ik heb een reputatie hoog -of laag- te houden.
Kunstenaars… die zijn een beetje gek.

Dutch Fashion-Moofers Clothing

Een paar jaar geleden deed POM Magazine’s Anke Verbeek een interview met Jennifer van Haastert, ontwerper van Moofers Clothing en eigenaar van Moofers Fashion & Salon. In Den Haag is Moofers ondertussen een begrip en overal zie je mensen de typische Moofers designs dragen. Anke Verbeek interviewde Jennifer in de winkel aan de Haagse Toussaintkade om erachter te komen hoe het nu staat met de Moofers look en wat de toekomst voor Moofers in petto heeft.

door Anke Verbeek

Drie jaar geleden heb ik hier in dit pand een interview met je gedaan over jouw label Moofers. Wat is er sindsdien met Moofers allemaal gebeurd?
Toen we elkaar spraken in 2022 waren we net verhuisd van de Kazernestraat bij de Denneweg, naar dit pand aan de Toussaintkade. De nieuwe locatie brengt Moofers wat ik gehoopt had dat het zou brengen. Alle klanten van de Kazernestraat komen nu ook naar deze locatie. Er zijn veel nieuwe klanten bijgekomen sinds we hier zitten, veelal uit het Zeeheldenkwartier dat hierachter ligt. Maar ook expats behoren tot de vaste klantenkring. Verder komen veel toeristen en dagjesmensen in de winkel.

En wat is er met het modelabel allemaal gebeurd in de afgelopen drie jaar?
We besteden nog meer aandacht aan de pasvorm. Verder werken we nu met leveranciers die ons de allermooiste stoffen leveren van de grote Franse en Italiaanse modehuizen. De ontwerpen die gemaakt zijn van deze prachtige stoffen hebben natuurlijk de typische Moofers uitstraling.

Hoe zou je die Moofers uitstraling beschrijven?
Klassiek met een edge. Moofers kleding is gemaakt van de mooiste kwaliteitsstoffen. Het is praktisch om te dragen en goed te combineren met items uit zowel de huidige collectie als vorige collecties. Maar klanten kopen onze kleding ook om zichzelf cadeau te doen, een cadeau gemaakt van luxueuze stoffen.

Zijn er Moofers designs die de afgelopen jaren een vast onderdeel zijn geworden van elke collectie?
Zeker, er zijn basis stukken die elk jaar in de collectie terugkomen. De kasjmier-blend coltrui met de typische brede Moofers col, is zo’n vast item. Daar komen mensen keer op keer voor terug. Andere vaste spelers zijn onze flared broek en de straight-leg broek. Die zitten in iedere collectie, maar wel steeds in een andere stof.

Wat is de inspiratiebron voor jouw Moofers ontwerpen?
Dat kan van alles zijn. Het is meestal een sfeer die ik ergens voel en zie. Het kan een stof zijn, een kleur of een vorm. Het zijn beelden die in mijn hoofd binnenkomen, die sla ik als het ware in mijn hoofd op.

Zijn klanten voor jou een inspiratiebron?
Zeker. In onze collectie zit een plooirok die geïnspireerd is op een jurk die een klant droeg toen ze hier de winkel binnenkwam. Ik vond het fantastisch hoe die jurk viel en dan met name het rok-gedeelte. Dat heb ik laten terugkomen in het ontwerp van een A-lijn plooirok die net over de knie valt. Die rok zit nu in de lente/zomer ‘25 collectie en we hebben hem eerder in een winter variant gehad. Afhankelijk van de schoenen en tops die je erbij draagt geeft die rok een casual-, business- of feestelijke look.

Leg je jouw inspiratie ook ergens vast?
Ik schrijf het allemaal op. Op een gegeven moment pak ik de lijst erbij met alles wat ik heb opgeschreven. Dan ga ik in mijn hoofd een hele collectie vormgeven. In elke collectie probeer ik zoveel mogelijk momenten in iemands leven mee te pakken. Je gaat naar je werk en dan heb je een jas nodig. Je hebt kleding voor je werk nodig, de ene keer mag het casual zijn, de andere keer formeel en soms ga je ‘s-avonds naar een feestje. Afhankelijk van het seizoen ga je naar het strand of op vakantie. Dat neem ik allemaal mee in de ontwerpen.

De locatie aan de Toussaintkade is meer dan een winkel, het is ook een salon. Hoe gaat het met de salon?
Het gaat prima met de salon. We organiseren jaarlijks een paar events, de locatie leent zich daar goed voor. We hebben inmiddels een kring van kunstenaars die hier hun kunst tentoonstellen. Elk jaar organiseren we één à twee events waar kunstenaars vertellen over hun werk dat klanten hier kunnen zien. Heel gezellig, met hapjes en drankjes. Verder organiseren we voor elke collectie altijd een sneak peek. Ik laat dan de kleding samples zien van de aankomende collectie, die klanten dan ook even kunnen passen. Samen met sieradenontwerper, Marloes van der Toorn, hebben we veel events gedaan voor de introductie van elke nieuwe collectie van haar label, MVDT. En in september 2024 hebben we voor het eerst een archive sale gedaan, dat een groot succes was.

Wat zijn je plannen voor Moofers voor de komende jaren?
Dit jaar gaat een winkel het Moofers label voeren, niet een nieuwe Moofers winkel maar een bestaande modewinkel buiten Den Haag.

Je gaat dus buiten deze winkel het Moofers label verkopen?
Klopt. Dit jaar met één winkel en volgend jaar aanvullen met twee of drie winkels in Nederland. Ja, een hele spannende volgende fase. Nu doe ik in de winkel alles zelf: de inkoop, de verkoop, het ontwerpen en alle praktische business zaken. Maar dat kan niet meer als we ons label in andere modezaken gaan verkopen.

En hoe ziet de toekomst van Moofers er verder uit?
Ik wil graag dat Moofers nog meer bekend staat als een kwaliteitslabel waar duurzaamheid voorop staat. Duurzaamheid is voor mij iets wat altijd op nummer 1 staat. Moofers is daarom ook een merk van het nu én de toekomst met kleding die heerlijk zit en gemaakt is van prachtige, duurzame kwaliteitsstoffen.

The Creative Technologist

In een interview met Nahuel Gerth vroeg POM Magazine’s Giulia Weijerman hoe hij zichzelf graag voorstelt aan anderen: als kunstenaar, grafisch ontwerper of als programmeur? Nahuel Gerth heeft een manier gevonden die alle drie rollen met elkaar verbindt. Hij komt oorspronkelijk uit Duitsland maar woont nu in Tsjechië, waar hij voor klanten veel commerciële opdrachten doet. Maar zijn Instagramvolgers kennen hem vooral van humoristische posts. Giulia Weijerman interviewde Nahuel en probeerde erachter te komen waarom deze duizendpoot zichzelf het liefst voorstelt als “Creative Technologist”.

Door Giulia Weijerman

Nahuel, als je zou moeten kiezen tussen nooit meer iets creëren of nooit meer online, wat zou je dan kiezen?
Ik denk dat ik dan zou kiezen voor nooit meer online. Creëren is iets heel essentieels voor mij, het is een manier om gedachten te uiten. Onlangs had ik met een aantal mensen een discussie over de vraag of er een verband is tussen geluk en je werk. We kwamen tot de conclusie dat het gemakkelijker is om gelukkig te zijn in je werk met een baan in de creatieve sector. Maar jouw vraag is lastig, het blijft een moeilijke keuze. Het creatieve proces is zo vervlochten met het internet. Ik moet in mijn werk vaak programmeren en gebruik veel code. Daarvoor doe ik op internet veel onderzoek. Maar het internet is ook een inspiratiebron voor mij. Het speelt een belangrijke rol in wat ik maak en hoe ik kijk naar de wereld.

Je noemt jezelf een Creative Technologist. Hoe word je een Creative Technologist?
Van kleins af aan tekende ik stripfiguren. Mensen waarschuwden mij dat je met striptekenen geen droog brood kunt verdienen. Ze adviseerden om iets anders te gaan doen. Een studie Communication Design leek me een mooi alternatief. Communication Design richt zich voornamelijk op commerciële communicatie. Met creative coding heb ik een manier gevonden waarmee ik mijn nieuwsgierigheid de vrije loop kan laten gaan, zomaar, zonder doel of reden.

Wat betekent het om een Creative Technologist te zijn?
Het betekent dat ik verhalen vertel die ik op een visuele manier communiceer, met gebruik van IT technologie. Ik hou wel van de term Creative Technologist. Het dekt zowel artistieke als commerciële communicatie. Het is een beetje vaag, maar geeft toch wel een idee van wat ermee wordt bedoeld.

Welke rol speelt creative coding in jouw werk?
Met de standaard tools krijg je doorgaans alleen maar statisch werk. Als het werk eenmaal af is, verandert het niet meer. Met creative coding kun je een grafisch werk interactief of reactief maken. In plaats van toetsenbord en muis, kun je zelfs je eigen lichaam gebruiken om met een website te communiceren. De website reageert dan op lichaamsbeweging. Deze methode gebruik ik vaak in mijn werk. Het is begonnen met letters die kris kras over het computerscherm vliegen wanneer ik met mijn vingers langs het scherm beweeg. Met dit soort grappige dingetjes probeer ik zoiets abstracts als IT technologie begrijpelijker te maken voor het publiek. Het is inmiddels uitgegroeid tot een nieuwe manier van communiceren. Je gebruikt als het ware je lichaam als interface om verbinding op te zetten met je computer. Daarmee koppel je iets digitaals met iets fysieks.

Gebruik je Artificial Intelligence (AI) in je werk?
Ik maak veel gebruik van AI voor mijn commerciële- en artistieke werk. Als ik geen idee heb waar of hoe ik moet beginnen met een ontwerp, schakel ik AI in. Ik vertel aan het AI programma wat mijn zorgen zijn of ik leg het eindresultaten uit dat ik voor ogen heb. AI is voor mij als een heel slim iemand aan wie ik altijd mijn vragen kan stellen. Ik krijg soms hele goede aanbevelingen die me verwijzen naar allerlei onderwerpen die ik dan samen met AI verder kan onderzoeken. Heel praktisch dus, want het bespaart me veel tijd.

Hoe zie jij de digitale toekomst?
Ik ben een groot fan van de schrijver Yuval Harari, hij schrijft onder andere over de geschiedenis van de mensheid. Wat me is bijgebleven is dat biologisch gezien het menselijk lichaam nog steeds geschapen is voor het stenentijdperk. Ons lichaam is ervoor gemaakt om mijlenver te lopen in de buitenlucht, voedsel te verzamelen, te rennen tijdens de jacht, om vervolgens met je familiekring om het kampvuur te zitten. Dat is precies het tegenovergestelde van hoe we nu leven. We zitten de meeste tijd ergens op kantoor en we zien onze familie niet zo vaak als we zouden willen. Ik zou het fantastisch vinden als we een manier vinden om weer in contact te komen met de natuur. Daarmee zeg ik niet dat we geen technologie meer mogen gebruiken. We moeten proberen een manier van leven te vinden waarvoor we oorspronkelijk geschapen zijn en weer in verbinding komen met onze omgeving. Maar met behoud van alles wat technologie mogelijk maakt.